|
|
|
| |
| | | |
· I · Inleiding
In moderne samenlevingen is de zorg voor zieken, het onderricht aan onwetenden en
het onderhoud van behoeftigen een collectieve aangelegenheid geworden: het
werkterrein van een bureaucratisch bestuur onder beheer van de nationale staat.
Dit boek gaat over de collectivisering van gezondheidszorg, onderwijs en
welzijn, maar in een ongebruikelijk perspectief en met een ongewone reikwijdte.
Het perspectief is dat van de vergelijkende historische sociologie en van de
theorie van collectieve actie; de beschouwing reikt van middeleeuwen tot heden,
en omvat ontwikkelingen in Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Nederland en
de Verenigde Staten.
De produktie van collectieve goederen is het onderwerp van de welzijnseconomie en
wordt daar in het algemeen los van de historische context behandeld. Hier ligt
de nadruk op het collectiviseringsproces zoals dat zich in de loop van de
geschiedenis voordeed in de samenlevingen die in dit boek aan de orde zijn.
Geschiedkundigen en sociologen hebben de gezondheidszorg, het onderwijs en de
welzijnszorg onderzocht in hun sociaal en historisch verband, maar zonder veel
aandacht te besteden aan de dynamiek van de collectivisering waarmee zich de
opkomst van de huidige verzorgingsstaat voltrok. Deze studie behelst een
historisch verslag, nu en dan gedetailleerd, maar steeds in termen van een
specifiek theoretisch model van collectieve actie.
Een boek als dit berust in hoge mate op de bevindingen van anderen; het ontleent
zijn belang niet zozeer aan de ontdekking van nieuwe feiten, maar aan de
onderlinge confrontatie van ontwikkelingen in opeenvolgende perioden, in
verschillende sectoren en in verschillende landen; daarbij worden verbanden en
overeenkomsten zichtbaar die meer specialistische auteurs vaak ontgaan zijn. Bij
de keuze van de te vergelijken landen was de eerste overweging of er voldoende
literatuur beschikbaar was. Vandaar de keuze van Groot-Brittannië, Frankrijk,
Duitsland en de Verenigde Staten. Nederland werd opgenomen omdat de literatuur
over dit land voor deze Nederlander toegankelijk is maar in het buitenland
vrijwel onbekend; de vergelijking van Nederland met andere landen is voor de
Nederlandse lezer van speciaal belang.
Als richtlijnen bij het onderzoek golden: raadpleeg geen primaire bronnen,
vermijd monografieën, bestudeer vooral boeken die minstens één institutioneel
terrein in één land over een langere tijdsspanne behandelen, raadpleeg waar
mogelijk vergelijkende studies over meerdere terreinen of meerdere landen, en
zoek in de literatuur steeds naar het sociaal-historisch of sociologisch
perspectief.
| | | |
De vraag die deze studie moet beantwoorden luidt: Hoe en waarom
kwamen mensen ertoe om collectieve, nationale en bindende regelingen te
treffen ter bestrijding van tekorten en tegenslagen die hen toch elk
afzonderlijk raakten en die individuele remedies leken te vereisen?
Tweeërlei gedachtengangen, voortgesproten uit twee uiteenlopende intellectuele
tradities, leiden samen tot het antwoord. De ene heeft betrekking op het begrip
‘externe effecten’, zoals dat in de welzijnseconomie wordt gehanteerd. In de
context van deze studie verwijst die term naar de indirecte gevolgen die iemands
tekort of tegenslag kan hebben voor anderen die er niet rechtstreeks door worden
getroffen. Dit begrip vormt de verbinding met een meer formaliserende analyse
van uiteenlopende maar interdependente groepsbelangen. De andere gedachtengang
is verbonden met de historische sociologie van Norbert Elias en zijn klassieke
voorgangers, en heeft betrekking op de uitbreiding en intensivering van de
‘menselijke interdependentieketens’ in de loop der tijd; in deze benadering
staat het begrip ‘menselijke figuratie’ centraal.1 Een
‘figuratie’ is een gestructureerd en veranderend patroon van interdependente
mensen. De term wordt hier als een attenderend begrip gebruikt, dat zowel
‘proces’ als ‘interdependentie’ uitdrukt en betrekking heeft op afzonderlijke
mensen én de verbanden die zij met elkaar aangaan. Het begrip ‘gegeneraliseerde
verafhankelijking’ draagt bij tot de verklaring van veranderende omgangsvormen
en ervaringswijzen in termen van omvattende sociale transformaties op lange
termijn. Veranderingen in de houding van de maatschappelijk gevestigden ten
opzichte van de armen worden in deze studie verklaard door verschuivingen in de
balans van onderlinge afhankelijkheden die het resultaat zijn van de vorming van
nationale staten en de opkomst van het kapitalisme. Met andere woorden: de
welzijnseconomie wordt gebruikt om complexe constellaties van interdependenties
te analyseren, en de historische sociologie om de werking van externe effecten
in de feitelijke ontwikkeling van samenlevingen vast te stellen.
Statenvorming, de opkomst van het kapitalisme en de processen van urbanisatie en
secularisatie die daarmee gepaard gingen vormen in deze studie de verklarende
historische achtergrond. Staten, in onderlinge wedijver, vormden bureaucratische
netwerken waarin mensen opgenomen werden als belastingbetalers, rekruten,
studenten, patiënten, uitkeringstrekkers en kiezers, en waarin zij omgevormd
werden tot burgers in de moderne zin van het woord. Kapitalistische ondernemers,
ook al in wederzijdse concurrentie verwikkeld, zetten fabrieken op en vormden
markten waarin mensen in netwerken van produktie en ruil met elkaar verbonden
waren als arbeiders en consumenten. Dit alles bracht een toenemende
interdependentie teweeg, en nieuwe, verderreikende externe effecten van de
tekorten en tegenslagen van de een op de levens van anderen. De conflicten die
hieruit voortkwamen, leidden tot verschuivingen in de groepsloyaliteiten en tot
een nieuw besef van de wijze waarop zulke veranderende | | | | groepsbelangen op elkaar konden ingrijpen.
De interdependentie tussen rijken en armen, tussen machtigen en machtelozen vormt
de kern van het collectiviseringsproces. In feodale tijden vormden de armen
zowel een bedreiging als een gelegenheid voor de maatschappelijk gevestigden:
het gevaar van een gewelddadige aanslag op lijf en goed van de rijken, en
tegelijk de gelegenheid om de ‘flinke armen’ te gebruiken als arbeiders en als
soldaten in de machtsstrijd tussen rivaliserende elites. In de latere fasen van
statenvorming en kapitalistische ontwikkeling werden de armen vooral gezien als
een gevaar voor de openbare orde, de arbeidsrust en de volksgezondheid, terwijl
ze tegelijk een reservoir van potentiële arbeiders, rekruten, consumenten en
politieke aanhangers vormden.
De maatschappelijk gevestigden konden echter niet ieder voor zich de bedreiging
afweren die van de armen uitging, en evenmin elk afzonderlijk de mogelijkheden
aangrijpen die de aanwezigheid van de armen hun tevens bood. De externe effecten
en de potentiële voordelen van de armoede troffen hen collectief. Daarmee
ontstond een dilemma dat bekend is uit de welzijnseconomie: elke gezamenlijke
poging van de rijken om de ‘externaliteiten’ te beheersen of om de kansen te
benutten die de armen hun boden, zou ook voordeel kunnen opleveren voor die
gevestigden die zelf niets aan die inspanning hadden bijgedragen.2
Naarmate nu de indirecte gevolgen van de armoede zich sterker deden voelen voor
de gevestigden, werd ook de interdependentie tussen de rijken onderling
intensiever. Het armoedeprobleem is voor de maatschappelijk gevestigden een
probleem van collectieve actie. De dynamiek van de collectivisering van
armenhulp, gezondheidszorg en onderwijs wordt in belangrijke mate bepaald door
de conflicten tussen de elites over de verschaffing van collectieve goederen en
de onderlinge verdeling van de kosten daarvan.
Het voorbeeld van de cholera in de negentiende-eeuwse steden kan dit illustreren:
het uitbreken van massale epidemieën werd al vroeg toegeschreven aan de
omstandigheden waaronder de arme stadsbewoners moesten leven. De meer
welgestelde burgers konden individueel, althans in gezinsverband, naar de
gezondere wijken verhuizen, wat ze dan ook in grote getale deden. De,
grotendeels onbedoelde, resultante van al deze individuele verhuizingen was een
verkaveling van de stedelijke ruimte in sociaal meer homogene gebieden,
variërend van deftige buurten tot sloppenwijken. Maar wilden de rijken voorkomen
dat de epidemieën uit de armenwijken zouden overslaan naar de rest van de stad
en het stedelijk leven zouden ontregelen, dan was een collectieve
reinigingscampagne nog steeds onontbeerlijk. Tegen het midden van de negentiende
eeuw werden de experts het eens over de noodzakelijke maatregelen: waterleiding
en riolering moesten uitkomst brengen. Maar deze remedies vereisten een immense
inspanning en een ingrijpende verhoging van de gemeentebelastingen die het
uiterste vergden van de bestaande bestuurlijke capaciteit en de bereidheid bij
de burgerij om te betalen. Een en ander leidde dan ook tot heftige
meningsverschillen binnen de stedelijke elites.
| | | |
In de pasgebouwde rijkere buurten werden betalende abonnees aangesloten op de
waterleiding en riolering: een gemeenschappelijk maar individueel toewijsbaar
goed. Pas nadat in de gehele stad hoofdleidingen waren aangelegd en de
stedelijke ruimte vrijwel verzadigd was met sanitaire netwerken, werden ook de
resterende sloppenwijken aangesloten, heel vaak als dwangmaatregel en op kosten
van de overheid. Toen pas werden de sanitaire netwerken een echt openbaar goed.
(Dit is het onderwerp van hoofdstuk 4.)
Deze studie is een poging tot synthese van historische sociologie en
welzijnseconomie, maar mijdt eclecticisme. De theorie van collectieve actie
wordt opnieuw geformuleerd, in termen van de sociogenese van collectieve
entiteiten. Blijken zal dat de dilemma's van collectieve actie vooral door de
theoretici zelf geschapen zijn. De voornaamste zwakte van de welzijnstheorie is
niet, zoals critici vaak beweren, gelegen in de herleiding van sociale processen
tot individuele keuzen. Integendeel: formele spelmodellen zijn juist zeer
geschikt om de wisselwerking te tonen tussen sociale structuren en individuele
keuzen. Bovendien komt het concept van de ‘onbedoelde resultante’ van
individuele handelingen nauw overeen met de notie van blind
proces in de historische sociologie.3 Het voornaamste tekort van de bestaande
formele theorieën is het onvermogen om processen, veranderingen in de loop der
tijd weer te geven. Het is deze reductie van dynamica tot statica die in een
sociogenetische benadering overwonnen kan worden. De logische paradox verdwijnt
in de sociologische analyse: een paradigmaverschuiving.4
De welzijnseconomie gaat uit van het collectieve karakter van goederen als
defensie of volksgezondheid en veronderstelt dat er een collectiviteit bestaat
die dergelijke goederen al dan niet verschaft. In de sociogenetische optiek zijn
de dilemma's van collectieve actie een overgangsverschijnsel: een verschijnsel
dat behoort tot een tussenstadium waarin de actores al wel interdependent zijn
en dat ook beseffen, echter zonder dat hun handelingen al gecoördineerd worden
op een hoger niveau van integratie, het niveau van de collectiviteit. In de loop
van het collectiviseringsproces komt uit de collectieve actie zowel een
collectiviteit voort die de handelingen van haar leden effectief kan
coördineren, als een collectief goed dat past bij dit niveau van integratie,
maar er niet los van kan bestaan.
Binnenlandse orde en nationale veiligheid zijn de schoolvoorbeelden van
collectieve goederen: goederen waarvan het genot - per definitie - aan geen lid
van de collectiviteit kan worden onthouden (Dit kan sommigen ertoe verleiden
ervan te profiteren zonder een bijdrage te leveren; vandaar de noodzaak van
verplichte belastingen.) Inderdaad worden gewelddadige aanvallen vanzelfsprekend
beschouwd als een bedreiging van de gehele gemeenschap waartegen collectief moet
worden opgetreden door de politie of, als de aanvallen van buitenaf komen, door
het leger.
Toch gaat de notie van een collectief goed al uit van een collectiviteit waarvoor
| | | | dat goed collectief is. In het geval van defensie wordt het
bestaan verondersteld van een nationale staat, die min of meer effectief kan
optreden tegen bedreigingen van de veiligheid. Maar in feite ontstonden
verdedigingseenheden pas in de loop van gewelddadige conflicten waarin de
strijdende partijen elkaar dwongen de gelederen te sluiten, zich te versterken
en zich al doende te transformeren tot grotere en meer coherente verbanden.
Voordien werd een bedreiging van één familie of een afzonderlijk dorp veeleer
opgevat als een tegenslag die enkel die eenheid trof en die andere eenheden die
op dat moment niet werden aangevallen nauwelijks raakte. Maar naarmate
verdedigingseenheden in omvang en samenhang groeiden, werd een aanval op een
willekeurig deel ervan steeds meer beschouwd als een aanval op het geheel, die
als zodanig gepareerd diende te worden. Dit veranderde vervolgens weer de aard
van gewelddadige confrontaties, totdat die ten slotte het karakter aannamen van
de hedendaagse oorlogen tussen naties, en zelfs ‘supermachten’. Omdat de idee
van de natie als één en ondeelbaar het tegenwoordige denken zozeer beheerst,
lijkt het ook inherent aan verdedigingseenheden dat ze op nationale schaal
collectief zijn. Maar evenmin als defensie een intrinsiek collectieve
voorziening is - tenslotte zijn het individuele mensen die verminkt en gedood
worden, of die het verderf aanrichten - zijn voorzieningen als gezondheidszorg,
onderwijs en welzijnszorg in essentie individueel of collectief.
Omdat nationale staten reeds eeuwenlang fungeren als collectieve
verdedigingseenheden, wordt de collectivisering van defensie sinds
mensenheugenis als vanzelfsprekend beschouwd. De grootschalige collectivisering
onder staatsbeheer van de zorg voor zieken, het onderwijs aan onwetenden en de
bijstand in tijd van nood is echter een meer recente ontwikkeling, die nog maar
enkele generaties geleden begonnen is; het collectieve karakter van
gezondheidszorg, onderwijs en welzijnszorg is dan ook meer omstreden.
De collectivisering kan zich met vallen en opstaan doorzetten - wat vaak gebeurt
- of door de tussenkomst van een ‘grote actor’, een buitenlandse usurpator of
een binnenlandse initiator. Ze kan zich echter ook voltrekken door de
geleidelijke toename van informele controle onder de betrokkenen, door roddel,
schandalisering of andere vormen van toenemende sociale cohesie binnen groepen.
Effectieve collectiviteit is dus een verworven eigenschap van sociale
entiteiten. Maar het collectiviseringsproces blijft omkeerbaar zolang het nog
niet het punt bereikt heeft waarop alle overtreders doeltreffend gestraft kunnen
worden, en zelfs dan kan het alsnog weer teniet gedaan worden.
Dit kan het best worden toegelicht met het voorbeeld van de middeleeuwse
armenhulp op het niveau van de parochie. De flinke armen, die konden lopen, en
dus ook konden werken en vechten, waren gevreesd als bandieten en soms bruikbaar
als boerenknechts. Bovendien konden zij zich van de ene boerderij naar de
andere, van het ene gehucht naar het volgende verplaatsen. Gierige boeren
riskeerden hun toorn, maar de meer vrijgevige hoeven werden weldra | | | | overstelpt met bedelaars. Hun behoefte aan veiligheid en aan een
arbeidsreserve bracht de rijken ertoe voorzieningen te treffen voor althans een
deel van de bezitslozen. In deze figuratie fungeerde de christelijke leer van
naastenliefde als een scenario dat iedereen bij de anderen bekend
veronderstelde. Priesters traden op als ondernemers in naastenliefde: zij
suggereerden de boeren - vaak ten onrechte - dat hun buurman minstens zo
vrijgevig was als zij, en dat gierigheid bestraft zou worden met verdoemenis in
het hiernamaals, en in de tussentijd met sociale afkeuring.
Soms ontstond zo een charitatief evenwicht: de boeren konden erop vertrouwen dat
hun buren evenveel gaven en dat ze samen de gierigen te schande konden zetten.
De uitdeling van aalmoezen werd een uiterst zichtbare en ceremoniële
verrichting, een van de voornaamste collectieve gebeurtenissen in het sociale
leven van de parochiegemeenschap in wording. Met andere woorden: de parochie
bestond niet voorafgaand aan en los van het collectieve liefdadigheidsfonds. Zij
ontstond grotendeels uit de collectieve inspanningen om de armen te onderhouden.
En pas nadat het charitatief evenwicht tot stand was gekomen, werd gierigheid
een zonde niet zozeer tegenover de armen, als wel tegenover de
parochiegemeenschap; een zonde die dan ook werd bestraft met onderlinge en
priesterlijke afkeuring. (Dit is het onderwerp van de eerste helft van hoofdstuk
2.)
Ieders liefdadigheid kon slechts standhouden zolang elk ervan kon uitgaan dat de
naasten even liefdadig zouden zijn: dat men niet de enige zou blijven,
ontoereikend en ten slotte zelf berooid, maar dat ook anderen zouden meedoen. En
dat zouden ze ook, als zij op hun beurt op hun naasten konden vertrouwen. Maar
zelfs dan kon de algemene liefdadigheid sommigen er juist weer toe verleiden
zelf hun christenplicht te verzaken. Ook de liefdadigheid was verstrikt in de
dilemma's van collectieve actie. Liefdadigheid is dus niet alleen een
persoonlijk gevoel of een individuele instelling, maar een verwachting van
overeenkomstige neigingen bij de medemens: de deugd berust op verwachtingen van
andermans deugdzaamheid.
De dilemma's van liefdadigheid en armenhulp deden zich opnieuw voor toen eenmaal
een hoger niveau van integratie bereikt was. Vrijwillige charitatieve
evenwichten op lokaal niveau waren in wezen instabiel. Ze werden bovendien
voortdurend bedreigd door verstoringen in de omringende regionale figuratie:
oorlogen, hongersnoden en epidemieën, die de armen dwongen op hongertocht te
gaan en zo de voedselvoorziening van de steden in gevaar brachten. Lokale
gemeenschappen zagen zich geconfronteerd met een vertrouwd dilemma: ofwel de
armen voeden en een invasie van bedelaars riskeren, ofwel hen wegjagen en de
oogst in de ommelanden blootstellen aan plunderende bendes.
Bij gebrek aan een effectief coördinerende centrale instantie werd het dilemma
overwonnen door een illusie: de misvatting dat men de rondzwervende armen in
armenhuizen kon opsluiten en hen daar voor de kost kon laten werken. Zo werd het
dilemma opgelost door een individuele strategie met optimale uit- | | | | komst, ongeacht het beleid van andere lokale gemeenschappen.
Het resultaat van deze illusie was een instabiel, regionaal bijna-evenwicht van
lokale armenhuizen. Grote steden namen vaak een onevenredig groot deel van de
armenhulp op zich om hun toevoerlijnen veilig te stellen. De zwakke centrale
regeringen trachtten het evenwicht te handhaven door verdelingsregels voor de
opname van behoeftigen op te leggen, of door subsidies te verstrekken aan lokale
autoriteiten die vaganten toelieten. (Dit is het onderwerp van de tweede helft
van hoofdstuk 2.)
De collectivisering van verzorgingsarrangementen voltrekt zich in drie dimensies.
In de loop van het proces nam de schaal van de arrangementen
toe tot die een gehele natie met alle inwoners - of formeel omschreven
categorieën daarbinnen - omvatte. Daarnaast kregen de arrangementen een meer collectief karakter, doordat de voorzieningen voor de
afzonderlijke gebruikers steeds minder afhankelijk werden van hun eigen bijdrage
en steeds meer van hun omstandigheden, zoals omschreven in een stelsel van
formele regelingen. Ten slotte werden de arrangementen in toenemende mate
gedragen door de staat of een openbaar
lichaam, en werden zo toegerust met het gezag vereist om naleving af te dwingen
en met het bureaucratisch apparaat dat nodig was om de uitvoering te kunnen
realiseren.
Deze grootschalige, collectieve en bindende regelingen ter remediëring van
tekorten en tegenslagen kwamen eerder tot stand onder bepaalde voorwaarden. Ten
eerste bij onzekerheid over het moment en de
omvang van de tegenslag. Ten tweede bij onzekerheid over de effectiviteit van de remedies
voor het tekort of de tegenslag. Deze onzekerheid over het effect was doorgaans
groter naarmate de maatregelen op lange termijn genomen moesten worden of
aanzienlijker uitgaven vereisten, zoals bij voorbeeld in het geval van onderwijs
en pensioenvoorzieningen. Ten derde zijn van belang de intensiteit en reikwijdte
van de externe effecten van tekorten en tegenslagen op anderen
die er zelf niet onmiddellijk door getroffen werden.
Onzekerheid van moment en omvang, en onzekerheid van effect kunnen doelmatiger
worden beheerst in grootschalige en collectieve entiteiten. Hoe talrijker en
heterogener het lidmaatschap, des te groter de kansen dat de risico's gespreid
worden, en dat op enig ogenblik de voorspoed van velen de tegenspoed van enkelen
kan opvangen. Toch zijn het juist deze voorwaarden van aantal en verscheidenheid
die de dilemma's van collectieve actie verscherpen, doordat de onderlinge
controle erdoor belemmerd wordt en de gemeenschappelijke solidariteit verzwakt.
Maar ook als individuen uit onzekerheid samengaan in een collectieve regeling,
hoeft deze regeling nog niet dwingend te zijn. Men zou zich bij voorbeeld tegen
risico kunnen indekken met grootschalige en collectieve, maar vrijwillige,
commerciële verzekeringen. Externe effecten, daarentegen, zijn moeilijker met
commerciële en vrijwillige regelingen te bestrijden, juist omdat het - per defi-
| | | | nitie - gevolgen zijn die anderen dan de direct betrokkenen
treffen.5
Intensiteit en bereik van externe effecten zijn afhankelijk van de dichtheid en
de uitgebreidheid van het sociale netwerk: naarmate de sociale figuratie meer
mensen omvat en hun interdependentie toeneemt, zullen ook de gevolgen van de
tekorten en tegenslagen van sommigen voor anderen die zelf niet direct betrokken
zijn groter worden. Maar dit brengt niet noodzakelijkerwijs met zich mee dat de
betrokkenen de omvang en kracht van deze externaliteiten zullen doorzien. Het
inzicht in dergelijke externe effecten is zelf weer een functie van de sociale
figuratie waarin ze zich voordoen, en de figuratie kan zo gestructureerd zijn
dat zij het inzicht verhindert, of juist bevordert.
Hoewel onzekerheden en externaliteiten in grootschalige, collectieve verbanden
effectiever beheerst kunnen worden, zullen dergelijke entiteiten geconfronteerd
worden met dilemma's van collectieve actie die uitsluitend kunnen worden
opgelost door wederzijds vertrouwen of door dwang. Naarmate de externe effecten
toenemen in reikwijdte en kracht, moeten de vertrouwensbanden dienovereenkomstig
worden uitgerekt, of moeten de dwangmaatregelen zich verder uitstrekken; en
naarmate mensen elkaar meer gaan vertrouwen, wordt het ook eenvoudiger om
weigeraars te dwingen, een dwang die vervolgens weer de wederzijdse argwaan
helpt verminderen.
Het is het ontwikkelingsaspect van collectiviteiten en collectieve goederen, het
historische karakter, dat vaak door de formele theoretici over het hoofd gezien
wordt. De weinige formaliserende onderzoekers die een confrontatie met de
geschiedenis niet uit de weg zijn gegaan, beperken zich tot een kritische
bespreking van de grootmeesters van de historische sociologie, Marx, Weber of
Elias, en wagen zich niet aan de lectuur van de eigentijdse geschiedkundige
studies. Ook Jon Elster6 komt in
zijn ontmoeting met het marxisme niet tot een historisering van zijn
decisionistische premissen.
Maar dit boek gaat niet expliciet in op theorieën of theoretici en het bevat
nauwelijks polemiek. Het debat blijft meestal impliciet, en de stellingnamen
vinden hun rechtvaardiging in de aannemelijkheid van de historische
interpretaties die erop gebaseerd zijn.
Dat geldt eveneens voor het debat over de rol van ideeën en grote mannen in de
geschiedenis van armenhulp en onderwijs. De leer van de charitas en het
voorbeeld van de heiligen in het christendom waren in heel Europa al meer dan
duizend jaar bekend, maar dat verklaart nog niet waarom bij voorbeeld
armenhuizen in de zestiende eeuw ontstonden, of waarom het lager volksonderwijs
zich vanaf de zeventiende eeuw begon te verbreiden. Religieuze leerstellingen -
en trouwens ook ideologische principes - worden voortdurend herzien, en een
volledig ontwikkelde doctrine is rijk en complex genoeg om volstrekt
tegenstrijdige gedragslijnen en handelingen te rechtvaardigen. Het is dus niet
voldoende om te verklaren waarom op een gegeven moment gekozen wordt voor de ene
handelwijze en niet de andere. De sociologische vraag daarentegen moet zijn | | | | waarom sommige ideeën in een bepaalde periode een grotere
verbreiding kregen, terwijl andere stilaan werden opgegeven, of juist door
dissidente minderheden hardnekkig verdedigd.
De gevestigde kerken in Frankrijk en Engeland bij voorbeeld hebben zich met een
uitgebreid arsenaal aan theologische argumenten heftig verzet tegen de
oprichting van lagere scholen door de centrale staat. ‘Metropolitaanse’ elites
die zich oriënteerden op de nationale staat en de nationale markt, verdedigden
het lager onderwijs met een niet minder religieuze ijver. Maar zij hadden
daarbij iets te winnen: de rechtstreekse toegang tot de plattelandsbewoners als
potentiële arbeiders, consumenten en belastingbetalers. De gevestigde lokale
elites beschikten over het bemiddelingsmonopolie tussen hun traditionele
clientèle en het politieke en economische centrum. Bij dit monopolie ging het
vooral om het tolken tussen lokale en nationale taal en om het bemiddelen tussen
een ongeletterde clientèle en het nationaal netwerk van schriftelijke
communicatie. De strijd werd uitgevochten over religieuze en traditionele
waarden, maar ging ook om de tegengestelde belangen in het algemene
communicatienetwerk. Massaal lager onderwijs betekende de inwijding van de
landelijke en stedelijke massa's in de nationale communicatiecodes: de
standaardtaal, lezen en schrijven, rekenen, ‘vaderlandse geschiedenis’ en
aardrijkskunde. Naties en nationale staten bestonden nooit los van deze campagne
voor massa-onderwijs - ze werden er voor een groot deel door gevormd. (Dit is
het onderwerp van hoofdstuk 3.)
Pas in de loop van de negentiende eeuw bereikte het staatsapparaat het stadium
waarin het met eigen interne dynamiek een doorslaggevend element werd in het
collectiviseringsproces. De sociale zekerheid was niet zozeer de verworvenheid
van de georganiseerde arbeidersklasse, en evenmin het resultaat van een
kapitalistische samenzwering om de arbeiders te pacificeren. Als voorheen ging
het om een klassenstrijd, maar de vertrouwde bondgenootschappen waren ditmaal
voor andere verruild.
Het initiatief tot dwingende, nationale en collectieve arrangementen ter
verzekering van arbeiders tegen inkomensderving was afkomstig van
hervormingsgezinde politici en hoge ambtenaren in de staatsbureaucratie.
Dergelijke activistische regimes hadden de steun nodig van grote ondernemers of
hervormingsgezinde vakbondsleiders. En overal moest de oppositie van kleine
zelfstandigen overwonnen worden die zich verzetten tegen de grote ondernemingen,
de grote vakbonden en de grote bureaucratie, en die vertrouwden op particuliere
vermogensvorming als een voorziening voor tegenslagen en voor de oude dag. De
sociale zekerheid, daarentegen, is gebaseerd op de collectieve en verplichte
accumulatie van overdrachtsvermogen. Voor alle loonarbeiders worden uitkeringen
gegarandeerd: een reeks van wettelijk afdwingbare aanspraken op
inkomensoverdrachten, die zelf niet overdraagbaar zijn, maar als een soort bezit
- ‘overdrachtsbezit’ - kunnen worden getaxeerd op hun verwachte en
gekapitaliseerde waarde.
De accumulatie van overdrachtsvermogen vormt een gecollectiviseerd alter- | | | | natief voor de voorzorgsfuncties van privé-besparingen. Dat maakte
het zo moeilijk te aanvaarden voor de kleine zelfstandige vermogensbezitters, en
zo geschikt als programmapunt voor een coalitie van een activistisch regime met
de grote ondernemers of de vakbonden, of met allebei. (Dit is het onderwerp van
hoofdstuk 6.)
In de loop van een aantal eeuwen zijn met de collectivisering van
gezondheidszorg, onderwijs en inkomenshandhaving ook de verhoudingen tussen
mensen, en daarmee hun omgangsvormen en ervaringswijzen, veranderd. Zolang
verplichte en collectieve regelingen nog ontbraken, ging van de tegenslagen en
tekorten van onbekende anderen een direct appel uit aan het medelijden en de
vrijgevigheid van medemensen die dit beroep vervolgens konden inwilligen of
afwijzen. Maar naarmate de collectivisering van de zorg voortschreed, werd deze
ellende steeds minder als een appel aan het persoonlijk ingrijpen ervaren, en
steeds meer als iets dat moest worden overgelaten aan specifieke instituties,
die dan weer indirect steun moesten krijgen. In recente tijden is een ‘sociaal
bewustzijn’ opgekomen: een besef van de gegeneraliseerde verafhankelijking die
alle leden in een nationale collectiviteit met elkaar verbindt, gekoppeld aan
een abstract verantwoordelijkheidsgevoel dat niet aanzet tot persoonlijke actie,
maar verlangt dat er gezorgd wordt voor de behoeftigen in het algemeen door de
staat en uit de openbare kas.
De collectivisering van verzorgingsarrangementen heeft ook de schaarse toppen van
overvloed en de talrijke afgronden van misère in de meeste individuele levens
gladgestreken. Ze heeft de mensen wat gelijker aan elkaar gemaakt, in materieel
opzicht, maar ook in wat zij weten en hoe zij handelen. Ze heeft het bestaan wat
tragiek, wat magie, en heel wat religie ontnomen. De dwang in het alledaagse
bestaan is als gevolg van dit collectiviseringsproces veelomvattender geworden,
en vaak gaat het om een ‘sociale dwang tot zelfdwang’. Geleidelijk hebben mensen
geleerd voorzichtiger om te gaan met tijd, geld, goederen en hun eigen lichaam;
om vaker met meer wensen van meer mensen rekening te houden; om verder vooruit
te denken; kortom, ze zijn geciviliseerder geworden in de betekenis die Norbert
Elias daaraan geeft. Anderzijds werkt de collectivisering nog steeds in
belangrijke mate door externe dwang en laat weinig over aan de vermogens tot
zelfsturing waarover mensen wellicht beschikken: onderwijs en sociale premies
worden nog steeds dwingend opgelegd aan kinderen en arbeiders - de
nevenschikking is niet toevallig.
In en rond het uitdijende staatsapparaat zijn nieuwe bemiddelende elites
ontstaan. Het lerarenkorps heeft zich nooit het prestige en de autonomie van een
professionele elite kunnen verwerven, maar het is er met staatshulp in geslaagd
de bevolking een pedagogisch regime op te leggen voor een steeds langer deel van
ieders jeugdjaren. De medici is het wel gelukt om staatsbescherming en
professionele status te combineren in een medisch regime dat bijna iedereen
onderwerpt aan gedurige onderzoeks- en selectieprocedures en dat steeds meer
chronisch zieken en bejaarden absorbeert in ‘totale’ instituties. Het medische
| | | | voorbeeld is nagestreefd, maar nooit geëvenaard door andere
beroepsgroepen zoals maatschappelijk werkers: een hulpverleningsregime strekt
zich uit over de scharen van uitkeringstrekkers en rechthebbenden in het
sociale-zekerheids-stelsel. De medische stand werd, net als andere min of meer
professionele groepen, niet alleen geleid door een ideaal van dienstbaarheid.
Evenmin werden die medici uitsluitend gedreven door een zucht naar macht en
geld: artsen en andere beroepsgroepen streven naar prestige, inkomen en de
gelegenheid om beroepsidealen te verwezenlijken. De medische professie bereikte
haar huidige positie via een ‘terughoudend imperialisme’; de medische elites
aarzelden om hun ingrijpen uit te breiden tot gebieden buiten het bereik van de
professionele eensgezindheid, die de basis vormt van hun politieke autoriteit.
Individuele, ondernemende artsen zagen echter nieuwe kansen in sociaal omstreden
kwesties, waar hun tussenkomst sociale conflicten tot ‘medische problemen’ kon
herleiden - met de zwijgende medeplichtigheid van de betrokken partijen. De
gevestigde medische orde volgde aarzelend haar avant-garde. Zo kon het gebeuren
dat de medische stand deze nieuwe terreinen evenzeer binnengetrokken werd als
binnentrok. (Dit is een onderwerp in hoofdstuk 7.)
De moderne staat is voor een belangrijk deel het resultaat van de
collectivisering van gezondheidszorg, onderwijs en inkomenshandhaving. En het
moderne leven is in zijn meest intieme en algemene aspecten door deze
collectivisering gevormd. De recente welvaartsvermindering en
bestedingsbeperkingen grijpen slechts oppervlakkig in op de
verzorgingsmaatschappij, ook al brengen ze veel individueel leed en
institutionele onrust teweeg. Maar ook bezuinigingen zijn centrale ingrepen die
ten slotte zelfs de centralisering kunnen versterken.
Op dit moment is het meest nijpende politieke probleem niet de financiering van
de collectieve instituties, maar het gestaag toenemende toezicht dat de centrale
staat en zijn bureaucratisch conglomeraat uitoefenen op meer en meer intieme
aspecten van het dagelijks bestaan. Achteraf bezien is het duidelijk dat de
negentiende-eeuwse beweging van kleine coöperatieve fondsen in eigen beheer
gedoemd was om te mislukken: zelfstandige en vrijwillige verenigingen sluiten de
meest behoeftigen uit als ‘te riskant’, en als de staat hen ondersteunt, dreigt
de hulp de meer daadkrachtigen te bevorderen die er het minst behoefte aan
hebben. Toch zou het heel goed kunnen zijn dat de heffing en herverdeling van
inkomensoverdrachten het beste aan de staat kunnen worden overgelaten - om
redenen van distributieve rechtvaardigheid - en dat de beoordeling van
afzonderlijke gevallen en de individuele hulpverlening beter plaats kan vinden
in kleine, zelfbesturende coöperaties op basis van vrijwillig lidmaatschap. (Dit
is het onderwerp van hoofdstuk 5.)
De gang van het collectiviseringsproces is nog niet voltooid; er was nooit een
enkel pad waarlangs het moest verlopen en een verborgen hand of goddelijk plan
om het te leiden. Als het proces zich in verschillende landen langs parallelle
| | | | lijnen heeft voltrokken, dan lag dat aan de overeenkomstige
werking van de kapitalistische concurrentie en van de rivaliteit tussen staten.
De dilemma's van collectieve actie doen zich nog steeds gelden, even dwingend
als altijd, en nu zelfs op een nog hoger niveau: met de nationale staten als de
betrekkelijk zelfstandige maar interdependente actores, in het besef van hun
interdependentie, maar vooralsnog zonder een supranationale collectiviteit die
hun handelingen effectief zou kunnen coördineren. De problemen van armenzorg,
onderwijs en de zuivering van een vervuild milieu zetten zich nu voort op
wereldschaal.
|
1Vgl.
Elias, 1978b, pp. 128-33, en Goudsblom, 1983, pp. 6-8, 151-63.
2Dit is het dilemma dat Mancur Olson opnieuw aan de orde heeft
gesteld in de sociale wetenschappen.
3Vgl. hierover
Esser, vooral pp. 685-6.
5Vgl. Baumol, p. 25: ‘Een externaliteit
bestaat uit een interdependentie samen met een gebrek aan bijkomende
compensatie.’ De term wordt hier in een ruimere zin gebruikt dan in de
economie, omdat hij niet alleen verwijst naar de effecten van economische
transacties, maar ook naar de effecten van andere menselijke interacties, en
zelfs de gevolgen van ‘natuurlijke gebeurtenissen’.
6Zie bij voorbeeld de passages
over klassen, Elster 1985, pp. 318 e.v., vooral pp. 342-344.
|
|