· 7 · Conclusie: het collectiviseringsproces en zijn gevolgen
De hedendaagse verzorgingsstaat is uitgegroeid tot een uitgestrekt conglomeraat
van nationale, dwingende en collectieve arrangementen ter remediëring en
beheersing van de externe effecten van tekort en tegenslag. Dit
collectiviseringsproces heeft zich in de moderne tijd in het Westen voltrokken
tegen de achtergrond van statenvorming en de opkomst van het kapitalisme. De
belangrijkste impuls voor collectivisering kwam van de conflicten tussen elites
die trachtten de dreiging van de armen om hen heen af te wenden, en de
mogelijkheden die de armen hun ook boden wilden uitbuiten. Maar hoe machtig of
rijk ze ook waren, de maatschappelijk gevestigden konden deze mogelijkheden en
gevaren niet individueel tegemoet treden: dat vereiste collectieve actie. Maar
de verwachting dat iemand in zo'n elite zonder iets te doen toch van andermans
inspanning zou kunnen profiteren was doorgaans al voldoende om anderen van
initiatieven te weerhouden. De voornaamste episoden in de ontwikkeling van
armenhulp, gezondheidszorg en onderwijs kunnen worden begrepen als
krachtmetingen tussen de elites over de manieren waarop men diende om te gaan
met de indirecte effecten van armoede, ziekte en onwetendheid die de arme en
machteloze lagen in de samenleving rechtstreeks troffen. Op zoek naar manieren
om deze veranderende interdependenties tussen rijk en arm, en onder de elites
zelf te beheersen, werden collectieve charitatieve arrangementen gevormd, eerst
op de schaal van de parochie, later op stedelijk niveau, en ten slotte op
nationale schaal. In afwezigheid van een centrale, coördinerende instelling werd
de aanvankelijke impasse van onderling wantrouwen vaak overwonnen door de
manipulatie van wederzijdse verwachtingen of door gedeelde illusies. Maar werd
desondanks die collectieve actie eenmaal in gang gezet, dan kon dat leiden tot
de schepping van collectieve goederen en de vorming van een relevante
collectiviteit. In de loop van dit collectiviseringsproces ontwikkelden zich
nieuwe vormen van onderlinge beheersing en wederzijdse dependentie, die op hun
beurt de collectieve onderneming versterkten. Naarmate in de moderne tijd
stadsbesturen en staten hun macht effectiever wisten uit te oefenen, mengden ze
zich ook vaker in de conflicten tussen lokale elites over de beheersing van de
armen. Door zulke interventies raakten collectieve arrangementen steeds hechter
verbonden met lokale en centrale overheden en dit droeg weer bij aan de expansie
van het staatsapparaat.