|
|
|
| |
5 Lagere en middenklasse, lagere en middelbare scholen
Drie belangrijke bewegingen markeren de ontwikkeling van het lager
volksonderwijs: de verbreiding van een standaardtaal voor mondelinge en
schriftelijke communicatie; de inkapseling van de godsdienststrijd door de
oprichting van afzonderlijke scholen voor verschillende gezindten of door het
losmaken van het godsdienstonderwijs uit het standaardleerplan; en, in de derde
plaats, de differentiatie van het onderwijsstelsel in een lagere en een
middelbare fase, en, meer recentelijk, in nog een derde universitair niveau.
| | | |
Ook toen het lager onderwijs nog niet toegankelijk was voor de grote meerderheid
van boeren- en arbeiderskinderen, kregen de zonen van de regionale en
metropolitaanse elites onderwijs: thuis, en bovendien meer en meer op gymnasia,
Realschule, lycées en collèges, académies,
Latijnse scholen, public schools, enzovoort. In de loop van de
negentiende eeuw werden de lagere scholen vaak opgericht als een uitvoerige
voorbereiding op deze elitescholen. Kinderen uit de hogere sociale klassen
gingen niet naar de volksscholen, en kinderen van arbeiders of boeren die het
lager onderwijs hadden doorlopen, werden zelden tot deze middelbare scholen
toegelaten. In plaats daarvan kregen zij na hun leertijd op de volksschool
enkele jaren voortgezet onderwijs, meestal op technische of beroepsscholen. Voor
het gewone volk sloot de ‘lagere’ fase dus nooit aan op het ‘middelbare’ niveau
voor de elite,84
integendeel: naarmate het volksonderwijs van de grond kwam, onderscheidde het
curriculum voor de elite zich in steeds hogere mate van het leerplan voor
volkskinderen. Het Latijn werd opnieuw ingevoerd als de taal van het middelbaar
onderwijs,85 en nadat men deze klassieke lingua franca
weer had laten varen, dienden andere ‘codes’ om de sociale afstand te bewaren
tussen kinderen uit de arbeidersklasse en de middenklasse, zoals ze inmiddels
waren gaan heten. Het was de ‘metropolitanen’ inderdaad gelukt om een nationaal
communicatienetwerk te realiseren dat alle burgers rechtstreekse toegang bood
tot de geschreven standaardtaal, zoals die toen aan vrijwel alle kinderen
onderwezen werd. Maar daarmee raakten de regionale elites hun mediatievoordelen
kwijt; zij probeerden dan ook samen met de metropolitaanse bourgeoisie hun
sociale voorrechten veilig te stellen door de toegang tot nieuwe posities die
inkomen en aanzien boden te beperken, vooral in de vrije beroepen en de
ambtenarij. Omdat deze nieuwe posities krachtens de wet openstonden voor iedere
gekwalificeerde kandidaat, ongeacht rang of stand, moesten dus de kwalificaties
gemonopoliseerd worden: dat was de nieuwe functie van het
middelbare-schoolstelsel. De renaissance van het Latijn is wel
verklaard uit de wens om de toegang tot deze toenemende stijgingskansen af te
schermen, in de advocatuur, het medische beroep en de overheidsdienst.86 Anders dan in de middeleeuwen, bood de herboren elitetaal geen
mogelijkheden tot communicatie tussen mensen die anders niet met elkaar hadden
kunnen spreken; iedereen kon nu de standaardtaal spreken, lezen en schrijven, en
het Latijn bood de gebruikers dus geen mediatievoordelen. Maar als exclusieve
taal was het Latijn zeer geschikt om de grote meerderheid van de bevolking uit
te sluiten. Waar alles dat de literati te zeggen hadden in de
standaardtaal kon worden uitgedrukt, en veel nieuwe concepten zich maar moeilijk
in het Latijn lieten verwoorden, diende die taal dus vooral het doel van
onderscheiding en uitsluiting.
Uiteindelijk verloor het Latijn zijn sleutelpositie als de exclusieve taal van de
professionele en bureaucratische elites, al bleef het toch tot ver in de
twintigste eeuw in gebruik. Technologische en economische expertise, met een
even ondoordringbaar en exclusief jargon, boden nu ook toegang tot
eliteloopbanen; in | | | | het onderwijs in de humaniora verdween het Latijn
en werd alleen nog als vreemde taal onderwezen.
Een andere code, minder duidelijk omschreven en minder opvallend, kwam ervoor in
de plaats en bleek minstens zo effectief in de uitsluiting van de
nietingewijden. In een samenleving met algemeen kiesrecht werden de verschillen
tussen de klassen subtieler en meer diffuus, zonder dat ze als onderscheidende
kenmerken aan scherpte verloren. Basil Bernstein heeft beschreven hoe een
‘verborgen curriculum’ op verhulde wijze communicatieve vaardigheden kan
overdragen die bij uitstek geschikt zijn voor de communicatie tussen de
verschillende elites in de samenleving: deze ‘uitgewerkte code’ dient als
communicatiemiddel voor een reeks van onderwerpen binnen een breed scala van
sociale betrekkingen: ‘Een uitgewerkte code is universalistisch wat zijn
betekenis betreft in de zin dat hij algemene sociale middelen
en doelen samenvat. Een beperkte code is particularistisch wat zijn betekenis
betreft in de zin dat hij lokale middelen en doelen
samenvat.’87
De notie van een lingua franca die exclusieve communicatie
tussen elites in verschillende, disjuncte netwerken mogelijk maakt, heeft
inmiddels een aantal stadia doorlopen. Het idee was heel letterlijk van
toepassing op de bloemfiguratie van onderling onverstaanbare regionale talen,
doorsneden door een lingua franca die in elke regio door de
tweetalige elites gesproken werd. Vervolgens werd de positie van de lingua franca overgenomen door het alfabetisme, dat in elk netwerk van
mondelinge communicatie de verbinding vormde tussen de alfabete mensen die bij
gebrek aan vervoer betrekkelijk geïsoleerd leefden. De term lingua
franca werd figuurlijk gebruikt toen het begrip werd toegepast op de
algemene christelijke paideia, die het leden van alle
gezindten mogelijk maakte te communiceren zonder op het godsdienstige vlak
aanstoot te geven. En hetzelfde concept van een centrale communicatiecode kan
ten slotte worden gebruikt voor de ‘uitgewerkte code’ die Bernstein aan het
curriculum van de middenklasse toeschrijft. Zonder enige twijfel sluit ook deze
‘uitgewerkte’ code opnieuw hen uit die slechts de ‘beperkte codes’ gebruiken, en
die daardoor veel minder zijn toegerust om met vreemdelingen om te gaan of zaken
af te handelen op een abstract en universeel niveau, iets waartoe nu juist de
‘uitgewerkte code’ bij uitstek geëigend is. Een van de functies van de
‘uitgewerkte code’ is het beheer van mensen in een organisatorisch verband.
Anders dan het Latijn maakt de ‘uitgewerkte code’ het inderdaad mogelijk om met
groepen mensen te communiceren die in een afzonderlijke beperkte code niet
toegankelijk zijn; die beperkte codes zijn bovendien onderling in hoge mate
geïsoleerd. In deze zin functioneert de uitgewerkte code, hoe diffuus ook, als
een communicatiecode voor de centrale verzameling, en biedt die onderling
verbonden elites de voordelen van mediatie tussen de respectieve clientèles
onder hun beheer.
|
84Butts (p. 206) plaatst het begin van deze
tweevoudige ontwikkeling verder terug: ‘In het algemeen verhardde ten
gevolge van de Reformatie het onderscheid tussen een lager onderwijs in de
volkstaal voor de lagere klassen en een klassieke voortgezette opleiding
voor de hogere klassen.’ Vgl. Mialaret en Vial voor Frankrijk.
85Vgl. Digby & Searby (pp. 36-40)
over de wederopleving van de klassieken in het negentiende-eeuwse
Engeland.
86Vgl. Röling, p. 72, voor Nederland; vgl. Frijhoff voor
stratificatie en onderwijs in de achttiende eeuw, eveneens in
Nederland.
87Bernstein, p. 79; de auteur voegt eraan
toe: ‘Toegang tot een uitgewerkte code is niet afhankelijk van
psychologische factoren, maar van de toegang tot specialistische posities
binnen de sociale structuur, waarmee een bijzonder type spraakmodel
beschikbaar komt. Normaal, maar niet onvermijdelijk, zullen deze posities
samenvallen met een sociale laag die toegang zoekt of heeft tot het
belangrijkste besluitvormingscentrum in de sociale structuur.’ En, meer
expliciet (cursief, p. 176): ‘Een van de functies van het klassenstelsel is
de toegang tot de uitgewerkte codes te beperken.’
|
|