|
|
|
| |
2 Collectivisering na 1945: de expansie als hyperbool
Sinds de Tweede Wereldoorlog vertonen onderwijs, gezondheidszorg en
inkomensoverdrachten in Europa en de Verenigde Staten een exponentiële groei in
alle dimensies: meer leerlingen genoten gedurende meer jaren onderwijs in | | | | kleinere en beter toegeruste klassen. De zeggenschap van de
centrale staat over het onderwijs groeide met gelijke tred. Meer mensen lieten
zich voor een snel uitdijend scala van klachten behandelen bij steeds
uitgebreidere faciliteiten en diensten, die eveneens in toenemende mate onder
beheer van de overheid kwamen te staan. Ook de accumulatie van
overdrachtsvermogen versnelde in hoog tempo, waarbij de voorzieningen werden
uitgebreid tot nagenoeg de gehele bevolking, de uitkeringen een steeds breder
gamma van tegenslagen dekten op een al maar ruimere schaal in absolute en
relatieve zin. En al deze staatsinstellingen raakten steeds nauwer betrokken bij
het beheer over ondernemingen en over de privé-levens van arbeiders en
uitkeerlingen.
De expansie kende twee fasen van versnelling: van de late jaren veertig tot de
vroege jaren vijftig, en van het midden der jaren zestig tot het begin van de
jaren zeventig. Sindsdien is de expansie afgevlakt, en in een enkel geval zelfs
in het tegendeel verkeerd.
Aan het einde van de jaren dertig hadden alle westerse regeringen de bestuurlijke
en belastingtechnische vernieuwingen voor het bestuur van de verzorgingsstaat
ingevoerd en uitgeprobeerd. De staatsbureaucratieën waren in staat gebleken tot
het opzetten en besturen van enorme stelsels voor onderwijs, gezondheid en
hulpverlening. En er bleek een brede basis van politieke steun te bestaan voor
zulke nationale, collectieve en dwingende arrangementen. De
financieringsproblemen leken in principe hanteerbaar. En miljoenen studenten,
patiënten, cliënten, contribuanten en uitkeerlingen bleken goed in dit stelsel
te kunnen opereren. Met andere woorden: het bewijs van de levensvatbaarheid was
geleverd, niet per deductie uit verheven axioma's, maar door nuchtere inductie
uit alledaagse ervaring. In Heclo's woorden: het ‘tijdperk van experimenteren’
was ten einde en het ‘tijdperk van consolideren’ nam een aanvang en werd in de
jaren vijftig nog door een fase van ‘expansie’ gevolgd.2
Dat de nieuwe formules voor staatsadministratie steeds konden worden uitgebreid
was tijdens de Tweede Wereldoorlog aangetoond, toen de strijdende regimes in
nauwe samenwerking met grote ondernemingen en vakbonden een oorlogseconomie op
gang hielden met spectaculaire resultaten, vooral in Engeland en de Verenigde
Staten. Na de oorlog werd deze ‘oorlogsdriehoek’ niet ontbonden.3
Met de mobilisatie voor de totale oorlog was de capaciteit van het staatsapparaat
enorm gegroeid. De regeringsbureaucratie was nu opgewassen tegen de
administratieve uitdaging om een zo sterk uitgebreid verzorgingsstelsel te
besturen.4 De ervaring met militair
beheer in oorlogstijd, met produktiecampagnes, projecten voor de bescherming en
de evacuatie van de burgerbevolking, en de propaganda-offensieven had westerse
regeringen bijgebracht hoe de economie te sturen, de publieke opinie te bespelen
en de levens van hun burgers te bestieren; daarbij vergeleken was het bestuur
van een verzorgingsstaat nog maar een kleinigheid, terwijl die taak kort tevoren
nog zo reusachtig had geleken. Deze alomvattende regeringsinterventie werd
uitgevoerd met de kennelijke steun van | | | | de overgrote meerderheid van
de kiezers. Ze had in Engeland en de Verenigde Staten immers bijgedragen aan de
totale militaire overwinning. Massale staatsregulering bleek dus niet alleen
heel wel met democratie te verenigen, maar leek nu zelfs een noodzakelijke
voorwaarde voor het overleven van dat stelsel tijdens buitenlandse dreiging en
binnenlandse onvrede. Het democratisch scenario voor gedwongen collectivisering
overtuigde de Nederlanders, Fransen en Duitsers zelfs na hun ervaring met de
totalitaire variant: na 1945 leek een democratische samenleving overal een
verzorgingsstaat te impliceren.
De lessen van de oorlogsdriehoek en de oorlogseconomie werden bevestigd door nog
andere overwegingen: in de jaren voor en tijdens de oorlog hadden de politieke
elites zich gedwongen gezien om te dingen naar de loyaliteit van de arbeiders
als potentiële rekruten in het internationale conflict tussen staten en als
kiezers in binnenlandse krachtmetingen. Waren communisme, fascisme en
nationaal-socialisme voor de oorlog al een verlokking geweest, onmiddellijk na
1945 oefende het communisme een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op
arbeiders en intellectuelen, vooral op het Europese vasteland. Het Sovjetstelsel
was levensvatbaar gebleken door zijn militaire prestaties en elders hadden
binnenlandse communisten gevochten in de voorste gelederen van het verzet tegen
de nazi's. Het communistisch programma leek nu een alternatief te bieden voor
zowel het nationaal-socialistisch staatsterrorisme als de kapitalistische
crisismisère van voor de oorlog. In een tijd waarin arbeidskrachten niet meer
onmiddellijk nodig waren als rekruten, en uit de krijgsdienst ontslagen soldaten
zich op de arbeidsmarkt in een slechte onderhandelingspositie bevonden omdat men
verwachtte dat de markt in vredestijd maar langzaam zou opleven, doemde voor de
politici van de grote democratische partijen de dreiging op van een
revolutionaire arbeidersbeweging.5
Bovendien waren de afgezwaaide soldaten ook kiezers, en zij waren de beloften
uit de oorlogsjaren van een ‘wereld zonder gebrek’ nog niet vergeten. In de
jaren daarna begon een dekolonisatieproces, dat Engeland, Frankrijk en Nederland
in een reeks beperkte, maar verre, kostbare en impopulaire oorlogen verwikkelde,
terwijl de Verenigde Staten betrokken raakten bij de Koreaanse oorlog. Deze
conflicten noopten de regeringen om te dingen naar de stemmen van arbeiders en
soldaten door royalere bestedingen voor onderwijs en sociale zorg.
De oorlogseconomie had de grote-zakenwereld verzoend met overheidsinmenging. De
Grote Crisis en de oorlogseconomie hadden diep ingegrepen op de produktievormen,
en de politieke organisatie van de kleine middenstand van winkeliers,
ambachtslieden, handelaars en boeren. De inflatie vóór de oorlog en de monetaire
maatregelen in oorlogstijd dreven de spot met de deugden van het particuliere
sparen. Kleinburgerlijk rechts verkeerde in volkomen verwarring. De traditionele
oppositie tegen het sociale beleid van de staat brokkelde verder af toen de
zelfverzekerde voorstanders van de sociale zekerheid projecten begonnen te
bepleiten die ook de zelfstandigen zouden dekken. Dit lokte uiteraard vele
kleine ondernemers die de jaren van inflatie en ontbering hadden meegemaakt.
| | | |
De Democratische Partij in de Verenigde Staten en de grote christen- en
sociaal-democratische partijen in Europa lanceerden programma's voor sociale
zekerheid, gezondheidszorg en uitbreiding van het onderwijs, vaak met de actieve
medewerking van economisch behoudende liberale partijen. Wat op dat moment aan
financiële middelen ontbrak, werd goed gemaakt met een wetgevingsdrift, die de
grondslag legde voor latere uitbreiding - zodra de middelen daarvoor beschikbaar
kwamen. Het beleid berustte op een golf van eensgezindheid. Een coalitie van
grote vakbonden, grote bedrijven en het zittende regime werd het eens over een
program van sociale uitgaven dat uit loonheffingen gefinancierd moest worden, in
de stille hoop dat die hogere loonkosten bij een aanhoudende vraag op de
consumenten afgewenteld zouden kunnen worden. Populaire Keynesiaanse ideeën over
consumptieve groei door overheidsuitgaven stimuleerden deze initiatieven. Maar
in feite was het de aanhoudende golf van onverwachte en uitzonderlijke
economische groei die de stroom van sociale uitgaven voedde.6 Met als resultaat dat ‘de politiek van de
verzorgingsstaat op haar lauweren kon rusten, terwijl de motor van de
economische groei zijn werk deed.’7
Deze eerste fase van hyperbolische expansie had een diepgaande uitwerking op de
naoorlogse samenleving. De grote meerderheid van burgers was opgenomen in
collectieve arrangementen voor gezondheidszorg en inkomstenbescherming. Een
eerste gevolg hiervan was dat veel kiezers weliswaar bezwaren konden hebben
tegen collectieve uitgaven en tegen hoge belastingen in het algemeen, maar zodra
het ging om bezuinigingen op specifieke uitkeringen die hun speciaal tot
voordeel strekten, was hun verzet tegen deze maatregelen doorgaans veel heftiger
dan hun steun aan bezuinigingen in het algemeen en in abstracto. Zo verenigden
zeer gemotiveerde minderheden zich in een succesvolle verdediging van hun
belangen, steeds wanneer ze door een - noodzakelijkerwijs minder vastberaden en
samenhangende - oppositie bedreigd werden.8
Het tweede gevolg van deze expansie was het ontstaan van een stratum van
professionele experts en administrateurs die voor hun werk en loopbaan op deze
collectieve arrangementen waren aangewezen. Deze ‘nieuwe’ middenklassen vormden
een formidabele collectie van belangengroepen ter bevordering van de uitbreiding
van collectieve arrangementen. Die professionele groepen wisten niet alleen
hechte verbindingen te leggen met het staatsapparaat, maar ook hun
‘professionele regime’ op te leggen aan steeds grotere delen van de bevolking,
die hun clientèles vormden. De vestiging van een pedagogisch, een medisch en
meer onlangs een hulpverleningsregime was een belangrijk aspect van de vorming
van verzorgingsstaten in deze eeuw: het onderwerp komt in paragraaf 7.3
uitvoeriger aan de orde, met speciale aandacht voor de medische professie.
Het derde gevolg van de expansie van collectieve arrangementen en van de daarmee
gepaard gaande opkomst van deskundigenregimes was een brede
mentaliteitsverandering in de burgerij van de hedendaagse verzorgingsstaten.
Deze transformatie voltrok zich op drie niveaus: (1) Een hogere waardering van
wat | | | | deze regimes en de verzorgingsstaat te bieden hadden -
gezondheid, kennis en inkomenszekerheid. Met andere woorden: mensen gingen deze
waarden steeds hoger aanslaan en definieerden dienovereenkomstig de dagelijkse
gebeurtenissen in hun eigen levens in termen van de basisbegrippen van de
professies die geacht werden daarvoor te zorgen: een proces van
‘proto-professionalisering’. (2) Een algemene verschuiving in de richting van
grotere zelfdwang en een sterkere gerichtheid op de toekomst. Op dit punt
werkten het collectiviseringsen het civilisatieproces op elkaar in. (3) Een
toenemend bewustzijn van de gegeneraliseerde interdependentie in de moderne
samenleving, een overgang van de waarneming van gebeurtenissen vooral in termen
van religie, magie en samenzwering naar een bewustzijn van de afhankelijkheden
tussen groepen - een besef van de manieren waarop de tegenslagen en tekorten die
de ene groep treffen, indirect ook andere aantasten: een overgang van
liefdadigheid naar sociaal bewustzijn. De mentaliteitswijzigingen die met de
collectivisering van de verzorging gepaard gingen komen in paragraaf 7.4 iets
uitgebreider ter sprake.
De gevolgen van de expansie van de verzorgingsstaat hebben bijgedragen aan een
verdere expansie. De eerste naoorlogse groeifase bracht in veel opzichten
veranderingen in de samenleving teweeg die op hun beurt volgende fasen van het
collectiviseringsproces in gang zetten. De verzorgingsstaat kreeg steeds meer
een eigen dynamiek. De collectieve arrangementen vormden gaandeweg een
strategische omgeving - een context die de opties bood voor de dagelijkse
beslissingen en niet-beslissingen van de burgers.
De tweede vlaag van expansie trad op in de jaren zestig en in de vroege jaren
zeventig.9 Dat kon alleen gebeuren door een golf
van aanhoudende economische groei die aan het eind van de jaren vijftig opnieuw
inzette. Maar het surplus had ook op andere manieren besteed kunnen worden. Het
feit dat een groot deel ervan werd gebruikt voor de uitbreiding van collectieve
uitkeringen en diensten had veel te maken met een combinatie van massacampagnes
voor betere voorzieningen en een aandrang tot uitbreiding uit de
dienstverlenende bureaucratieën zelf, die inmiddels waren uitgegroeid tot
machtige en actieve belangengroepen. De ontwikkelingen waren het meest explosief
wanneer deze twee factoren samengingen, wanneer geschoolde professionele
hulpverleners werden uitgezonden om potentiële categorieën cliënten en
uitkeerlingen te helpen zich te organiseren.
Een opeenvolging van spectaculaire gebeurtenissen maakte westerse regeringen rijp
voor een tweede ronde van sociale hervormingen. Aan het eind van de jaren zestig
dramatiseerden de rassenrellen in de Verenigde Staten de problemen van armoede,
vooral onder de recente zwarte stedelijke immigranten. Tegelijkertijd
onderstreepten studentenopstanden alom de grieven van het hoger onderwijs, dat
juist toen toegankelijk was geworden voor kinderen uit de arbeidersklasse - de
laatste bocht in de spiraal van onderwijsexpansie.10 In Europa vonden
tegelijk met de studentenonlusten grote stakingen plaats. Een nieuwe generatie
intellectuelen, veelal geschoold in de sociale wetenschappen, leverde | | | | een bij de rebellie passende politieke interpretatie. De gehele
opeenvolging van kleinere opstanden, nu eens in één land, dan weer in een ander,
wekte een gevoel van urgentie en bedreiging op dat lang ontbroken had. Zo
leverde de rebellie van de jaren zestig nog een noodzakelijke ingrediënt voor
hervorming van de verzorging: bezorgdheid onder de elites.11
Maar er waren nieuwe elites bijgekomen, met nieuwe zorgen.
Al sinds lang werden gezondheidsvoorlichters gesubsidieerd ter bevordering van
hygiëne en preventie. Als gevolg werden schoolkinderen en volwassenen steeds
sneller naar de spreekkamer van de dokter gestuurd. Reclasseringsambtenaren en
maatschappelijk werkers hadden als gidsen gefungeerd in het bizarre labyrint van
de verzorgingswetgeving. Nu, ook als reactie op de onrust van de jaren zestig
begon de overheid ook buurtwerkers naar ‘probleemgebieden’ te sturen. Advocaten
werden aangesteld om de belangen van huurders tegen huiseigenaren te verdedigen
of van uitkeringstrekkers tegen de welzijnsbureaucratie.12 Veel van deze
voorhoedepelotons van de verzorgingsstaat werden uitgezonden met marsorders die
door universitaire sociologen waren opgesteld.13 Kortom, de
instellingen van de staat zaaiden het zaad voor hun eigen verbreiding.
In al deze gevallen werd door het groeiende aanbod van hulpverlenening ook de
vraag daarnaar vergroot. Maar deze constatering, hoe correct ook op zichzelf,
versluiert het feit dat cliënten die nu voor het eerst hun behoefte aan
professionele hulp kenbaar maakten, altijd al aan kwalen en klachten geleden
hadden. Er waren misschien wel ‘externe opruiers’ werkzaam, maar er bestond -
zoals altijd - ook interne ontevredenheid. Het aanbod van professionele
expertise schept de vraag, maar niet de misère.
De tweede fase van hyperbolische expansie in de verzorgingsstaat werd mogelijk
gemaakt door een aanhoudende economische groei, en bepaald door een bijzondere
politieke constellatie van zeer gemotiveerde minderheden die hogere uitgaven
voor specifieke programma's eisten en daarbij geconfronteerd werden met een veel
minder coherente en intense oppositie tegen de uitbreiding van overheidsuitgaven
in het algemeen.14 In deze constellatie kwamen
deskundige bestuurders en professionele hulpverleners op voor hun eigen diensten
en vonden daarvoor steun in een bevolking die staatsinmenging steeds meer
aanvaardde als een middel om ‘sociale problemen’ op te lossen, en toenemende
waarde hechtte aan expertise als de remedie tegen sociale en persoonlijke
kwalen.
Maar op het moment dat het collectiviseringsproces zichzelf voor goed leek te
bestendigen, begon het niettemin aan vaart te verliezen. De hyperbolische
expansie had haar limiet bereikt.
Halverwege de jaren zeventig werden de sterke expansieve krachten afgeremd -
vooral door de begrotingstekorten die ze veroorzaakten. Zodra aan de
noodzakelijke voorwaarde van economische groei niet langer werd voldaan en het
perspectief van onbeperkte en onbelemmerde groei niet meer vanzelf sprak, | | | | begon de expansie van verzorgingsarrangementen vaart te verliezen.
Het keerpunt werd bereikt met de oliecrisis van 1973. Maar onder de oppervlakte
waren langduriger en omvattender factoren van internationale concurrentie
werkzaam geweest. De sociale zekerheid en de gezondheidszorg werden immers
vooral gefinancierd door loonheffingen en verhoogden dus de arbeidskosten in de
betrokken landen. Inmiddels waren veel niet-westerse landen ver genoeg
geïndustrialiseerd om met hun veel lagere loonkosten effectief te kunnen
concurreren op de markt voor industriële produkten. Doordat regeringen,
vakbonden en werkgevers in het Westen ondanks de aanhoudende groei van de
sociale uitgaven afkerig waren van een verhoging van de loonheffingen, ontstond
een tekort dat met overheidsleningen of inflatoire uitgaven moest worden
gefinancierd: een ‘fiscale crisis’ was het gevolg. Linkse regeringen zoals die
van Mitterand in Frankrijk, konden hun expansionistische beleid niet langer
volhouden.15 Maar
rechtse regimes zoals dat van Reagan in de Verenigde Staten, bleken evenmin in
staat om te korten op de uitgaven voor gezondheidszorg, onderwijs en sociale
zekerheid.16 In meer-partijenstelsels versterkte de coalitiepolitiek het
uitgavenpatroon zelfs nog. Waar burgerljke en sociaal-democratische partijen
afwisselend in de regering zitting hadden,17 zoals in Nederland, Scandinavië of Italië, hield de
groei van sociale zekerheidsuitgaven ondanks alles aan.18 Wat in het midden der jaren tachtig in de meeste landen werd
bereikt of afgedwongen, was een beleid van beperkte groei, een afvlakken van de
hyperbolische expansie waar die zijn asymptoot naderde.19 Als in enkele landen de
programma's inderdaad in absolute zin werden ingekrompen, dan ging het doorgaans
om bijstand aan de armen, vooral aan gezinnen (dat wil zeggen: moeders) met
opgroeiende kinderen, of adolescenten zonder arbeidsverleden - waarvan het
aantal overal sterk toenam - en arbeidsongeschikten die lange tijd of altijd al
werkeloos geweest waren: zij die zich het minst georganiseerd hadden en politiek
het zwakst stonden werden door de bezuinigingen het hardst getroffen.20 De
bejaarden daarentegen bleken een formidabel bastion te vormen.
Als het aankwam op inkrimping van de dienstverlening, hadden de hulpverlenende
beroepen met de kortste historie het meest te verduren, zij waren het minst
gevestigd als het ging om academisch aanzien en toegang tot het politiek regime:
buurtwerkers, psychotherapeuten, fysiotherapeuten, wijkverpleegsters,
gezinshulpen, maatschappelijk werkers, enzovoort.21 De medische
professie en het lerarenkorps wisten veel effectiever verzet te bieden.
De coalitie tot behoud van de fundamentele arrangementen van de verzorgingsstaat
houdt overal nog stand.22 Zelfs onmiskenbaar conservatieve regimes zoals
die van Thatcher of Reagan, hebben de grondbeginselen van collectivisering en de
accumulatie van overdrachtsvermogen niet opgegeven.23 De welfare backlash, de reactie tegen de verzorgers, is meer een
ideologisch-retorische exercitie geweest dan een consequent en effectief
beleid.24 Tot dusverre is
het resultaat niet zozeer inkrimping, als wel vertraging van de groei. De
partijen in het conflict nemen ieder om eigen redenen hun toevlucht tot
retorische hyper- | | | | bolen. Aan de linkerzijde wordt elke poging tot
vertraging van de expansie aangeklaagd als een eerste stap in de afbraak van de
verzorgingsstaat. Voor rechts is de expansiehyperbool een retorisch hulpmiddel
om elke budgettaire maatregel te rechtvaardigen als middel om greep te krijgen
op bestedingen die uit de hand gelopen zijn.
In werkelijkheid is de onderliggende eenstemmigheid over de grondslag van de
verzorgingsstaat nog steeds zo groot dat ze grotendeels onopgemerkt blijft, een
‘zwijgende meerderheid’. De discussie richt zich vooral op betrekkelijk recente
toevoegingen die door hun voornamelijk symbolische waarde de totale uitgaven
nauwelijks beïnvloeden. Maar ze zijn uiteraard wel heel belangrijk voor iedereen
die door zo'n bezuiniging rechtstreeks wordt getroffen. Over toekomstige
maatregelen ter collectivisering van voorzieningen bestaat echter geen enkele
eenstemmigheid. Ook om deze reden lijkt de hyperbool zijn asymptoot te naderen
en schijnt een voorlopig evenwicht bereikt te zijn. Slechts heel weinig mensen
willen echt terug, en nog minder mensen hebben een duidelijke visie voor een
toekomstig beleid.25
De grenzen aan de verzorgingsstaat zijn niet noodzakelijk gelegen in de
financiering en het beheer van het stelsel. De beperkingen lijken zich eerder
opgelegd te worden door de mogelijkheden tot effectieve herverdeling. De kritiek
kan worden verwoord in termen van verdelende rechtvaardigheid en openbare
moraal, of in termen van effectieve stimulansen en toewijzingen. Maar er zijn
ook andere bezwaren. De hedendaagse verzorgingsstaat is een strategische
omgeving geworden waarin mensen opereren als berekenende ondernemers. Dit geldt
voor de experts die hun inkomen ontlenen aan de levering van diensten in een
sterk gecollectiviseerde context. Maar het gaat ook op voor de uitkeerlingen die
hun uitkeringen en diensten ontvangen in die omgeving. Per slot van rekening
dragen belastingbetalers, en vooral loontrekkers, tot meer dan de helft van hun
inkomen bij aan voorzieningen waarvan zijzelf mogelijk pas jaren later zullen
profiteren, of misschien wel nooit. De verzorgingsstaat, als een anoniem en
grotendeels ‘waardevrij’ stelsel dat zoveel winstkansen voortbrengt en op
ondoorgrondelijke wijze zoveel beperkingen en heffingen oplegt, vraagt erom te
worden uitgebuit en bedrogen. De rijken kunnen zich veroorloven om experts te
huren om de mazen in de belastingwetgeving op te sporen, ze kunnen advocaten,
accountants en zelfs ‘subsidiologen’26 voor de volle werkweek in dienst nemen om
ontsnappingsclausules en voordelige constructies te vinden. Te zelfder tijd zijn
bureaucraten druk doende om marges in de administratieve bepalingen op te rekken
om de eigen organisatie meer speelruimte te geven. Voor kleine, particuliere
belastingbetalers en afzonderlinge uitkeerlingen blijft het maximaliseren van
hun voordelen en het minimaliseren van hun kosten een eenmansonderneming. Maar
in alledaagse conversatie doen ook zij recepten op om als ware ondernemers met
belastingen en uitkeringen om te gaan. Er zijn niet genoeg inspecteurs om
iedereen te controleren, om ervoor te zorgen dat | | | | allen het hunne
betalen en elke begunstigde ook recht heeft op hetgeen hij of zij ontvangt.
Bovendien vormen al die pogingen tot inspectie nog weer verdere inbreuken van
staatswege op intieme aangelegenheden, zoals hoe men de eigen tijd besteedt (met
bezoldigde maar niet-gemelde werkzaamheden?) of met wie tafel en bed gedeeld
worden (met een partner die bijdraagt aan het huishouden?). Het is duidelijk dat
verzorgingsarrangementen niet kunnen werken zonder een aanzienlijke ‘lekkage’.
Maar in vergelijking met een verbrandingsmotor of een gloeilamp, waarbij meer
dan tweederde van de energie verspild wordt aan het voortbrengen van nutteloze
warmte, zijn de sociale zekerheid en sociale bijstand wonderen van
doelmatigheid, waarin nog niet eentiende van de gelden opgaat aan administratie
en hooguit een overeenkomstig deel weglekt door ontduiking en fraude. Natuurlijk
wordt machines hun verkwisting niet aangerekend en maken inefficiënte machines
plaats voor meer doelmatige modellen. Burgers daarentegen nemen anderen niet
alleen hun bedrog kwalijk, maar volgen het op den duur na, uit wrok of
competitieve noodzaak. Zoals volgens de wet van Gresham ‘slecht geld altijd goed
geld verdrijft’, zo verdrijven in de verzorgingsstaat op den duur oneerlijke
contribuanten en uitkeringstrekkers altijd de eerlijken. Maar ergst van al, een
verzorgingsstaat die werkt met volkomen efficiëntie, werkt alleen volkomen
efficiënt als politiestaat. Dat, meer dan al het andere, is het toekomstige
dilemma van sociaal beleid.
In de betrekkingen tussen de verzorgingsstaat en zijn contribuanten of
uitkeerlingen wordt door min of meer autonome experts bemiddeld. Deze aan de
staat gebonden deskundigen hebben een belangrijke rol gespeeld in de vorming van
de collectieve verzorgingsarrangementen. Ze hebben ook bijgedragen tot
transformaties in de omgangs- en ervaringsvormen van de burgers van deze
verzorgingsstaten.
|
2Heclo, 1981, pp. 390, 393.
3Vgl. Middlemas, p. 266; zijn commentaar over Groot-Brittannië
(p. 300) is ook van toepassing op andere landen: ‘Tussen 1940 en 1945
bereikte de vakbondsbeweging haar fundamentele doelstelling van gelijkheid
met de werkgevers in het oog van de regering. Tegen de verwachtingen en de
trend van de electorale politiek in behielden de werkgevers het grootste
deel van hun politieke macht van vóór de oorlog, terwijl ze zich sluw
aanpasten aan de veranderde omstandigheden. Geen van beide groepen waagde
het echter om de in de oorlog enorm gezwollen overheidsmacht aan te tasten,
en ze gaven (net als in 1916-1918) hun handelingsvrijheid vrijwel geheel op,
in de veronderstelling dat daardoor het stelsel van driehoeksgewijze
samenwerking versterkt zou worden - een veronderstelling die in de jaren
onmiddellijk na de oorlog axiomatisch zou blijken.’
4Sinds de massamobilisaties van de
Napoleontische oorlogen, vereiste de moderne oorlogsvoering het in stand
houden van grote legers, en als nasleep daarvan de zorg voor veteranen,
oorlogsweduwen en -wezen. Met de komst van luchtbombardementen werden de
burgerbevolkingen steeds meer in de ‘totale oorlog’ betrokken, en dat eiste
navenant regeringsoptreden ten behoeve van non-combattanten: een ware
‘demostrategie’, in Cyril Falls' bewoordingen (door Titmuss, p. 82,
geciteerd). Vgl. ook Marshall, pp. 82-95.
5En de inspanning ter
voorkoming van deze binnenlandse omwenteling werd misschien wel voor het
eerst op internationale schaal geleverd: Marshall-hulp diende als tegenwicht
voor het binnenlandse communisme in Europa, en droeg zeker bij tot de
financiering van de verzorgingspolitiek; vgl. Pinker, p. 64.
6Alber, 1982, p. 152, heeft berekend dat het aandeel van de
beroepsbevolking dat door sociale zekerheid gedekt werd in dertien Europese
landen steeg van een gemiddelde van 41% in 1935 naar 51% in 1940, 60% in
1950 en 65% in 1955; rond 1975 bedroeg het 82%. De gemiddelde uitgaven aan
sociale zekerheid stegen als percentage van het bruto nationaal produkt van
2,8% in 1930 naar 4,9% in 1950, en 5,8% in 1955; ze bedroegen 13% in 1975;
vgl. p. 60.
7Heclo, 1981, p. 397,
vgl. p. 395: de vijfentwintig tot dertig jaar voor 1980 ‘vertoonden een
unieke, egaal stijgende curve van economische groei.’
8Zie Dahl, pp.
90-123 voor een klassieke bespreking van ‘intense minderheden’. De formele
voorwaarden waaronder zo'n meerderheidscoalitie zich kan formeren en een
verdeling van kosten en uitkeringen kan opleggen - ook indien die niet
Paretooptimaal is - zijn geanalyseerd door Luce en Raiffa, pp. 233 e.v., en
door Buchanan en Tullock, pp. 171-231.
9Zie voor de Verenigde Staten Pattersons
verslag van de ‘fantastische daling van het aantal armen’ en de
‘ongelooflijke verbreding van sociale verzorgingsprogramma's’ na de
invoering van Medicare, Medicaid, voedselbonnen, de
uitbreiding van Aid to Families with Dependent Children en
van andere sociale-zekerheidsvoorzieningen, vooral voor de ouderen, pp. 157
e.v. In Nederland werden in dezelfde jaren aangenomen de Algemene
Bijstandswet (ABW, 1965), de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO, 1976), de uitgebreide Algemene Ouderdomswet en Algemene Weduwen- en
Wezenwet (AOW, AWW, 1972) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW,
1976) voor alle inwoners, p. 74-5. Vgl. Hentschel, pp. 150-214, voor de
hervorming van het Duitse verzekeringsstelsel gedurende die periode, en met
name de tabellen op pp. 206-7.
10Deze
jaren vielen in de Verenigde Staten samen met de oorlog in Vietnam, die de
aandrang tot sociale wetgeving wellicht op dezelfde wijze versterkten als de
‘beperkte’ oorlogen van de vroege jaren vijftig. Gouldners nadruk op de
‘organische’ verbindingen tussen de verzorgingsstaat en de ‘oorlogsstaat’
wijzen op zo'n verband, vgl. 1971, pp. 501, 508.
11Piven en Cloward, 1982, hebben betoogd dat volksprotest en
electorale bedreiging de drijfveer voor sociale hervormingen waren, vooral
in de Verenigde Staten. Vgl. p. 118: ‘Kortom, het kader van
uitkeringsprogramma's dat door het oproer van de jaren dertig was geschapen,
werd door het oproer van de jaren zestig uitgewerkt en uitgebreid.’ Skocpol
en Amenta, die het beschikbare materiaal bespreken, achten het ‘op zijn best
enigszins in overeenstemming met beperkte toepassingen’ van de these (p.
139). Hoogstwaarschijnlijk werken deze protesten minder rechtstreeks,
doordat ze voorvallen opleveren voor de massamedia die dan door
intellectuelen geïnterpreteerd worden en vervolgens leiden tot nieuwe
definities van ‘sociale problemen’. Deze begrippen worden dan een trefpunt
in de mobilisatie van coalities van politieke elites ter ondersteuning van
de sociale hervormingspolitiek van een activistisch politiek regime.
12Vgl. Patterson, p. 179, voor de advocaten van het Office of
Economic Opportunity; vgl. ook Katz, 1986, pp. 263-4, over
rechtshulp en gezondheidscentra: ‘De succesvolle strategieën van de oorlog
tegen de armoede voor het bevorderen van institutionele veranderingen en de
verbetering van de dienstverlening aan de armen.’
13Vgl.
Wagner over de ‘hervormingscoalities tussen sociale wetenschappers en
beleidsmakers’ in Frankrijk, Duitsland en Italië.
14In de Bondsrepubliek Duitsland ontving
bij voorbeeld rond 1980 27% van het electoraat een of andere sociale
uitkering; de meerderheid hiervan bestond uit gepensioneerde burgers, die in
zeer groten getale gingen stemmen (85%).
15Vgl. Kesselman, p. 318.
16Bijv. Weir e.a. over de Verenigde Staten:
‘In de jaren tachtig, wanneer bezuiniging op sociale uitgaven zogenaamd aan
de orde van de dag is, wedijveren veel conservatieve
congresvertegenwoordigers met hun meest liberale collega's om als de meest
onwrikbare verdedigers van de sociale zekerheid gezien te worden.’ p.
12.
17Vgl.
Wilensky, p. 369: ‘Hoe intenser de wedijver tussen katholieke en linkse
partijen, des te groter de uitgaven van de linkse regeringen.’ Meer nog dan
de ‘linkse regeringen’ is het de ‘discontinuïteit’ van de
linkse-regeringsverantwoordelijkheid die de sociale uitgaven doet groeien.
Kohls bevindingen in dezelfde bundel, p. 327, bevestigen dit: ‘De
krachtigste tendens naar de groei van de totale uitgaven vindt men in
conservatief-socialistische omstandigheden waar socialistische neigingen tot
uitbreiding van de staatsactiviteit extra steun vonden in de noodzaak tot
coalitievorming.’
18Vgl. voor Nederland Waarborgen, p. 27:
sociale-transferuitgaven werden tussen 1975 en 1983 meer dan verdubbeld, en
stegen van 18,5% naar 34,4% van het netto nationale inkomen. Volgens Haveman
e.a., 1986, p. 173, stegen de uitgaven voor gezondheidszorg, sociale
voorzieningen, sociale zekerheid en huisvesting van 31,8% naar 38,5% van het
BNP tussen 1970 en 1980, een cijfer dat slechts door Zweden overtroffen werd
(van 23,1% naar 39,6%). In Italië werden, volgens Ferrera, p. 240, de tussen
1978 en 1983 getroffen ‘bescheiden zuinigheidsmaatregelen’ ‘ongedaan gemaakt
door een reeks opvallend expansieve voorzieningen.’ Scandinavië kende ‘ een spectaculaire reële groei van sociale zekerheidsuitgaven
tussen 1970 en 1980’ onder een opeenvolging van liberale en
sociaal-democratische kabinetten; Johansen, p. 140 (cursief in het
origineel). De steun was met name afkomstig van employés in de
overheidssector, ‘die verreweg de grootste beroepsgroep binnen het
electoraat vormden’; de oppositie bestond uit zelfstandigen en boeren. pp.
145-7.
19Hasenfeld, p. 72, vindt een voortgaande maar verminderende groei in de
uitgaven aan gezondheids- en sociale diensten in de Verenigde Staten tot
1984. Meyer, p. 69, concludeert: ‘Per saldo ontvingen uitkeringstrekkers met
lage inkomens ongeveer even hoge uitkeringen in 1980 als tien jaar
daarvoor.’ Maar bepaalde categorieën, zoals de werkende armen, waren er
beduidend op achteruit gegaan, vgl. p. 86. Katz, 1986, pp. 285-9, komt tot
vrijwel dezelfde conclusies; vgl. ook Hill. In een overzichtsartikel
geven Danziger en Smolensky aan dat bezuiningingen weliswaar meetbare
effecten hadden, maar ‘economische gebeurtenissen hebben tot dusverre een
veel grotere uitwerking gehad dan programmatische veranderingen’ en ‘de
armen hebben het duidelijk slechter dan ze het zouden hebben, gegeven enige
aannemelijke extrapolatie van vroeger beleid in Engeland, de Verenigde
Staten en Nederland. In Zwitserland en Italië is er niet bezuinigd; in
Frankrijk waren programmaveranderingen gericht op grotere sociale uitgaven -
tot de trend omsloeg.’ p. 261. Vgl. Loney, p. 87, voor
sociale-zekerheidsbezuinigingen in Groot-Brittannië. Alber, 1982, pp. 67-8,
die cijfers citeert met betrekking tot de vermindering van enkele sociale
uitgaven in de landen van de Europese Gemeenschap, ziet deze stagnatie als
een teken dat de sociale structuur vrijwel geheel verzadigd is door de
sociale zekerheid - zodat er nauwelijks nog ruimte voor verdere uitbreiding
is, en niet als een symptoom van een omkering van de historische trend van
gegeneraliseerde sociale voorzieningen.
20Weir e.a., pp. 14-15, wijzen op de ‘tweedeling’ tussen
enerzijds het Amerikaanse beleid dat op de arbeiders met vast werk gericht
is, dat wil zeggen: de sociale zekerheid, en anderzijds de meer marginale
programma's voor hen die zich buiten de arbeidsmarkt bevinden, ‘politiek het
zwakst’ zijn, en dus het meest kwetsbaar voor bezuinigingen.
21Weir
e.a. betogen dat het ‘armoedebeleid’ door veel minder prestigieuze experts
ontwikkeld werd - sociologen, arbeidseconomen - dan de deskundigen die bij
macro-economische beleidsadviezen betrokken waren.
22Vgl. Offe, p. 152, ‘De
verzorgingsstaat is in zekere zin een onomkeerbare structuur geworden; de
opheffing ervan zou niets minder benodigen dan de afschaffing van de
politieke democratie en de vakbonden, evenals fundamentele veranderingen in
het partijenstelsel.’ Heclo, 1986, p. 56, merkt over de Verenigde Staten op:
‘Opiniepeilingen over het algemene beleid laten kortom een brede steun voor
het gevestigde scala van federale sociale programma's zien - een massale
steun voor alomvattende programma's zoals Medicare en
sociale zekerheid, en een iets gematigder steun voor programma's die zich
beperken tot wat gezien worden als smallere belangengroepen.’ Vgl. ook
Alber, 1984, over Europese verzorgingsstaten: ‘Structurele strijdpunten voor
een verzetsbeweging tegen de verzorgingsstaat zijn dus in geringe mate
voorhanden’ p. 223.
23Reagans mislukte poging tot het afschaffen van de
ongeschiktheidsuitkeringen was een leerzaam voorbeeld. Vgl. Patterson, p.
213; Krieger, 1986, komt in zijn uitgebreide vergelijkende bespreking van
het ‘Reaganisme’ en het ‘Thatcherisme’ tot een andere conclusie, vgl. p.
199: ‘De uitdrukking “verzorgingsstaat” beschreef nooit de structurele
eigenschappen van bepaalde staten of overheden.’ Dus, vgl. p. 200: ‘De
verzorgingsstaat bestaat niet, slechts een pakket verzorgingsvoorzieningen.’
De regimes van Reagan en Thatcher maakten wel een einde aan integrerende
‘Keynesiaanse’ vormen van beleid; vgl. ook Krieger, 1987.
24Vgl. Haveman e.a., 1986, p. 148: ‘Hoewel in
Nederland, Zweden en Engeland “bezuinigingen” op de verzorgingsstaat in het
belang van economische prestaties de politici in de mond bestorven liggen,
is er tot op heden weinig van bezuiningen te merken.’
25Zie bijv. de bijdragen in J.L. Palmer
(red.), die het gebrek aan een duidelijk programma voor de toekomst van de
verzorgingsstaat betreuren; vgl. ook Krieger, 1986, over de verwarring in de
gelederen van de Engelse en Amerikaanse oppositie.
26De term
‘subsideologen’ heb ik ooit eens als grapje voorgesteld ter aanduiding van
mensen die met ideologische argumenten overheidssubsidies voor hun eigen
ondernemingen trachtten te verwerven, om het vervolgens - in alle ernst als
‘subsidiologen’ gespeld - aan te treffen in personeelsadvertenties van
bedrijven. De Swaan, 1983.
|
|