|
|
|
| |
| | | |
Voorwoord bij de studenteneditie
Dit boek is indertijd niet geschreven om als studielectuur te worden
voorgeschreven, maar om te midden van duizenden andere titels eerst een uitgever
en vervolgens zijn lezers te vinden. Met die lezers is het goedgekomen.
Inmiddels is dit boek vertaald in het Spaans, Duits en Frans en in het
Nederlands. Oorspronkelijk had ik het in het Engels geschreven. De Nederlandse
vertaling kwam mij dan ook vreemd voor: het waren wel mijn gedachten en het was
ook wel mijn taal, maar het waren niet mijn woorden. Zo moet iemand zich voelen
die zichzelf in een film ziet, maar dan gespeeld door een ander: je bent het
wel, maar het blijft een vreemde. Met de vertaler heb ik net zo lang verbeterd
tot er stond wat ik zeggen wilde.
Deze studenteneditie is identiek aan de oorspronkelijke uitgave, op dit voorwoord
na. Het boek heeft al jaren geleden zijn weg gevonden naar universiteiten en
hogescholen. Maar wie denkt aan een studieboek, die denkt toch meteen aan
verplichte kost, aan leeslijst en tentamens, aan studiezin en plichtsbesef.
Hoe heeft het zo ver kunnen komen?
Dat heeft alles te maken met de opkomst en de verbreiding van het onderwijs,
eerst nog vooral voor jonge kinderen, later ook voor opgroeiende jongeren, en
uiteindelijk voor een groot deel van de jonge volwassenen. Steeds meer mensen
werd zo de mogelijkheid geboden om tien, twintig jaar lang onderwijs te volgen.
Maar wat eerst een mogelijkheid was voor enkelen werd zo op den duur een
noodzaak voor iedereen. Want wie geen diploma's heeft maakt weinig kans op de
beter betaalde en interessantere functies. Zo is studeren voor de meesten toch
dure plicht geworden.
Maar uit dit Voorwoord wordt niet gevraagd. Het kan dus
gevoeglijk worden overgeslagen. Maar nu ik die aandacht eenmaal heb, zal ik
proberen de lezer nog zo'n driehonderd bladzijden bij de les te houden. Opgelet.
Dit boek gaat over de verzorgingsstaat en zijn lange voorgeschiedenis van
armenzorg, onderwijs en gezondheidszorg in de Nieuwe Tijd, die de afgelopen vijf
eeuwen beslaat. Maar dit is geen geschiedenisboek. Het is een
historisch-sociologische studie. De bevindingen van de vakhistorici worden hier
geordend met behulp van sociologische theorieën en begrippen. Dat is een
omstreden werkwijze. Geschiedkundigen hebben soms bezwaar tegen zo'n ordening
van omvangrijk historisch materiaal in al zijn | | | | verscheidenheid binnen
de strakke kaders van het sociologisch begrippenapparaat. En anderzijds geldt in
de sociale wetenschappen een voorkeur voor de bestudering van de eigen tijd en
bestaat er een weerstand tegen het onderzoek van ontwikkelingen op de lange
termijn, zoals dat hier is ondernomen. Maar in de gebeurtenissen die hier
beschreven zijn, hoe rijk geschakeerd en soms grillig ook, is een patroon te
onderkennen: de veranderingen vertonen een structuur. In de loop van vijfhonderd
jaar heeft zich een proces voltrokken: het collectiviseringsproces.
In dit boek doet zich nog een tweede confrontatie voor, en wel die tussen twee
sociaal-wetenschappelijke scholen. De ene richting is die van de
individualistische theorie van de rationele keuze, waarin het gaat om de
enkeling die vooral op eigen voordeel uit is. In de andere richting gaat het
juist om de verhoudingen tussen mensen in onderlinge samenhang, en in gedurige
en gestructureerde verandering. Met het kernbegrip van het
collectiviseringsproces zijn deze beide benaderingen te zamen te brengen. En ook
deze poging tot synthese heeft in beide kampen weerstand en instemming
opgeroepen.1
Dit boek heeft dan ook heel wat discussie uitgelokt. De belangrijkste kritiek
verscheen in de vaktijdschriften. Wie nog eens dieper op de materie in wil gaan
kan daar de argumenten en de tegenargumenten vinden.2 Ik ga hier niet nog eens uitvoerig
mijn gelijk halen, dat heb ik daar al gedaan. Maar wat zijn nu de voornaamste
geschilpunten die in de kritiek naar voren komen?
| | | |
Ik zou er te zeer van uitgaan dat mensen hun eigenbelang nastreven. Nu komt dat
woord ‘eigenbelang’ in het hele boek maar één keer voor, en dan nog in een
citaat; ik zing het lied van het egoïsme blijkbaar als Papageno: met het slot op
de mond. Maar over belangen gaat het wel degelijk. Ik ga ervan uit dat mensen in
het algemeen ‘waakzaam’ en ‘beramend’ zijn, ook eenvoudige, gelovige, gevoelige
en behoudende mensen. Wanneer het er voor hen echt op aankomt zullen ze goed
opletten dat hun overlevingskansen niet geschaad worden. Boeren passen op hun
land, arbeiders op hun loon en winkeliers op hun winkel. En bovendien, wanneer
hun bestaansbelangen in het geding lijken, dan zinnen ze op de best mogelijke
manier om hun positie te behouden of zelfs hun levensomstandigheden te
verbeteren. Dat wil nog niet zeggen dat ze de rationele, berekenende strategen
van hun eigen voortbestaan zijn, maar wel dat ze op de beslissende momenten
opletten en nadenken. De lezer, die zelf vast ook een mens is, en heel wat
mensen kent, kan om te beginnen uit eigen ervaringen nagaan of ik de mensheid te
hard en te sluw voorstel. Maar dat is niet genoeg. Zo'n methodologisch
uitgangspunt moet aannemelijk gemaakt worden met verder historisch en eigentijds
onderzoek.
Met het eerste verwijt hangt een ander bezwaar samen: ik zou te weinig oog hebben
voor de drijvende kracht die uitgaat van geloofsbeginselen, doe onvoldoende
recht aan de macht der gewoonte en geef te weinig gewicht aan de drang van het
gevoel.
Daar zit wel wat in. Inderdaad telde voor de middeleeuwers de christenplicht van
de liefdadigheid zwaar. Maar leefden ze ernaar? Soms, maar meestal niet. De
meeste mensen hielden er wel principes op na, maar ze hielden zich er niet
altijd aan.
Uiteraard, mensen zijn ook gewoontedieren. En ze zullen gewoontegetrouw aan de
armen gegeven hebben, vooral aan nabije, verwante en vertrouwde behoeftigen.
Maar hoe stonden ze tegenover verre, vreemde, ongezeglijke, ziekelijke en
bedreigende armen, waar ze niet aan gewend waren?
Natuurlijk lieten mensen zich soms gaan in een emotionele opwelling, bijvoorbeeld
van medelijden, misschien toen nog wel vaker dan nu. En even sterk waren hun
aanvallen van afkeer, woede en minachting voor allerhande vreemd en haveloos
gespuis. Gevoelens gaan nu eenmaal vele kanten op.
De vraag die ik stel is een andere: konden mensen wel naar hun liefdadige
beginselen en gebruiken leven, en hun gevoelens van mededogen volgen als het er
echt op aankwam? En het antwoord luidt: ‘nee’. Of beter, het hangt ervan af hoe
de anderen zich gedragen. Iemand kan niet individueel liefdadig en vrijgevig
zijn. Hij haalt zich alle behoeftigen aan. En op is op. | | | | Mensen
moeten er op kunnen rekenen dat anderen eveneens vrijgevig zullen blijken.
Alleen dan is het mogelijk de armen ook op termijn te onderhouden.
Ik heb iets te zeggen dat eenvoudig is en nieuw; de eenvoud maakt dat soms over
het nieuwe heen gelezen wordt. Tot zover de lotgevallen van het boek in de
kritiek. Maar wat zijn sinds 1988, het jaar van verschijning, de lotgevallen
geweest van de verzorgingsstaat in de crisis?
Hoe dichterbij de gebeurtenissen komen, des te moeilijker zijn ze te beoordelen.
Des te meer zijn de tijdgenoten zelf partij in de controverses van het moment.
Van dag tot dag lijkt het of de sociale zekerheid als een dufgeslagen bokser
rondwankelt in de politieke arena. Maar hoe is het de verzorgingsstaat vergaan
over een langere periode, niet van weken of maanden, maar van de laatste tien
jaar.
In grote trekken geldt de constatering uit het slothoofdstuk nog steeds: de
snelle groei van de verzorgingsarrangementen kon niet altoos doorgaan, anders
zou op een gegeven moment het hele nationale inkomen als premie worden geïnd en
als uitkering weer worden herverdeeld. De uitbreiding werd dus, vaak met veel
pijn en strijd, tot staan gebracht. Voor de verzorgingsstaat begon een fase van
consolidatie.
Daar bleef het niet bij. Een aantal verzorgingsarrangementen werd ingekrompen, de
uitkeringen werden verlaagd, of de trekkingsrechten werden opgezegd. Vaak bleek
dan na verloop van tijd dat de ene bezuiniging werd goedgemaakt door de andere
verruiming. Er werd wel veel gekneed en geknepen, maar per saldo niet zoveel
gesnoeid en gesneden.
In veel landen hielden de sociale voorzieningen die samenhingen met het
arbeidsverleden het beste stand. Daar was immers hard voor gewerkt, de mensen
vonden dat ze er recht op hadden en gunden het een ander ook. Ze waren bereid en
in staat om voor die rechten op te komen, als kiezers en als werknemers. Toch is
ook op die regelingen in de afgelopen jaren soms fors bezuinigd. En meer en meer
worden de sociale verzekeringen overgeheveld naar particuliere verzekeraars, al
blijft de staat de voorwaarden dicteren.
De meest gevestigde beroepen en de langst bestaande verzorgingsarrangementen
bleken het meest weerbaar. De medici en de verpleging zijn goed georganiseerd en
sterk vertegenwoordigd in politieke kringen; de gezondheidszorg heeft goed
standgehouden. Het onderwijs is ook al van oudsher georganiseerd in vakbonden,
schoolbesturen en ouderverenigingen, met talrijke uitlopers naar politieke
partijen en departementen; het heeft zich dan ook goed weten te weren.
Het meest bedreigd zijn de uitkeringen die niet gekoppeld zijn aan de
arbeidsloopbaan. Dus allereerst de sociale bijstand. Vooral in Engeland en | | | | de Verenigde Staten is daarop beknibbeld. Ook daar blijkt dat wat de
ene hand afneemt, de andere hand vaak weer uitdeelt met alternatieve regelingen.
Maar dan is het wankel bestaansevenwicht van de maatschappelijk minst weerbaren
al verstoord.
Nu de dreiging van het communisme is weggevallen, lijkt ook het gevaar bezworen
van een radicale arbeidersbeweging die bij voorbaat moet worden afgekocht met
een ruimhartig sociaal compromis. De westerse staten hebben geen vijand meer en
daarom zijn ze voor hun burgers ook niet meer zo dringend nodig en zo dwingend
aanwezig. In de afgelopen jaren zijn her en der allerlei belemmeringen opgeruimd
voor het vrij verkeer van goederen, personen en kapitaal. Producten die in verre
landen voor lage lonen zijn geproduceerd, worden hier verkocht tegen prijzen
waarvoor ze door westerse arbeiders met de hier geldende lonen niet meer gemaakt
kunnen worden. Bovendien melden zich in die westerse landen immigranten uit
verre streken die bereid zijn voor hetzelfde geld of voor veel minder hetzelfde
of het minder geachte werk te doen. En ten slotte kunnen ondernemers steeds
gemakkelijker hun kapitaal investeren in die veraf-gelegen landen om te
profiteren van de veel lagere productiekosten daar. Door die driewerf verhevigde
internationale concurrentie komen de arbeidslonen in de rijke westerse landen
onder zware druk te staan. Het ligt dan voor de hand om op de arbeidskosten te
besparen door vermindering van de sociale premies en dus door bezuiniging op de
sociale uitkeringen. Vandaar. Maar dit is pas de eerste ronde in de redenering.
De internationale concurrentie leidt tot een internationale herverdeling van
arbeid en kapitaal, en tot spreiding van informatie en expertise. Op de lange
termijn heeft dat ook voordelen. Maar in deze fase van schoksgewijze aanpassing
vallen die veel minder op.
Maar dit gaat al aan het onderwerp van dit boek voorbij en sluit aan bij de
slotzin: zal het collectiviseringsproces dat in deze eeuw het niveau van
nationale staten heeft bereikt zich straks ook op wereldniveau doorzetten? Dat
is nog steeds de vraag.3
|
1Zie bijvoorbeeld de driehoeksdiscussie
met vertegenwoordigers van de twee sociaalwetenschappelijke richtingen naar
aanleiding van mijn ‘Rationele keuze als proces; Nut en onnut van de formele
theorie in de historische sociologie’: Siegwart Lindenberg, ‘“Low evidence”
situaties in de sociale en historische wetenschappen; Rationele keuze als
heuristiek’ en Johan Goudsblom, ‘Rationele keuzes en andere keuzes;
Kanttekeningen bij het rationele-keuze model’, gevolgd door mijn ‘Nawoord’
in Amsterdams sociologisch tijdschrift 22.4, maart
1996.
2Zie
voor de Nederlandse discussie bijvoorbeeld de bijdragen van Siep Stuurman en
Hans Achterhuis met mijn weerwoord in Krisis 40, 10.3,
september 1990; de beschouwing van Rob Hagendijk over de ontvangst van Zorg en de staat en de kritieken van Ton Nijhuis en Gerard
de Vries met mijn repliek in Kennis en Methode, 14.3,
1990; de artikelen van Percy Lehning, Anton C. Hemerijck, F.L. van Holthoon,
J.A.A. van Doorn, W. Albeda en Romke van der Veen in Beleid en
Maatschappij, 17.5, september/oktober 1990; de recensies van Jaap
Dronkers en Wil Arts in Mens en Maatschappij, 65.2, mei
1990; Gabriël van den Brink in Socialisme en Democratie
46.12, december 1989; Stefan Hoegen in Amsterdams Sociologisch
Tijdschrift 16,4; E. Jonker in Tijdschrift voor
Geschiedenis, 104.3, 1991; M. Santema in Pedagogische
Studieën, 67.4, april 1990; Karel Soudijn in Psychologie 2, februari 1990; en de bespreking door C.J.M. Schuyt
in zijn opstellenbundel Het hart van de verzorgingsstaat.
Leiden: Stenfert Kroese, 1991.
3Dat is ook de richting waarin ik
ben doorgegaan: hoe hebben zich de ontwikkelingen die in dit boek zijn
getraceerd van dorpsniveau tot nationaal niveau al dan niet doorgezet op
mondaal niveau? Over een transnationaal sociaal beleid: ‘De verzorging in
het teken van het kapitaal’; over de mondialisering van de cultuur in ‘Alles
is in beginsel overal’ en over de rivaliteit tussen wereldtalen: ‘Het
Nederlands in het Europese talenstelsel’, alledrie in mijn bundel Perron Nederland. Amsterdam: Meulenhoff, 1991; over de
transnationale verbreiding van gevoelens voor verre vreemden: ‘Identficatie
in uitdijende kring’ in Amsterdams sociologisch
tijdschrift 20.3, januari 1994; en ten slotte ‘De sociologische studie
van de transnationale samenleving’ in N. Wilterdink en J. Heilbron (red.)
Mondialisering; de wording van de wereldsamenleving
[speciaal nummer van Amsterdams Sociologisch Tijdschrift
22.1 juni 1995].
|
|