|
|
|
| |
| | | | | | | |
Op 26 Juni schrijft hij een tevreden brief uit Tanger. Hij kwam niet dadelijk tot schrijven;
‘ik was in een periode alleen aan 't Leven op Aarde te werken, dat is nu zoowat
af’. De onderbreking in Algeciras heeft hem ‘psychisch en physiek goed
gedaan’. Hij heeft nog wel last van zijn keel, maar toch veel minder. De praktijk is
nog steeds niet veel; nu en dan een verdwaalde Jood of Arabier. Het weer in Tanger is
vrij koel, de wind is zelfs nog frisch bij 't zwemmen, dat hij nu geregeld doet. Hij heeft
ook weer twee gasten en verder is er weinig nieuws. ‘Het is een kampong hier’.
Het antwoord hierop moet erbij zijn ingeschoten want op 15 Juli vraagt hij om nieuws
‘... niet een aanmaning however! Als het hart nog niet tot schrijven dringt, wacht dan
nog maar wat. In Tanger alles hetzelfde; de bewoner zit nog vaak aan 't venster [dat
met het uitzicht op zee] de patiënten zijn nog uiterst schaarsch - wel zijn er drie artsen
weer bijgekomen - Ik heb nu en dan wel eens belangstellenden, maar van praktijk kan
nog moeilijk sprake zijn - Ik maak mij soms wel eens zorg om de toekomst: de vraag:
wat dan? Weer de navigatie is niet aanlokkelijk.
Literair heb ik niet veel anders gewrocht dan het Leven op Aarde eindelijk afgemaakt.
Oef! [Er is een inktvlek
| | | |
en ernaast geschreven:] Dit was een mug, ik ben te moe een brief te herbeginnen’.
Er moet hierop eenige niet meer te vinden correspondentie zijn gevolgd, vooral over zijn
moeilijkheden in Tanger. Ik heb hem uitgenoodigd eens een tijdje naar Madrid te
komen, ter onderbreking en afleiding, tegen eind October. In een brief van 27
September kondigt hij zijn komst aan voor 22 October, voor een verblijf van ruim een
week ‘op weg naar Parijs’. Tanger heeft hij in zijn binnenste alweer opgegeven.
‘Je beschouwing over 't Tangerprobleem onderschrijf ik ten volle, je ziet goed in waar
't zit bij mij, de meesten denken dat het alleen een soort ongedurigheid is, - en dat is
toch niet het essentieele.
Tanger zou niet zoo kwaad zijn want je bent er op een weinig burgerlijke manier arts,
hoewel 't daar ook wel in ontaarden kan als je er werkelijk “inkomt” - De groote
bezwaren zijn het geestelijk isolement (toch) en het klimaat. De “zomer” is nu
zoowat voorbij - en 't was niet eens erg warm - toch ben ik uitgeput erger dan ooit in de
tropen, doe niets liever dan hangen en neervallen op stoel of bed. Het derde en
voornaamste is het gemis aan een levensgezellin. Dan zou 't nog wel zijn uit te houden
- D*** is - zooals ik je al schreef
| | | |
geloof ik - Augustus hier geweest - maar voor haar is 't heelemaal niets. En op 't ontbreken van
een andere zal het wel spaakloopen. Jammer - 't was niet ongeschikt - de man aan 't venster3
beseft het nu al, hoor! Ik hoop hier vandaan te gaan voor een flinke tijd, te beginnen met Madrid
en dan verder. En daarna zien of ik nog lust heb te hervatten. Ik zou graag het huis aanhouden,
maar financieel wordt alles bedenkelijk.Vroeger onderhield ik de literatuur met de medicijnen,
nu is het andersom ! Neen ik zou niet tobben, maar de financiën ik heb daar geen haakje voor
zooals Père Ubu. Tot nog toe gaat het - maar als je 't Haagsche maandblad leest zijn we over een
paar jaar allemaal doodarm. .... Mijn keel gaat goed, maar ik heb veel last van bronchitis - Het
klimaat is hier wel het drukkendste van wat ik op de wereld ken, behalve misschien West-Afrika’. Zijn plannen voor een langere afwezigheid schijnen echter toch niet heel
vast te staan, want in een postscriptum vraagt hij: ‘Sluit het komen van andere
kennissen uit dat ik ook op een eventueele terugweg naar Tanger nog een of twee
dagen in Madrid ben?’
Op 20 October is hij zijn praktijk aan 't liquideeren. Het ‘Fräulein’, dat de
huishouding deed, heeft Tanger moeten verlaten. Alles schijnt samen te werken om
hem
| | | |
weg te drijven. Op een briefkaart bericht hij zijn aanstaand vertrek. Het valt hem zwaar. ‘Ik
weet niet of ik in Tanger blijf, maar houd het huis toch nog maar even aan - 't is niet
duur, en weer te verhuizen en op te bergen zonder dat ik weet wat te doen is
hartverscheurend! Het vers heeft gelijk Terborgo!’4
25 October is hij in Sevilla, den dag daarop in Cordoba en in den avond van den 28sten
komt hij in Madrid aan. Voor den volgenden ochtend, een Zondag - hij is van zijn reis
nog niet goed uitgerust - is een tocht beraamd: langs den weg naar Burgos door het
Guadarramagebergte tot Buitrago en vandaar in Westelijke richting aan den Noordkant
der bergen over Segovia terug naar Madrid. In het spiegeltje zie ik dat Slauerhoff,
achter in den wagen gezeten, vaak dommelt. Tegen het einde van den tocht vraag ik
hem met eenigen argwaan hoe hem de rit is bevallen. Hij betuigt zich zeer ingenomen
en verklaart den tocht ‘best nog eens te willen maken’.Vooral een vervallen
bergstadje heeft hem geboeid: Sepùlveda, dat hij met de hem eigen comische
hardnekkigheid obstinaat als ‘Soepelvéda’ betitelt.
Van de tien dagen die hij bij ons was zijn mij de volgende herinneringen gebleven. Ik
had tot in den vroegen namiddag mijn werk, uren gedurende dewelke hij
| | | |
meestal de stad introk, als het weer het toeliet, alleen of vergezeld van mijn vrouw. Soms werden
's namiddags in de nog warme najaarszon lange wandelingen gemaakt in de omstreken, tochten
waarop hij onder 't loopen bij herhaling terugkwam op zijn materieele problemen, die hem bij
voortduring bezig hielden. Niets wees er in die dagen nog op dat hij Tanger werkelijk voor goed
had opgegeven. Om zijn inkomsten te verbeteren maakte hij plannen zijn critische
werkzaamheden van vroeger te hervatten (hetgeen ik hem trachtte te ontraden omdat het al te
veel tijd en energie zou vergen ten koste van zijn creatief werk) en informeerde naar Spaansche
medische periodieken, die hij wilde excerpeeren voor Nederlandsche vakbladen. Hij zocht naar
alles wat hem een vast bestaan zou kunnen mogelijk maken.
Ook de comische noot ontbrak niet. Op een middag wilde hij ‘Don Tenorio’ zien; wij
maakten een afspraak elkander voor het theater te ontmoeten. Na een uur wachten gaf
ik het op: hij was naar een andere, kleinere schouwburg gegaan, waar het stuk toevallig
ook werd gespeeld. Het grappigst waren echter zijn tribulatiën met onzen hond, een
wantrouwige scotch-terrier, die niet tegen abrupte bewegingen en onverwachte zwaaien
met wandelstokken kon. Het koppig gegrom
| | | |
van het dier op vaak ongewenschte oogenblikken en zijn hulpelooze pogingen om het gerust te
stellen en tot een vriendschappelijker verhouding te komen, hebben geduurd zoolang hij bleef.
Deze vriendschap, die hij zelfs met dieren zocht, leek hem een broos en tegen weinig schokken
bestand gevoel. Meer uit ontgoocheling dan uit overtuiging. Eens vroeg hij mij, met
onderzoekend dichtgeknepen oogen me van ter zijde aanziend, hoe lang het nu nog wel zou
duren voor we ruzie kregen. Op mijn tegenwerping dat voor ruzie twee noodig zijn, kwam als
antwoord slechts een ongearticuleerd, bevredigd klinkend gegrom.
Met regenweer zat hij twee dagen in een hoek aan een gedicht te werken. De Moskee van
Córdoba, die hij op de heenreis had bezocht en waar hij kinderen tusschen de honderden zuilen
krijgertje wilde laten spelen. Hij kon het werk echter niet tot een bevredigend einde brengen en
gaf het op. Vaak stond hij op, liep naar de boekenrekken, greep naar het een of ander en stelde
me eens met een onderzoekenden blik de vraag of ik wel ooit in al deze boeken las, of veeleer,
zooals zijn vriend J. C. Bloem, slechts langs de boekenrijen streek als een kater, zonder om den
inhoud te geven. Vooral bekoorde hem de groote Inseluitgave van Hölderlin's
| | | |
werken, die hij vroeger ook had bezeten. Herhaaldelijk nam hij behoedzaam een deel in de
handen, bladerde, las een oogenblik, en klapte het boek weer dicht. Ik heb mij vaak afgevraagd
hoe hij in den oogwenk, dien hij den indruk maakte werkelijk te lezen, meer dan enkele regels
kon assimileeren. Hij las blijkbaar met groote rapiditeit.
Dat hij in den zomer nog over het zwoegen aan ‘Het Leven op Aarde’ had gezucht,
was hij schijnbaar vergeten. Hij had nieuwe ideeën voor een omvangrijk prozawerk.
‘Het Verboden Rijk’ en ‘Het Leven op Aarde’ beschouwde hij als de beide
eerste deelen van een trilogie. Voor een derde deel, dat een synthese had moeten
brengen, waren er wel vage plannen, maar hij achtte zich voor de uitwerking ervan nog
niet rijp.
Veel waarde hechtte hij aan de eindepisode van ‘Het Leven op Aarde’, die Du
Perron's goedkeuring niet had kunnen vinden, maar die hem blijkbaar na aan 't hart lag.
In die richting zullen vermoedelijk wel zijn gedachten over het nog ongeschreven derde
deel zijn gegaan.
Hij dacht ook over een novelle, die den invloed had moeten vertolken, dien
oogenschijnlijk doode voorwerpen op den mensch kunnen hebben. Zij zou persoonlijke
er-
| | | |
varingen tot grondslag hebben gehad, maar voor de uitwerking van zijn conceptie achtte hij zich
nog niet rijp. Ook hier legde hij den nadruk op het woord ‘rijp’.
Op een der laatste dagen zagen wij de verfilming van Claude Farrère's ‘La
Bataille’, die hem lang en diepgaand bezig hield. Zij heeft den stoot gegeven tot een
van zijn laatste prozawerken, waaraan hij tijdens zijn verblijf te Parijs is begonnen.
Het gedicht beschouwde hij als een in zich gesloten en rustend, haast ‘ingelijst’
geheel. Zijn verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van vorm en compositie was
groot, althans in zijn bedoelingen: hij wenschte zich van oud vormbezit te bevrijden en
zocht naar steeds nieuwe, zoo eenvoudig mogelijke expressiemiddelen, naar een met
zijn eigen temperament overeenkomend rhythme, die zonder breuk of omwegen zijn
denken en voelen konden weergeven. Op een middag over deze dingen pratend,
verweet hij mij mijn gewoonte om nog niet voltooide of bevredigend afgewerkte
gedichten toch ‘in het net’ te schrijven (gevolg van mijn behoefte aan
overzichtelijkheid). Naar zijn oordeel lag daarin een soort onoprechtheid tegenover
zichzelf, de suggestie van een toestand, die niet op waarheid berustte. Er is moeilijk
een typischer voorbeeld te vinden
| | | |
voor zijn haast bezeten drang naar absolute eerlijkheid. Naast deze eerlijkheid trof ons
voortdurend weer zijn zelden en slechts schoorvoetend toegegeven behoefte aan spontaan en
hartelijk medeleven, en de in den dagelijkschen omgang achter houterige, vaak comische vormen
verborgen groote teederheid.
Op een killen ochtend vertrok hij. Buiten de stationsoverkapping hing mist en drong in flarden
binnen. Reizigers kwamen langzaam op het perron. Wij hadden de kragen opgezet en ijsbeerden
tot aan het eind van de kap en weer terug. Hij sprak nauwelijks, keek als gewoonlijk recht voor
zich uit, op den grond of naar buiten, men wist het niet goed, maar in den regel naar meer dingen
dan men vermoedde.
Toen de trein al langzaam in beweging begon te komen, sprong hij na een haastigen handdruk
pas op, keerde zich nog eens vluchtig half naar mij om, met een blik die mij, den grond en de
muren omvatte, en ging dan resoluut naar zijn plaats, zich om niets wat achter hem lag meer
bekommerend.
In leven heb ik hem niet weer gezien. |
3Toespeling op een gedicht dat ik, half schertsend en half in ernst hem had
toegezonden:
DES DICHTERS VENSTER
Traag ligt een rund, de zon ontwijkend,
onder een pijnboom; in het gras
stapt tusschen hennen, fier halsreikend,
een haan, en aan een lijn droogt wasch.
Vlak aan den steilen rand der kust
werkt op zijn uienveld met kind
en vrouw een Arabier. Slechts rust
ademt de plek. Van zee wat wind.
De Spaansche bergen tegenover
rekken hun toppen uit den damp.
Links gaapt de Oceaan. Een tramp
glijdt rechts, op weg van Cette naar Dover.
Hij keert dit beeld den rug, verachtend
wat ongevraagd het Lot hem schenkt.
Hij denkt aan verre tochten; denkt
aan stof, aan dorst, ingeving wachtend.
Maar als in dorren steppengloed
eens later koorts verhit zijn droomen
zal hem dit beeld weer tergend zoet
en lokkend in herinnering komen.
|
|