|
|
|
| |
6 Het begin van de sociale zekerheid in West-Europa en de Verenigde
Staten
6.1 Bismarcks begin
De eerste nationale en verplichte verzekering tegen inkomstenderving werd in
Duitsland tot stand gebracht door het bij uitstek autoritair en activistisch
regime | | | | van Bismarck. De wet werd doorgezet ondanks de tegenstand
van de arbeidersbeweging61 en veel oppositie in
het parlement, maar werd vooral gesteund door de leiding van de Centrale
Vereniging voor de Industrie. Bismarcks persoonlijke aandeel in het project is
gebagatelliseerd,62 de effectiviteit van zijn wetgeving is in
twijfel getrokken - met sterker argumenten63 - maar de prioriteit komt toch zijn
bewind toe: de opzet werd het voorbeeld voor andere landen, en heeft als
grondslag van de Westduitse verzorgingsstaat in grote lijnen twee
wereldoorlogen, het nationaal-socialisme en een bezetting overleefd.64
De nationale verzekering ontstond in het Duitsland van keizer Wilhelm onder
hoogst uitzonderlijke sociale en politieke omstandigheden, maar daarom kan de
ontstaansgeschiedenis nog niet worden opgevat als een uitzonderingsgeval zonder
implicaties voor ontwikkelingen elders.65
Bismarcks project vertoont veel wezenstrekken van de sociale wetten die andere
landen in de volgende halve eeuw zouden aannemen. Zijn inspanningen waren
gericht op de opbouw van de staat, een welbewust beleid van versterking van het
nieuwe Duitse staatsapparaat66 en verbetering van de banden met de industriële arbeidersklasse,
die in de bewoordingen van haar toenmalige marxistische leiders ‘zonder
vaderland’ was. Bismarck voorzag een klasse van staatspensioentrekkers, loyaal
aan de regering en gekant tegen iedere verandering die hun kleine uitkering zou
kunnen bedreigen, mensen zonder bezit maar toch met een aandeel in de politieke
orde.67 Op korte termijn was zijn streven het snel
aanzwellende getij van de arbeidersbeweging te keren door een sociale
tegenhanger te bieden voor de onderdrukkende Sozialistengesetz
(1878- 1890), de wet tegen de socialistische beweging.68 Beter verhuld bleef het plan om de Reichstag, het parlement van de Duitse staat, buitenspel te
zetten, door de vorming van een corporatistisch stelsel van werknemers- en
werkgeverslichamen dat de functies van de Reichstag op het
gebied van sociale en economische wetgeving moest overnemen.69 Geen van deze
doelstellingen werd bereikt. Na de aanvaarding van de verzekeringswetten groeide
de socialistische partij zelfs nog sneller, de invloed van het parlement werd
groter, de corporatistische structuur kwam nooit tot stand, en de functies in
het verzekeringsstelsel werden vooral ingenomen door arbeidersactivisten die
daar beschutting vonden in een maatschappij waar stakingsleiders en linkse
opruiers gewoonlijk werden ontslagen of zelfs opgesloten.
De nationale verzekering slaagde er wel in de banden te versterken tussen de
Duitse arbeiders en de nieuwe staat. Dit kan heel wel hebben bijgedragen tot de
historische beslissing van de socialistische partij om mee te werken aan de
oorlogsinspanning in 1914, omdat tegen die tijd talrijke vakbonds- en
partijfunctionarissen door hun kaderposities binnen het nationale
verzekeringsstelsel geïntegreerd waren in de staatsstructuur. Maar het
belangrijkste van al was toch dat de verzekering de loonarbeiders een nieuw,
institutioneel alternatief bood voor de particuliere accumulatie van bezit.
Maar ook al leek het of Bismarck de vakbonden negeerde en al omzeilde hij | | | | de politieke partijen in de Reichstag zoveel
mogelijk, de nationale verzekering werd niet eenvoudigweg per decreet
afgekondigd. Het was veeleer de uitkomst van zorgvuldige, zij het tastende
coalitievorming en een scherpzinnig uitbuiten van zwakten bij de oppositie.
Gaston Rimlinger70 en meer recentelijk,
Peter Flora71 en Jens Alber72 hebben erop gewezen dat verplichte verzekeringen vóór 1900
voornamelijk door autoritaire regimes aangenomen werden, juist in landen waar de
industrialisatie nog niet ver gevorderd was, in Duitsland, Oostenrijk, Finland,
Zweden en mogelijk Italië.73
Kennelijk trachtten deze autoritaire politieke elites zo buiten de partijen om
rechtstreeks aansluiting te vinden bij de werkende massa om zich van hun
loyaliteit te verzekeren. Rimlingers suggestie en Albers materiaal zijn echter
ook in overeenstemming te brengen met een andere interpretatie van de
gebeurtenissen. In deze autoritaire regimes, en op de eerste plaats in het
Duitsland van keizer Wilhelm, waren niet alleen de industriearbeiders in feite
van de regeringsmacht uitgesloten, zoals ze dat indertijd ook in de meeste
parlementaire democratieën waren, maar had ook de kleine burgerij weinig
invloed, aanzienlijk minder dan in democratische staten. De vroege sociale
wetgeving door autoritaire regimes weerspreekt de hypothese dat de kracht van de
arbeidersklasse tot dergelijke initiatieven leidde, maar is in overeenstemming
met het idee dat de zwakte van de kleine burgerij deze bevorderde. De kleine
bezitters legden weinig gewicht in de politieke schaal van het Duitsland van
keizer Wilhelm; de landadel der Junker, de industriëlen en
bureaucraten des te meer.74 Zolang de nieuwe wetgeving de
belangen van de landadel niet bedreigde, kon een coalitie van het regime en de
grote werkgevers het verzet van de kleine burgerij overwinnen, verdeeld als die
was in de katholieke Zentrum-partij en in burgerlijk-liberale
groeperingen.75 Het regime kon zich dat veroorloven, omdat de verdedigers
van het liberalisme en het kleine bezit zich na 1848 geen toegang hadden weten
te verschaffen tot de staatsmacht en voortaan buitenstaanders zouden blijven.
Maar de betrekkelijke onafhankelijkheid van druk uit de middenklasse impliceerde
ook een gebrek aan steun dat het regime des te gevoeliger maakte voor de
aanspraken van een andere maatschappelijke laag, het nieuwe industriële
proletariaat.
De coalitie die de nationale verzekering over de wisselvalligheden van de Duitse
politiek heen tilde, was een van de drie typen allianties die het stelsel kunnen
realiseren: in dit geval betrof het een coalitie van enerzijds de bestuurlijke
en politieke elites, en anderzijds de grote industriële werkgevers. Veel
voorbereidende wetgevingsarbeid werd verricht door leidende figuren binnen de
Industrieverein, en de leiders van deze vereniging maakten
zich persoonlijk sterk voor de aanvaarding van het project, in nauwe
samenwerking met Bismarcks ambtenaren.76 Zoals bekend werd de nationale verzekering
in Duitsland aangenomen zonder de steun van en zelfs zonder formeel overleg met
de arbeidersorganisaties. Maar dit betekende niet dat er met de voorkeuren van
de arbeiders geen rekening gehouden werd. Integendeel: Bismarck deed een beroep
op de | | | | arbeiders over de hoofden van hun leiders heen, die hij zelf
buiten de wet gesteld had.77 Het best denkbare voorbeeld van Karl Friedrichs ‘regel van
geanticipeerde voorkeuren’: de arbeiders oefenden invloed uit, niet door
rechtstreeks hun wensen te uiten, maar omdat de ontwerpers van het project
vooruitliepen op wat ze zouden kunnen willen.
Rond 1880 hadden de Duitse arbeiders een grote, verenigde en politiek scherp
geprofileerde beweging ontwikkeld, en ook een uitgebreid netwerk van
ziekenfondsen en vakbondsverzekeringen. Zij hadden de inmiddels lokale en
beroepsgebonden gezichtspunten gaandeweg overwonnen, en een brede oriëntatie op
de nationale politiek ontwikkeld. Maar om ideologische redenen en vanwege het
onderdrukkende beleid werd het zittende regime grondig gewantrouwd door de
socialistische arbeiders. Hoewel zij staatsbemoeienis niet bij voorbaat
verwierpen - August Bebel verdedigde het zelfs in het parlement, en na 1890
zouden de sociaal-democraten loyaal meewerken binnen de bestaande structuren -
konden ze op dat moment toch nog niet een verbond sluiten met Bismarck, hun
aartsvijand, en waren ze allerminst bereid om het beheer over hun eigen
verzekeringsfondsen uit handen te geven. Zo werd het meest gepolitiseerde deel
van de arbeidersbeweging geneutraliseerd ofwel door onderdrukking van staatswege
ofwel door zichzelf terug te trekken op radicale posities, terwijl het meer
hervormingsgezinde deel zich nijver verschanste in door de arbeiders zelf in het
leven geroepen vakbonden en fondsen. Maar toen de nationale verzekering eenmaal
was aangenomen, duurde het niet lang voor de sociaal-democratische elite de
mogelijkheden van de vertegenwoordigende commissies die de zieken- en
pensioenfondsen beheerden, inzag en aangreep, en het potentieel van die
instituties inzette bij de organisatie van de arbeidersklasse. Al met al
schatten de sociaal-democratische leiders de verzekeringsprojecten heel
nauwkeurig in op de machtskansen die ze boden in de klassenstrijd.78
De voorkeuren van de grote industriëlen speelden een veel rechtstreekser rol in
de wording van het stelsel. Vooral in Pruisen waren de ondernemers nauw
verbonden met de staatsbureaucratie, zowel in politieke allianties als door
economische regulering. Veel bedrijven hadden reeds lang eigen
verzekeringsfondsen onder toezicht van de staat beheerd, en de grote ondernemers
hadden weinig reden om zich tegen een verzekering te verzetten, zolang de
regering hen door invoerheffingen tegen buitenlandse concurrentie beschermde en
de onderlinge posities van de binnenlandse concurrentie door centrale regeling
ongewijzigd liet. Velen van hen waren gaarne bereid een deel of zelfs al de
verzekeringskosten te dragen, als ze maar meester bleven van de werkvloer en de
volle zeggenschap over het beheer van de fondsen behielden. Dit gold met name
voor de ongevallenverzekering, waar het veiligheidsvraagstuk inmenging kon
uitlokken van instellingen van buiten.79 Over het geheel
genomen, en vooral in de eerste fasen, waren het Centralverband en het regime het zeer eens.80
Het regime zocht manieren om de arbeidersbeweging te beteugelen en de arbeiders
strakker aan de staat te binden. Het hechtte dan ook groot belang aan | | | | zeggenschap over het op te zetten stelsel, een belang zwaar genoeg
om er een prijs voor te betalen. Het schrok niet terug voor de opgave om een
veelomvattend bestuurlijk netwerk op te bouwen voor het beheer van de
verzekeringen - integendeel, dat was wat de Duitse staatsstichters van begin af
aan voor de geest had gestaan. Het regime was bereid de kosten te betalen, als
dat de prijs van de zeggenschap was, en het was zelfs genegen de actuariële
risico's van het stelsel te garanderen. Het Bismarck-regime had wel hoger gewed
bij de stichting van de staat en de uitbreiding van zijn invloedssfeer in de
wedijver met omringende landen. De nationale verzekering werd vooral gezien als
een deel van het streven naar natievorming dat bij de staatsvorming hoorde. Een
sterke en nationaal gezinde arbeidsbevolking leek een noodzaak, wilde Duitsland
zijn rol spelen in de rivaliteit tussen staten. Voor zover dit tevens een
economische wedijver was, kon men van de werkgevers niet verwachten dat zij
volledig voor de kosten zouden opdraaien, ook al omdat dit hun economische
concurrentiepositie ten opzichte van buitenlandse rivalen zou verzwakken. Maar
in ruil voor staatssteun in de vorm van wettelijke verplichting en financiële
subsidie (deels betaald uit de opbrengst van de beschermende invoerrechten)
moesten de werkgevers wel akkoord gaan met een stelsel dat ook voor hen dwingend
was.
Ten slotte was er nog een omstandigheid die de ondernemers en de centrale
regering noodzaakte tot het voorstellen van hervormingen: volgens de oude
Armenwetten moesten behoeftige arbeiders voor bijstand naar hun geboorteplaats
terugkeren, maar de landelijke gemeenschappen konden hen niet meer ondersteunen
en stuurden hen terug naar de steden waar ze het laatst gewerkt hadden, en waar
ze nu de lokale autoriteiten tot last werden.81
Een beknopt overzicht82 van de wetgeving kan volstaan om na te gaan op
welke wijze de voorkeuren van de coalitiepartners gerealiseerd werden en hoe
door de ontwerpers op de voorkeuren van de arbeiders werd geanticipeerd.
In de jaren tachtig van de vorige eeuw werden drie belangrijke
verplichteverzekeringswetten aangenomen: voor ongevallen, invaliditeit en
ziekte. De eerste daarvan, de Unfallversicherung, was tevens
het meest omstreden, en moest tweemaal opnieuw worden ingediend alvorens hij in
1884 als wet werd aangenomen. In de wet van 1871 werden de werkgevers
aansprakelijk gesteld voor ongevallen op het werk tenzij nalatigheid van de
arbeider bewezen kon worden. De premies voor de verzekering werden dan ook bij
de werkgevers geheven, die onder toezicht van het keizerlijk verzekeringskantoor
in Berufsgenossenschaften (beroepsverenigingen) verenigd waren
om de verzekering te beheren en bovendien de industriële veiligheid te
bevorderen. Slachtoffers van ongevallen ontvingen tweederde van hun loon of
minder, naargelang de arbeidsongeschiktheidsgraad.
De wet op de ziekteverzekering werd aanvaard in 1883. Ze werd gefinancierd uit
bijdragen van werkgevers én arbeiders, voor respectievelijk tweederde en
éénderde deel, en uitgevoerd door een verscheidenheid aan erkende ziekenfondsen,
reeds bestaand of voor dat doel opgezet. Het project stond onder toe- | | | | zicht van commissies die voor tweederde bemand werden door
vertegenwoordigers van de arbeiders, en voor éénderde door afgevaardigden van
werkgevers. De uitkeringen bestonden uit medische hulp en een ziekengeld dat
gelijk stond aan de helft van het loonbedrag gedurende ten hoogste dertien
weken, na een Carenzzeit (wachttijd) van drie dagen.
De invaliditeitsverzekering werd ten slotte in 1889 tot wet verheven. Ze werd in
een volledig gekapitaliseerd stelsel83 gefinancierd uit gelijke
bijdragen van werkgevers en arbeiders (met een afnemend percentage van het
verdiend loon) en door de staat met een vaste jaarlijkse toeslag op elk
uitbetaald pensioen. De administratie was de taak van semi-autonome openbare
verzekeringslichamen onder gekozen bestuur in elk Land van het
Duitse Rijk. De verzekering voorzag bij volledige arbeidsongeschiktheid in een
pensioen van tweederde van het laatst verdiende loon na ten minste vijf jaar
contributie, arbeiders van boven de zeventig kwamen voor een pensioen in
aanmerking wanneer ze gedurende ten minste dertig jaar hadden bijgedragen, en
weduwen ontvingen 20% van het voormalige loon van hun overleden man. Een
werkeloosheidsverzekering werd niet voorgesteld; die bleef tot de wet van 1927
het domein van de vakbonden.
De ongevallenverzekering belichaamde nog het meest de belangen van het regime en
de grote werkgevers, door inderdaad de werknemers elke invloed over haar werking
te ontzeggen maar hen tegelijkertijd van de kosten vrij te stellen. Bij de
ziekte- en arbeidsongeschiktheidsverzekering moesten het regime en de werkgevers
de gevestigde belangen van de vele reeds bestaande fondsen ontzien. Bovendien
beseften ze dat de bedragen die met de pensioenen gemoeid waren onvermijdelijk
astronomische proporties zouden gaan aannemen, en ook daarom verkozen ze een
gecombineerde premiebetaling door werkgevers en werknemers onder een
kapitalisatiestelsel met staatstoelagen. Vandaar ook dat ze een
arbeidersvertegenwoordiging in de beherende lichamen accepteerden. Hiermee legde
het regime de grondslag voor de latere driezijdige alliantie die de sociale
zekerheid in Duitsland gedurende veertig jaar in stand zou houden en uitbreiden,
en die na de Tweede Wereldoorlog weer tot leven werd gewekt om de Westduitse
verzorgingsstaat te realiseren.
Zelfs achteraf is het moeilijk om ten volle de reikwijdte te beseffen van de
administratieve vernieuwingen die in de verzekeringsinstituties van het Duitse
keizerrijk werden belichaamd. Die beginselen zijn sindsdien richtinggevend
gebleven voor de verplichte, nationale verzekering, en ze bleken heel goed
verenigbaar met de latere uitbreiding naar nieuwe bevolkingsgroepen en nieuwe
dekkingen, in Duitsland en elders.
| |
6.2 De Britse doorbraak
De volgende golf van sociale innovatie deed zich bijna vijfentwintig jaar
later voor in Groot-Brittannië, waar de arbeidersklasse een langere
voorgeschiedenis had, en talrijker en beter georganiseerd was dan waar dan
ook. Maar ook hier | | | | berustte het initiatief voornamelijk bij een
regime van politici die erop uit waren de stemmen van de arbeidersklasse te
winnen en bestuurders die de nieuwe bestuurlijke technieken graag wilden
uitproberen. Grote werkgevers daarentegen speelden in Engeland nauwelijks
een rol, de wezenlijke steun bij de aanvaarding van de pensioen- en
verzekeringswetten van 1908 en 1911 was afkomstig van de
arbeidersorganisaties.
Kapitalistische ondernemers waren in de Engelse politiek vanaf 1830 een
steeds belangrijker rol gaan spelen. Vrij ondernemerschap en particuliere
accumulatie golden als de enige weg naar individueel succes en nationale
voorspoed, terwijl op de staat geënt beleid op hevig verzet stuitte. Toch
had de centrale staat zich in de negentiende eeuw steeds meer gemengd in
onderwijs, stedelijke hygiëne en armenzorg.84 Onder de Armenwet van 1834 had zich een zeer
gedifferentieerd stelsel van lokale armenzorg ontwikkeld, dat niet altijd zo
schraperig was als het wel is afgeschilderd85 en onder sterker centraal toezicht
stond dan wel wordt gedacht.86
Deze staatsinmenging werd keer op keer noodzakelijk gemaakt door de eeuwige
discrepantie tussen de plaatselijke beschikbare middelen voor de armenhulp
en de door economische ontwikkelingen bepaalde grotere behoefte aan die
hulp. Onder de ‘Nieuwe’ Armenwet werd het armenhuis opgezet als een dreiging
om de armen te weerhouden een beroep op de hulpverlening te doen. Maar
opzichters en armvoogden die weigerden hulp te geven riskeerden een
aanklacht door het Armenwet-bestuur wegens strafbare nalatigheid en zelfs
moord. Een al te vrijgevig beleid kon worden afgestraft door de lokale
kiezers die de armenbelasting moesten betalen.
Naast het zeer complexe bijstandsstelsel ontstond een uitgebreid netwerk van
particuliere liefdadigheidsorganisaties, dat zich meer en meer richtte op de
heropvoeding van de armen tot degelijke burgers en loonarbeiders. Een derde
steuncircuit werd gevormd door de arbeidersonderlinges en vakbondsfondsen;
dit steunde niet de armen maar de vaste arbeiders, en werkte niet met
heffingen of donaties maar met de eigen samengevoegde contributies:
vrijwillige collectieve actie realiseerde hier een functioneel equivalent
van de voorzorgsfuncties van het privé-bezit. De onderlinge fondsen vormden
een vrijwillig geaccumuleerd en coöperatief beheerd overdrachtsvermogen, een
tussenfase in de overgang naar dwingende accumulatie onder staatsbeheer. Dit
arrangement op kosten van de leden zelf vormde bovendien een alternatief dat
geheel paste in het Victoriaanse ideaal van vrijwillige accumulatie en
zelfhulp.
Zo functioneerde rond 1880 in Groot-Brittannië een drietal zeer uitgebreide
en vitale institutionele arrangementen; dit verklaart, samen met de
politieke druk van de kleine bezitters, voor een groot deel waarom het nog
meer dan dertig jaar zou duren alvorens een dwingende verzekering werd
ingesteld. Het waren juist deze instituties die wetshervorming in de weg
stonden. De ideeën en praktijken die onder de Armenwet vigeerden hielden het
verband tussen behoeftigheid en moreel falen, en tussen hulpverlening en
straf in stand. De overkoepelende Charity Organization
Society stond erop dat alle materiële hulp ge- | | | | koppeld
werd aan morele heropvoeding. En de onderlinge fondsen waakten nauwlettend
over de zelfstandigheid die hun leden zo zuur veroverd hadden. De bezittende
burgerij die de hoofdmoot van het electoraat vormde zag niet in waarom zij
haar inkomen zou moeten opofferen aan belastingen ter ondersteuning van
mensen die kennelijk niet bereid waren voor zichzelf te sparen.
Er was een lange reeks rapporten over de omstandigheden van de Engelse
arbeidersklasse voor nodig om het publiek en met name de politieke elites
attent te maken op de realiteit van de industriële samenleving, zoals het
onvrijwillige karakter van de werkeloosheid en de overmaat van ouderen onder
de behoeftigen. Beoefenaren van de sociale wetenschappen - zo zouden we ze
nu noemen - werden meer rechtstreeks dan ooit tevoren in dit proces van
bewustwording en de daarmee gepaard gaande beleidsvorming betrokken.87 En in het hele debat fungeerde
Bismarcks wetgeving als referentiekader.88
Belangrijker was dat de arbeidersonderlinges moeite hadden met de
ondersteuning van hun oudere leden, die langer waren blijven leven dan
statistieken uit het midden van de eeuw voorspeld hadden en die nu aanspraak
maakten op ziekengeld voor de chronische aandoeningen die zovelen van hen
arbeidsongeschikt hadden gemaakt. Ook in Engeland functioneerden ziekte- en
invaliditeitsuitkeringen als een verhuld ouderdomspensioen. Alleen het
schrikbeeld van een faillissement bewoog de fondsen ten slotte tot de
aanvaarding van een staatspensioen, en daarmee sloeg de politieke balans in
deze kwestie naar de andere kant door. De vakbonden, die zelf niet bij
pensioenverzekering betrokken waren, hadden geen reden om zich tegen
staatsinmenging in dezen te verzetten, en ondersteunden de massale campagne
van het National Pension Committee.
De catastrofale nederlaag van de Conservatieven bij de verkiezingen van
190689 bracht een liberale
regering aan de macht met een radicale vleugel rond Lloyd George op het
ministerie van financiën en Churchill op het nieuwe ministerie van handel.
Zij vormden het hart van een activistisch regime dat met een programma van
sociale wetgeving zijn electorale doelstelling op korte termijn - het winnen
van de arbeidersstemmen - hoopte te combineren met het doel op lange
termijn: de integratie van de arbeidersklasse in de hoofdstroom van de
Britse samenleving.90 Het benodigde kapitaal moest komen uit besparingen op de
bijstand vanwege de Armenwet en uit invoerrechten, die de handel met de
overzeese gebiedsdelen begunstigden en zo op het niveau van het koloniale
rijk de integratie bevorderden die de sociale zekerheid op nationale schaal
diende te versterken.
Een activistisch regime was aan de macht, terwijl in het land een brede en
goed georganiseerde basis van arbeiderssteun voor de sociale wetgeving was
ontstaan. De Pensioenwet van 1908 was het resultaat van een coalitie van
regime en arbeiders,91 zoals de Duitse Ongevallenverzekering van
1884 het produkt was geweest van een coalitie van regime en werkgevers.
Binnen het Britse project werd werkgevers elke vorm van zeggenschap ontzegd:
de pensioenregeling | | | | kende geen premies, werd uit de algemene
belastingen gefinancierd en op het plaatselijke postkantoor uitbetaald aan
elke burger boven de zeventig met een inkomen van minder dan zesentwintig
pond per jaar.92 Dit strookte in hoge mate met de wensen van de
vakbonden, die deze eisen al vele jaren als strijdkreet hadden gebruikt.
‘Het was een pensioen voor de zeer armen, de zeer achtenswaardigen en de zeer
ouden,’ schrijft Pat Thane93 in
een terugblik - maar het was ook een ongekende doorbraak:
Voor de bejaarde armen was het ongelooflijk dat iemand vijf
shilling kon innen door gewoon op vrijdag naar het postkantoor te gaan.
Vooral in de dorpen op het land werden nietsvermoedende directrices van
postkantoren bedolven onder appels en bloemen uit de tuinen van
gepensioneerden, als dank voor de eenvoudige handeling van het uitdelen van
geld.94
De werkgevers hadden met de totstandkoming van de staatspensioenen weinig
bemoeienis. Hoewel de kamers van koophandel de kosten ervan bekritiseerd
hadden en de Charity Organization Society bezwaar had
gemaakt tegen het ontbreken van elke poging tot morele verheffing van de
begunstigden - een streven dat wezenlijk was voor de charitatieve bezigheid
- hadden veel werkgevers de Pensioenwet ondersteund als een bijdrage aan de
industriële harmonie en daarmee aan de produktiviteit.95
In de volgende wetgevingsgolf werd voorzien in de risico's van ziekte en
werkeloosheid. Maar ondertussen had het anti-contributiebeginsel aan aanhang
ingeboet, ten eerste vanwege de kosten, maar ook omdat het voor velen nog
riekte naar de bedeling onder de Armenwet.96 Nog belangrijker was het feit dat werkeloosheids-
en ziektekostenverzekeringen in heel het land en sinds jaar en dag het
werkterrein van de vakbonden en de arbeidersonderlinges waren geweest. Op
deze gebieden waren ze niet op dezelfde actuariële risico's gestuit als bij
de ouderdomsverzekering, en nu stonden ze op behoud van beheer over hun
eigen zaken - zelfs als dit zijn tol van hun leden zou eisen. Ze verlangden
dat premies van werknemers en werkgevers geheven werden, met een toeslag van
overheidswege. Anderzijds - en dit bleek in hogere mate te gelden voor het
ziektekostenplan dan voor het werkeloosheidsproject - loste een verplichte,
door de staat gesubsidieerde verzekering inderdaad het eeuwige dilemma van
de vakbonden en arbeidersonderlinges op: de armste arbeiders uitsluiten of
verhoogde risico's aanvaarden.97
Deel I van het wetsontwerp, dat ging over ziektekostenverzekering, was
oorspronkelijk ook bedoeld om te voorzien in pensioenen van nabestaanden.
Maar hier kreeg het regime met het verzet van de Friendly
Societies, de onderlinges, te maken, en - heel onverwacht - ook met
de heel wat omvangrijker strijdmacht van de commerciële industriële
verzekering met haar goed georganiseerde leger van ruim 80.000 agenten. Deze
mannen beoefenden het lucratief bedrijf van begrafenisverzekeraar en
vreesden dat weduwen, zodra ze eenmaal op een pensioen konden rekenen, zich
niet langer zorgen zouden maken over de begrafe- | | | | niskosten. De
martelgang van het wetsontwerp binnen en buiten het parlement was in hoge
mate het resultaat van politieke strijd over zaken die er geheel los van
stonden; de georganiseerde werkgevers en werknemers hadden er nauwelijks
deel aan, maar de commerciële verzekeringen ensceneerden een der eerste
massacampagnes uit de moderne politiek. Spoedig nadat het wetsontwerp was
aangenomen zouden de medici hun voorbeeld volgen.
Uiteindelijk stond de Wet ‘verbeterde genootschappen’ toe de verzekering uit
te voeren: het ging hier zowel om de onderlinges als om de commerciële
maatschappijen die zich een plaats in de wet wisten te verwerven zonder
tevoren ooit bij de ziektekostenverzekering betrokken te zijn geweest.
Premie werd geheven van de werknemers à vier penny per week, van werkgevers
à drie penny, en de regering voegde daar twee penny aan toe voor de
financiering van de extra kosten van oudere ingeschrevenen.98 Dit gaf recht op een ziekengeld van tien shilling
gedurende ten hoogste zesentwintig weken, en daarna een
arbeidsongeschiktheidsuitkering voor onbepaalde tijd. Ook ambulante medische
zorg werd vergoed evenals medicijnen van dokters uit het ‘panel’.99 Kosten van ziekenhuisopname werden niet
vergoed, behalve voor tuberculose, een besmettelijke ziekte met
overduidelijke externe effecten. In één opzicht was de Wet radicaal: alle
werknemers werden erdoor gedekt, zelfs het huishoudelijk personeel - een
reden tot heftig protest: mevrouwen moesten nu zelf zegels plakken op de
kaarten waarmee de premiebetaling aan hun meiden werd bijgehouden.
Gezinsleden bleven buiten de verzekering, behalve voor uitkeringen bij
bevallingen.
Hoewel het regime rond Lloyd George een cruciale rol speelde in de
totstandkoming van de ziektekostenverzekering, ging het daarbij nauwelijks
een coalitie met werkgevers of werknemers aan: de gevestigde belangen van de
alom en hecht gewortelde onderlinges en de opkomende machten van de
commerciële verzekering en de medische beroepsgroepen overheersten gaandeweg
in de machtsstrijd. Arbeiders en industriëlen lijken de driezijdige
lastenverdeling tamelijk passief aanvaard te hebben, zonder zich te
verzetten tegen de toenemende concessies van het regime aan de onderlinge en
commerciële verzekeraars.
De arbeiders- en werkgeversorganisaties waren heel wat meer betrokken bij de
werkeloosheidsverzekering, en in dit geval verbreedde het regime zijn basis
door actief steun bij de werkgevers te zoeken.
De lokale autoriteiten waren wel heel machteloos gebleken in het verlichten
van de werkeloosheid: ‘Incidentele plaatselijke pogingen tot bijstand of
werkverschaffing aan werkelozen belemmerden de mobiliteit van arbeiders en
lokten stellig arbeiders naar noodlijdende gebieden. Bovendien was de
toereikendheid van de lokale hulpmiddelen omgekeerd evenredig met de
behoeften van de plaatselijke werklozen.’100
Met de depressies van 1879 en 1908 werd het voor het publiek steeds
duidelijker dat individuele gevallen van werkeloosheid een uiting waren van
een algemeen verschijnsel dat samenhing met de economie als geheel en weinig
te maken had met de deugden van de afzonderlijke getroffen arbeider.101
| | | |
Maar deze inzichten leidden op zichzelf nog niet tot remedie. Zoals al eerder
is uiteengezet, vormt de werkeloosheid een cumulatief risico, en het werd
destijds zelfs als ‘een onverzekerbaar risico’ beschouwd.102 Het enige precedent
van dwingende werkeloosheidsverzekering, een experiment in het Zwitserse
kanton Sankt Gallen, werd een waarschuwend voorbeeld van mislukking. Sinds
toen subsidieerden de autoriteiten op het Europese vasteland liever een
vrijwillige vakbondsverzekering volgens het Gentse systeem.103
Bismarck had de kwestie van verplichte werkeloosheidsverzekering omzeild, en
in Duitsland zou de wetgeving pas in 1927 tot stand komen.
Niettemin ging het regime voort met een nationale werkeloosheidsverzekering,
en drong het aan op verplicht lidmaatschap, juist vanwege de dillema's die
aan elk vrijwillig arrangement inherent zijn. Beveridge en Churchill
pleitten voor een werkgeversbijdrage, omdat verzekering op lange termijn de
kwaliteit van de arbeidskrachten in hun voordeel zou verbeteren, en het bij
uitstek werkgevers waren die mensen aannamen en ontsloegen. Churchill
schreef: ‘Werkeloosheid is vooral een probleem van werkgevers... Hun
verantwoordelijkheid staat buiten kijf, hun medewerking is
onontbeerlijk.’104 De werkgevers waren echter verdeeld over de kwestie, maar
toonaangevende stemmen steunden de verzekeringsgedachte.105
De onderlinges bemoeiden zich nauwelijks met de werkeloosheidsverzekering,
commerciële maatschappijen deden er al helemaal niet aan, maar de vakbonden
waren op dit gebied steeds actiever geworden. Met hun bezorgdheden moest dus
op de eerste plaats rekening worden houden: in geen geval mocht men
werkelozen verplichten werk te aanvaarden dat minder dan het standaardloon
verdiende, of hen dwingen stakingen te breken. En evenmin mochten bestaande
vakbondsverzekeringen door de regering overgenomen worden.
Volgens de voorwaarden van de wet van 1911 dienden werkgevers en werknemers
een even grote bijdrage te leveren, tweeënhalve penny, de regering iets
minder. Arbeiders zonder werk zouden gedurende ten hoogste vijftien weken
per jaar zeven shilling per week ontvangen voor elke vijf weken betaalde
premie. De verzekering bleef beperkt tot zo'n tweeënhalf miljoen arbeiders
in de bouw en zware industrie en werd in latere jaren uitgebreid tot andere
sectoren.106 Een
netwerk van ongeveer 1200 arbeidsbureaus werd opgezet onder een nieuw
ministerie om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter op elkaar te doen
aansluiten (en de werkwilligheid van de uitkeringstrekker te testen).107 De uitkeringen werden
uitbetaald door de arbeidsbureaus en - aan hun eigen leden - door de
vakbonden. Betwiste gevallen kwamen ter beoordeling van commissies die waren
samengesteld uit werkgevers benoemd door het ministerie van handel en uit
gekozen arbeidersvertegenwoordigers.108
De werkeloosheidsverzekering was in essentie een driezijdig arrangement, met
de staat in een dominerende positie. De coalitiebasis die na 1908 de sociale
wetgeving ondersteunde werd door de toetreding van de werkgevers verbreed,
maar de driezijdige betrekkingen tussen de partners bleven zeer wankel. De
| | | | werkeloosheidsverzekering raakte niet aan commerciële
belangen, zoals de ‘gezondheidshandel’. In zijn toenmalige vorm bestreek de
verzekering krachtiger sectoren, en werden de economisch minder bestendige
branches ontweken.
De Britse nationale verzekering begon als een overheidsinitiatief met
arbeiderssteun, waarbij werkgevers zoveel mogelijk gemeden werden. Het werd
weldra een onderneming van drie partijen, nadat de grote werkgevers overreed
waren om de wetgeving te steunen. De werkeloosheidsverzekering was het meest
ambitieuze initiatief, maar in latere jaren bleek haar financiële basis de
lasten van massawerkeloosheid niet te kunnen dragen: het liep uit op een
massaal en ongelimiteerd bijstandsstelsel. Het fundament voor de sociale
zekerheid was echter gelegd, en de tekortkomingen namen de publieke opinie
er niet tegen in, maar zouden veeleer een extra argument vormen voor de
invoering van het meer uitgebreide en gecentraliseerde stelsel dat na 1945
gevestigd werd.
| |
6.3 Frankrijk: de motor en de rem
Uiterst simpel gesteld, begon de sociale verzekering in Duitsland met een
coalitie van industriëlen en het regime, die aanvankelijk slechts
anticipeerde op de voorkeuren van arbeiders en zich vervolgens verbreedde
door de opname van de Arbeiterkassen; in Engeland begon
het met een coalitie van het regime en de arbeidersbeweging, die zich
uitbreidde door de werkgevers tegemoet te komen op het punt van de
werkeloosheid, en de commerciële en onderlinge verzekeraars bij de
ziektekostenverzekering te betrekken. De late opkomst van sociale
verzekering in Frankrijk is, evenzeer geschematiseerd, een voorbeeld van een
driezijdige coalitie van het regime met gematigde delen van de
arbeidersbeweging en grote industriëlen, die de mouvement
mutualiste trachtte te incorporeren.
De verplichte verzekering bereikte Frankrijk pas laat, en juist dit oponthoud
zorgde voor verdere vertraging. Inmiddels hadden zich de onderlinge en
bedrijfsfondsen alom verbreid, en zij vertegenwoordigden nu even zovele
gevestigde belangen gericht tegen een eenheidsverzekering door de staat.
Opponerende coalities hadden alle tijd om het politieke verzet te
organiseren en alternatieve instituties op te zetten waarover zij zelf het
beheer uitoefenden en die vervolgens in het politieke debat konden dienen om
alle urgentie aan elk staatsinitiatief te ontzeggen. Iets dergelijks was ook
in Engeland gebeurd, waar de onderlinges zich al vóór de nationalisatie van
het verzekeringsstelsel ontwikkeld hadden en vervolgens de komst ervan
vertraagden. In Frankrijk konden werkgevers en mutualistes
nog twintig jaar in betrekkelijke zelfstandigheid opereren alvorens in 1930
een nationaal stelsel tot stand kwam.109
Duidelijker dan in andere landen werkte in Frankrijk een grote alliantie van
kleine bezitters als een ‘rem’ op de wetgeving inzake verplichte
staatsverzekering. Dat verzet is beschreven door Henri Hatzfeld, en zijn
analyse van de vestiging van de sociale zekerheid in Frankrijk heeft een
grotere geldigheid dan voor dat land alleen.
| | | |
De Franse Derde Republiek stond voor het bewind van de bourgeoisie en vormde
evenzeer een reactie op de dreigingen van de Parijse commune110 als op
de etatistische projecten van Napoleon III.111 Meer dan elders werd de sociale verzekering hier gezien
als een alternatief en een bedreiging voor het particulier bezit en het
verzet ertegen was dan ook des te heviger. De kleine spaarders vreesden dat
enorme beleggingsfondsen met de geaccumuleerde gelden van de nationale
verzekering de kapitaalmarkt zouden domineren. Zij voerden ook aan dat
verplichte premies de arbeider zou beroven van zijn laatste centen om voor
zichzelf en zijn kinderen te sparen of in een eigen onderneming te
investeren. Met een verplichte verzekering zou de arbeider dus voor eens en
altijd tot loonafhankelijkheid gedoemd zijn. Achteraf kan het lijken of de
redenering hiermee op zijn kop gezet wordt, maar voor een negentiende-eeuwse
bezitter kon de proletarische afhankelijkheid nog een overgangsverschijnsel
lijken, dat met de groei van de economie en de toename van de welvaart zou
verdwijnen. Deze visie is helemaal niet onverenigbaar met een ideologie van
het Patronat als een patriarchaal rentmeesterschap dat uit
vaderlijke bezorgdheid en christelijke naastenliefde zorgde voor al wie
eraan was toevertrouwd. Wettelijke verplichting en staatsdwang konden deze
verbintenis van zorgzaamheid met dienstbaarheid, die de geldelijke binding
verre oversteeg, slechts schaden.112 De wereldlijke en katholieke
solidariteitsgedachte legde aan allen een overeenkomstige verplichting op om
elkanders lasten te dragen, niet slechts door spontane liefdadigheid, maar
ook in het kader van permanente en georganiseerde, maar altijd vrijwillige,
instituties als de caisses mutuelles.
Een deel van de arbeidersbeweging, en wel haar meest eigenzinnige vleugel,
deelde veel van deze principes, maar met één verschil: ook de
anarcho-syndicalisten hielden vast aan zelfhulp, maar zij definieerden dit
begrip als een collectief streven van de arbeiders zelf. Hun gelederen
werden vooral gerekruteerd uit de goed geschoolde arbeiders in het
kleinbedrijf waar nog onder pre-industriële omstandigheden werd gewerkt. Hun
radicalisme was dan ook enigszins nostalgisch getint.
Tegen de kleine burgerij en de anarchisten in, bepleitte de Algemene
Confederatie van de Arbeid, CGT, unaniem staatsinterventie en verzekering
zonder contributie. Maar binnen de gelederen heerste verdeeldheid over het
vraagstuk van hervorming versus revolutie: mocht de sociale verzekering aan
de bestaande Franse staat, de Derde Republiek, worden toevertrouwd, of moest
deze staat eerst omvergeworpen worden om plaats te maken voor de dictatuur
van het proletariaat? Jules Guesde was de woordvoerder van de radicale
vleugel binnen de beweging, die zich verzette tegen elke mogelijke
maatregel, omdat men die interpreteerde als een heffing die de arbeiders
werd opgelegd om het kapitalisme in stand te houden. Jean Jaurès leidde de
reformistische stroming en steunde behoedzaam de initiatieven van
opeenvolgende regimes, zelfs de magere Pensioenwet van 1910.
Een figuratie van conflict waarin een der partijen bestaat uit zowel een ver-
| | | | zoeningsgezinde hoofdstroom als een radicale randgroep,
leidt vaak tot compromis. De gematigde meerderheid kan de aanwezigheid van
radicalen uitbuiten door te dreigen dat of de laatsten de gehele beweging
zullen overnemen of zijzelf hun achterban niet van radicalisering zullen
kunnen weerhouden: ergo, beter nu meteen met de gematigde vleugel
onderhandelen dan later de radicalen het hoofd te moeten bieden. Hoewel de
twee vleugels elkaar vaak feller bestrijden dan hun gemeenschappelijke
vijand, kan hun gezamenlijke dynamiek het compromis bevorderen als de
dreiging succesvol is. Zo niet in Frankrijk.113 De toch al
karige Pensioenwet van 1910 werd ongedaan gemaakt door een gerechtelijke
uitspraak waarin de verplichte bijdrage nietig werd verklaard. ‘De wet was
uitgevaardigd door hen die haar het minst wilden’;114 en was zo
van meet af aan verlamd. Het resultaat was dat het aantal pensioenen in de
daaropvolgende jaren in feite afnam.115
De verzekeringen bleven het domein van de sociétés
mutuelles en de bedrijfsfondsen. In 1791 waren de onderlinge fondsen
net als alle andere arbeidersorganisaties buiten de wet gesteld, en tijdens
de Restauratie werden ze als genootschappen van samenzweerders vervolgd.
Napoleon III erkende de ‘goedgekeurde’ fondsen, maar legde een streng
toezicht op door benoemde voorzitters.116 Onder de Derde Republiek evenwel, en
vooral na de wet van 1895, kreeg de mouvement mutualiste
de ruimte om zich te ontwikkelen tot een netwerk van vrijwillige
verenigingen met overheidssubsidies. Deze liberté
subsidiée begunstigde het meest de middenklassen, die zich de premies
konden veroorloven.117 Na het echec van de Pensioenwet bleef dit de belangrijkste
verzekeringsvorm tegen de diverse risico's van inkomstenderving, met alle
tekortkomingen die een vrijwillig stelsel eigen zijn.
Doordat de staatsverzekering zo lang op zich liet wachten, werden ook de
bedrijfsverzekeringen belangrijker dan elders. Maar ook in Frankrijk
ontstonden ze voornamelijk in de grote industrieën, en met name in de
mijnen, staalfabrieken en spoorwegmaatschappijen. Reeds in 1850 had Napoleon
III een compensatiefonds gevestigd, de Caisse Nationale de
Retraites, en veel werkgeversprojecten waren per bedrijfstak
gefuseerd of bij commerciële bedrijven herverzekerd. Dit stelsel zou
Bismarck tot voorbeeld strekken. In 1898 werden de werkgevers aansprakelijk
verklaard voor industriële ongevallen, tenzij er duidelijk bewijs was van de
schuld van de arbeider;118 en dit bracht hen ertoe zich
tegen zulke aanspraken te verzekeren. Een poging tot invoering van
verplichte invaliditeitsverzekering naar Duits model mislukte echter omdat
men ervan uitging dat de kleine werkgevers niet in staat waren om de kosten
te dragen.
De bedrijfsfondsen ontstonden het eerst in sectoren waar de vraag naar arbeid
het aanbod overtrof, vooral in de gebieden waar nieuwe ondernemingen werden
opgezet:
De patrons zijn afhankelijk van werklieden die
schaars maar onmisbaar zijn en bovendien ongedisciplineerd, ongeregeld en
niet honkvast. De arbeiders weten dat ze nodig zijn en | | | | spelen
de concurrenten tegen elkaar uit. De bazen gehoorzamen één dwingende regel
om de afhankelijkheidsrelatie in hun voordeel te keren: de
werklieden honkvast maken, ze vasthouden en aan het bedrijfbinden door ze
tot ‘leenknechts’ te maken. Zo zorgen zij ervoor dat de arbeider en zijn
gezin voor hun bestaan op het bedrijf aangewezen raken.119
Ewald beschrijft vervolgens de bijbehorende patriarchale ideologie van
‘weldadigheid tegenover dienstbaarheid’, zoals Fréderic le Play en de
bedrijfsdirecteur Cheysson het noemden. Hun voorstellen voorzagen meestal in
uitkeringen in natura, in de eerste plaats huisvesting, want ‘hoe meer men
de arbeider uitbetaalt, hoe minder hij werkt.’120 Gunsten werden zorgvuldig verleend als beloningen voor ‘trouw’.
Maar juist omdat de bedrijfsfondsen de arbeider aan zijn werkgever koppelden
met de levenslange banden van een pensioenbelofte die bij ontslag of
opzegging werd verbroken, waren vakbondsleden falikant tegen.121 De beruchte schandalen
en faillissementen van sommige van deze bedrijfsfondsen in de jaren negentig
maakten ook steeds duidelijker dat afzonderlijke firma's, en zelfs
gefuseerde fondsen de talrijke en levenslange verplichtingen niet afdoende
konden garanderen.122 Anderzijds waren de werkgevers
gespitst op de mogelijkheid om met deze verzekeringen hun greep op de
werknemers te versterken en konden ze de geaccumuleerde werknemerspremies
gebruiken als investeringskapitaal, zij het onder een hypotheek van morele
verplichtingen. Maar gaandeweg nam het aandeel van de werkgevers in de
premies toe en gingen hun uitstaande verplichtingen zwaarder wegen, vooral
omdat invalide en gepensioneerde arbeiders langer bleven leven dan de
verzekeraars op grond van statistieken uit het midden van de eeuw hadden
verwacht: de toenemende last plaatste de oudere bedrijven in een ongunstige
positie ten opzichte van meer recent gevestigde concurrenten die minder
verplichtingen hadden. Ook daarom al stonden de grote en sinds lang
gevestigde bedrijven helemaal niet zo vijandig tegenover staatsverzekering,
en waren ze bereid om hun deel bij te dragen zolang ze de zeggenschap over
de verzekering maar niet hoefden op te geven, en greep op hun personeel
konden houden. De Franse grootindustrie aarzelde echter om met de kleine
werkgevers te breken op het punt van de verzekeringen, en dit dempte de
steun voor een nationaal project.123 Ten slotte mislukte zelfs in
1925 nog een poging om een beperkte werkeloosheidsverzekering in te voeren,
alleen bedoeld om voor werkeloze mutualistes de
contributie aan het fonds te vergoeden.
Uit de sociale wetenschappen is bijgedragen aan het ontstaan van de sociale
verzekering, maar er is ook tegenstand geboden. In Frankrijk presenteerde
Jaques Rueff indrukwekkende statistieken over de correlatie tussen
werkeloosheid en het reële loonpeil, en hij beweerde dat beide kunstmatig
omhoog gedreven werden door vakbondsactie en werkeloosheidsuitkeringen.124 Er zouden nog drieëndertig jaar
verstrijken voordat in 1958 het regime, georganiseerde werkgevers en
werknemers het eindelijk eens konden worden over een
werkeloosheidsverzekering.
| | | |
Toch werd amper vijfjaar na de mislukking van 1925 een nationaal, dwingend
stelsel voor ziektekosten-, invaliditeits- en pensioenverzekering
aangenomen, dat alle werknemers in handel en nijverheid dekte.125
Tegen die tijd was een driezijdige coalitie van grote werkgevers, gematigde
vakbonden en het regime erin geslaagd een stelsel met gedeelde zeggenschap
te ontwerpen dat de partners niet afstootte en ook voor de onderlinges die
de verzekeringsmarkt domineerden aanvaardbaar was. De medische professie
bleek het moeilijkst te verzoenen, maar stemde voorlopig in.126 De communistische partij en vakbond keerden zich tegen de
‘fascistenwet,’ als een voortbrengsel van chicanerie
bourgeoise. Ze schaarden zich pas na 1945 achter de sociale
wetgeving.127
De assurance sociale van 1930 stond 744 ‘goedgekeurde’
fondsen toe om de eigen leden te verzekeren tegen de kosten van ziekte,
bevalling en overlijden in een omslagstelsel, terwijl ongeveer tachtig
fondsen de invaliditeits- en pensioenverzekering verzorgden op basis van
volledige kapitalisatie.128
In elk departement werd een caisse gevestigd ter
verzekering van hen die buiten de ‘primaire’ fondsen bleven, omdat ze niet
wilden toetreden of waren afgewezen.129 De caisses départementales waren ook
bedoeld als kantoren voor premie-inning, herverzekering,
betalingsverrekening en toezichthoudende instanties voor de vrijwillige
fondsen, waarmee het verbrokkelde stelsel van onderlinges een krachtige
staatsstructuur werd opgelegd. In een tweede versie van de wet (1930) werden
deze administratieve en toeziende functies echter toevertrouwd aan
afzonderlijke instituties onder een Caisse générale de
garantie. Deze overwinning van de mutualistische beweging op de supercaisses van de staat werd ten dele weer tenietgedaan
door de onverwacht grote toevloed van intekenaars op de departementale caisses, die rond 1931 meer dan 60% verzekerden.130 Deze ontwikkeling bood extra
argumenten voor een eenheidsstelsel in 1945.
In de uiteindelijke versie sloot de wet van 1930 landarbeiders uit, en
degenen die al op een andere manier gedekt waren, vooral personeel van de
spoorwegen en de overheid. Maar binnen niet al te lange tijd verzekerde de
wet tien miljoen loonarbeiders, waarbij werkgevers en werknemers elk 4% van
het loon afdroegen, en de staat bijdroeg wat nu bespaard werd op de
pensioenwet van 1910 en op de openbare bijstand.131
De caisses werden beheerd door vertegenwoordigers van
werkgevers en werknemers, met uitzondering van door de arbeiders zelf
opgerichte fondsen, die uitsluitend onder hun beheer bleven - een concessie
aan oude vakbondseisen.132 Maar met dat al bestond er nu voor het beheer van deze
veelsoortige en verbrokkelde onderbouw een gecentraliseerde administratieve
bovenbouw, die werknemers het verplicht lidmaatschap oplegde, premies van
hen en van hun werkgevers vorderde, normen voor dekking en beheer opstelde,
tekorten in een branche of regio compenseerde met een aan andere fondsen
onttrokken surplus, en alle uitkeringen en diensten controleerde. Zo was de
weg geplaveid voor de verdere nationalisatie van de sociale verzekering na
1945.
Het feit dat de verplichte verzekering in Frankrijk pas laat een feit werd
wordt | | | | het best verklaard door de politieke kracht van de kleine
bezitters, het grote obstakel dat overwonnen moest worden. Maar waarom gaven
zij zich, na zoveel mislukte pogingen tot wetgeving, in 1930 gewonnen? Er
was uiteraard het pijnlijk precedent van Elzas-Lotharingen waar de Duitsers
hun eigen sociale wetgeving ingevoerd hadden, een structuur die niet meer
ongedaan kon worden gemaakt toen het gebied weer Frans geworden was. De
jaren twintig waren een periode van betrekkelijke voorspoed geweest, en het
progressieve belastingstelsel voorzag de overheid nu van aanzienlijke
inkomsten. Er was ook een toenemende bereidheid bij de sociaal-democratische
vakbonden om met het zittende regime tot overeenstemming te komen. De
tegenstand van de grote ondernemers was altijd meer luidruchtig dan
hardnekkig geweest: het ging hen meer om de zeggenschap dan om de kosten. En
al die tijd waren er de experts en bestuurders, les grands
commis de l'Etat, die doorgingen met het ontwerpen van nieuwe
strategieën en nieuwe compromissen om de sociale wetgeving aangenomen te
krijgen.133 Maar in tegenstelling tot andere landen bracht Frankrijk geen
staatsman voort die stond voor de sociale zekerheid zoals een Bismarck,
Churchill of Roosevelt.
Het was bovenal de geleidelijke erosie van de politieke voorrechten die het
particulier bezit verschafte, de onstuitbare groei van het aantal
loonarbeiders en van de meer bevoorrechte salariés, de
opkomst van grote ondernemingen en grote burocratieën, waardoor ten slotte
de balans doorsloeg en een reeks centrum-rechtse kabinetten een kans van
slagen kreeg waar eerdere regeringen gefaald hadden. Nadat de mutualistische
beweging eenmaal het beginsel van staatssubsidie en staatsdwang geaccepteerd
had, nam de centrale regering gaandeweg het heft in handen. In dat opzicht
kregen de meest verstokte voorvechters van de liberté
mutualiste gelijk, en meer nog dan ze verwacht hadden: toen de wet
eenmaal in werking was getreden, bleek ze tamelijk soepel te werken, de
Franse burgers sloten zich aan bij de departementale caisses, kozen voor een uitbreiding van hun dekking zonder zich erg
druk te maken over de mutualistische autonomie, zolang de staat er maar voor
zorgde dat de uitkeringen betaald en de diensten geleverd werden.
Omdat de strijd zo lang had geduurd, had zich in de tussentijd nog een ander
alternatief voor de nationale sociale zekerheid aangediend - ditmaal geen
verzekeringsstelsel, maar een stelsel van toelagen die aan arbeiders
uitbetaald werden naargelang de omvang van het gezin dat ze te onderhouden
hadden.134 Deze allocation familiale of kinderbijslag was het produkt van
katholiek sociaal activisme, een ‘derde weg’ tussen het laissez
faire van het liberale denken en de staatsverzekeringsstelsels die
de socialisten en de radicale arbeidersbeweging voorstonden. De katholieke
werkgevers waren op vrijwillige basis met deze voorziening begonnen, maar
ontdekten weldra dat bedrijven met veel gezinshoofden duurder uit waren. Om
toch de lasten onder deelnemende bedrijven gelijker te verdelen, richtten ze
gezamelijke vereffeningsfondsen op. De wet van 1921 | | | | (aangenomen
kort na de pauselijke encycliek Quadragesimo anno, die de
veertigste verjaardag van de sociale encycliek De rerum
novarum memoreerde), stelde de kinderbijslag verplicht en liet het
beheer van de caisses familiales over aan de werkgevers,
totdat de staat die in 1945 overnam.
Frankrijk was in de welzijnswetgeving even traag als de Verenigde Staten, en
in het Franse geval moet de verklaring gezocht worden in de betrekkelijke
kracht van de kleine bezitters, en met name in hun politieke kracht. De
timing van de wetgeving is te verklaren in samenhang met de erosie van hun
politieke machtsbasis. De vakbonden waren in Frankrijk bepaald niet zwak,
zoals in Duitsland en de Verenigde Staten, maar op het punt van sociale
zekerheid waren ze hopeloos verdeeld. Net als in Duitsland namen de grote
werkgevers een sterke positie in, maar ze waren minder nauw met het regime
verbonden dan hun Duitse collega's ten tijde van Bismarck, en vasthoudender
in hun alliantie met de kleine ondernemers. Frankrijk was ten gevolge van de
kracht van zijn petite bourgeoisie een achterblijver in de
verzorging, de Verenigde Staten waren een laatkomer vanwege de zwakke
organisatie van de centrale - de federale - staat en door de zwakke positie
van de vakbonden.
| |
6.4 De Amerikaanse explosie
De sociale zekerheid kwam in de Verenigde Staten tot stand als onderdeel van
de New Deal-politiek van Franklin D. Roosevelt, met
onverwachte vaart, maar niet zonder precedent. Aan het einde van de
negentiende eeuw waren de Verenigde Staten al ver op weg om een soort
verzorgingsstaat te worden: uit de nasleep van de Burgeroorlog was een
opmerkelijk royaal en veelomvattend stelsel van veteranenpensioenen
voortgekomen. In de loop der jaren werd het causale verband tussen
oorlogsletsel en invaliditeit geleidelijk verbroken, en kon bijna iedereen
die voor de Republiek gestreden had aanspraak maken op betalingen wegens
ongeschiktheid of ouderdom, terwijl de nabestaanden in aanmerking kwamen
voor weduwen- en wezenpensioenen. Deze vrijgevigheid vloeide niet voort uit
een politiek plan, maar uit vele duizenden persoonlijke interventies van
politici ten behoeve van individuele kiezers.135 Rond 1890 ontving ongeveer tweederde van de
noordelijke blanke Amerikanen boven de vijfenzestig een federaal pensioen;
negers waren ervan uitgesloten, evenals de immigranten die na 1865 in steeds
groteren getale het land waren binnengekomen.
De etnische gemeenschappen in de oostelijke steden schiepen hun eigen
verzorgingsarrangementen als onderdeel van het systeem van stedelijke political machine. In elke wijk organiseerde een boss de nieuwkomers uit zijn land van herkomst en zorgde
ervoor dat ze op de juiste kandidaten stemden. Eenmaal in hun ambt gekomen,
bewezen deze politici wederdiensten aan hun eigen kiezersvolk en zorgden
voor banen, contracten, subsidies en giften. De machine werd gaande gehouden
door politieke overreding en bemiddeling, met een beroep op | | | | etnische en religieuze loyaliteit, door bedreiging en afpersing, maar ook
door een fijnmazig web van kleine gunsten en diensten aan onwennige
nieuwkomers, behoeftigen en bejaarden.136
In dit opzicht was het stelsel ook een alternatief voor filantropische
bemoeienis, en zelfs een voorloper van later maatschappelijk werk en
buurtwerk. Door de nauwe banden met het stadsbestuur kan de stedelijke
politieke machine worden opgevat als een embryonale versie van een stelsel
van staatsverzorging, dat vooral sterk was in de persoonlijke behandeling
(soms ook met harde middelen). Het ontbrak het ‘machinestelsel’ echter aan
legitimiteit in de omringende gemeenschap, verstrikt als het was in
vriendjespolitiek, en daarom alleen al ongeschikt voor de regelmatige en
betrouwbare bediening van de cliënten.
De immigranten richtten ook onderlinge fondsen op naar Europees model, die de
risico's van ziekte, ongeval en overlijden dekten.137 Deze fondsen kenden echter niet het
algemene succes dat ze in Europa hadden. In 1929 waren 750.000 werknemers
via hun bedrijven bij mutual benefit associations
ingeschreven.138 Rond
die tijd werden ook ongeveer een miljoen arbeiders tegen overeenkomstige
risico's beschermd door industriële groepsverzekeringen.139 Vakbonden
speelden nauwelijks een rol bij het verzekeren van hun leden, en de
commerciële verzekering had het terrein nog maar net betreden.
De armenzorg was steeds vooral een lokale aangelegenheid gebleven in de
Elisabethaanse traditie van armenhuis en armenbelasting, met grote
verschillen van plaats tot plaats, maar in al die tijd zonder veel
verandering. De religieuze liefdadigheid duurde voort op het niveau van de
parochie, terwijl de nieuwe, industriële armen meer en meer werden
opgevangen door filantropische verenigingen, die de pedadogische principes
van hun Britse tegenhangers in de Charity Organization
Society hadden overgenomen.140
Wat er rond 1910 aan bijstand bestond, was daarom ofwel volkomen archaïsche
armenzorg, ofwel een eigentijds Amerikaans arrangement zoals het
veteranenpensioen en de stedelijke machine, die allebei grote delen van de
bevolking bereikten, maar steeds meer met verkiezingsgiften en lokale
corruptie geassocieerd werden. Onderlinge, commerciële of publieke
verzekeringen speelden vooralsnog nauwelijks een rol.
De Progressieve Beweging voor ‘goed bestuur’, die de hervormingsgezinde
krachten bundelde in een totale campagne tot verdelging van corruptie,
vriendjespolitiek en ‘weggeefprojecten’, wist niet alleen her en der een
eind te maken aan de plaatselijke machinepolitiek, zonder echter de giften
en gunsten te vervangen door een geregelde openbare ondersteuning, maar
schafte ook het pensioenstelsel voor veteranen af, dat zich vrij eenvoudig
tot een permanente, algemene pensioenverzekering had kunnen ontwikkelen.
‘Eerlijk bestuur’ en een ‘sluitende begroting’ bleken ongeschikte beginselen
te zijn voor een sociaal beleid.141
Als resultaat werd in de volgende vijfentwintig jaar veel ongedaan gemaakt,
en werd weinig tot stand gebracht. Rond 1930 genoot hoogstens 10% van de be-
| | | | jaarden enigerlei pensioen, en dan ging het meestal om een
veteranenuitkering. De werkeloosheid was in het geheel niet gedekt door wet
of particuliere verzekering,142 en voor ziekte en invaliditeit gold
vrijwel hetzelfde.143
Toch waren experts van de Progressieve Beweging actief doende om hervorming
van het sociale beleid te propageren.144 Ze wisten de
herziening van de wetgeving op de industriële aansprakelijkheid door te
drijven, die in de Verenigde Staten, net als elders, de verbreiding van het
fabrieksstelsel op de voet volgde. Tussen 1911 en 1920 namen vijfenveertig
staten wetten voor de schadeloosstelling van arbeiders aan, zij het met zeer
ongelijke en doorgaans minimale uitkeringen.145 De
meeste staten stelden ook ‘moederpensioenen’ in voor ‘achtenswaardige
weduwen’ met afhankelijke kinderen, waarbij zowel de vaststelling van de
geschiktheidseisen als de financiering aan de counties en
gemeenten werden overgelaten.146
Afgezien van deze kleine hervormingen kwam tot de jaren dertig nauwelijks
enige wetgeving tot stand in de achtenveertig staten van de Unie of bij de
federale overheid. De onderlinges en de bedrijfsfondsen voorzagen al evenmin
in de leemte. Als er al werd aangedrongen op sociale hervormingen dan
gebeurde dat voornamelijk door de deskundigen van de Amerikaanse Associatie
voor Arbeidswetgeving. De belangrijkste vakbond, de Amerikaanse Federatie
van de Arbeid, AFL, had al in 1909 pensioenen geaccepteerd, maar bleef zich
onder leiding van Gompers tot in de jaren dertig consequent tegen de sociale
wetgeving verzetten. De AFL vertegenwoordigde vooral de geschoolde, blanke
arbeiders in sectorale bonden, en had in niets anders vertrouwen dan in
loononderhandelingen. De AFL stond traditioneel vijandig tegenover de
overheid, uit een algemeen ‘Amerikaanse’ afkeer van alle staatsbemoeienis
die ze met de zakenwereld deelde, en ook vanwege een lange geschiedenis van
vakbondsonderdrukking die haar een welhaast socialistische visie op de staat
als instrument van de heersende klasse had ingegeven. Elke hervorming
waaronder de arbeiders een uitkering zouden ontvangen buiten de vakbond om,
wekte de verdenking van overname door de staat. Bovendien zou het de
loyaliteit van de leden ondermijnen, als ze zonder toedoen van de bond een
uitkering zouden kunnen krijgen.147 In de
Verenigde Staten hebben de vakbonden kennelijk weinig gelegenheid gehad om
vertrouwd te raken met regeringsambtenaren tijdens het inspectie- of
commissiewerk, en waren de leiders blijkbaar minder in verleiding gebracht
door de mogelijkheden van carrière en zeggenschap die staatsregulering hun
zou kunnen bieden. Zij hielden vast aan het ‘voluntarisme’ - het geloof dat
arbeidsvoorwaarden in collectief arbeidsoverleg moesten worden vastgesteld,
vrij van regeringsinmenging en geheel los van
sociale-verzekeringskwesties.148
Als de werkgevers al niet regelrecht vijandig waren, zoals de National Association of Manufacturers, waren ze toch op zijn minst
terughoudend in hun steun voor de sociale wetgeving. In de jaren twintig
begonnen enkele progressieve bedrijven met de ontwikkeling van
winstdelingsprojecten en human relations- | | | | methoden om de loyaliteit van hun personeel te bevorderen. In dezelfde
geest werden ook pensioenverzekering en ziekteverzekering ingevoerd. Hoewel
deze ‘secundaire arbeidsvoorwaarden’ na de Tweede Wereldoorlog een
belangrijke aanvulling gingen vormen op de sociale zekerheid voor arbeiders
in loondienst, schoot ‘gedurende de jaren twintig het welzijnskapitalisme
hopeloos tekort.’149
De jaren twintig waren een tijd van betrekkelijke economische voorspoed.
Opeenvolgende Republikeinse presidenten van de conservatieve stempel
beperkten hun sociaal beleid tot het aanmoedigen van vrijwillig initiatief
bij de bedrijven. De ‘associatieve staat’, zoals Herbert Hoover hem noemde,
bood alleen wie al een vaste baan had bescherming, en dan nog slechts een
minimale.
Achteraf bezien vormde de uitzonderlijk sterke positie van de bezittende
klasse in Amerika de grootste hindernis voor elke poging om sociale
wetgeving in te voeren en instituties op te zetten die een alternatief voor
de particuliere accumulatie konden bieden: ‘De industrialisatie maakte de
negentiende-eeuwse kapitalist zo machtig dat gaandeweg de rechterlijke
beslissingen en het beleid van het Congres bijna rechtstreeks de wensen en
belangen van een enkele, bevoorrechte laag weergaven.’150 Fabrieksarbeiders, de immigranten
vooral, bleven hun positie nog lange tijd als een overgangsverschijnsel
beschouwen: de volgende generatie zou hogerop komen in de samenleving. In
Amerika, meer dan elders, vormden de loonarbeiders niet zozeer de bezitsloze
klassen als wel de nog-niet-bezittende klassen. De gedachte dat men eerlijk
zijn brood moest en ook kon verdienen met het werk van eigen handen en ook
nog iets opzij kon leggen voor moeilijke tijden was zó overheersend dat het
de initiatieven voor collectieve voorzieningen verlamde. Toen de Grote
Crisis deze verwachtingen de grond in boorde en tijdelijk de politieke
heerschappij van het zakenleven brak, liet de komst van sociale zekerheid
nog maar enkele jaren op zich wachten.
De Amerikaanse figuratie van afzonderlijke staten in een federale unie
verleende dit proces een geheel eigen dynamiek. De sociale wetgeving viel
onder de bevoegdheden van de afzonderlijke staten. Maar de staten beschikten
in het geheel niet over de middelen om hun lokale economie af te schermen
van die van de Verenigde Staten als geheel. De Europese nationale staten
konden, als ze zo beslisten, een tariefmuur oprichten om hun industrie tegen
buitenlandse concurrentie te beschermen. De Amerikaanse staten vermochten
niets tegen de wedijver van hun buurstaten: in dit opzicht leek hun positie
meer op die van lokale of regionale autoriteiten onder een Europese
nationale staat dan op de positie van zo'n centrale staat zelf. Maar in de
twintigste eeuw was het lokale gezag in Europa elke bevoegdheid in sociale
en economische wetgeving kwijtgeraakt aan het centrum, terwijl de
Amerikaanse staten in dezen de primaire instanties gebleven waren. ‘Tenzij
alle staten hun werkgevers met vergelijkbare bedragen belastten, zouden de
werkgevers in de achterblijvende staten een relatief voordeel verwerven ten
opzichte van hun meer vooruitstrevende buren... Slechts een federaal
programma van eendrachtige actie door alle staten kon deze hindernis
overwinnen.’151 Toen de
experts en industriebonden dan ook | | | | begonnen met hun campagne
voor sociale hervormingen, moesten ze hun doelgroepen in aangrenzende staten
gelijktijdig te benaderen, en tegelijk ook toegang vinden op het federale
niveau. Maar toen eenmaal de federale overheid subsidie toezegde aan hun
programma's, haastten de Amerikaanse staten zich om een sociale verzekering
te introduceren. Met andere woorden, de dynamiek van de Amerikaanse
samenleving met één enkele economie, maar met wetgevende machten in de
afzonderlijke staten én op federaal niveau, verklaart veel van het lange
uitstel en de plotselinge doorbraak van de sociale zekerheid in dat
land.152 De dramatische financiële krach van 1929, en de
buitengewone hevigheid en hardnekkigheid van de economische crisis in de
Verenigde Staten hebben bijgedragen aan dit explosieve patroon van de ‘grote
knal’.153 Maar zodra de sociale zekerheid eenmaal tot
stand gebracht was, verkreeg zij een eigen stuwkracht, een intrinsiek
bureaucratisch expansionisme, en ontwikkelde zich - met uitzondering van de
ziektekostenverzekering - grotendeels op dezelfde wijze als in andere
landen.
De Grote Crisis van 1929 en de daaropvolgende politieke hergroepering waarmee
Roosevelt en de Democratische Partij in 1932 aan de macht kwamen, schiepen
ook de voorwaarden voor de invoering van de sociale zekerheid in de
Verenigde Staten. In drie jaar werd een nationaal en dwingend stelsel van
ouderdomspensioenen en werkeloosheidsverzekering gerealiseerd.
Ditmaal was een activistisch regime aan de macht, met de overweldigende steun
van de georganiseerde arbeiders. De AFL was bekeerd tot de sociale
wetgeving, en had een partijloze politiek opgegeven voor een alliantie met
de Democraten. Inmiddels werden nieuwe bonden georganiseerd in de CIO, niet
volgens beroepsgroep, maar per industrietak, en zij waren vierkant vóór de
sociale zekerheid en de Democratische Partij.154
Een vloedgolf van massale campagnes voor pensioenverzekering overspoelde het
land, niet gebonden aan vakbonden of partijen, maar wel een enorme
versterking van de pressie tot hervormingen. Ook de kleine boeren, die het
bankroet links en rechts zagen toeslaan, schaarden zich bij de voorstanders
van de sociale zekerheid. En met een werkeloosheid van 25% of meer,
‘smeekten rond 1932 de lokale en staatsoverheden de federale regering om de
last van de zorg voor hun noodlijdende ingezetenen over te nemen.’155 Ten slotte ‘had het
prestige van het bedrijfsleven een absoluut dieptepunt bereikt.’156 Zo verkeerden de
bezitters, de erfvijanden van de sociale zekerheid, in politieke verwarring,
terwijl de staten, de aartsvijanden van federale inmenging, daar niet meer
buiten konden. In deze constellatie schoof het Roosevelt-bewind behoedzaam
zijn plannen naar voren.
Op het eerste gezicht betekende de Sociale-Zekerheidswet van 1935 een
federale dwang voor elke loonarbeider om een deel van zijn of haar inkomen
te reserveren voor de accumulatie van een pensioen dat bij het bereiken van
de vijfenzestigjarige leeftijd betaalbaar werd gesteld.157 Het leek een rigoreus, indi- | | | | vidualistisch kapitalisatieproject dat alle uitkeringen
uitsloot waarvoor niet in het verleden betaald was. Maar achter deze strenge
façade ontwikkelde zich een meer gecompliceerde en tweeslachtige, bij tijden
zelfs genereuze structuur. Ten eerste werd bij de vaststelling van de
uitkeringen een minimum gegarandeerd, zelfs voor hen die pas korte tijd of
over een laag loonbedrag premie hadden betaald; hogere premies voegden
minder toe aan het uit te keren pensioen.158 Ten tweede werden, om de periode te overbruggen totdat de
geaccumuleerde pensioenen uitbetaald konden worden, de pensioenfondsen van
de staten gesteund met proportionele federale subsidies, een don royal die als tijdelijke maatregel bedoeld was, maar sindsdien
een belangrijk kenmerk van het stelsel is gebleven.159 Tegelijk met dit programma kwamen enkele
nevenprojecten voor bijstand aan blinden en aan afhankelijke kinderen, beide
inkomensafhankelijk en zonder een vastgesteld minimum. De zuidelijke staten
verwierpen elk uitkeringsminimum, omdat dit hun reeds lang volgehouden
discriminerende bejegening van behoeftige negers kon belemmeren.160 Ten derde omvatte de Wet van 1935 een
werkeloosheidsverzekering waarin het werkgevers toegestaan werd hun
bijdragen aan een federaal goedgekeurd werkeloosheidsfonds van een staat van
de federale belastingen af te trekken: ‘Binnen twee jaar had elke staat een
werkeloosheidsverzekeringswet.’161 De meeste
staten namen het Wisconsinstelsel over dat voorzag in belastingverlaging
voor werkgevers die afzagen van het ontslaan van arbeiders.162
In een nationale constellatie van ongekende politieke radicalisering was het
dit wat overbleef van de oorspronkelijke ideeën van de Wisconsin-experts,
nadat Roosevelt ze behoedzaam had bijgesteld en het Congres de rechten van
de staat en de vrijheden van de werkgevers had versterkt. Maar eenmaal in
werking werd dit zelfde programma met grote vaardigheid en vastberadenheid
verdedigd en stap voor stap uitgebreid door de mandarijnen van de
Sociale-Zekerheidsraad.163
Onder de ouderdomsverzekering van 1939 werden ook gezinsleden en
nabestaanden meeverzekerd, invaliditeitsuitkeringen werden in 1956 in de wet
opgenomen, ziektekostenverzekering voor bejaarden (Medicare) en voor bijstandstrekkers (Medicaid) in
1965. En hoewel de uitgaven voor sociale zekerheid nog steeds het laagste
percentage van het BNP in de kapitalistische democratieën uitmaken, is het
aandeel ervan tussen 1960 en 1977 verdubbeld: een groeitempo dat slechts
werd overtroffen door de Scandinavische landen en Nederland.164
In de Verenigde Staten is het nooit gekomen tot de vestiging van een
nationale ziektekostenverzekering. In 1973 werd driekwart van de civiele
beroepsbevolking gedekt door een lappendeken van particuliere verzekeringen
voor medische kosten.165 Een verzekering voor tijdelijke
arbeidsongeschiktheid was in 1983 door zes staten, waaronder New York en
Californië, aangenomen, terwijl bijna de helft van de resterende werknemers
in de particuliere sector beschermd werd door bedrijfsfondsen of collectieve
contracten.166
Zowel Heidenheimer als Janowitz hebben betoogd dat de Verenigde Staten | | | | zijn achtergebleven bij de Europese staten in de ontwikkeling
van een stelsel van sociale zekerheid, maar deze landen in de opbouw van een
onderwijsstelsel verre vóór waren: ‘De massale steun in de Verenigde Staten
voor de uitbreiding van het openbaar onderwijs, het hoger onderwijs incluis,
moet gezien worden als een centrale component van de Amerikaanse opvatting
over welzijn - het idee dat openbaar onderwijs zou leiden tot persoonlijke
verbetering zowel als nationale en sociale en economische
ontwikkeling.’167 De wedijver tussen gezindten
stimuleerde de belangstelling voor het onderwijs, en de accumulatie van
kennis in een vroege levensfase werd gezien als een betrouwbare investering
in een toekomstige carrière. Lokale en staatsoverheden konden makkelijker
bijdragen aan de collectivisering van het onderwijs dan aan de
collectivisering van de bescherming tegen risico's, omdat het eerste hun
concurrentiepositie op lange termijn zou verbeteren, terwijl daarentegen het
laatste die positie op korte termijn zou kunnen verslechteren.
Een coalitie van een reformistisch regime met georganiseerde arbeiders
steunde in de Verenigde Staten de sociale zekerheid, en bracht ook de
belangrijkste uitbreidingen teweeg,168 waarbij al die tijd geanticipeerd werd op de
belangen van de werkgevers en plaats werd ingeruimd voor de rechten van de
staten. Toch werd deze basis nooit volledig vervangen door een driezijdige
coalitie die in andere landen ontstond en daar geïnstitutionaliseerd werd in
het administratieve apparaat van de sociale zekerheid.169 Dit maakte het vakbonden en
werkgevers mogelijk om buiten het sociale zekerheidsstelsel om te
onderhandelen over afzonderlijke bedrijfsprojecten, die vervolgens
bijdroegen tot een versterking van de algemene tendens in de Amerikaanse
sociale arrangementen om alleen mensen met een vaste baan ruimhartig te
bejegenen. Dezelfde betrekkelijk smalle politieke basis van de sociale
zekerheid is er ook debet aan dat speciale belangengroepen als
verzekeringsmaatschappijen en de medische professie zich een feitelijk
vetorecht hebben weten te verwerven.
De figuratie van staten, elk met een beperkte politieke autonomie, die binnen
één nationale economie wederzijds wedijveren rond een federale regering,
bracht een eigen, bijzondere dynamiek met zich mee. Dat vertraagde de komst
van de sociale wetgeving. Maar toen eenmaal door economische depressie en
politieke beroering het evenwicht verschoof en de sociale zekerheid een feit
werd, versterkte dit de positie van de federale overheid ten koste van de
afzonderlijke staten. Zo droegen de ontwikkelingen hier evenals elders bij
tot het proces van centrale staatsvorming.
| |
6.5 Nederland: een lange sisser en een late knal
De geschiedenis van de sociale zekerheid in Nederland wordt gekenmerkt door
een verbrokkelde en haperende wetgeving. In 1901 werd een Ongevallenwet
aangenomen, maar daarna duurde het nog eens twaalf jaar totdat Talma een wet
op het invaliditeits- en ouderdomspensioen indiende, die pas in 1919 in
werking | | | | trad. De uitvoering van een eveneens in 1913 aangenomen
ziekteverzekeringswet werd uitgesteld tot 1930. De wettelijke regeling van
de ziekenfondsen werd uiteindelijk in 1941 gerealiseerd door de Duitse
bezetter. Een verplichte nationale werkeloosheidsverzekering werd niet
eerder dan 1952 ingevoerd.170
Maar ondanks dat alles was in de jaren zeventig het aandeel van de sociale
uitgaven in het Nederlandse nationale inkomen het hoogste ter wereld. Zowel
de betrekkelijk trage en karige aanvang als de late maar dramatische
expansie van de sociale zekerheid in Nederland behoeven verklaring.
De vroege geschiedenis van het sociale beleid valt samen met de eerste
partijvorming en het ontstaan van vakbonden en werkgeversorganisaties. Het
sociale vraagstuk bleek als een belangrijke stimulans voor organisatie te
fungeren, te meer nadat in 1897 het kiesrecht was uitgebreid en ook ‘de in
zijn stand gezeten werkman’171 mocht stemmen. Als een conflict over de
organisatie van de samenleving was de sociale kwestie een voortzetting van
de schoolstrijd, die in 1917 ten slotte werd opgelost met het compromis van
de ‘pacificatie’.
De industrialisatie bereikte Nederland later dan de omringende landen, maar
kwam juist in de periode 1895-1914 in een stroomversnelling terecht.172 Vandaar dat tegen het eind
van de negentiende eeuw de organisatiegraad van arbeiders zowel als
werkgevers nog laag was. Bovendien had de kwestie van openbaar versus
confessioneel onderwijs zijn sporen in de Nederlandse samenleving nagelaten.
Mede daardoor waren partijen, vakbonden en andere verbanden zich langs
confessionele lijnen gaan formeren. Katholieke en protestantse werkgevers
aarzelden daarbij tussen lidmaatschap van ‘algemene’ of confessionele
verenigingen, terwijl activistische en sociaal bewuste leiders erin slaagden
om de gelovige arbeiders in confessionele vakbonden te organiseren. Dit was
een aspect van de meer algemene ‘verzuiling’ van de Nederlandse samenleving
in levensbeschouwelijke ‘zuilen’ die één, nationaal dak ondersteunden - het
niveau waarop de elites van elke levensbeschouwing hun geschillen bijlegden.
Deze ordening begon zich af te tekenen in de tweede helft van de negentiende
eeuw, en bleef tot ver in de jaren vijftig bestaan. Als gevolg waren de
sociaal-economische tegenstellingen vanwege de overdwarse confessionele
scheidingen in de verzuilde samenleving altijd enigszins verbrokkeld en
gesmoord.173
In deze constellatie gingen protestantse en katholieke partijen - elk met een
naar sociaal-economische achtergrond heterogene achterban - na 1901 een
parlementaire spilpositie innemen. Hun coalitie vormde vrijwel
ononderbroken, tot op de dag van vandaag de regering, soms met
liberaal-conservatieve, en na 1939 ook met sociaal-democratische steun.174 Ten einde deze spilpositie te handhaven en hun
heterogene electoraat bijeen te houden, zochten christelijke politici van
meet af aan een driezijdige en consensuele grondslag voor een behoedzaam
sociaal beleid. Voor hen was de sociale zekerheid op de eerste plaats een
instrument voor de opbouw van corporatistische structuren waarin arbeiders
en werkgevers zouden samenwerken, geleid door de beginselen van
confessionele inspiratie en organisatie.175 In de tweede helft van deze eeuw,
toen de | | | | industrialisatie veel verder voortgeschreden was en het
confessionalisme zijn greep op het politieke leven vergaand had verloren,
liepen de christelijke partijen het risico hun centrale positie te
verliezen, en kregen ze te maken met de directe concurrentie van de
sociaal-democraten om de loyaliteit van de arbeiders in sociaal-economische
strijdvragen.176 Toen de
sociale zekerheid eenmaal in hoofdlijnen op een onpartijdige driezijdige
grondslag was opgetrokken, versnelde deze wedijver juist de accumulatie van
overdachtsvermogen, gefinancierd uit de baten van internationale handel en
de opbrengsten van de binnenlandse aardgasvoorraden.
Nederland maakte in de jaren 1848-1868 een tamelijk rustige overgang door
naar een parlementaire monarchie, zonder de agitatie die in andere landen de
kleine burgerij mobiliseerde in politieke organisaties. Het confessionele
partijenstelsel, dat vervolgens uit de schoolstrijd ontstond, voorkwam
bovendien dat de kleine bezitters hun belangen duidelijk en eendrachtig
konden verwoorden. Nog voordat de greep van de landelijke adel en het
stedelijk patriciaat in de westelijke provincies was verbroken en de kleine
zelfstandigen een eigen stem hadden kunnen vinden, voltrok zich al een
hergroepering langs confessionele scheidslijnen. Hun belangen werden in de
christelijke en liberale partijen bemiddeld, en niet zozeer uitgesproken en
behartigd door eigen politieke organisaties. Alleen de grote industriëlen,
die gering in getal waren, slaagden erin zich op basis van
sociaal-economische belang te organiseren in hun verzet tegen de
Ongevallenwet.177
De wet van 1901 werd onder de laatste liberaal-conservatieve regering
aangenomen, en was grotendeels ingegeven door Bismarcks wetgeving. De
maatregel was het produkt van een - in dit opzicht - activistisch regime,
dat er bijna in geslaagd was om zowel de arbeiders als de werkgevers te
passeren en een dwingende collectieve verzekering te verwezenlijken,
gebaseerd op het risque professionel, op kosten van de
werkgevers, en geheel beheerd door een enkele regeringsinstelling, de
Rijksverzekeringsbank. Bijna, maar niet helemaal: het wetsvoorstel leidde
tot een ongekend verzet van de werkgevers, die aandrongen op hun vrijheid
zichzelf te verzekeren of zich daartoe te verenigen. Het ging niet zozeer om
verzet tegen het monopolie van de Rijksverzekeringsbank op het punt van
zeggenschap over aanspraken en uitkeringen, en ook niet tegen haar toezicht
op hun vrijwillige verzekeringsinstituties. De werkgevers werden veeleer
samengedreven door de angst dat het voorstel slechts het eerste zou zijn van
een reeks sociale wetten.178 De campagne bleek
effectief voor het bereiken van de beperkte doelstelling; de wet werd
herzien en vrijwillige ‘herverzekering’ toegestaan. Ook op lange termijn
bleek de actie succesvol; de campagne leidde tot de oprichting van een
centrale werkgeversverzekeringsbank179 en,
belangrijker nog, in 1899 tot de stichting van de Nederlandse Vereniging van
Werkgevers, die tot op heden het voornaamste voertuig van werkgeversbelangen
is gebleven. Maar juist de inzet van de werkgevers wekte elders repercussies
op:180 de protestantse politicus Kuyper
formuleerde de christelijke beginselen van de sociale | | | | zekerheid
in zijn ‘grote amendement’, dat, hoewel het destijds werd afgestemd, de
grondslag van alle latere sociale wetgeving bleef. De socialistische en
radicale arbeiders verenigden zich aarzelend in een nationale commissie ter
ondersteuning van het oorspronkelijke wetsvoorstel, en hielpen zodoende de
regering de wet aangenomen te krijgen met minieme wijzigingen. Weerstand van
kleine ondernemers speelde nauwelijks een rol, ook al omdat kleine
werkgevers en minder gevaarlijke bedrijfstakken waren vrijgesteld van de wet
totdat de werkingssfeer in 1921 aanzienlijk werd uitgebreid.
De eerste sociale-zekerheidswet die in Nederland werd aangenomen was dus het
produkt van een activistisch regime, dat anticipeerde op de voorkeuren van
arbeiders die recentelijk stemrecht hadden gekregen, en rekende op de steun
van de werkgevers. Bij gebrek aan sterke werkgeversorganisaties was de
regering daarbij uitgegaan van een staatsmonopolie voor het beheer. Maar
daarmee mobiliseerde het regime onopzettelijk de werkgevers tegen het
wetsvoorstel en lokte het een politieke campagne uit die leidde tot de
oprichting van een permanente werkgeversorganisatie, en de arbeiders
krachtig aanzette om hier tegenin te gaan met een eigen organisatorisch
initiatief.
De wet was nauwelijks aanvaard of de politieke constellatie veranderde
ingrijpend: de christelijke coalitie kwam aan de macht en Kuyper begon met
de voorbereiding van een reeks sociale wetten die de corporatistische
beginselen van het katholieke ‘subsidiariteitsbeginsel’ en het protestantse
principe van ‘soevereiniteit in eigen kring’ moesten belichamen. Arbeiders
en werkgevers, georganiseerd volgens gezindte, dienden in
bedrijfsverenigingen of raden van arbeid met ‘kroonleden’ samen te werken om
de arbeidsvoorwaarden te bepalen en de sociale verzekering te beheren. De
grote aandacht voor de organisatie van de arbeidsverhoudingen was slechts
één aspect van een veel bredere poging om de klassenstrijd in te dammen door
de hechte organisatie van de samenleving volgens confessionele lijnen: de
‘verzuiling’. In deze context vond de kleinburgerlijke argwaan tegen grote
ondernemingen, grote bonden en grote burokratieën niet haar uitdrukking in
een algeheel verzet tegen sociale en economische regulering, maar werd
veeleer ingepast in een program dat deze krachten zou beperken, verdelen en
vastleggen in tamelijk kleine en tamelijk autonome lokale of
bedrijfstakgewijze associaties - een visie die in zeer uiteenlopende
uitwerking ook gedeeld werd door de socialisten, de fascisten en zelfs de
anarchisten van die jaren. Kleine ondernemers konden hopen buiten deze
corporatistische orde te blijven of, konden als ze toch tot deelname
gedwongen werden, op voet van gelijkheid onderhandelen en de regulering
aanvaarden als de prijs van bescherming.
Na twaalf jaar van christelijke coalitieregeringen slaagde Talma erin de
grondslagen van het christelijke sociale beleid tot wet te verheffen: een
wet op de arbeidsraden, een ziektewet en een ouderdoms- annex
invaliditeitspensioen. Geen van deze wetten werd van kracht, hoewel - per
abuis of met opzet181 - een amendement dat voorzag in kosteloze
pensioenen voor mensen boven de zeven- | | | | tig door de regering
werd overgenomen voor onmiddellijke uitvoering door de
Rijksverzekeringsbank. Pas na de ellende van de massale werkeloosheid in de
jaren van neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog en na de kortstondige
revolutiepaniek kon de Pensioenwet in 1919 in werking treden,182 maar
tegen die tijd moesten de uitkeringen al opwegen tegen de betrekkelijk
gunstige voorwaarden van het voorlopig pensioen van 1913.183 Talma's ziektewet en de ziekenfondswet die er de
aanvulling op vormden, stuitten echter onverhoeds op vertraging. Het
voornaamste probleem was alweer de zeggenschap over de uitvoering. De
sociaal-democraten steunden de ‘raden van arbeid’ van 1913, en stelden hun
vertrouwen in deze plaatselijke semi-publieke organen. De confessionele
partijen prefereerden de ‘bedrijfsverenigingen’ (die op werkgeversinitiatief
ontstaan waren, maar inmiddels paritaire arbeidersvertegenwoordiging
kenden). In deze lichamen dienden de arbeiders- en werkgeversorganisaties
van één bedrijfstak samen te werken.
Naarmate de vakbonden zich nationaal gingen oriënteren, nam hun voorkeur voor
lokale instanties af, en rond de jaren twintig gingen ze over tot de
aanvaarding van de - nationale en bedrijfstakgebonden - bedrijfsverenigingen
als uitvoerende verzekeringsinstellingen. Maar de vakbonden eisten ook dat
de werkgevers de bijdragen betaalden. Uiteindelijk zouden beide soorten
instellingen door de wet worden toegestaan, en werden de premies gelijk
verdeeld onder werkgevers en arbeiders.184 Ondertussen waren de medici echter begonnen zich te organiseren,
en hun verzet resulteerde nu in een verdaging van de ziekenfondswet voor
onbepaalde tijd. Ten langen leste werd de wet in 1941 door de Duitse
bezettingsautoriteiten bij decreet afgekondigd. De premies werden nu geheven
van de werkgevers die ze voor de helft konden aftrekken van de lonen.185 Een verplichte
werkeloosheidsverzekering werd pas in 1952 gerealiseerd. In de voorafgaande
periode had de centrale overheid de vrijwillige vakbondsfondsen aangevuld en
de gemeentelijke steunverlening in de moeilijkste jaren van de Grote Crisis
gesubsidieerd.
Bij gebrek aan onderzoek naar de politieke geschiedenis van de sociale
zekerheid in Nederland kan men slechts gissen naar de oorzaken van de
vertraging. Parlementaire historici en rechtsgeleerden hebben een groot
aantal redenen en coïncidenties voorgesteld, maar geen daarvan lijkt erg
dwingend. Gedurende het grootste deel van de periode ontbrak een sterke en
volhardende aandrang tot sociale wetgeving. De politieke strijd leek niet
zozeer om de sociale zekerheid zelf te gaan, als wel om de inrichting van de
arbeidsverhoudingen en overige sociale betrekkingen in het land, dat wil
zeggen: ‘de ordening van de samenleving’.186 Vanuit hun spilpositie in de
Nederlandse politiek konden de christelijke coalitiepartijen de agenda
vaststellen en aangelegenheden van sociaal beleid formuleren in termen van
sociale ordening. Maar hun krappe parlementaire meerderheden stonden het
toch niet toe dit patroon ook werkelijk in het weefsel van de industriële
samenleving te verwerken. In de loop van dertig jaar slaagden ze er echter
wel in een driezijdig en tamelijk onomstreden sociaal-zekerheids- | | | | stelsel in te voeren dat geleidelijk over de vroegere
‘etatistische’, Bismarckiaanse structuur van de Ongevallenwet heenschoof en
- in sterkere mate dan de pensioenwetten dat gedaan hadden - de
‘sociaal-economische partners’ samenbracht in structuren die moesten
intermediëren tussen ‘staat en samenleving’.
Geen intensieve campagnes, geen activistische cliques of politieke beroering
bewerkten een doorbraak in de wetgeving. De sociale-zekerheidswetgeving had
dan ook een zeer incrementeel karakter, en was na 1900 zonder uitzondering
een driezijdige aangelegenheid. Er bestond geen brede steun vóór, maar
evenmin een scherp en uitgesproken verzet tegen de wetten. En toch bracht
dezelfde figuratie van politieke krachten die zo traag en mondjesmaat tot
wetgeving had geleid vóór de Tweede Wereldoorlog, onder de omstandigheden
die ná dat keerpunt heersten een opmerkelijke uitbreiding van de sociale
zekerheid teweeg.
Ten eerste maakte Nederland in de jaren na de oorlog een fase van snelle
industrialisatie door. De vooroorlogse pogingen om de arbeidsverhoudingen te
organiseren werden in de jaren vijftig beloond met een uiterst effectief
overlegstelsel van werknemers, werkgevers en ‘kroonleden’ die zonder veel
weerstand compromissen en adviezen konden uitwerken. Dit droeg weer krachtig
bij aan een soepel functionerende economie. De politieke kracht van de grote
werkgevers en de nationale vakbonden nam navenant toe. Ten tweede zette de
teruggang van de - politiek toch al nooit erg krachtige - kleine
zelfstandige middenklasse zich na 1945 voort, terwijl het aandeel van de
gesalarieerde werknemers bleef groeien.187 Ten derde werd, hoewel de christelijke
partijen hun spilpositie in het parlement behielden, hun meerderheid steeds
onzekerder om na 1967 voorgoed te verdwijnen; na 1945 regeerden ze met
liberale of met sociaal-democratische steun. Het confessionalisme verloor
langzaam zijn greep op de Nederlandse politiek, en tussen de katholieken en
socialisten begon een hevige wedijver nadat de nieuwe Partij van de Arbeid
na 1946 ging streven naar een ‘doorbraak’ onder de katholieke
arbeidersstemmen in het zuiden. En ten slotte functioneerde er al een
tamelijk consensueel stelsel van sociale zekerheid. In de oorlogsjaren
hadden het Duitse bezettingsregime, de Nederlandse regering in ballingschap
en de politieke leiders van de ondergrondse zich beziggehouden met een
nadere uitwerking van de plannen. Na de oorlog, in een sfeer van nationaal
herstel, met het Beveridge-plan als lichtend voorbeeld, kwam een
activistisch regime van sociaal-democraten en christelijke partijen dan ook
met een Noodpensioenwet,188 die in 1956 werd
opgevolgd door de Algemene Ouderdomswet. Dit was de eerste volksverzekering
die voorzag in een dekking voor alle burgers ongeacht hun inkomen. Een
werkeloosheidsverzekering, uitgevoerd door de bedrijfsverenigingen en met
door werkgevers en werknemers gedeelde premies, werd in 1949 aangenomen en
trad in 1952 in werking.
In de jaren zestig werden twee nieuwe wetten aangenomen die voor een
explosieve groei van de inkomensoverdachten in Nederland zouden zorgen: de
| | | | Algemene Bijstandswet van 1963 en de Wet op de
Arbeidsongeschiktheidsverzekering van 1967.189 Deze
twee wetten waren bedoeld als afronding van de Nederlandse sociale
wetgeving, maar met hun uitzonderlijk ruime voorwaarden grepen ze tijdens de
daaropvolgende periode van recessie onverwacht in op de verhoudingen op de
arbeidsmarkt, de eerste door een min of meer beschermd en dragelijk
alternatief te verschaffen voor bezoldigde arbeid, de laatste door daar een
niet geheel oncomfortabele uitweg uit te bieden.190
De twee wetten werden zonder noemenswaardig conflict in het parlement of in
het land aangenomen, afgekondigd en later nog uitgebreid door
christelijk-liberale zowel als christelijk-socialistische
coalitieregeringen. De rol van de bedrijfsverenigingen was in vergelijking
met vroegere wetten kleiner geworden, die van de staat had aan gewicht
gewonnen.
Al met al waren deze wetten het produkt van coalities van werkgevers- en
werknemersorganisaties met een reeks expansionistische regimes in een
periode waarin de politieke machtsmiddelen van de zelfstandige middenklasse
steeds verder slonken.191 Een aanhoudende periode van volledige werkgelegenheid, een
gunstige handelsbalans en goede opbrengsten van de binnenlandse
aardgasvoorraden bepaalden het klimaat en verschaften ook de financiële
armslag voor de uitbreiding van de sociale wetgeving.192 Ten slotte vormde de voortdurende
wedijver tussen de socialisten en de confessionele partijen (de katholieken
en de protestantse Anti-Revolutionare Partij) om de stem van de
arbeidersklasse nog een extra impuls voor hervorming van de sociale
zekerheid.193
In Nederland, evenals elders, bleek tussen 1948 en 1970 de sociale wetgeving
te werken. De gemoedsrust van de verzorgingsstaat nam geleidelijk de bittere
herinneringen aan de Grote Crisis weg, en wekte een gevoel van vertrouwen
dat in de geschiedenis nauwelijks zijn weerga kent. En in al die jaren van
sociale wetgeving voorzagen slechts weinigen dat werkeloosheid ooit weer een
groot sociaal probleem zou kunnen worden, en toch gebeurde dat al in het
begin van de jaren zeventig. Het niveau van de uitkeringen, dat in vroeger,
welvarender tijden was vastgesteld, werd vermenigvuldigd met de toenemende
aantallen werkelozen, met als gevolg een autonome groei van de
sociale-zekerheidsuitgaven en een bijna onbeheersbaar groeiend
overheidstekort.
Het eindresultaat van deze ontwikkeling is in Nederland een duidelijke
vermindering van het aandeel van de particuliere vermogens op het totaal
vermogen, en een navenante groei in het aandeel van het overdrachtsvermogen.
Het overdrachtsbezit (dat niet in de statistieken is opgenomen) niet
meegerekend, werd het particulier vermogen iets gelijker verdeeld, maar in
mindere mate dan de inkomens. Overeenkomstige ontwikkelingen hebben zich in
andere ontwikkelde kapitalistische democratieën voorgedaan.194 Deze steeds gelijkmatiger
inkomensverdeling is in belangrijke mate aan overdrachtinkomens toe te
schrijven, en Huppes heeft betoogd dat het totale overdrachtsinkomen
omgekeerd evenredig verandert met het totale inkomen uit kapitaal (interest,
huur en winst). Deze | | | | twee vormen van ‘institutioneel inkomen’
tezamen blijven constant in verhouding tot het inkomen uit arbeid.195 Deze constatering
doet vermoeden dat overdrachtsvermogen inderdaad rechtstreeks ten koste van
particulier vermogen gevormd wordt, en dat dus de ergste angsten van een
vroegere generatie van particuliere bezitters bewaarheid zijn, al zijn vele
van hun zonen en dochters nu onder de eersten om daar voordeel van te
trekken.
|
61Strasser, p. 29, behandelt de
episode onder de titel ‘De verzorgingsstaat, de historische prestatie van de
sociaal-democratie’, en na een uitgebreide bespreking van Marx en Hegel,
ziet hij zich gedwongen om de stichting van de sociale zekerheid door het
regime van Bismarck af te doen in één bijzin.
62Vgl. Tampke; maar vergelijk de
kritiek door Ritter, p. 42.
63Bijv. pp.
21-29 in Hentschel: ‘De voorzieningen waren als aanvulling bedoeld, maar een
aanvulling waarop?’ p. 25. Vgl. echter Zöllner, p. 97: ‘In kwantitiatief en
kwalitatief opzicht was de vooruitgang onloochenbaar groot in vergelijking
met voorafgaande omstandigheden.’
64Bijv. Hentschel, p. 55-6: ‘Met veronachtzaming van enkele minder
belangrijke correcties en hervormingen kan men stellen dat het stelsel van
sociale verzekering dat onder het Keizerrijk werd gevestigd en uitgewerkt,
maar net in leven werd gehouden tijdens de Weimarrepubliek, voor
nationaal-socialistische doeleinden werd misbruikt in het Derde Rijk, en pas
in de Bondsrepubliek en de DDR substantieel werd uitgebreid.’
65Een aantal
onderzoeken zijn gewijd aan de invloed van Bismarcks wetgeving op het
sociale beleid van andere landen, vgl. de bijdragen door Hennock en door Hay
in Mommsen (red.). Vgl. Ritter voor een vergelijkende historische studie van
Engeland en Duitsland.
66Vgl. Rothfels, 1938,
1962.
67Bismarck geloofde dat hij in dit opzicht het
voorbeeld van Napoleon III overtrof; Ritter, p. 28; vgl. Rimlinger, p. 121;
Wehler, p. 136.
68Vgl. Hentschel, pp. 33-39.
69Bijv. Rimlinger, p. 339; Zöllner, p. 88.
70Vgl. Rimlinger, pp. 112-22, p. 339: ‘De
loyaliteit van de industriële massa's aan de monarchie - de top van de
bestaande orde - was Bismarcks openlijke doel.’
71Flora (red.), 1983, vol. 1,
(Inleiding).
72Alber, 1982, p.
131-134.
73Alber, 1982, twijfelt of
Italië nu als een ‘parlementaire democratie’ of als een ‘constitutionele
dualistische monarchie’ aangemerkt moet worden (de termen zijn ongelukkig
gekozen, omdat de meeste parlementair-democratische monarchieën een
dualistisch bestel hebben). Maar er kan weinig twijfel bestaan over het
autoritaire karakter van het regime, vgl. Ferrera, p. 30, die concludeert
dat Italië tot de landen behoort die de ‘Duitse weg’ naar de
verzorgingsstaat kozen, en ‘nog vóór politiek en economisch meer
geavanceerde democratieën als Frankrijk of Engeland een begin maakte met de
sociale zekerheid, met als doelen integratie en sociale beheersing’.
74Vgl. Gillis, pp. 108, 116;
Ritter, pp. 19-20; Rimlinger, p. 110.
75Ullman, p. 148: ‘De tegenstanders van
arbeidersverzekering waren de eigenaars van met name midden- en
kleinbedrijven.’ pp. 148-151. Wehler, pp. 134-5, betoogt dat de Duitse
middenklasse, vanaf 1848 na een reeks nederlagen in de ‘opwaartse strijd’
tegen de aristocratie en de feodale staat, zich steeds meer ging keren tegen
‘de dreiging van beneden’, en haar afkeer en agressie op georganiseerd links
richtte.
76Zie Junius en
Neuloh voor een bespreking van de voorontwerpen van de
ongevallenverzekeringswet.
77Vgl. Rimlinger, p.
121.
78Vgl. Rimlinger, pp. 122-30, en Ritter, pp. 49-52, voor een
bespreking van socialistische posities.
79Vgl. voor een
bespreking van werkgeversposities Ullmann, met name p. 154: de werkgevers
wilden dat de arbeiders aan het project bijdroegen, maar waren bereid hun
een vertegenwoordiging in die commissies van beheer toe te staan; Bismarck
stelde van zijn kant voor dat de staat zou bijdragen.
80Ullmann: met latere wetten werd de coalitie zwakker, omdat de werkgevers
vreesden dat de nieuwe Berufsgenossenschaften het Centralverband zouden ondermijnen.
82Dit verslag berust vooral op
Zöllner, p. 92-100.
83Dat een aanzienlijk
overschot bleek op te leveren: in 1900 het tienvoudige van de jaarlijkse
uitbetalingen; Zöllner, p. 100, vgl. p. 10.
85Vgl.
Fraser, 1981; Thane, 1982.
86Bijv. Roberts, pp. 70,
110; Fraser, 1973, pp. 45-50, benadrukt echter de onafhankelijkheid van
de lokale armenbesturen ten opzichte van de centrale commissie.
87Bijv. Sidney en Beatrice Webb traden op als
vertrouwelijke adviseurs van Churchill; William Beveridge pendelde
tussen een journalistieke en een bestuurlijke carrière-. ‘Ten tijde van
de voornaamste liberale verzorgingswetgeving, en vooral de vernieuwingen
van de Nationale Verzekeringswet in 1911, waren wetenschappelijke
definities over sociale stratificatie en het politieke antwoord van de
arbeidersklasse tot gemeenplaatsen van de parlementarie discussie
geworden.’ Middlemas, p. 34.
88Lloyd
George, evenals vakbondsdelegaties, bezocht Duitsland om daar de sociale
verzekering te bestuderen; vgl. Hennock.
89De Conservatieven - de traditionele partij
van de bezittende middenklassen en boeren - vielen terug van bijna 50%
in 1900 tot minder dan 20%, de Liberale Partij groeide van 27,5% tot
bijna 60%, terwijl de Labourpartij haar aandeel zag toenemen van 0,3%
tot 4,3%; Flora (red.), 1983, vol. 1, p. 188.
90‘Sommige historici hebben het
programma van de liberale radicalen beschouwd als een poging tot het
overtroeven van de socialistische vleugel van de Labourpartij en de
Onafhankelijke Labourpartij, terwijl via de vakbonden economische en
sociale zekerheid aan de arbeidersklasse verleend werd. Anderen hebben
betoogd dat ze door de tactiek en de successen bij tussentijdse
verkiezingen van de Tory-oppositie voortdurend gedwongen werden voorop
te lopen.’ Ondertussen ‘schaadden hun hervormingen, zoals de
werkgeversaansprakelijkheid en de werkeloosheidsuitkeringen, de liberale
eenheid gedurende hun langdurige parlementaire incubatietijd en de tot
tegenstand geprikkelde voormalige bronnen van ondersteuning.’ Middlemas,
p. 41.
91‘De eis van een “nationaal
beleid” was vooral van drie bronnen afkomstig; van radicale groepen
binnen de Liberale Partij, van de georganiseerde arbeidersbeweging, en
ten slotte en zeer nadrukkelijk van de Koninklijke Commissie voor de
Armenwetten en de Verlichting van de Nood.’ Harris, p. 211; vgl. ook
Heclo, 1974, p. 84.
92Gilbert, 1966, p. 223: In de
uiteindelijke versie werd het maximale inkomen voor een volledig
pensioen van vijf shilling per week gesteld op £21, met een glijdende
schaal voor hogere inkomens en dus lagere uitkeringen tot £31. Comités
aangesteld door lokale autoriteiten moesten beslissen of men al of niet
in aanmerking kwam; bovendien werden ontvangers van bijstand onder de
Armenwet uitgesloten, en golden gelden ontvangen van
arbeidersonderlinges als inkomen. Rond 1911 waren door Lloyd George de
beperkingen van de wet reeds ‘aanzienlijk versoepeld’; vgl. Fraser,
1973, p. 143.
94Gilbert, 1966, p. 226. Vgl. D. Collins, p.
259: de Wet ‘hield stevig vast aan de Victoriaanse, moraliserende
houding jegens de armen’ maar schafte anderzijds de ontzetting uit de
burgerrechten, die altijd samen was gegaan met een uitkering onder de
Armenwet, voor eens en altijd af. Het wordt nogal eens vergeten dat
sociale wetgeving een hogelijk ontwikkelde civiele administratie
veronderstelt, zoals kan blijken uit Gilberts relaas (pp. 227-8) over de
pensioenbetaling in Ierland: ‘Vóór 1865 kende Ierland geen officiële
geboorteregistratie... Als gevolg hiervan moesten pensioenen vaak op
grond van het vaagste bewijsmateriaal toegekend worden.’ En dus beurden
meer personen een uitkering dan er ooit mensen boven de zeventig konden
zijn.
95Hay, p. 444, citeert uit het Journal of the
Birmingham Chamber of Commerce van 1905: ‘Deze mannen zijn
waardevolle leden van de natie, en het is aan de natie om erop toe te
zien dat ze niet verpauperen.’ Naast de slechts zijdelings betrokken
kamers van koophandel waren andere ondernemers actief, meestal achter de
schermen; vgl. Middlemas, p. 47: ‘In hechte samenwerking gingen
machinefabrikanten, mijneigenaren, spoorwegmaatschappijen, reders en
scheepsbouwers van openlijke actie over op het lobbyen van ministers met
behulp van goed georganiseerde, sympathiserende
parlementsleden...’
96Vgl.
Marwick (p. 401) voor de blijvende vijandigheid van de Labourpartij
‘tegen elke vorm van “bedeling” waarop de aanspraak niet vooraf was
gewaarborgd.’
97Volgens één
contemporaine bron was vrijwillige verzekering oneerlijk ‘omdat de goed
gedijende werkman tweemaal betaalde - in de vorm van verzekering voor
zichzelf, en middels gemeente- en rijksbelastingen voor andere,
noodlijdende arbeiders’; vgl. Harris, p. 301.
98Vgl. Gilbert, 1966, p. 349; Bruce, p. 218. Arbeiders die
minder dan twee shilling per week verdienden werden vrijgesteld van
contributie.
99Het ‘panel’ was een lijst van deelnemende dokters
waaruit de patiënt kon kiezen. De onderlinges hadden altijd aangedrongen
op de medewerking van dokters ‘op contract’, dat wil zeggen, in hun
dienst, zodat zij zich niet te zeer met de belangen van de patiënt
zouden identificeren en al te inschikkelijk zouden zijn bij de
verlenging van zijn ziekengeld. Deze afhankelijkheid wekte grote
ergernis bij de medici, die meer en meer op hun zelfstandigheid
aandrongen: ‘vrije keuze voor de patiënt’. Vgl. Gilbert, 1966, pp.
309-311 en pp. 400 e.v.
100Harris,
p. 211. Deze onbedoelde ongunstige externe effecten van een betrekkelijk
actief of ruim ondersteuningsbeleid werden geassocieerd met
‘Poplarisme’, zo genoemd naar de stad Poplar, waar de armvoogden de
werkelozen vrijgeviger bejegenden dan elders - ze gaven voor een
onbepaalde periode steun aan de thuiszittende gezinsleden van arbeiders
die in het armenhuis geplaatst waren - en ze er door de
belastingbetalers van werden beschuldigd ‘mensen aan te moedigen om niet
te gaan werken... en ongewenste en ongeschikte personen naar Poplar te
lokken.’ Geciteerd bij Harris, p. 266.
101Dit is een voorbeeld van wat Anthony Giddens de
‘sociologisering’ van de maatschappij heeft genoemd: het doordrongen
raken van alledaagse gesprekken en praktijken met ideeën uit de sociale
wetenschappen (vgl. pp. 348-354). In dit geval veranderde de
herdefiniëring vervolgens de realiteit van de werkeloosheid. Conceptuele
vernieuwing in de sociale wetenschappen oefent zo een bijna onmerkbare
invloed uit op sociale instituties, en in het proces van
maatschappelijke transformatie gaat de nieuwheid van de concepten
‘verloren’.
102Harris, p. 302. Actuariële consulenten achtten het risico
bovendien niet berekenbaar bij gebrek aan betrouwbare gegevens over de
verdeling van de werkelozen naar leeftijd.
103Vgl. Harris, pp. 299-303; Garraty, pp. 131-2.
104Geciteerd in Harris, pp.
303-4.
105‘Het lijkt erop dat veel vooraanstaande werkgevers... het
principe, niet zozeer de details, van sociale wetgeving hebben
ondersteund. De achterban in de organisatie, die wellicht niet op de
hoogte was van voorafgaande debatten en discussies, leek er zich eerder
zorgen om te maken dat de potentiële voordelen niet zouden opwegen tegen
de kosten op korte termijn. Het was deze vloedgolf van meningen uit de
achterban die de leiders tot enige heroverweging bracht, en die steun
verschafte aan organisaties als de Parlementaire Vereniging van
Werkgevers van sir Charles Macara, die gekant was tegen sociale
hervormingen.’ Hay, p. 440. Vgl. Middlemas, p. 47, voor een beschrijving
van de politieke werkgeversorganisaties.
106In latere jaren verzetten de
arbeiders in vele branches zich tegen opname in het stelsel.
107Churchill had deze instituties in zijn wet van 1909
geïntroduceerd, vgl. Harris, pp. 287-295. Vgl. over het latere lot van
de werkeloosheidsverzekering - ‘het stoutmoedigste
sociale-wetgevingsexperiment in de hele periode van het Nieuwe
Liberalisme’ - Gilbert, 1970, pp. 52 e.v.
108Vgl. Harris,
pp. 333-4; Bruce, pp. 196-200.
110Vgl. Donzelot over de commune en haar nasleep.
111Napoleon stichtte de Caisse Imperiale, die in zijn
tijd Bismarck inspireerde tot zijn zelfs nog grootscheepser
projecten.
112Vgl. de
voortreffelijke bladzijden die Ewald aan de mentaliteit van deze
patriarchale ondernemers wijdt.
113Een
vergelijkbaar mechanisme was werkzaam met andere resultaten; vgl.
Hatzfeld, 1971, p. 249: ‘Waar het liberale conservatisme zichzelf moest
rechtvaardigen door te wijzen op het revolutionaire radicalisme,
rechtvaardigde de laatste stroming zichzelf door te wijzen op de al te
“nederige hervormingen” van de burgerlijke republiek.’
114Vgl. Hatzfeld, 1971, p. 230; vgl. Rosanvallon, p. 154.
115Vgl. Hatzfeld,
1971, p. 143.
116Doublet, pp.
22, 29; Saint-Jours, p. 204.
117Vgl. Saint-Jours, p.
209.
118François Ewald beschouwt
deze wetsovergang van burgerlijke aansprakelijkheid naar risque professionelle als de belangrijkste gebeurtenis die de
transformatie van de individualistische burgerlijke maatschappij tot de
Etat providence bewerkstelligde. In feite werden
dergelijke wetten aan het einde van de negentiende eeuw overal
aangenomen (voor de Pruisische spoorwegen reeds in 1838), maar leidden
ze niet tot verplichte verzekering, in Frankrijk nog wel het minst. De
noodzaak om een civiele procedure aan te spannen wekte grote weerstand,
omdat dit slachtoffers van ongevallen noodzaakte om jarenlang te
procederen, maar zoals Ewald, pp. 247-8, laat zien, waren de procedures
die bewijs van hun nalatigheid vereisten, ook noodzakelijkerwijs
‘smadelijk’ voor de werkgevers.
119Ewald, p. 119, cursief in origineel.
120Ewald, p. 130. Dit heeft natuurlijk betrekking op de vroeg-industriële
arbeiders die hun baan eraan gaven zodra ze voor een tijdje ‘genoeg’
geld hadden verdiend en pas weer terugkwamen wanneer hun geld op
was.
121Overal waar zulke bedrijfsprojecten functioneerden, eisten
stakers zeggenschap in het beheer ervan.
122Vgl. Saint-Jours, p. 223;
Hatzfeld, 1971, pp. 134-5.
123Hatzfeld, 1971,
p. 161: ‘Als het dat noodzakelijk vindt, acht het patronat het niet beneden zijn waardigheid om bij de staat een
beroep op hulp te doen, maar zodra het deze inmenging overbodig vindt,
herwint het zijn liberale stem.’
124Vgl. Hatzfeld, 1971, pp. 47-55, voor een bespreking
van het debat en verwijzingen.
125In 1928 werd over een eerste ontwerp gestemd, maar voordat
het in werking trad, was het al achterhaald door de wet van 1930.
126Zij kreeg haar zin in de keuzevrijheid van dokters en
therapieën, en bereikte enige autonomie bij de vaststelling van de
tarieven, maar vervolgens ontstond er een lange reeks conflicten over
tarieven en hun betaling. Vgl. Hatzfeld, 1971, pp. 289-294; Galant, pp.
14-18.
129Omdat de
oorspronkelijke onderlinge verenigingen opgericht waren als groeperingen
volgens plaats, sector, bedrijf of godsdienst, bleven ze vrij om
kandidaten af te wijzen, behalve op grond van leeftijd. Met de wet op
komst stichtten allerlei organisaties een groot aantal néomutuelles om erkenning te krijgen onder de nieuwe regeling;
Hatzfeld, 1971, p. 149. Dit is een voorbeeld van de ‘sociologische
regelmatigheid’ die in hoofdstuk 5, paragraaf 3 werd
geformuleerd.
130Er was op gerekend dat ze slechts de ‘verhoogde
risico's’ zouden aantrekken, en dat hun uitkeringen, ook al waren ze
inferieur, weldra hun middelen zouden uitputten; vgl. Galant, p. 20, ook
voor regionale statistieken.
132Vgl. Hatzfeld, 1971, pp.
148, 150.
133Vgl. Hatzfeld, 1971, pp.
269-70.
134Of de geboorte van kinderen een
‘risico’ vormt, of het resultaat is van ‘gepland ouderschap’, is
natuurlijk in hoge mate afhankelijk van de vigerende seksuele gewoonten
en moraal. In de katholieke visie kan geboorte als een ‘gelukkig risico’
gekenschetst worden. Elders, vgl. Inleiding, laat Ewald zien dat alle
‘risico's’ als zodanig sociaal gedefinieerd zijn.
135Voor
elk pensioen was een afzonderlijk wetsvoorstel in het Congres nodig; in
zittingen kort voor de verkiezingen nam het aantal opvallend toe; vgl.
Skocpol en Ikenberry.
136Dit laatste
aspect van de stedelijke-machinepolitiek - en ook van de stedelijke
georganiseerde misdaad - kan verklaren waarom deze entiteiten, net als
de landelijke guerillabewegingen, zo moeilijk zijn uit te roeien.
137‘Er waren letterlijk honderden van deze verenigingen, veel daarvan met
een kapitaal dat miljoenen dollars beliep.’ Furniss en Tilton, p. 155,
die in een noot toevoegen: ‘Deze verenigingen zijn voor een groot deel
nog niet in kaart gebracht.’
138Vgl. Rimlinger, p. 196; Orloff en
Skocpol, p. 734, citeren een schatting van Stevens [1907] dat tot een
derde van de stemgerechtigden bij de diverse vrijwillige
uitkeringsverenigingen waren ingeschreven (dat wil zeggen: volwassen
mannen met uitzondering van de meeste zuidelijke zwarten).
139Vgl. Rimlinger, Ibidem.
140De Amerikaanse
verenigingen verzetten zich net zo hevig als de Britse tegen voorstellen
voor een staatspensioen, dat de behoeftigen materieel zou ondersteunen
zonder hen moreel te verheffen.
141Vgl Skocpol en
Ikenberry, pp. 102-113.
142Zie Rimlinger, pp.
195-6, voor deze gegevens.
143Uit het feit dat in 1929 bijna
90% van de uitgaven aan gezondheidszorg individueel betaald werd, en 9%
uit openbare fondsen, blijkt dat commerciële verzekering tot aan de
jaren vijftig nauwelijks een rol speelde.
144Met name in
de Amerikaanse Associatie voor Arbeidswetgeving, die vanaf 1913
aanhoudend aandrong op sociale-beleidshervorming volgens de ideeën van
J.R. Commons, 1. Fisher, I.M. Rubinov en anderen.
145Skocpol en Ikenberry, p. 107: werkgevers waren verplicht een
verzekering tegen ongevallen af te sluiten, maar werden in het algemeen
vrijgelaten in de keuze van verzekeraar - ‘particuliere verzekeringen
behielden de overhand.’ De wetten werden aangenomen met een ‘opmerkelijk
eendrachtige steun van de verschillende klassen’, van de AFL tot het
zakenleven. De slachtoffers droegen echter nog steeds tussen 50% en 80%
van de lasten van bedrijfsongevallen; vgl. Rimlinger, p. 196.
146Orloff en Skocpol, p.
745. Zowel gewonde arbeiders als behoeftige moeders raakten verwikkeld
in gerechtelijke procedures waarvan de resultaten vaak hoogst
onbevredigend gevonden werden, ook door rechters en andere juridische
experts, die dikwijls voorstanders van hervormingen werden.
147‘Functionarissen
van de AFL waren in het bijzonder gekant tegen programma's die de
regering een kans boden om naar de loyaliteit van hun leden te dingen,
zoals de bescherming bij collectief arbeidsoverleg, medische
verzekering... en werkeloosheidsverzekering. Dit laatste programma bij
voorbeeld dreigde vakbondsactiviteiten als collectief arbeidsoverleg
minder essentieel te maken.’ Greenstone, p. 26. En, na 1926 ‘gaf de
federatie haar - zelfs enthousiaste - goedkeuring aan
ouderdomspensioenen, omdat het behoud van de loyaliteit van
gepensioneerden geen ernstig probleem was.’ p. 27.
148Derthick, p. 111.
Zie Rogin voor de functies van het ‘voluntarisme’ in de interne
machtsconflicten met de aangesloten bonden.
149‘“Welzijnskapitalisme” - het idee
dat particuliere bedrijven in de behoeften aan sociale zekerheid van hun
loyale werknemers zouden kunnen voorzien - onderbouwd door “de
associatieve staat” - Herbert Hoovers ideaal van de federale regering
als de organisator van vrijwillige coöperatie door bedrijfsleven,
experts en lokale overheden.’ Skocpol, 1984-5, p. 12. Het ging om een
handvol bedrijven, en ‘juist de arbeiders die hulp het minst nodig
hadden.’ De notie ‘welzijnskapitalisme’ had in het Hoover-tijdperk en
daarna echter een belangrijke ideologische functie; vgl. Skocpol en
Ikenberry, p. 115.
152Vgl. ook Skocpol en Ikenberry, p. 128,
over deze ‘interstatelijke balkanisering’ van de
werkeloosheidsverzekering. Kudrle ziet veel overeenkomsten tussen de
Verenigde Staten en Canada, waar de negen provincies ook tamelijk
zelfstandig zijn.
153De uitdrukking komt van Leman, geciteerd
in Skocpol, 1984-5.
154‘De
economische organisatie van de industriearbeiders vond pas plaats [in de
CIO - AdS] nadat ze een politieke eenheid bereikt hadden als
overweldigende aanhang van de Democratische Partij.’ Maar al in de jaren
twintig begonnen kiezers uit de arbeidersklasse zich aan te sluiten bij
de Democratische Partij; Greenstone, p. 37. De auteur benadrukt de nauwe
samenwerking van vakbonden en Democraten, en de betekenis die dit had
voor de sociale-zekerheidswetgeving; vgl. ook Derthick, p. 110. Volgens
Rimlinger, p. 223, gingen ‘de georganiseerde arbeiders, die aanvankelijk
weinig belangstelling getoond hadden... uiteindelijk aan de slag... om
te helpen bij de aanvaarding van het wetsvoorstel.’ Skocpol is geneigd
het belang van vakbondssteun te minimaliseren vanwege de hevige
conflicten die AFL en CIO verdeelden.
155Skocpol en Weir, p. 43.
156Skocpol en Weir, p. 8.
157De premies werden gelijkelijk verdeeld tussen werkgevers en
arbeiders. Er bestonden afzonderlijke verzekeringen voor
overheidspersoneel; agrarische en huiselijke arbeiders werden
uitgesloten, evenals arbeiders in kleine bedrijven (tot acht
werknemers). Zelfstandigen werden later, tegen heel gunstige voorwaarden
opgenomen. Rimlinger, p. 224.
158Dat wil
zeggen: de inkomsten over het gehele arbeidsleven werden samengeteld: de
premies over de eerste $3000 (later $2000) gaven recht op een pensioen
van $15 per maand (0,5%), terwijl de volgende premies (over additionele
totale inkomsten tot $24.000) de ingeschrevene recht gaven op een
bijkomende maandelijkse uitkering van 0,083% van de gedekte inkomsten,
en premies boven die drempel op nog eens 0.041% aan bijkomende
uitkeringen, tot een maximaal maandelijks pensioen van $85. De
zelfstandigen werden anderhalf maal zo zwaar belast als de werknemers,
maar dat was toch nog maar driekwart van de gezamenlijke premies van
werknemers en werkgevers. Vgl. Rimlinger, Viscusi. Het algemeen
herverdelend effect van deze en andere regelingen bevoordeelde in
toenemende mate laagbetaalde, oudere arbeiders en zelfstandigen, ten
koste van jonge arbeiders met een hoog loon, en mensen zonder
gezin.
159Tot de jaren vijftig werden er meer pensioenen uitgekeerd door deze
bijstandsprojecten dan uit het program van verzekeringen met premies.
Skocpol, 1984-5.
160Vgl. Rimlinger, p. 224; Skocpol en Ikenberry, pp.
131-2.
161Rimlinger, p.
216. De minimale premie- en uitkeringsniveaus bleven ongedefinieerd:
‘Onder druk van de concurrentie van andere staten, werd het zeer
moeilijk om in een bepaalde staat weerstand te bieden aan de roep om
lagere premies. Het resultaat hiervan was een ernstige verzwakking van
de werkeloosheidsverzekering over het gehele land, uit gebrek aan
toereikende middelen.’ (idem, p. 225). Amenta e.a. hebben ontdekt dat
‘een programmatische alliantie tussen de georganiseerde arbeiders en de
Democratische Partij in New York leidde tot een ruimhartiger
verzekeringsstelsel,’ dat invloed had op andere staten.
162Ohio had een project aangenomen met ‘vaste belastingen en
een staatsverzekeringsfonds dat voldoende was voor uniforme uitkeringen
aan alle arbeiders die hun baan waren kwijtgeraakt (onafhankelijk van de
door hun ex-werkgever reeds betaalde belastingen).’ Een ander en zelfs
nog invloedrijker model werd in Wisconsin ontwikkeld door John R.
Commons en Edmund Witte, dat in de voorbereiding van de federale
wetgeving een centrale rol zou spelen: elk bedrijf werd belast in
verhouding tot het aantal ontslagen arbeiders, en de schadeloosstelling
van de ontslagen arbeiders werd geput uit deze ‘werkeloosheidsreserve’ -
‘maar slechts tot het punt waarop de reserve van elk bedrijf was
uitgeput.’ Skocpol en Ikenberry, p. 118. Het was dit programma dat, met
zijn ‘welzijnskapitalistische’ ondertoon, ten slotte de voorkeur kreeg
boven het Ohio-project en een meer rechtstreekse federale tussenkomst.
Vgl. ook Amenta e.a.
163Het programma werd
aldoor gepresenteerd als niets meer of minder dan een dwingend
individueel spaarproject, terwijl de herverdelende aspecten onder de
contribuanten zorgvuldig werden verbloemd. Vgl. Viscusi, p. 104, over
deze ‘loonstrookmythe’. Furniss en Tilton maken gewag van
‘administratief geniep’, pp. 164 e.v. Derthick, p.8, maakt melding van
‘dubbelzinnigheid, inconsistentie, duisterheid en paradox -
eigenschappen die de overweldigende, schijnbaar onvoorwaardelijke
acceptatie van sociale zekerheid een heel eind helpen verklaren.’
164Vgl. Heidenheimer, Heclo en Adams, p. 211.
165Vgl. Furniss en Tilton, p.
173; vgl. Root, pp. 106-8.
167Janowitz, p. 35; vgl. ook
Heidenheimer, 1973 en 1981.
168Vgl.
Greenstone, pp. 336 e.v., voor de actieve vakbondssteun aan sociale
wetgeving na 1945.
169Vgl. Weir e.a., p. 30: ‘In elke episode waren de coalities
die een nieuwe sociale politiek voorstonden tijdelijk breekbaar, en niet
in staat tot enige permanente institutionalisering - en werden ze al
spoedig tenietgedaan door conservatieve tegenstromen die berustten op
plaatselijke, commerciële en andere weerstanden tegen een versterkte
staatsmacht in de Verenigde Staten.’
170Nederland was niet de
grootste achterblijver in de sociale-zekerheidswetgeving; het nam meer
een middenpositie in (vierde tot negende) onder vijftien Europese landen
naar volgorde van het tijdstip van invoering van de vier belangrijkste
vormen van sociale verzekering; vgl. Alber, 1982, p. 28.
171Vgl. Hoefnagels, p. 91;
Kossmann, p. 361.
174Vgl. De Swaan, 1973, pp. 205-26. De enige
belangrijke onderbreking vond plaats tijdens de Eerste Wereldoorlog,
toen een regering van liberale signatuur aan het hoofd stond van een
neutraal land.
175Vgl.
Stuurman, p. 319-20, voor een bespreking van deze overdwarse
scheidslijn: ‘De tegenstelling tussen burgerlijke partijen en
sociaal-democraten was belangrijker dan de antithese [dit was de
historische term - AdS] confessioneel/niet-confessioneel, en de
antithese was vervolgens belangrijker dan de tegenstelling tussen
protestanten en katholieken. De verzuiling kan dan gezien worden als het
onbedoelde en onvoorziene resultaat van de gelijktijdige werking van
deze drie tegenstellingen.’
176De grote katholieke en
sociaal-democratische federaties fuseerden in 1976.
177Vgl. Hoefnagels, p. 119; De
Vries, p. 463.
178Vgl. De Vries, p. 461;
het was inderdaad de openlijke bedoeling van de regering om in samenhang
met de ongevallenverzekering een ziekteverzekeringswet in te stellen, en
haar falen in dezen werd alom bekritiseerd.
179Dit was de
grootste der ‘herverzekerende’ instellingen, die de beroepen voor de
werkgevers behandelde, de door veiligheidsmaatregelen gespaarde bedragen
restitueerde, en in het algemeen tegen lagere kosten opereerde dan de
staatsbank; J. Mannoury (persoonlijke mededeling).
180‘De strijd om de Ongevallenwet is in de
eerste plaats van belang omdat de sociaalpolitieke stromingen zichzelf
hier duidelijk in reactie op elkaar en op de wet manifesteerden...,’ van
Oenen e.a. II, p. 356.
181Vgl. Mannoury, p. 29; Wittert
van Hoogland, p. 108.
182Bovendien was één jaar tevoren het algemeen kiesrecht
ingevoerd, en was tussen 1915 en 1920 het aantal leden van vakbonden
verdrievoudigd; vgl. Kosssmann, p. 692, Stuurman, p. 183.
183De premies moesten door de werkgevers betaald worden, de
‘raden van arbeid’ zouden de wet uitvoeren, ouderdomspensioenen begonnen
op vijfenzestig-jarige leeftijd; zelfstandigen die op dat moment ouder
dan vijfenzestig waren, maakten aanspraak op kosteloze uitkeringen, en
zelfstandigen jonger dan vijfenzestig konden vrijwillig
toetreden.
184Vgl.
Mannoury, p. 32-33; Van Oenen (red.), pp. 360 e.v., Veldkamp, I, p.
77.
185Vgl. Mannoury, p. 197; dergelijke medische oppositie
was geheel afwezig toen de ongevallenwet van 1901 de
Rijksverzekeringsbank volledige bevoegdheid had verleend bij de
verstrekking van medische diensten.
186‘Terwijl
in ons kleine landje, dat toen angstvallig neutraal was, de strijd
woedde rond details van uitvoering - nauwelijks rond de wezenlijke
wetgeving...,’ Mannoury, p. 33.
187Volgens het
Centrale Bureau voor de Statistiek, geciteerd door Pompe, p. 22, daalde
het aantal ‘bedrijfshoofden’ van 25% van de arbeidsbevolking in 1899 tot
21,5% in 1930, 17% in 1960, en 11,8% in 1971 Omgekeerd steeg het
percentage van ‘employés’ (uitgezonderd ‘arbeiders’) van 9,6% in 1899
tot 37,8% in 1971.
188De Noodwet
Ouderdomsvoorzieningen van 1947, die geassocieerd werd met de
sociaal-democratische voorman W. Drees.
189Deze
wet werd in 1976 aangevuld met een Algemene Arbeidsongeschiktheidswet,
die alle ingezetenen verzekerde. De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
van 1968 verzekerde alle ingezetenen tegen de kosten van langdurige
ziekenhuisopname en andere kostbare medische behandeling.
190‘Het Nederlandse arbeidsongeschiktheidsstelsel is dus zowel
veelomvattend als genereus... het feit dat het voorziet in een
vergoeding van ten minste 80% van de gederfde inkomsten, en het
betrekkelijk lage niveau van “werkelijke” ongeschiktheid waarvoor al
dekking geboden wordt, hebben ernstige problemen voor de arbeidsmarkt
veroorzaakt, evenals het verwante probleem van extreem snelle groei van
het stelsel.’ En: ‘Het ontbreken van passende arbeid wordt algemeen
beschouwd als een gevolg van iemands handicap, tenzij het tegendeel kan
worden bewezen.’ Haveman e.a., 1984, pp. 65, 63. Dientengevolge: ‘Er
zijn dus redenen genoeg om aan te nemen dat de dreiging van
werkeloosheid bij achteruitgang van de economische situatie in een
bedrijf werknemers ertoe zal brengen bescherming te zoeken onder het mom
van ziekte en ongeschiktheid,’ p. 434; vgl. ook pp. 399-443 voor een
uitgebreide beschrijving van werking en effecten van de wet.
191Vgl. Pompe, pp. 86
e.v.
192Castles en McKinlay wijzen erop dat deze gasbaten nauwelijks
een voldoende verklaring kunnen bieden: men had ze ook voor andere
doelen kunnen gebruiken.
193Wilensky, 1981, p. 354, stelt:
‘Onder omstandigheden van intense wedijver tussen katholieken en links,
gepaard gaand met onderbrekingen in het bewind van links, escaleren de
sociale uitgaven.’ Deze voorwaarden lijken voor Nederland op maat
gesneden.
195Vgl. Huppes, vooral pp. 3-4, zie ook de
vergelijkende internationale cijfers aldaar.
|
|