|
|
|
| |
| | | |
1 Samenvattend: statenvorming en collectivisering van de zorg
Met het voortschrijden van de statenvorming werden produktie, opslag, transport
en handel steeds beter beschermd tegen roof en plundering. Deze gegeneraliseerde
bescherming ging gepaard met een ontbinding van specifieke feodale
beschermingsbetrekkingen, terwijl bezits- en monetaire ruilrelaties werden
uitgebreid en geïntensiveerd, veilig gesteld door de wet, dus uiteindelijk door
staatsdwang.
Maar met de expansie van de economie nam ook de kwetsbaarheid toe voor kleinere,
onverwachte, voorbijgaande aanvallen: de binnenlandse pacificatie had nog geen
eind gemaakt aan misdaad en banditisme. De rondtrekkende armen die van alle
bezit waren uitgesloten vormden nu zelfs een grotere bedreiging voor de
toenemende oogsten, de groeiende voorraden en de langere toevoerlijnen. De
gevestigde groepen trachtten dit gevaar te bezweren door collectieve pogingen
tot pacificatie van de gevaarlijke armen - een aspect van het proces van
residuale pacificatie.
Als de armen al niet weggejaagd werden, dan was liefdadigheid een middel om hen
te paaien. De middeleeuwse priesters, in hun rol van ‘ondernemers in
charitatieve zaken’, verkondigden een algemene verdelingsregel, die als een
‘brandpunt’ kon dienen voor de coördinatie van de bedeling. Zij manipuleerden
bovendien de wederkerige verwachtingen tussen de gevestigde families onderling,
en verschaften de gelegenheid voor demonstratief en wederzijds controleerbaar
betoon van vrijgevigheid. De collectieve liefdadige actie droeg weer bij tot de
opkomst van de parochie als collectiviteit. In het kader van deze
parochiegemeenschap in wording werd ‘openbare orde’ als collectief goed steeds
meer sociaal relevant. De parochiegemeenschap bevorderde ook de wederzijdse
sociale controle en ontwikkelde sancties tegen hen die niet wilden bijdragen.
De dilemma's van collectieve actie herhaalden zich in het vroeg-moderne Europa op
een hoger niveau van sociale aggregatie: in dit stadium werden betrekkelijk
autonome gemeenschappen geconfronteerd met landloperij en banditisme in de
regio, maar waren niet in staat tot gecoördineerde actie bij ontstentenis van
een effectief centraal gezag. Deze gemeenten waren op regionaal niveau weer van
elkaar afhankelijk in hun streven naar residuale pacificatie, maar ze konden
evenmin vertrouwen dat anderen zouden meewerken en ze konden dat ook niet
afdwingen. Elke stad was maar al te zeer bereid om de hulpzoekenden die tot last
waren op de volgende gemeente af te schuiven, en vergrootte zo de algemene
chaos. Geen stad kon het zich veroorloven om als enige voor de behoeftigen de
poorten te openen. Ditmaal werden de dilemma's van collectieve actie overwonnen
door een illusie: de valse verwachting dat een gemeenschap met een armenhuis de
toevloed van hulpzoekenden zou kunnen beheersen door ze in hun eigen onderhoud
te laten voorzien. Toen de desillusie kwam was in vele steden al een armenhuis
gevestigd. De centrale autoriteiten zetten hun nog | | | | beperkte fondsen
in om het regionale evenwicht van armenzorg te behouden en de gemeenten te
bewegen om hun armenhuizen open te houden en hun deel van de zwervers op te
bergen. (Hoofdstuk 2)
In een periode van expanderende markten en zich uitbreidende
regeringsbureaucratieën boden de armen ook mogelijkheden aan ondernemers en
staatsbeambten. De opkomende kapitalistische en administratieve elites trachtten
door het hele land rechtstreekse verbindingen te leggen met voorbijgaan van de
lokale adel en geestelijkheid, die het bemiddelingsmonopolie bezaten tussen hun
betrekkelijk geïsoleerde clientèle en de overige samenleving. Boeren,
ambachtslieden en armen in de buitengewesten spraken vaak een apart regionaal
dialect, en begrepen de ‘standaardtaal’ niet; nog meer waren analfabeet. Deze
onwetendheid, die tot dan toe voor alledaagse bezigheden grotendeels irrelevant
geweest was, werd tot een tekort naarmate het contact met de centrale staat en
nationale markten belangrijker werd. De lokale elites, die zowel het regionale
dialect als de standaardtaal beheersten, en tevens konden lezen en schrijven,
hadden te winnen bij de toegenomen vraag naar de bemiddeling waarop zij het
monopolie hadden. De onbekendheid van de grote massa met de codes van nationale
communicatie belemmerde de metropolitaanse elites om rechtstreeks toegang tot
hen te krijgen.
Er bestond dus een ‘bloemfiguratie van talen’, gevormd door een reeks onderling
betrekkelijk gescheiden communicatienetwerken, geïsoleerd door de wederzijdse
onverstaanbaarheid van talen of, waar wel een gemeenschappelijke taal in omloop
was, door het onvermogen tot schriftelijke communicatie en de belemmeringen voor
het reizen. De lokale elites bemiddelden tussen hun lokale achterban en de rest
van het land via de standaardtaal of het geschreven woord. Zij vormden dus de
intersectie tussen deze betrekkelijk gescheiden perifere netwerken en het
metropolitaanse netwerk waar de standaardtaal werd gesproken, gelezen en
geschreven.
Metropolitaanse ambtenaren en ondernemers - in het hart van deze bloemfiguratie -
trachtten de lokale bemiddelingsmonopolies te doorbreken met een campagne voor
taalunificatie, één belangrijk aspect van het meeromvattend proces van nationale
mobilisatie. Zij steunden de vestiging van een nationaal stelsel van verplicht
lager onderwijs in een standaardcurriculum van codes voor nationale
communicatie. De lokale elites verzetten zich daartegen, maar zagen zich van de
weeromstuit genoodzaakt tot het opzetten van eigen scholen. Deze rivaliteit
dwong hen vervolgens om zich te verenigen in nationale onderwijsorganisaties
tegen het staatsmonopolie, vervolgens om naar staatssteun te dingen en ten
slotte om alsnog centrale regeling te accepteren. Uiteindelijk raakten ze
verwikkeld in een alternatief nationaal onderwijssysteem dat bijna net zo
uniform en dwingend was, en hun in de meeste landen slechts in naam enige
zeggenschap toestond. (Hoofdstuk 3)
Door industrialisatie en urbanisatie waren grote mensenmassa's in een nieuwe
aggregatietoestand geraakt: de negentiende-eeuwse industriestad. In zo gro- | | | | te fysieke nabijheid, brachten de nevenverschijnselen van armoede -
vervuiling, ondervoeding en ziekte - nieuwe tegenslagen met zich mee: de
epidemieën die de armen het zwaarst troffen maar ook de gevestigde burgers
bedreigden en het sociale en economische leven van de stad lam legden.
Het schrikbeeld van de cholera fungeerde als een paradigma van deze nieuwe,
bedreigende stedelijke interdependentie. Het paradigmatische weerwoord werd
gezocht in het idee van de stadsreiniging door een ‘aderlijk-slagaderlijk
stelsel’ van drinkwatertoevoer en riolering dat de stadsbewoners tegen elkaar
zou beschermen door het huiselijke leven binnen de particuliere woningen in te
kapselen, en tegelijk ieder met het grootscheepse stedelijk dienstverlenend
netwerk te verbinden.
Ondertussen verhuisden burgers die het zich konden veroorloven naar ‘betere’
buurten. De resultante van deze afzonderlijke verhuizingen was een ruimtelijke
segregatie in sociaal meer homogene zones. In de nieuwe, rijke buurten stelde
dit proces de stedelijke elite beter in staat om collectieve actie te voeren ter
afzwakking en beheersing van de externe effecten die de armoede in de bredere
stedelijke context teweegbracht: misdaad, rebellie, infectie en ‘sociale
besmetting’. Het was ook in dit verband dat permanente politiebewaking werd
ingesteld, en een reeks stedelijke dienstverlenende netwerken werd opgezet.
Rioleringen en waterleidingen, gasbuizen en elektriciteitskabels, transport,
metrobuizen en telefoonlijnen verbreidden zich door de stad. Tegen het eind van
de negentiende eeuw werden ze meestal eerst in de rijkere buurten aangelegd, en
vertakten vandaar totdat de stad er vrijwel mee verzadigd was en alleen nog de
arme wijken aangesloten moesten worden, wat dan onder overheidsdwang en tegen
slechts marginale kosten gebeurde. (Hoofdstuk 4)
Naarmate de industriële massaproduktie zich uitbreidde, vormden mensen die vaste
arbeid verrichtten voor een geldloon gaandeweg de grote meerderheid van de
arbeidende bevolking. Anders dan bezitters hadden deze loonarbeiders geen
reserves om op terug te vallen wanneer zij hun werk kwijtraakten door ziekte,
invaliditeit, ouderdom of ontslag. Zij konden ook geen voorzieningen treffen
voor hun nabestaanden. Loonarbeiders accumuleerden zelden particuliere
spaargelden, maar sommigen namen wel een commerciële verzekering en velen sloten
zich aan bij onderlinge fondsen. Deze kleine, tamelijk autonome verenigingen
voor onderlinge bijstand waren op een gegeven moment het meest gangbare
collectieve arrangement tegen tegenslag onder de arbeidende klassen. Maar wat
tot hun succes geleid had, vormde ook hun zwakte: doordat ze gering van omvang
waren en door de leden zelf beheerd werden, ontbrak het hun aan expertise, aan
geregelde inspectie, vaste beslissingsregels en beroepsprocedures. Hun
lidmaatschap was in hoge mate sociaal homogeen, wat de solidariteit bevorderde
maar de fondsen tevens aan een opeenstapeling van overeenkomstige risico's
blootstelde. Omdat de onderlinge fondsen autonoom waren, kwamen ze in de
verleiding om de slechtst betaalde arbeiders die de grootste risico's liepen uit
te sluiten; indien concurrerende fondsen hetzelfde deden, waren ze | | | | daar zelfs toe gedwongen. Zoals zo vaak liet een stelsel van kleine, autonome
arrangementen een maatschappelijke onderlaag ongedekt. (Hoofdstuk 5)
De onderlinge fondsen bleken steeds slechter in staat om het probleem van de
industriële armoede op te lossen. En geleidelijk kreeg men oog voor het feit dat
onder stedelijke, industriële omstandigheden de armoede niet zozeer een blijk
was van een persoonlijk moreel tekort, maar ieder trof die geen vast werk had.
Maar de gevestigde stadsbewoners bleven de grote menigte paupers als een
bedreiging zien. En toen de arbeiders zich begonnen te organiseren leken ook hun
vakbonden de arbeidsrust en de openbare orde te bedreigen. In deze
omstandigheden stelden grote werkgevers, gematigde arbeidersleiders,
activistische bestuurders en politici voor om verplichte collectieve fondsen op
nationale schaal in te stellen voor uitkeringen aan arbeiders ter compensatie
van inkomstenderving door onvrijwillige werkeloosheid. Deze collectieve
accumulatie van overdrachtsvermogen moest een alternatief bieden voor de
voorzorgsfuncties van geaccumuleerd particulier bezit. De kleine zelfstandigen
verzetten zich tegen deze projecten, omdat grote fondsen op de kapitaalmarkt hun
kleine bezit zouden wegconcurreren, en omdat hun zelfstandig ondernemerschap
door dwangmaatregelen aangetast zou worden. De bestaanszekerheid die arbeiders
eraan ontleenden bedreigde bovendien de precaire sociale afstand van de kleine
burgerij tot de arbeidersklasse.
Slechts een activistisch regime kon deze politieke oppositie overwinnen, met de
steun van grote werkgevers of georganiseerde arbeiders, of beide. Het moment en
momentum van de sociale-zekerheidswetgeving werd bepaald door de machtsbalans
tussen de kleine burgerij en de groeiende industriële klassen, met het politieke
regime in een spilpositie. Het bereik en de aard van arrangementen voor
overdrachtsvermogen werd met name bepaald door de samenstelling van de politieke
coalitie die ze tot stand bracht.
Nog geen vijftig jaar na de eerste Duitse sociale-verzekeringswetten hadden in
alle kapitalistische democratieën nationale, collectieve arrangementen onder
staatsbeheer voor de accumulatie van overdrachtsvermogen hun intrede gedaan. Aan
de vooravond van de Tweede Wereldoorlog waren in West-Europa en de Verenigde
Staten de fundamentele instituties voor de collectivisering van gezondheidszorg,
onderwijs en inkomenshandhaving opgezet. De grondslag was gelegd voor de
hoogbouw van het naoorlogse tijdperk: ‘De tweede grote revolutie in de sociale
zorg van deze eeuw, die na Duinkerken begon en na 1945 versneld doorwerkte,
zette het proces voort.’1
|
|
|