|
|
|
| | | | | |
Een litterair kunstrechtelijk triumviraat en heroïsche
poëzie
*
door dr. F. Veenstra
| | | |
Mevrouw, Mijne Heren Curatoren, Mijne Heren Leden
van het Presidium, Dames en Heren Hoogleraren, Lectoren, Docenten
en Leden van de Wetenschappelijke en Administratieve Staf, Dames en
Heren Studenten, en voorts Gij allen die door uw aanwezigheid blijk geeft
van uw belangstelling, Zeer gewaardeerde toehoorders,
Ce qui est grand se fait par le grand
recognoistre. Ronsard
Con pensier maschi cose far divine, E dopo morte in terra
lasciar fama. Bandello
1
De Nederlandse letteren der zeventiende eeuw hebben voor Frederik
Hendrik op de buik gelegen. Zo oordeelt
Busken Huet in zijn
Land van Rembrand
2. Hoofts
De Hollandsche Groet aen den Prinsse van Oranien over de Zege
vanden Iaere 1629 heeft hem zeker toegeschenen tot het soort
literatuur te behoren dat van serviliteit getuigde. Dit vonnis van
één der intelligentste critici van onze letterkunde draagt
duidelijk het stempel van de burgerlijk-liberale opvattingen van de negentiende
eeuw, opvattingen die verre staan van de gedachtenwereld der renaissance, die
aristocratisch-autoritair gericht was, geheel in overeenstemming met de
conceptie van een hiërarchisch opgebouwde wereld en met de idee van een
makro en mikrokosmos.
Er bestaat een correspondentie tussen God als de Heer van het heelal
en de vorst als bestuurder van de staat.
Barlaeus begint zijn opdracht bij de
Blijde inkomst van Maria de Medicis in
Amsterdam als volgt: ‘Het geen Godt in den Hemel is, dat is
de Vorst op der aerde. Godt is niemants beeldt, om dat hij van niemant zijn
oirsprong heeft. De Vorst is Godts beeldt, om dat hy van hem voortgekomen is.
Godt staet onder niemandt, om dat niemant boven hem is. De Vorst staet onder
Godt, overmidts die alleen boven hem is
3.’ God zorgt in het bijzonder voor de vorsten, voor de | | | | overheden in het algemeen. Zij zelf voelen zich ook dikwijls meer
begunstigd door het Opperwezen dan de andere stervelingen.
Marguerite de Valois, dochter van Hendrik II en Catherine
de Medici, zegt in haar
Mémoires dat God de groten geheime
boodschappen zendt over toekomstig gebeuren, goed of slecht. Zo heeft haar
moeder, de koningin, in de nacht voor de dag, waarop Hendrik II in het toernooi
dodelijk getroffen werd, haar man gewond aan het oog gezien. Als zij
één van haar kinderen verloor, zag zij van te voren een vlam,
waarop zij uitriep: ‘Dieu garde mes enfants’. Spoedig daarna volgde
het treurig nieuws. Zij zag eveneens de afloop van de slag bij Jarnac: haar
zoon als overwinnaar, de prins van Condé gesneuveld. En ook Marguerite
zelf ontving steeds waarschuwingen bij naderend onheil of geluk.
De mon bien ou mon mal, mon espirit m'est oracle
4.
De Thou, auteur van zeer bekende
Annales, een eigentijdse geschiedenis, juridisch
functionaris en diplomaat, deelt deze opvatting. Hij is van oordeel dat God in
Zijn voorzienigheid de ‘gens de bien’ op de hoogte brengt van
belangrijke gebeurtenissen
5.
Dit alles strookt tevens met de renaissancistische gedachte dat er
meer verschil kan bestaan tussen mens en mens dan tussen mens en dier
6.
In een dergelijk geestelijk klimaat nu moeten wij de eerbied voor
vorstelijke personen niet te gauw zien als uitingen van onderdanigheid, maar
doen wij beter deze neiging aan te merken als eerlijke, ook wel
gepredisponeerde, reverentie voor de gezagsdragers in een wereld door God voor
het heil en het geluk van de mens geconstrueerd. Wij moeten dan ook de vele
lofprijzingen van
Hooft in
De Hollandsche Groet niet als overdreven en
kruiperig veroordelen, maar terugbrengen tot een patroon van denken en voelen
dat niet het onze is en niet dat van de negentiende eeuw.
Het gedicht heeft in eigen tijd bewondering verworven.
Brandt spreekt van ‘dat voortreffelyk gedicht, 't
welk onder den naem van Hollandtsche Groet te voorschyn quam: uitbrommende de
dappere daaden des Ooverwinners, met een toon passende op de grootheid der
uitgevoerde zaaken’.
7
Barlaeus - toen nog in Leiden
| | | | -
schrijft over dit gedicht een latijnse brief aan
Hooft die
Brandt blijkbaar zo belangrijk vindt dat hij hem voor 't
grootste gedeelte in zijn biografie van Hooft vertaald citeert
8, en ook
Vondel levert er een Nederlandse vertaling van.
Sterck vraagt zich af, waarom zijn Parnasheilig dit
deed.
9 Hij waagt
enkele veronderstellingen: om zich te oefenen, voor een beter begrip, om
Tesselschade een dienst te bewijzen
10. Het laatste had ook Kalff reeds gezegd.
Mij lijkt de belangstelling van Vondel en Brandt voort te komen uit
andere overwegingen, en wel uit deze dat wij hier te doen hebben met een aantal
poëtische aantekeningen van een autoriteit als
Barlaeus. Deze werden hem in de pen gegeven naar
aanleiding van een typisch renaissance-gedicht, nog niet eerder op deze toon in
het Nederlands gezongen, en ook geschreven met de opzettelijke bedoeling als
exemplarisch te kunnen gelden, in ieder geval gecomponeerd om de laffe smaak
van de reeds verschenen lofdichten op de verovering van
's-Hertogenbosch weg te spoelen.
Intussen is het begin van Barlaeus' brief intrigerend genoeg: het
houdt een uitdaging voor de filoloog van nu in. ‘Versos tuos…
perlegi aliquoties.’
11 ‘Uwe veirsen … heb ik eenige maalen
doorleezen.’ Zo vertaalt Brandt. Waarom heeft Barlaeus, goed lezer als
hij ongetwijfeld is geweest, en denkend in eenzelfde levenspatroon, dit gedicht
enkele keren moeten herlezen? Hij zegt het ons in de volgende zin - en ik
citeer verder Brandts vertaling - ‘Want met eens te leezen kon ik al den
verborgen zin en deszelfs schrandre slaagen niet begrypen.’
12 Wij kunnen ons er gemakkelijk afmaken door te spreken van overdadige
loftuitingen, eigen aan die tijd. Maar dit is een eenvoudig
procédé, waardoor aan alle onderzoek de weg versperd wordt. Ik
neem liever de uitspraken ernstig. Er is dus sprake van een ‘verborgen
zin en deszelfs schrandre slaagen.’ Wanneer wij ons te binnen willen
brengen, hoezeer symboliek en allegorie een rol spelen in de artistieke
uitingen van de renaissance, zullen wij een grotere reële waarde toekennen
aan Barlaeus' woorden. Maar dan is het ook onze taak te trachten de verborgen
zin, zoals de zeventiende-eeuwer die ervaren heeft en waaraan hij de waarde van
het gedicht gemeten heeft, aan te wijzen.
| | | |
Nu was ook voor die tijd de betekenis van
allegorieën niet zonder meer duidelijk. Het was gebruik voor Elizabeth I
allegorische vertoningen op te voeren, maar een tijdgenoot merkt op, dat deze
moeilijk zijn te begrijpen zonder iets van de samenstellers te weten.
Spenser voegt bij zijn
Fairy Queen een brief aan
Sir Walter Raleigh, waarin hij een uitleg geeft van zijn
werk tot gemak van de lezer
13. Toen in 1638
Maria de Medici haar intocht in Amsterdam
maakte, werden op talrijke plaatsen in de stad allegorische taferelen
opgesteld.
Barlaeus heeft hiervan een verklaring gegeven in zijn
Medicea Hospes, door
Vondel vertaald als
Blyde Inkomst der Allerdoorluchtighste Koninginne, Maria de
Medicis, t' Amsterdam.
In de Toe-eigeninge aan de burgemeesters van Amsterdam noemt hij als
één van de argumenten voor het schrijven: ‘Het inhoud van
zinnebeelden en Vertooningen, van weinigen, om de haestige draeyingh en
veranderingh van het toneel, niet welgevat, ontvoutmen nu voor den lezer, daer
hy stil, uit het geraes en den drangh des volcks staet…’
14
Het ‘van weinigen’ is wel een vriendelijkheid tegenover de lezer,
die zichzelf tot het begrijpende deel kon rekenen. En inderdaad, in deze
constatering kon wel degelijk een mogelijkheid voor zelfvoldaanheid liggen.
Immers, het aanwenden van symboliek en het toepassen van allegorieën
behoorde tot de artistieke vormgeving om de grote massa te weren, en het
doorzien ervan stempelde iemand tot de ingewijde elite-groep. En zo voelden de
geletterden zich. Evenals de mens verheven is boven het dier door de geest die
God in hem heeft gelegd, zo steken op analoge wijze zij die de letteren
cultiveren, boven de anderen uit, meenden de humanisten van de generatie van
Petrarca en
Salutati af
15.
Logisch vloeit dan ook uit de bovenaangehaalde zin van Barlaeus'
brief de volgende voort, die in Brandts vertaling luidt: ‘Gy veracht dat
gemeen en sleght is, en wilt van deeze heiligdommen de raavens van Poëeten
en d'exters van Poëetressen afweeren.’
16
Vondel zegt vrijer: ‘ghy versmaet de praetjes van slopjes en steeghjes
volck, en weert van dese heylighdommen de dichters, die met den raven kras kras
kryten, en de poetinnen, die als aexters snateren.’
17
| | | |
In ieder geval is de bedoeling duidelijk: Gij,
Hooft, hebt minachting voor de niet-ingewijde massa en
houdt de poetae minores op een afstand door de hoogheid van de door u
behandelde stof en door een vormgeving die hierbij geheel is aangepast en die
beantwoordt aan de eisen die gesteld moeten worden en die uw gedicht ver doen
uitsteken boven wat tot nu in Nederland is gepresteerd. En de drost is er zich
van bewust dat zijn gedicht geen gemakkelijke poëzie is. Aan Wytz, de
kwartiermeester-generaal van Frederik Hendrik, stuurt hij
De Hollandsche Groet met een begeleidende
brief. ‘Ten laesten komt myn yver ook te voorschijn; te laete niet, nae
myn oordeel. Want eenen eeuwighen lof heeft men dujzent jaer nae den dagh der
daet ende altyds te tyde aen. Verstaet het yemant anders, ende daerenboven, dat
dit bygaende gedicht om zyne duisterheit te laet van de lezer begrepen zal
werden, jck schut bejde die slaeghen op deze sinspreuk: Quae cito placent,
haud diu placent, hetgeen snel behaagt, behaagt niet lang.’
18 Hooft heeft dus de duisterheid gewild, het is opzet geweest.
De Hollandsche Groet was niet voor Jan en alleman bestemd, niet een
efemeer bestaan werd bedoeld, maar een kunstwerk was geschapen voor de
culturele fijnproever van zijn dagen en de verwachting leefde bij de auteur dat
het gedicht de ongunst der tijden zou kunnen weerstaan.
Huygens, getraind in het lezen van dit soort
poëzie, met bewondering voor deze symboliek die de grote massa op een
afstand houdt, is direct gewonnen.
‘'T is, in een woord, een glorieux gedicht, een machtige
uytspraeck ende des langen adems waerdigh, die, by U.E. tot nochtoe ingehouden,
endtelick met soo veel woeckers van geweld ter ooren ingaet, ende in ons 't
geluyt verdwijnen doet van menigh keffer die den yver heeft doen eerst spreken
ende daernaer bedencken.’
19
De kern van dit oordeel berust op een norm waaraan de Nederlandse
poëzie gemeten wordt en te licht bevonden, behalve dan Hoofts De
Hollandsche Groet. En de reactie van de drost? ‘De woorden, die een'
onverdiende geneghenheit t'mywaerts U Ed. Gestr. penne ujt den hals gehaelt
heeft, ende over mijn gedicht doen spreken, zyn sterk genoegh om die stoffe
haer aertsheit in aerdigheit te | | | | doen verwandelen, in 't verstant der
fraejste geesten, die in den geest Uwer Ed. Gestr. gelooven. Het kittelt my te
zien, dat U Ed. Gestr. geraeden heeft, waer het met dat werxken op gemunt was,
bynae zoo zeer, als had jck bezeilt het geen jck bestevent had.’
20
Allereerst merken wij op dat het
Huygens niet ontgaan was, dat
Hooft laat met een lofgedicht op zo grote gebeurtenissen
had gereageerd. Maar wat belangrijker is, hij omschrijft Hoofts bedoeling.
Immers, deze erkent dat Huygens begrepen heeft, waarom het hem te doen was met
het schrijven van
De Hollandsche Groet. ‘…bynae zoo
zeer, als had jck bezeilt het geen jck bestevent had.’ Had de drost een
grotere precisering verwacht? Had de naam van een kunstbroeder moeten vallen?
Hoe dit ook zij, er zijn velen geweest die in de roes der overwinning naar de
pen hebben gegrepen en onmiddellijk een gedicht hebben geproduceerd, maar zij
zijn niet anders dan keffers die eerst spraken en dan pas dachten. Hier raken
wij dus een belangrijk motief voor het schrijven van De Hollandsche
Groet. Hooft heeft de litteraire produkten op de verovering van
's-Hertogenbosch en Wezel gelezen; hij heeft die
veroordeeld als onwaardig een held als Frederik Hendrik en als niet
beantwoordend aan de normen die hij en zijn vrienden aanleggen. Om de
tekortschietende dichters te straffen, om hun te tonen hoe een heroïsch
gedicht werkelijk moet klinken, heeft Hooft zich aan de arbeid gezet. En
hoezeer hij geslaagd is in zijn opzet, daarvan getuigt
Barlaeus in zijn reeds eerder aangehaalde brief. ‘Ik
zie in u niet dan 't geen verheeven is, 't verstandt, de styl, het Slot, daar
gy in gebiedt, ook zelfs uw naam. Gelyk gy uit dit Slot de dingen die onder u
zyn van booven beschouwt, zoo versmaadt gy ook de rymers die laag by der aarde
kruipen. Gy wandelt door de wolken, en genaakt de starren… Gy treedt
oover de hoofden en toppen der Neederlandtsche Poëeten heene, en als een
cypresboom in de lucht, versmaadt gy de laage tamarinden.’
21
Ogenschijnlijk sociaal-bepaalde lof. In feite echter de omschrijving van het
heroïsch levensgevoel in verband gebracht met de dichtkunst, toen
één der voornaamste communicatie-media: cultuurrevelerend en
cultuurfixerend. Hooft zelf heeft hieraan voortreffelijk uiting gegeven. Laat
ik echter niet vooruitlopen, maar nog | | | | eerst naar de brief van
Barlaeus aan
Huygens kijken. Het slot ervan is voor ons in het
bijzonder van belang.
‘Ik heb het oorlogsgedicht van onze
Hooft gelezen, die door de lucht schrijdt en de zon
aanschouwt.’ Dan volgt een gedicht, waarna hij besluit met te zeggen
‘Zo toch lustte het my
Horatius na te volgen.’ Het is een variatie op
enkele strofen van het bekende
Pindarum quisquis studet aemulari. (Wie er zich
op toelegt Pindarus te evenaren). Hier volgt het in mijn vertaling:
De Muidense zwaan gaat hoog door de lucht,
Telkens, Huygens, wanneer hij zijn vlucht trekt
Door het ruim der wolken. Ik, gelijk een Bataafse bij,
Verzamelend de heerlijke tijm, maak, nietig als ik ben,
Met zeer veel werk aan de vredige oevers van een lieflijke
rivier
Mijn met arbeid bezwaarde gedichten.
Gij zult op een meer verheven toon de Vorst bezingen,
Wanneer hij de wrede Spanjaarden, onlangs overwonnen
Door het staal en bedwongen door de aarde, meevoert
22.
Ziehier van Barlaeus' kant de drie verenigd, drie die elkaars werk
waarderen, die van oordeel zijn dat dit een peil bereikt heeft waarvoor men
zich niet behoeft te schamen, drie proevers van poëzie die onverbiddelijk
terugwijzen wat niet aan hun normen voldoet, een kunstrechtelijk triumviraat op
litterair gebied.
Welke zijn die eisen, welke is die norm die internationaal gesteld
wordt, en waar kunnen wij die vinden?
Allereerst is er sprake van een litterair probleem, n.l. dat van de
renaissancistische hiërarchie der genres.
Vondel mocht in zijn Berecht van de
Jeptha
Ovidius' uitspraak vertaald aanhalen
Hoe hoogh men drave in stijl en toon,
Het treurspel spant alleen de kroon
23,
het moge waar zijn dat de renaissance-geest zich vooral geuit
heeft | | | | in het drama als hoogtepunt, het epos gold toch als het
belangrijkste genre, in ieder geval in theoreticis. Overigens vergete men niet
dat
Ariosto's
Orlando Furioso en
Tasso's
Gerusalemme liberata de 16de eeuw beheersten.
Het hoge litteraire ideaal van deze eeuw, dat doorloopt in de zeventiende,
bestaat in een poëzie die streeft naar waardigheid van taal en gedachten.
Zij wendt zich af van het volkse realisme en richt zich tot de ‘fraaie
geesten’, tot de sociale en geestelijke aristocratie. Zij verheft haar
stof in de sfeer van het sublieme en imponerende, in die van de heroïsche
grootsheid, in die van de verhevenheid van denken, van inhoud en toon
24. Dit ideaal vinden wij in de correspondentie tussen
Barlaeus,
Hooft en
Huygens. De brief van Barlaeus aan de drost in het
bijzonder is daarvoor exemplarisch. Dàt was de reden waarom deze zozeer
de aandacht trok, waarom
Brandt hem, in vertaling, voor het grootste deel in
'T Leeven van … Pieter Corneliszoon
Hooft opneemt, waarom ook
Vondel hem ‘verduytst’.
De brief hield een programma in, was de omschrijving van een
poëtisch credo naar aanleiding van een heroïsch gedicht, dat de
werkelijke zwaai van het genre had, de brief was een soort poëtica en
raccourci. Hooft is zeer sterk bevangen geweest in dit ideaal. Vandaar dat hij
zijn
Warenar geen plaats waardig keurt in zijn eerste
verzamelbundel door
Iacob vander Burgh verzorgd, de
Gedichten van 1636. Het blijspel dat naar inhoud
zich bezig houdt met het ‘lagere’ leven, met een daaraan adequaat
taalgebruik
25, is in het poëtische oeuvre van de drost niet meer dan
een randverschijnsel geweest.
Bij
Bredero ligt dat anders. Hij mengt in zijn
Rodd'rick ende Alphonsus, in zijn
Griane, in zijn
Stommen Ridder bewust de elementen. Het is een
veel te simplistische gedachte de zgn. komische intermezzo's in deze drama's te
zien als een soort vingeroefeningen voor de latere blijspelen. Hier spreekt een
andere kunstopvatting, ook een andere levenshouding.
Waarschijnlijk heeft
Vondel niet meer dan
Barlaeus' brief gekend; de andere epistels zullen wel
voor hem verborgen zijn gehouden. In géén ervan wordt hij
genoemd, en dat houdt in dit geval een negatieve waardering in. In
Huygens' brief lezen wij on- | | | | middellijk na de
passus van de keffers die eerst spreken en dan denken: ‘Dr.
Barlaeus sluyt ick uyt dat getal: boven vele andere is
het aengeboren geluckigh te konnen parere in conceptu…’
26 Slechts één uitzondering maak ik, zegt
Huygens, en dat is Barlaeus met zijn
Epistula Ameliae ad Fredericum Henricum, hij is
in staat denken en dichten te combineren, te baren terwijl hij ontvangt. En wie
wordt dus niet uitgezonderd? Wie had reeds in 1629 een lofdicht op de
krijgsdaden gepubliceerd?
Vondel:
Zegesang ter eere van Frederick Henrick, Boschdwinger,
Weselwinner, Prince van Oranje. Waarom vertaalde Vondel Barlaeus'
brief? Beleed hij daarmee zijn geloof in de gedemonstreerde kunstopvatting? Dan
is hij in de praktijk tekort geschoten, naar het oordeel van het triumviraat.
Of zette hij zich schrap tegen de inhoud en ging zijn eigen weg? Was zijn
vertaling zo losjesweg misschien daarvan een ironisch symptoom?
De Italiaanse theoretici uit de zestiende eeuw:
Vida,
Daniello,
Varchi,
Trissino,
Robortello,
Segni,
Castelvetro, verder
Scaliger en de dichter
Tasso hebben zich bezig gehouden met het omschrijven en
definiëren van de genres
27. Een feit
van betekenis hierbij was dat
Aristoteles'
Poëtica, nadat
Giorgio Valla er in 1498 een latijnse vertaling van had
gegeven, tot het geestelijk bezit van de geleerden behoorde.
Robortello publiceerde in 1548 een kritische uitgave met
een uitvoerig commentaar, terwijl in het volgend jaar een Italiaanse vertaling
van
Bernardo Segni volgde. Dat de imitatioleer van Aristoteles
zo'n opgang kon maken, ligt wel voornamelijk aan het zestiende-eeuwse
epistomologische systeem van correspondenties
28.
De heroïsche poëzie, door
Tasso gelijk gesteld met de epische
29, wordt algemeen als volgt omschreven. Heroïsche poëzie
houdt zich bezig met helden, met hun daden. Zij wil nabootsing zijn van de
glorierijke handelingen van grote figuren, edel van gemoed, dapper in de
wapenhandel, en dit in hooggestemde taal. Grootheid en waardigheid worden
uitgebeeld
30. Het sublieme wordt boven het waarschijnlijke gesteld.
Heroïsche poëzie wil bewondering wekken, een bewondering die ‘a
range of responses from awe to astonishment’ dekt
31.
| | | |
De theoreticus
Minturno constateerde zonder meer dat iemand niet een
goed dichter kon zijn, als hij geen bewondering kon opwekken, en een
belangrijke bron voor bewondering lag in de verhevenheid der beschreven
onderwerpen -
Tasso noemt God, de wereld, helden, veldslagen,
zeegevechten - en in de wijze waarop hieraan vorm wordt gegeven
32.
Nu wil de poëzie, en bovenal de heroïsche, door
voorbeelden leren. Zij is een actieve aansporing tot deugd door het verlangen
in de lezer te wekken te zijn als de helden over wie hij leest. Kort en
krachtig zegt
Spenser over het doel van zijn Fairy Queen:
‘… to fashion a gentleman or noble person in vertuous and gentle
discipline.’
33 Dit betekent voor Spenser en zijn tijdgenoten de projectie
van morele eigenschappen als heroïsche idealen
34.
Dat was het educatieve ideaal van de renaissance, dat wij op gelijke
wijze omschreven vinden door Tasso in het begin van zijn
Discorsi del poema eroico
35, door
John Harington bij zijn vertaling van
Ariosto's
Orlando Furioso
36, door
Sir Philip Sidney in zijn
An Apology for Poetry
37,
door
Hooft in zijn
Reden van de Waerdicheit der Poësie
38.
Treffend zegt Sidney het. De mensen - de meesten van hen zijn in de
beste dingen gelijk de kinderen, totdat zij in hun graf als in een wieg gelegd
worden - horen graag de verhalen van Hercules, Achilles, Cyrus, en Aeneas; en
als zij ze horen, moeten zij wel de exacte omschrijving van wijsheid, van moed,
en rechtvaardigheid in zich opnemen; wanneer die zonder opsiering aan hen zou
worden overgebracht, dat wil zeggen ‘op zijn filosoofs’, zouden ze
van mening zijn dat ze weer op de schoolbanken terecht gekomen waren
39.
Hier lag ook de grond voor
Barlaeus' waardering voor Hoofts
De Hollandsche Groet. Deze interesse en tevens
het gedicht van de drost kunnen wij slechts begrijpen in de algemene Europese
cultuur-situatie van die tijd, waarin de poëzie is ingebed. In de
Zege-rede op de veroveringh van s'Hartogenbos
zegt Barlaeus: ‘Want daer leit den tegenwoordige eeuw ten hoogsten aen
gelegen, datmen de voortreffelijcke daden van groote Vorsten met een danckbaer
harte er kent, en de toekomende, datmen de zelve daden gelijck- | | | | zaem
als exempels geduurigh voor oogen houdt…’
40 En hoe blijven de daden bekend voor de toekomende eeuwen? Door
het werk van de dichter. Men ziet hoezeer dit alles ligt in de theorieën
over de waarde van de poëzie, maar ook hoe dichter en gedicht worden
ingepast in het heersende sociaal-politieke bestel.
Hoofts
De Hollandsche Groet is dan een heroïsch
gedicht - bedoeld als zodanig, erkend als zodanig - dat wil tonen dat men de
daden van de grote stadhouder dankbaar behoort te erkennen, en ze tegelijk als
nastrevenswaardig voor de toekomst moet zien. De heroïsche inslag en de
bedoeling Frederik Hendrik als held bij uitstek voor te stellen, blijkt
onomwonden reeds in de eerste beide strofen.
Hollandt spreekt.
Zyt, groote Vorst, ghegroet, in uwen zeghewaeghen,
Wien, bet nae rechte, dan den voerman vande daeghen,
Toekomt een krans van lof, dat nemmer dor' of quijn'.
Want ghy, van hoogher geest als zelf de zon, gedreven
Doet, door uw' dapperheit, my eenen dagh beleven,
Die blyder is van licht als duyzent van de zijn'.
Mijn zon, mijn zoon, terwijl dat andre landen
slóófden
't Mergh hunner lenden ujt, in teelt van oorloghshoofden
En vorsten vol verstands, om hoogh te zijn gemelt,
Zoo deed, eeuw in, eeuw ujt, ick niet dan krachten
gaêren,
Om 't overtreffen tal met deughd, en u te baeren
Tot pujkstael zonder vlek van een' volmaekten helt.
Inderdaad, als modelheld moest hij volmaakt zijn. Dit strookte met
de opvattingen over de genres. Op voorgang van
Aristoteles verkondigden de theoretici dat in de
tragedie de held noch geheel slecht noch geheel goed ten tonele mocht worden
gevoerd, de epische held moest juist in hoge mate uitblinken in moreel
heldendom.
| | | |
De heroïsche poëzie wil voor de personen
‘il sommo de le virtù’
41, zegt
Tasso. In Aeneas vindt men de hoogste graad van de
pietas, in Achilles die van de moed, en in Ulyssus die van de wijsheid. Er
wordt slechts rekening gehouden met het uit-stekende. Een modern auteur heeft
gesproken van een ‘orgia della grandiosità eroica’
42 en van een sfeer van waardigheid en morele volmaaktheid, waarin de
personen zich bewegen.
Dit alles heeft consequenties voor de dichter. Wanneer
Barlaeus aan
Hooft schrijft: ‘Ik zie in u niet dan 't geen
verheven is, 't verstandt, de styl… Gy wandelt door de wolken, en
genaakt de starren’
43,
dan geeft hij hem daarmee de lof die de renaissance toekende aan hen die grote
poëzie voortbrachten. De Italiaanse theoreticus
Minturno was van oordeel dat de dichter, als hij een
leermeester in deugd is, zelf die deugd moet bezitten. Dit heeft, lang voor
Carlyle tot een heroïsering van de dichter geleid,
evenals dat met vorstelijke personen het geval was. Zijn de laatsten aardse
goden, bekleden zij het naastgoddelijk gezag, de dichters zijn ‘les
prophètes, les ministres, les compagnons des dieux’
44, volgens
Ronsard. In de traditie van de humanisten, hem door
Dolet overgedragen, ziet hij ze als opvoeders van het
mensdom, als degenen die roem en onsterfelijkheid uitdelen, die door de hemel
zijn aangewezen om de groten de waarheid te zeggen. In zijn
Abrégé de l'art poétique
raadt hij de dichter aan niets zijn geest binnen te laten komen dat niet
bovenmenselijk en goddelijk is. Dolet zelf schrijft, dat er geen twijfel aan is
of de dichter-geleerde is van het geslacht van de onsterfelijke goden. En, zegt
hij, dat is geen woordenspel, zij zijn goddelijk door hun genie en de
voortreffelijkheden van hun deugden
45.
Ook Tasso meent dat onze dichter al wat laag is, wat oneervol is,
wat tot de gewoonten van het volk behoort, moet afwijzen. Hij moet alles door
zijn vernuft optrekken, en wanneer hij schaapherders, geiten- en zwijnenhoeders
laat optreden, moet hij toch het decorum, het welvoeglijke, in zijn werk
handhaven
46.
Bredero tekent protest aan tegen deze kunstopvatting in
zijn Voorreden aan de Verstandichste Rymers der Nederlandsche Poësye van
de
Griane. Ironisch bedient hij zich van het
geijkte | | | | jargon. Hij spreekt van ‘u over-natuurlijck
verstandt’ en ‘Ghy goedighe Gooden van Mannen! die in u groote
Rijmen de Vrouwen, Dienstmeysens, ja Stal-knechts doet Philosopheren, van
overtreffelijcke verholentheden, het sy vande beweghinghe der Sterren, ofte
vande drift des Hemels, oft vande grootheydt der Sonne, oft andere schier
onuytdenckelycke saken…. Ick hebbe door mijn slechtheyt een Boer
boerachtigh doen spreken en meer de ghewoonte dan de kunst ghevolght’.
47
Hooft loopt in de pas. Zijn
Reden van de Waerdicheit der Poësie is een
voortreffelijk staal van wat de heroïsering van de dichtkunst betekent,
naar inhoud en taalgebruik.
Wij keren terug naar de held. De renaissance kon deze niet los
denken van zijn antieke voorbeelden: Achilles, Ulyssus, Eneas, maar bovenal van
de figuur van Hercules. In
De Hollandsche Groet wordt ook een rechtstreekse
verwijzing gemaakt naar deze halfgod.
Gelijck een Hercules nae knodzen en nae kolven,
Zoo grijpt ghy, tot geweer, de rustelooze golven
Des hollen Oceaens, en keert daer 't onweêr, mee.
De winden aengemaent flux op uw' woorden passen,
En doen, tot boven 't velt, de brakke baren wassen.
Gins maekt ghy 't water landt, en hier het landt tot
zee.
De Nederlandse held toont zich de meerdere van de klassieke: de
knods staat in geen verhouding tot de ‘rustelooze golven, Des hollen
Oceaens’. Bovendien zit er een verborgen symbolisme in. De knods van
Hercules werd in de renaissance met de ratio geïdentificeerd
48,
d.w.z. dat hij weloverwogen en op het juiste moment werd gezwaaid. Zo ook
werden de wateren door het inzicht van Frederik Hendrik gedirigeerd, in Holland
door het land te inunderen, voor 's-Hertogenbosch door het
drassige gebied droog te malen.
Hoezeer Hooft deze antieke helden in zijn poëtische wereld
heeft geïntegreerd tonen ons de volgende voorbeelden.
| | | |
In het sonnet
Aen den Spaniaerdt op 't verovren van Grol
wordt de Spanjaard aangesproken als ‘Madrilsche Geryon’. Geryon,
kleinzoon van Medusa, met drie lichamen, koning van Spanje, wordt hier met zijn
vele handen functioneel gemaakt voor de Spaanse veroveringszucht, die bedwongen
wordt door Frederik Hendrik, evenals in het klassieke verhaal Hercules het
monster doodt
49.
Brandt vertelt ons: ‘In den jaare MDCXIII
vercierde de Drost de toonneelpoort, die tot onthaal van vrouw Elizabeth,
dochter des Koonings van Grootbrittanje, onlangs te vooren getrouwt met den
Keurpaltsgraaf Frederik den vyfden, t'Amsterdam op den
Damsluis was opgerecht, met dichten die de vertooning des huwlyks
van Thetis met Peleus verklaarden, en op dat doorluchtigh paar toepasten, met
het slot van deezen wensch.
De Heemel wekk' ons een Achilles uit deez twee
50.’
Moge voor ons de Hercules-figuur meer het proto-type van de ietwat
geborneerde krachtpatser zijn, de renaissance zag in hem het exemplum voor het
hoogst bereikbare voor de mens op aarde.
Enerzijds was Hercules op de tweesprong een populaire voorstelling:
Hercules, die het smalle pad der deugd kan kiezen of de brede weg der
genietingen, en die weloverwogen uitmaakt welk leven hij wil leiden
51. Dit moest wel spreken in een periode,
die aan het menselijk kunnen en aan 's mensen mogelijkheden een zo grote waarde
hechtte. Had niet
Pico della Mirandola's omschrijving van de menselijke
waardigheid geklonken als een klaroengeschal dat de muren van het
middeleeuwse Jericho had doen vallen? Anderzijds was niet minder bekend
de Hercules die optrad als de wreker van het de mensen aangedane onrecht, of
als bevrijder van plagen die het menselijk geslacht troffen, waarbij het facet
dat hij optrad tegen tirannen, geliefd was. Hercules id est virtus. Hercules
dat is de deugd zelve.
Hercules was wijs, maar niet voor zichzelf; zijn wijsheid kwam
inderdaad bijna alle stervelingen ten goede. Want het grootste deel van de
aarde doortrekkend, heeft hij wilde dieren vernietigd, gevaarlijke en woeste
monsters ten onder gebracht, de wreedste | | | | tirannen gestraft. Zo liet
Cristoforo Landino in een dialoog Lorenzo de' Medici
spreken. De laatste verdedigde het actieve leven tegen Leon Battista Alberti
die het contemplatieve ideaal prees. Tenslotte wordt men het erover eens, dat
contemplatie weliswaar het doel van het leven moet bepalen, maar dat die
wijsheid in de praktijk moet worden gebracht. Hercules is zowel wijs als actief
52.
Meer dan welke held uit de oudheid, was hij het die bewondering
wekte, een bewondering die juist door de poëzie moest worden
bewerkstelligd in de harten der lezers; daarin ligt haar functie. Het
neo-stoïcisme van de tweede helft der zestiende en het begin der
zeventiende eeuw heeft aan de Hercules-verering ongetwijfeld meer nadruk
verleend en meer gezag geschonken. Voor de stoïcijnen toch was Hercules de
grote morele held. Nu was juist in Nederland de stoïcijnse invloed vrij
groot.
Lipsius schreef tijdens zijn Leidse periode zijn bekende
en veel vertaalde
De Constantia, waarin hij de stoïsche leer
en het christendom trachtte te verzoenen. Het zal ons dan ook niet hoeven te
verbazen dat Hercules geen onbekende figuur in Holland was. Wij gaan met
Barlaeus naar de vertoningen ter ere van het bezoek van
Maria de Medici in Amsterdam in 1638 kijken.
‘Daer de Middeldam begint rees een triomfboog, heerlijck en
fraey om aen te zien … De eerste Vertooningh om hoogh op de triomfpoort
was de bruiloft van den allerchristelijcksten en onoverwinnelijcksten Koningh
Hendrik de IV, … en van de allerchristelijckste Koninginne Maria de
Medicis… Ter zijde van de vertooningh, en aen 's Koninghs rechte handt
stond Herkules, niet met een leeuwenhuidt, om dat die qualijck te bekomen is,
maer met een beerenhuidt gedost, met een knods in de vuist, waer mede hij zoo
veele gedrochten, Hydren, Leeuwen, Stieren, Helhonden, Reuzen, en
Berghmoordenaers hadde gemotst. Men kon dien koningklijcken bruidegom geen
bequamer speelnoot byvoegen, dan die door zijn brave oorloghsdaden, dapperheid,
wijsheid, stantvastigheid, onverzoenelijcken haet der dwinglandye, uitroyinge
van schelmen, en yver om de vryheid te handhaven, Herkules den wereldschuimer,
en voorstander der onnozelen uitbeelde’
53.
| | | |
Naast de koningin stond Pallas. Uit het gedicht op deze
vertoning licht ik twee verzen:
Ay zie, 't is Herkules, 't is Pallas, die hier staet.
Hy stut met dapperheid de Rijcken, zy met raed
54.
Maar hiermee was de rol van Hercules nog niet uitgespeeld.
Eén der volgende dagen had men in het Rokin - toen nog
water - een drijvend eiland, ‘dat met wonderlijcke snelheid anderhalve
mijl van de Stad, uit de veenen gehaelt (was)’
55,
met triomfbogen versierd. Aan de zuidzijde waren in vijf vertoningen de
ellendige staat van Frankrijk onder Hendrik III en de bloeiende onder Hendrik
IV uitgebeeld. Frankrijk in de gedaante van een vrouw zuchtte en schreide,
goden en godinnen keken medelijdend toe. ‘Herkules daer by, leggende op
de aerde…kropte vast de droefheid in’
56.
Maar deze Hercules is Hendrik IV en wordt in het tweede tafereel
door Jupijn aan Mercurius aangewezen als redder van Frankrijk. In de derde
vertoning wordt hij door Mercurius, geholpen door Mars en Pallas, als zodanig
geïnstalleerd. In het vierde tafereel ziet men hem bezig met het
‘weder op haere plaetze herstellen de assen die uit de naven gesprongen
waren. Starckheid, Wijsheid, Goedertierenheid, en Wackerheid, eige deughden van
Henrick de IV, boden hem de behulpzaeme hand’
57.
De laatste vertoning liet zien ‘hoe rustigh de Fransche Herkules den
rijxkloot op zijn stercke schouders droeg’
57.
En ‘Luidewyck de XIII, erfgenaem van 's vaders dapperheid en
glori, en zijn voetstappen na tredende, draegt zich, gelijck een' nazaet van
zoo groot een voorzaet betaemt, en onderstut en onderschoort door Gods genade
met zijn stijve schouderen, als een tweede Alcides, den zelven rijcxkloot door
zijn sterckheid, wijsheid, en voorzichtig beleit, in vrede en oorloogh’
58.
Hier vinden wij dus de volledige identificatie van Hercules met een historische
persoon.
En hoe
Hooft zelf de figuur van de antieke held zag, leert ons
zijn gedicht
Op het Bestandt uit het jaar 1609. | | | |
Doen 's Hemels Koningh groot sijn minlust heeft genoten
Van schoone' Alcmene', en lagh in haren schoot gegoten,
Beswaddert om end' om van armen wit en sacht,
Den dagh vernesteld' hem te vroegh; dat aen 't verloopen
Nachjen, hy noch een nacht gedrongen was te knoopen,
Soud' Hy sijn lust versaên, in steê van haren man:
En d'onverwonnen held Alceides quam' er van,
Die Goddelijck van aert sijn boose lusten snoerde,
En levende gedaent des deughds in 't harte voerde,
Die voor d'onnoosle streedt, d' onbillijcke besprongh,
De dwingelanden wreedt, en woede dieren dwongh.
Nauwkeurig vinden wij hier de algemene renaissance-visie: Hercules,
de morele held, die zich zelf overwint, die zijn slechte neigingen intoomt, en
Hercules, die de bestraffer is van onderdrukkers van de onschuldigen.
Ook de iconografie kent de Hercules-figuur; de renaissancistische
voorliefde voor het heroïsche is hier eveneens aanwezig. Van de Waal
constateert dat de uitbeelding van de Bataafse voorouders in de zeventiende
eeuw teruggaat op die van Hercules; een passus bij Tacitus zou erop wijzen dat
de Germanen geloofd zouden hebben dat Hercules onder hen verkeerd had
60.
Zo was het klimaat waarin
De Hollandsche Groet als heroïsch gedicht
functioneert. Door de vergelijking van Frederik Hendrik met Hercules openlijk
en ook verborgen bewust te maken bij de lezer, plaatst
Hooft zijn held in een illustere traditie en verhoogt
daardoor de eer die hij hem schenkt. Vaak zijn de bedoelingen versluierd
weergegeven en slechts zij die bekend zijn met mythologie en symboliek kunnen
het gedicht ten volle genieten. Overigens stemde de functie van De
Hollandsche Groet geheel overeen met de normen die Hooft in zijn
Reden van de Waerdicheit der Poësie had
gesteld.
De ‘welgebrujckte Poësie’, zegt hij, laat ‘in
de gedachten der geener, die haer genoten hebben, den galm ende naeclanck van
haer lieflijcken sang, om hen te verrinneren haer hejlsaeme leeringen, tot | | | | voortteelinge
van eerlijcke, stichtelijcke, ende nutte daeden: waer wt eenen sleep rijst van
geneuchten, de welcke sy immers, ende niemandt anders, haeren liefhebberen te
vooren wint.’ De ‘Hollandsche Poësie’ heeft haar functie
bewezen in het verjagen van de tirannie en het vestigen van de vrijheid, en
bovendien stelt hij vast, dat de ‘ouwde naemhaftighe Helden: Hercules,
Theseus, Perithous, soo wel, als de geene die haeren lof hebben naegeyvert, de
grootmoedicheit, voorsichticheit, ende burgerlijcke weetenschap wt geen andere
springbron, dan wt die van de Poësie, hebben ingesopen’
61.
Het zijn steeds dezelfde klanken die wij horen: leringen, morele
eigenschappen, staatkundige kennis, die voor de lezer worden ten toon gesteld
in de helden die tot bewondering moeten dwingen en tot navolging aansporen. De
essentie van heroïsche poëzie is moralistisch, zowel in intentie als
in haar effect op de lezer
62.
De grote voorbeelden uit de oudheid,
Homerus en
Vergilius, worden dan ook voornamelijk van dit standpunt
uit gewaardeerd. Voor
Chapman hebben de werken van Homerus opvoedkundige
waarde, ze zijn morele documenten, die waarheid, een gedragspatroon,
gerechtigheid onderwijzen
63. Ook
Coornhert legt in zijn inleiding van zijn
De Dolinghe van Ulyssus de nadruk op het
educatieve karakter.
Algemeen wordt Vergilius gesteld boven Homerus.
Tasso is van oordeel dat de Romein alle heroïsche
dichters te boven gaat in waardige grootheid. De deugden van Homerus zijn die
van elke dichter, die van Vergilius zijn die van de heroïsche
levenshouding, die van het majestueuze, van het sublieme, die de gewone normen
verre te boven gaan
64. En
Hooft trekt zijn betekenis geheel in het actieve
heroïsche leven:
Want wat was Maro goddelijck
Min als een stijve zuil doch aen de puy van 't Rijck?
Een Raedsheer daer August wel rustigh op moght slaepen,
Wiens wijshejdt hem te staed quam meer als menighs waepen.
| | | |
En bijna twee eeuwen eerder had de humanist
Leonardo Bruni reeds over Vergilius gesproken als de
‘decus ac deliciae litterarum nostrarum’, het sieraad en de lust
van onze letteren
66.
Frederik Hendrik was een typische heldenfiguur voor de renaissance.
Zijn lauweren lagen op het oorlogsterrein en daar was de mogelijkheid die te
verwerven door de epische traditie gefixeerd. Maar toch waren de
karaktertrekken en morele eigenschappen van de held het belangrijkste, omdat
deze hem moesten rechtvaardigen en hem moesten stempelen tot het exemplum voor
heden en toekomst. Bovendien zijn de daden van de held nauw verweven met zijn
zedelijke waarden; de laatste zijn bepalend voor de eerste. De grondslag ervan
wordt gevormd door de cardinale deugden: prudentia (wijsheid), justitia
(gerechtigheid), fortitudo (moed), en temperantia (gematigdheid), aangevuld met
de magnanimitas (grootmoedigheid), liberalitas (vrijgevigheid), en
magnificentia (grootdadigheid). Deze meende men in de oudheid te zijn beleden
door een superieur mensenras en zij vormden in extremis de geestelijke habitus
van de renaissancistische held. En deze ethische waarden nu waren die welke de
cultuur van de zestiende en zeventiende eeuw ons toont als het begeerde bezit
van de aristocratie, die al naar land en gelegenheid bestond uit een oude
geboorteadel, zoals in Frankrijk, of uit een opkomende klasse van grote
kooplieden en industriëlen, zoals die zich in het quattrocento in een
aantal Italiaanse steden had gevormd, waarin de adel was opgegaan, en zoals die
zich nu ook in het regentenpatriciaat in de Republiek constitueerde. Inderdaad,
de heroïsche levenshouding was meer dan een litteraire mode. De werking
der idealen van deze klasse ligt in het actieve vlak, niet in het
contemplatieve. In de renaissance had juist de maatschappij zijn statische
karakter verlaten en daarmee de weg naar onbekende en ook ongekende verten
geopend. De Nederlandse aristocratie, bezig een oorlog te voeren tegen het
machtigste rijk van haar tijd, deze aristocratie bezig een handelsimperium te
stichten over de gehele aarde, kon slechts haar idealen projecteren in het
politieke en sociale leven. Zo zijn de deugden geen abstracte, onwezenlijke
begrippen, maar ze zijn functioneel in de maatschappij en hun rechtvaardiging
lag in het | | | | doel en streven van die aristocratie. Dat de
werkelijkheid achter bleef bij het gestelde ideaal is - ook nu nog - geen
ongewoon verschijnsel. Tevens krijgt de klassieke erfenis op deze wijze zin en
wordt zij gelegaliseerd opgenomen in de cultuur. Het Romeinse recht en de
klassieke staatsleer hebben hun functionele plaats gehad in de opbouw van de
nationale staten. De humanisten hebben aan de oudheid de esthetische en
ethische idealen ontleend, die een nieuwe visie op de mens en op zijn aardse
activiteiten mogelijk maakten, een visie die onvermijdelijk nieuwe educatieve
idealen in het leven riep. Wij die bezig zijn ze te verlaten, mogen niet de
ogen sluiten voor de aanvankelijke dynamiek en het revolutionaire karakter. Ze
zijn duidelijk gericht op het actieve leven, aristocratisch, elitevormend,
heroïserend. Grootheid, verhevenheid van geest worden wachtwoorden.
Parallel met een heroïsch gedicht als
De Hollandsche Groet voor Frederik Hendrik, een
vorstelijk persoon, loopt Hoofts sonnet
Aen mijn Heer
Hujgh De Groote
Weldighe ziel, die met uw scherp gesicht,
Neemt wisse maet van dingen die genaecken,
En al den sleur der overleden saecken
Begrepen houdt met yders reên en wight;
Vermoghend' wt te breên, in dierbaer dicht,
Wat raedt oft recht oyt God oft menschen spraecken:
Sulx Hollandt ooght, als zeeman op een baecken
In starloos weêr, op uw verheven licht:
O groote Zon, wat sal jck van u maecken?
Een adem Gods die wt den hemel laecken
Comt in een hart wel keurigh toegericht?
Oft een vernuft in top van 's Hemels daecken
Verheldert, om op Aerd te coomen blaecken,
Daer 't landt en liên met leer en leven sticht?
67
Ook in dit gedicht het streven naar het sublieme, naar het ongemene,
het nadruk leggen op het voorbeeldelijke in staat en maat- | | | | schappij,
het constateren tenslotte van de bovennatuurlijke oorsprong van de
‘weldighe ziel’, d.i. de machtige ziel.
Aan deze zelfde geestesgesteldheid is een werk als
Hugo de Groots
Parallelon Rerumpublicarum ontsproten. Grotius
onderwerpt de karaktereigenschappen der Nederlanders aan een onderzoek en
vergelijkt ze met die van Grieken en Romeinen; hij constateert tegenover de
Atheners meerwaardigheid en ten opzichte van de Latijnen in ieder geval een
gelijkwaardigheid. De klassieke cardinale deugden vormen het stramien voor de
beschouwing
68. Zo wordt in het algemeen de oudheid
geïnterpreteerd als een periode, waarin superieure mensen de wereld hebben
bevolkt, goddelijk van aard, onsterfelijk door hun daden.
De kunsttheorieën wijzigen zich eveneens. Was in de 15de eeuw
het grote principe de navolging van de natura naturata, van de geschapen
natuur, met een selectie van het mooiste
69, in de zestiende ontwikkelen zich twee beginselen: navolging
van de antieken, die als een tweede natuur fungeren, en navolging van de natura
naturans, de scheppende natuur. De geest van de kunstenaar transformeert zich
a.h.w. in die van de natura naturans en daar deze een verlengstuk van God is -
Deus sive Natura - is de vergoddelijking van de kunstenaar, d.w.z. de
heroïsering van de artisticiteit slechts een kleine stap
70.
Dit gehele complex van verschijnselen zet zich in Italië door
in het laatst van het quattrocento, en zo wordt de zestiende eeuw de eeuw van
de exaltatie van de mens, van de homo heroïcus.
Michel Angelo,
Raphael,
Fra Bartolomeo,
Andrea del Sarto modelleren hem op het doek en in
marmer,
Baldassar Castiglione schenkt hem in zijn
Il Cortegiano een ideale opvoeding en de grote
dichters, op voorgang van de humanisten, verheffen hem in al zijn
volkomenheden.
Wanneer in Nederland de renaissance begint, zijn dit verworvenheden
in de Europese cultuur, en vaststaande en recente ontwikkelingen. Het lijkt mij
dan ook onjuist de gehele Burckhardiaanse synthese te willen toepassen op onze
toestanden, ook te willen spreken van een vroege en volle renaissance in
kwalificatieve zin. Dit alles lijkt mij te zeer gecalqueerd op de Italiaanse
verhoudin- | | | | gen. Onze schrijvers kijken onmiddellijk in het licht van
de heroïsering van de mens die zich voltrokken heeft in de voorafgaande
periode en die hun in de door de humanisten tot in de hemel opgestoten oudheid
als het hoogste ideaal wordt voorgehouden. De vraag is, hoe staan onze auteurs
tegenover deze heidense heroïek met een vleugje christendom. Want naast de
exaltatie van de mens in de zestiende eeuw staat de constatering van zijn
nietswaardigheid.
Luther en
Calvijn stellen zich in sterk antagonisme tegen deze
heroïserende modestroming op. Voor de christen was er feitelijk geen keus:
de christelijke ethos kent een totaal ander heldendom, kent een totaal andere
deugdentrits.
Milton heeft het begrepen en breekt radicaal met de
traditie. Hij verwerpt de ‘natuurlijke’ voor een bovennatuurlijke
held. Hij stelt voor de menselijke deugd de goddelijke in de plaats. De
heroïsche daden zijn goddelijke werken. Ook Port Royal maakt niet de
knieval, en moet deze houding met de andere nonconformismen duur betalen.
Het zal duidelijk zijn hoe
Hooft in deze context zit. Er is geen dichter die aan de
heroïsche levenshouding beter gestalte heeft gegeven dan de drost heeft
gedaan.
In 1623 vertrekt zijn vriend
Laurens Reael, die van 1616-1618 gouverneur-generaal van
Oost-Indië was geweest, uit Amsterdam. Hij legt een treurende
Amsterdamse schone de
Klacht over 't vertreck des Heeren Laurens Reael
in de mond.
Daarin komt de volgende passus voor:
Maer als een' dappre deughd gemeene deughd ontwast,
En in haer' schaduw bluscht; gelijck de Noorsche mast
Die nae de starren toght, met sijn' dickhajrde prujcken,
Den glans der son verbiedt aen braem en brossche strujcken:
Men houdste voor een strael der Godtheidt, en dat hij
Die daer med' is begaeft, alleen moet heerschappij
En voeren in der handt het loonen en het straffen
De nijdt dar, aen den staf, van sulken heldt niet baffen.
| | | |
In
Antwoordt aen den Vryheer Van Asperen, uit
dezelfde tijd stammend, schrijft
Hooft:
En al wordt elck geruckt van sijn' hartstoghten driftigh
Schier sonder wederstandt, nae gift van goudt vergiftigh,
Ghij vlamt gestaedigh op de gaeven der gemoên
Die vaeck den afkoomst van een mensch ontwassen doen
In deze beide citaten ligt de kern van wat de renaissance aan de
heroïsche mens toedacht. De held is niet iemand met uitzonderlijke
kwaliteiten, die een andere sterveling niet bezit, maar hij heeft de
beschikking over de gewone deugden in excessief hoge mate. Hooft heeft
Aristoteles
73 blijkbaar goed begrepen. Hoewel de laatste stelt dat de
ware superioriteit de hoogste graad van deugd vooronderstelt, begint hij zijn
omschrijving van een grootmoedig mens met te zeggen dat deze van zijn
medemensen hoge achting vraagt en ook het recht heeft die te vragen. Dit nu
geeft Hooft voortreffelijk weer in het beeld van de ‘Noorsche mast’
die omhoog streeft naar de sterren en het zonlicht onthoudt aan ‘braem en
brossche strujcken’.
Het tweede kenmerk is eveneens aanwezig: de vergoddelijking van de
held. ‘Men houdtse voor een strael der Godtheidt’, ‘se’
is de extreme deugd; ‘de gaeven der gemoên Die vaeck den afkoomst
van een mensch ontwassen doen Den mensselijcken naem’.
Deze visie vloeide voort uit het optimisme van de renaissance, dat
in de hiërarchie van de schepping de mens plaatste op de grens van materie
en geest, waarin hem de mogelijkheden waren geschonken om op te stijgen naar
het goddelijke, of ook om af te dalen naar het dierlijke. Het zou te ver
voeren, maar niet moeilijk zijn, de heroïserende gedachte in de werken van
Hooft te volgen. Ik heb die - weliswaar summier - aangewezen in
De Hollandsche Groet, het gedicht dat
Barlaeus moest herlezen om ‘den verborgen zin en
deszelfs schrandre slaagen’ te vatten: de held die zijn lagere instincten
bedwingt om de weg naar omhoog te volgen tot het | | | | superieure, het
sublieme, het grandioze bereikt is. En dit bracht de dichter tot stand door
volgens de epische traditie zijn taal op verheven toon af te stemmen - hier lag
het enige punt waartegen
Barlaeus zich kritisch had opgesteld - door de klassieke
heroën openlijk en verborgen in te voeren, door op het thema van de
cardinale, aan de oudheid ontleende, deugden zijn held naar de apotheose te
leiden.
Vol is nu d'overhandt; kortouw en klokken spreken
Uw' eer volmondigh ujt; de vreughde vlam ontsteken
Ten derdenmaele, dooft de starren, met haer licht;
Waer voor zich op de vlucht begeven nacht en naerheit;
Gelijk als, voor den glans van uw' doorluchte
klaerheit,
Zich schamende de lof van allen veltheer swicht.
Welkoom verheven Vorst: koom staetlijk ingetoghen,
Niet tot het metselwerk van hooghe zeghebooghen
Bros, en verganklijk door der eeuwen ongenaên:
Maer tot gewelven, die de nijdt des tijds ujttarten,
Die u mijn burgerij bouwt van geboghen' harten.
Nojt was gezegent helt met hoogher eer ontfaên.
Zo vervulde het gedicht zijn nationaal-politieke functie. De gens
Julia had haar
Vergilius gehad, de Este's hun
Ariosto, hun
Tasso, Elisabeth I haar
Spenser. Nu had Frederik Hendrik zijn
Hooft.
Mevrouw, Mijne Heren Curatoren van deze Universiteit, Mijne
Heren Leden van het Presidium,
Voor mijn benoeming tot lector in de Nederlandsche letterkunde van
de renaissance ben ik u zeer erkentelijk. Ik hoop het door u in mij gestelde
vertrouwen waardig te zijn. Het moge tot grote voldoening stemmen, dat de
studie van de periode die wij gewoon zijn met renaissance aan te duiden, als
specialisme erkenning heeft gevonden op deze wijze, een erkenning die reeds in
vele landen ge- | | | | honoreerd was. Dat het nieuwe lectoraat aan de
Universiteit van Amsterdam is ingesteld is niet verbazingwekkend, als men
bedenkt dat het culturele leven in de Nederlandse renaissance zich voor een
belangrijk deel in deze stad afspeelde; de grote dichters leefden hier.
Dames en Heren, gij allen die doceert en de wetenschap beoefent
aan deze Universiteit,
Met verschillenden van u heb ik reeds contacten gehad, en die zijn
steeds van bijzonder prettige aard geweest. Ik hoop dat de toekomst daarin geen
verandering zal brengen. Ik zou ze gaarne uitgebreid zien en met u de
mogelijkheden willen onderzoeken van samenwerking op het gebied van de
wetenschapsbeoefening.
Dames en Heren, leden van het Instituut voor
Neerlandistiek,
Het is mij mogelijk me in één formule tot u te richten
en tegelijkertijd mijzelf daarbij in te sluiten. Het Instituut voor
Neerlandistiek toch heeft een structuur aanvaard, waarin ieder dezelfde
verantwoordelijkheid op zich genomen heeft om de doeleinden van een
universiteit: onderwijs en wetenschapsbeoefening te doen slagen. Wij hebben
daarmee een zware taak op ons genomen die veel inzicht en doorzettingsvermogen
van ieder gelijkelijk vergt. Ons experiment wordt door velen gevolgd: door
sommigen met welwillende belangstelling, door anderen met wantrouwen. Het
uiteindelijk oordeel erover zal positief uitvallen, als het ons gelukt onze
opzet waar te maken, d.w.z. zelfstandige, vrije mensen die tevens hun vak
kennen, te vormen, en die leiding zullen weten te geven aan de middelbare
schooljeugd op weg naar de toekomst. Een slogan in de renaissance was
waardigheid, waardigheid van stijl, van levensstijl voor alles. In een tijd van
beroering - en zulk een tijd was de renaissance -, in een tijd van grote
verschuivingen op alle levensterreinen - en zulk een tijd was de renaissance -
kwam de menselijke waardigheid blijkbaar in het gedrang, vandaar dat zij zo
nadrukkelijk geponeerd werd.
In velerlei opzicht is er een parallel te trekken tussen onze tijd
en de renaissance en de roep om menselijke waardigheid wordt op- | | | | nieuw gehoord. Laat zij voor ons een ster zijn om op aan te sturen. Mijn
Parnasheilig zegt dat de Nederlanders in het maken van korte spreuken
uitblonken. Eén daarvan luidt: de uitzondering bevestigt de regel. Ik
verlaat mijn allen omvattende formule en richt mij tot u, hooggeleerde
Stuiveling. Hoe zou ik anders kunnen. Immers, in mijn opdracht staat dat ik
mijn onderwijs in overleg met u heb in te richten, en ik moet u dus wel te
vriend houden. Gelukkig maar dat onze verhouding niet op zulk een basis is
gevestigd, het zou een zeer zwakke en onwaarachtige zijn. Voor een goede
samenwerking is een sfeer van vertrouwen noodzakelijk, waarin gegeven en
genomen kan worden, zonder dat dit tot verdachtmakingen leidt. Welnu, ik
twijfel er niet aan, of in deze geest zal zich ons samenspel voltrekken.
Ik heb gezegd.
| | | |
| |
Noten
In deze noten zijn de titels van de aangehaalde werken zodanig
afgekort, dat de volledige titels zonder bezwaar in de alfabetische lijst
gevonden kunnen worden.
| | | |
| |
Beknopte lijst van werken
| Baarle, Casper van,
Oratien, en Blijde inkomst van Maria de Medicis
Uyt het Latijn vertaalt. T'Amsterdam, By Jan van Duisbergh, Boekverkoper in de
Stilsteegh. In 't jaer, 1662. |
| Barlaei, Casparis,
Epistolarum Liber. Amstelodami Apud Joannem
Blaeu, 1667. |
| Bialostocki, Jan,
The Renaissance Concept of Nature and Antiquity.
In: The Renaissance and Mannerism. Studies in Western Art. Acts of the
twentieth international Congress of the History of Art. Vol. II. Princeton,
1963. |
| Blunt, Anthony,
Artistic Theory in Italy. 1450-1600. Oxford
Paperback, 1966. Eerste druk in 1940. |
| Brandt, Geeraerdt,
'T Leeven van den Weleedelen, gestrengen, grootachtbaaren
Heere, Pieter Corneliszoon Hooft. Editie P. Leendertz Jr.
's-Gravenhage, 1932. |
| Busken Huet, Conrad,
Het Land van Rembrand. Studiën over de
Noord-Nederlandsche Beschaving in de Zeventiende Eeuw, Haarlem, 1941. |
| Charron, Pierre,
De la Sagesse, Trois livres … suivant la
vraie copie de Bordeaux. A Amsterdam. 1782. |
| Flacelière, R. et P. Devambez,
Héraclès. Images &
Récits. Paris, 1966. |
| Garin, Eugenio,
Il pensiero pedagogico dello Umanesimo.
(Antologia) Firenze, 1958. |
| Groot, Hugo de,
Parallelon Rerumpublicarum Liber Tertius: De
Moribus Ingenioque populorum Atheniensium, Romanorum, Batavorum. Vergelijking
der Gemeenebesten… Uit een echt Handschrift uitgegeeven, in 't
Nederduitsch vertaald… door Mr. Johan Meerman. 4 dln. Haarlem,
1801-1803. |
| Hathaway, Baxter,
The Age of Criticism : the Late Renaissance in
Italy. New York, 1962. |
| Hooft, P.C.,
Brieven. 4 dln. Editie Van Vloten. Leiden,
1855-1857. |
| Hooft, P.C.,
Gedichten. Tweede geheel herziene, opnieuw
bewerkte en vermeerderde druk van de uitgave van P. Leendertz. Wz. door F.A.
Stoett. 2 dln. Amsterdam, 1899-1900. |
| | | |
| Hooft, P.C.,
Reden van de Waerdicheit der Poësie. In:
Hooft, Brieven. Ed. Van Vloten. Dl. I, bldz. 418-432. |
| Panofsky, Erwin,
Hercules am Scheidewege und andere antike Bildstoffe in der
neueren Kunst. Leipzig, 1930. |
| Paparelli, Gioacchino,
Feritas Humanitas Divinitas. Le Componenti dell'
Umanesimo. Messina/Firenze, 1960. |
| Parkes, Henry Bamford,
The divine Order. Western Culture in the Middle
Ages and the Renaissance. London, 1970. |
| Ripa, Cesare,
Iconologia, of uytbeeldinghen des Verstants:
… uyt het Italiaans vertaelt door D.P. Pers. Amstelredam, By Dirck
Pietersz Pers, Boeckverkooper op 't Water, recht over de Kooren-merckt, in 't
jaer 1644. |
| Sidney, Philip,
An Apology for Poetry or The Defence of
Poetry. Editie Geoffrey Shepherd, M.A. Edinburgh, 1965. |
| Smith, Hallett,
Elizabethan Poetry. A study in Conventions,
Meaning, and Expression. Cambridge (Mass), 1952. |
| Spenser, Edmund,
The Poetical Works of. Editie J.C. Smith and E.
de Selincourt. London, 1959. |
| Spingarn, J.E.,
A History of Literary Criticism in the
Renaissance. New York, 1908. |
| Steadman, John M.,
Milton and the Renaissance Hero. Oxford, 1967.
|
| Sterck, J.F.M.,
Vondel-Brieven. Uit de XVIIe eeuw aan en over den
dichter. Amsterdam, 1935. |
| Tasso, Torquato,
Prose, A cura di Ettore Mazzali. Con una premessa
di Francesco Flora. La Letteratura Italiana. Storia e Testi. Vol. 22.
Milano/Napoli, 1959. |
| Tenenti, Alberto,
Il senso della Morte e l'Amore della Vita nel
Rinascimento. z.p., 1957. |
| Thou, Jacques-Auguste de,
Mémoires de. Collection complète
des Mémoires relatifs à l'histoire de France. Avec notices sur
chaque auteur et des observations sur chaque ouvrage par M. Petitot. Paris,
1823. |
| Valois, Marguerite de,
Mémoires de. Collection complète
… (dezelfde serie als het voorgaande no.) |
| Vondel, J.v.d.,
De Werken van. Volledige en geïllustreerde
tekstuitgave in tien deelen. Amsterdam, 1927-1937. |
| Waal, Henry van de,
Drie eeuwen vaderlandsche geschied-uitbeelding.
1500-1800. Een iconologische studie. 's-Gravenhage, 1952. |
| Waith, Eugene M.,
The Herculean Hero in Marlowe, Chapman,
Shakespeare and Dryden. London, 1962. |
| Weinberg, Bernard,
A History of Literary Criticism in the Italian
Renaissance. 2 dln. Chicago, 1961. |
| Weise, Georg,
L'ideale eroico del Rinascimento e le sue premesse
umanistiche. 2 dln. Napoli, 1961-1965. |
|
*Openbare les gehouden bij de aanvaarding van het ambt
van lector in de Nederlandse letterkunde van de renaissance aan de Universiteit
van Amsterdam op dinsdag 20 oktober 1970
1De beide motto's zijn ontleend aan Weise,
L'ideale eroico, resp. Dl. II, blz. 58 en Dl. I, bldz. 109.
2Busken Huet, Land van Rembrand, bldz.
539.
3Van Baarle, Oratien, bldz.
611.
4Marguerite de Valois, Mémoires.
De schrijfster gaat uitvoerig op deze kwestie in. ‘Quelques-uns tiennent
que Dieu a en particuliere protection les grands, et qu'aux esprits où
il reluit quelque excellence non commune, il leur donne par des bons genies
quelques secrets advertissemens des accidens qui leur sont preparez, ou en bien
ou en mal … L'histoire nous en fournit tant d'exemples aux anciens
payens, comme le fantosme de Brutus et plusieurs autres que je ne
décriray, n'estant mon intention d'orner ces Mémoires, ains
seulement narrer la vérité…’, bldz.
61-63.
5De Thou, Mémoires, bldz.
232.
6Charron, De la Sagesse, I, bldz. 207-208
… ‘il y a plus grande différence d'homme à homme que
d'homme à bête; car un excellent animal est plus approchant de
l'homme de la plus basse marche, que n'est cet homme d'un autre
trèsgrand & excellent…’
7Brandt, ' T Leeven … bldz.
19.
8Brandt, ' T Leeven … bldz.
19-20.
9Sterck, Vondel-Brieven, bldz. 47-48. De
latijnse versie van deze brief vindt men hier op bldz. 45-46.
10Sterck, Vondel-Brieven, noot op bldz.
48.
11Barlaei Epistolarum Liber, no 133,
bldz. 311.
12Brandt, ' T Leeven… bldz.
19.
13Edmund Spenser, The Poetical Works of,
bldz. 407-408.
14Van Baarle, Oratien, bldz. 615.
15Tenenti, Il senso della Morte, bldz.
41.
16Brandt, ' T Leeven, bldz. 19.
17Sterck, Vondel-Brieven, bldz.
47.
18Hooft, Brieven, Dl. II, br., no 225,
bldz. 4.
19Hooft, Brieven, Dl. II, bldz.
461-462.
20Hooft, Brieven, Dl. II, br. no. 229,
bldz. 8-9.
21Brandt, ' T Leeven, bldz. 19-20.
22Barlaei, Epistolarum Liber, br. 133,
bldz. 313-314. Legi
πολεμικὸν (bellicum)
poëma Hoofdii nostri
ἀεροβατοῦντος
καὶ τὸν ἥλιον
εισορῶντος.
(gradientis per aëra & solem aspicientis).
Multa Muydensem levat aura cycnum,
Tendit, Hugeni, quoties in altos
Nubium tractus. Ego apis Batavae
Grata carpentis thyma; per laborem
Plurimum circa placidas amoeni
Fluminis ripas operosa parvus
Tu canes majore poëta plectro
Principem, quandoque trahet feroces
Impares ferro domitosque gleba
Ita enim libet ad Horatium
παρωδεῖν. (imitatorium canere carmen).
Vale. 15 Mart. 1630.
23Vondel, Werken, Dl. VIII, bldz.
778.
24Weise, L'ideale eroico, Dl. I, bldz.
149.
25Tasso, Prose, bldz. 504. Ma da la comedia
il poema eroico in tutto è differente, perché è diverso
ancora ne le cose e ne le persone imitate … l'operazione de la tragedia
è di purgar gli animi co'l terrore e con la compassione, e quella de la
comedia di muovere riso de le cose brutte … e da questa operazione de la
comedia nasce il giovamento, perché noi ridendoci de la bruttezza che
veggiamo ne gli altri, ci vergogniamo di far cose che siano brutte egualmente.
(bldz. 505).
26Hooft, Brieven, Dl. II, bldz.
462.
27Over dit onderwerp bestaat een uitgebreide
literatuur. Nog altijd is Spingarn's History of Literary Criticism in the
Renaissance van waarde; hoewel beknopt, geeft het werk degelijke
informatie. Moderner zijn de boeken van Weinberg en Hathaway.
28Men zie hiervoor Michel Foucault, Les mots et
les choses.
29Weise, L'ideale eroico, Dl. I, bldz.
151.
30Weise, L'ideale eroico, Dl. I, bldz.
149-150.
31Waith, The Herculean hero, bldz.
53.
32Tasso, Discorsi dell'arte poetrica, in,
Prose, bldz. 396. Può nascere la magnificenza da' concetti,
da le parole e da le composizione delle parole … La magnificenza de'
concetti sarà, se si trattarà di cose grandi; come di Dio, del
mondo, degli eroi, di battaglie terrestri, navali e simili… Sarà
sublime l'elocuzione, se le parole saranno non comuni, ma peregrine e da l'uso
popolare lontane.
33Edmund Spenser, Poetical Works of,
bldz. 407.
34Smith, Elizabethan Poetry, bldz.
339.
35Tasso, Discorsi del poema eroico, in,
Prose, bldz. 489. I poemi eroici, e i discorsi intorno a l'arte, e
il modo del comporli a niuno ragionevolmente dovrebbono esser più cari
che a coloro i quali leggono volentieri azioni somiglianti a le proprie
operazioni ed a quelle de' lor maggiori: perciò che si veggono messa
innanzi quasi un'imagine di quella gloria per la quale essi sono stimati a gli
superiori; e riconoscendo le virtù del padre e de gli avi, se non
più belle, almeno più ornate con varii e diversi lumi de la
poesia, cercano di conformar l'animo loro a quello esempio.
36Smith citeert uit Harington's
‘Apologie’: Ariosto's gedicht is een heroïsch gedicht dat
‘with her sweet statelinesse doth erect the mind & lift it up to the
consideration of the highest matters’. Elizabethan Poetry, bldz.
312.
37De dichtkunst, zo betoogt Sidney, staat boven
het opzettelijk onderwijzen van de filosofie. ‘But to be moved to do that
which we know, or to be moved with desire to know, hoc opus, hic labor
est. Now therein of all sciences (I speak still of human, and according to
the human conceits) is our poet monarch. For he doth not only show the way, but
giveth so sweet a prospect into the way, as will entice any man to enter into
it … And, pretending no more, doth intend the winning of the mind from
wickedness to virtue…’ An Apology, bldz. 112-113.
38De Reden van de Waerdicheit der
Poësie. De poëzie is ‘le langage des Dieux’ heeft
Montaigne gezegd. Dan vervolgt Hooft: Dese heeft de Ouwden onderwesen in de
wonderheden des natuirs, ende de oorsaecken der dingen aen den dach gebracht:
dese de sterffelijcke ooghen wt het slijm des aerdtbodems opgeheven ten hemel,
om die blinckende coninckrijcken, ende d'oneindelijcke cieraeden van die
aldergrootste, aldertreffelijckste schepselen te doorwandelen. Dese heeft den
mensche, dat meer is, geleert in sich selven gaen … sijn hejl in de
deuchde soecken … sy heeft geleert steden te stichten, wetten te stellen
… coningen en coninginnen, en de geene, die loon en straffe van 't
burgerlijcke Recht ontwossen sijn, binnen de paelen haeres plichts geweten te
bedwingen. Hooft, Brieven, Dl. I, bldz. 420-421.
39Sidney, An Apology, bldz.
113-114.
40Van Baarle, Oratien, bldz.
560-561.
41Tasso, Discorsi del poema eroico, in,
Prose, bldz. 545.
42Weise, L'ideale eroico, Dl. I, bldz.
152.
43Brandt, ' T Leeven, bldz. 19-20.
44Weise, L'ideale eroico. Dl. II, bldz.
50.
45Weise, L'ideale eroico, Dl. II, bldz.
47.
46Tasso, Discorsi del poema eroico, in,
Prose, bldz. 557.
47Bredero, Griane, Voor-Reden,
* ** 5 v°
48Ripa, Iconologia, bldz. 85-86.
49Hooft, Gedichten, Dl. I, bldz.
276.
50Brandt, ' T Leeven, bldz.
12.
51Het standaardwerk hierover is Panofsky's,
Hercules am Scheideweg.
52Waith, The Herculean Hero, bldz.
42-43.
53Van Baarle, Oratien, bldz.
634-637.
54Van Baarle, Oratien, bldz.
638. Reeds in de oudheid kwam de combinatie van Hercules en Athene
veelvuldig voor. Dikwijls staat de godin achter de held of ter zijde, met de
duidelijke bedoeling dat zij hem steunt in zijn onderneming. Een paar
prachtige voorbeelden geven twee metopen van de Zeustempel in Olympia: Hercules
en de stal van Augias, en Hercules, Atlas en de Hesperiden. Zie hiervoor:
Flacelière en Devambez, Héraclès. Images et
Récits.
55Van Baarle, Oratien, bldz. 670.
56Van Baarle, Oratien, bldz.
678.
57Van Baarle, Oratien, bldz. 680.
57Van Baarle, Oratien, bldz.
680.
58Van Baarle, Oratien, bldz. 681.
59Hooft, Gedichten, Dl. I, bldz.
83.
60Van de Waal, Geschied-uitbeelding, Dl.
I, bldz. 84-85.
61Hooft, Brieven, Dl. I, bldz.
419.
62Smith, Elizabethan Poetry, bldz.
341.
63Smith, Elizabethan Poetry, bldz.
304.
64Aangehaald door Weise, L'ideale eroico,
Dl. I, bldz. 153.
65Hooft, Gedichten, Dl. I, bldz.
144.
66Garin, Il pensiero pedagogico, bldz.
150.
67Hooft, Gedichten, Dl. I, bldz.
151.
68Van Grotius' Parallelon is in hs. slechts
het derde boek bewaard gebleven. Mr. Johan Meerman gaf het met een Nederlandse
vertaling uit tussen 1801 en 1803.
69Zie hiervoor Blunt's Artistic Theory in
Italy.
70Jan Bialostocki, The Renaissance concept of
Nature and Antiquity, in, The Renaissance and Mannerism.
71Hooft, Gedichten, Dl. I, bldz.
192.
72Hooft, Gedichten, Dl. I, bldz.
185.
73Zie hiervoor Aristoteles' Ethica, boek
IV, hoofdst. 3.
|
|