|
|
|
| | | | | |
P.E.L. Verkuyl
Kosmos-beelden in Hoofts lyriek
Hoofts debuutbundel, de
Emblemata amatoria gecompleteerd met een keuze
uit zijn lyriek
1,
opent met een lang gedicht, ‘Voorreden tot de Ievcht’, dat inleidt
tot de emblemen. Het is in dit gedicht dat voor het eerst blijkt dat
Hooft de bouw van het planetenstelsel volgens de
opvattingen van
Ptolemeus kent. Immers, op de eerste mei weidt Venus
‘Haer lieve lachend' oogh eens over heen de scharen/Die yvrich tot haer
dienst, en overgheven, vvaren/Ter aerden neergheknielt, om offerand te
doen’ en bevangt haar het verlangen 'haer vvijtverbreyde rijck’ te
overschouwen. Zij stijgt daartoe op naar een plaats vanwaar zij ‘op en
nederwaerts’ dat rijk inspecteert. Met veronachtzaming van de sterfelijke
wezens laat zij haar oog gaan over ‘'s Hemels oorden’ en vindt die
‘beseten (…) met onghemeten Goon’. Vanaf ‘Saturnus met
zijn star in 't hoochst’ somt Venus dan de Goden der planeten op, bij elk
hun amoureuze aard toelichtend door een korte vermelding van hun
liefdesaffaires, en in de vaste volgorde ‘van’ Ptolemeus: Saturnus,
Jupiter, Mars, de schone Phoebus, de kluchtige Mercurius en de slaperige Maan.
Uiteraard noemt zij in deze opsomming zichzelf niet. Men wist en weet dat zij,
als planeet, haar plaats heeft tussen Phoebus, de zon, en Mercurius. En dat
lijkt me ook precies de plaats die zij in Hoofts gedicht voor haar
‘teichoskopie’ inneemt, te weten, volgens vers 11, ‘t'halver
lucht’, halverwege de lucht. Dat moet de vertaling zijn, maar mèt
de aantekening dat ‘lucht’ hier dan aanduidt de ruimte tussen de
aarde en de buitenste sfeer, de uiterste rand van de kosmos. Tot op onze dagen
is het spreekwoordelijk, althans is het bekend dat de liefde de mens in de
zevende hemel brengt, op z'n minst kàn brengen. Die hemel is Venus'
sfeer, èn de zevende, als men telt vanaf het Primum mobile, en
daaronder aanwezig veronderstelt: de sfeer der vaste sterren
2 , en die van Saturnus tot en met die van de zon; Venus'
sfeer is óók de ze- | | | | vende als men telt van beneden af,
beginnend bij die der vier elementen (aarde, water, lucht en vuur) en dan die
der Maan en van Mercurius. Zó staat Venus ‘t'halver lucht’,
centraal. Ik geloof dan ook dat de ‘Voorreden’ van Hoofts emblemata
duidelijk maakt dat niet alleen de bouw van het planetenstelsel, dus van het
samenstel van de planeten met en rondom de aarde, volgens
Ptolemeus,
Hooft bekend en vertrouwd was, maar ook diens model van de
totale kosmos (afb. 1). Dat is niet vreemd: in een dergelijk geocentrisch
wereldbeeld vertonen planetenstelsel en kosmos een zó nauwe samenhang
voor wat betreft het bewegende mechaniek, dat kennis van het eerste praktisch
die van het tweede impliceert. En dat Hooft vroegtijdig die kennis heeft
verworven is evenmin verbazingwekkend: de eeuwen door overgeleverd in
‘encyclopedische’, in theologische, in technische en in literaire
teksten, werd het in het universitaire onderwijs (binnen één der
artes liberales, de astronomia), misschien ook in de laatste fase van het
daarvoor liggende onderwijs gepresenteerd.
Dat wereldbeeld bevatte meer dan alleen een voorstelling van wat wij
- met alle gevaar voor ernstige misverstanden, waarover hierna nog het een en
ander volgt - het mechaniek van bewegende lichamen zouden noemen. Van kennis
van dat méér getuigt Hooft óók, in vers 42. Dat
maakt deel uit van de conclusie waartoe Venus na haar ‘schouw’
komt:
(…) zy vandt de Goon van minste tot den meesten,
42
En 't middelbaer gheslacht der langlevende gheesten,
Haer en haers Soons ghevaen; (…)
3
Wie die ‘Goon’ zijn, is wel duidelijk: van Diana (Luna)
af tot Saturnus; de goden der planeten. Maar wie met ‘'t middelbaer
gheslacht der langlevende gheesten’ worden bedoeld, zal menigeen zich af
blijven vragen. Van de weinige editeurs
4 van de
Emblemata amatoria ken ik er slechts
één die een poging tot verklaring doet, maar een weinig
geslaagde. Want wat moet men zich, ná vers 41, denken bij deze
‘vertaling’ van 42: ‘en de goden die in rang daartussen in
stonden’?
5
| | | |

Afb. 1, uit: S.K. Heninger Jr., The Cosmographical
Glass. Renaissance Diagrams of the Universe, San Marino (Calif.) 1977, fig.
50, p. 72.
| | | |
Het is
C.S. Lewis die in kringen van met name medievisten en
renaissancisten vertrouwdheid met het kosmische wereldbeeld dat in de loop van
de zeventiende eeuw verworpen werd, bewerkt, of minstens beoogd heeft. Vooral
met zijn, op dat wereldbeeld met zijn titel duidende, boek
The discarded image. An introduction to medieval and
renaissance literature (1964); maar evenzo met zijn voor een ander
publiek dan literatuurminnaars en/of -wetenschappers gehouden lezing over
‘Imagination and thought in the Middle Ages’ (opgenomen in de
postuum gepubliceerde bundel
Studies in Medieval and Renaissance literature
(1966)), en met sommige pagina's uit zijn
Studies in Words (19601). In
eerstgenoemd boek nu wijdt Lewis een heel hoofdstuk, het zesde, aan wat hij met
een ontlening aan Martianus Capella's De nuptiis Mercurii et Philologiae
noemt de ‘Longaevi’. Dat zijn ‘Pans, Fauns, Satyrs, Silvans,
Nymphs, Nerei’, blijkens Capella en ook Bernardus Silvestris: wezens die
langer leven dan mensen, maar niet onsterfelijk zijn, onschuldig, begiftigd met
lichamen van elementaire zuiverheid. Zo staan ze tussen de mensen en de Goden
in, het ‘middelbaer’ geslacht, mèt beide categorieën
onderworpen aan de liefde.
Hooft kende dus, blijkens zijn Voorreden, zoals die
staat in de druk van 1611, toen dat ‘verworpen beeld’. En hij
gebruikte het ook enkele malen elders in zijn lyriek. Slechts énkele
malen. Volgens
Van Tricht immers vindt de mens bij Hooft, en zo Hooft
zelf, ‘in staat en maatschappij (…) het perk van zijn leven.
Daarbuiten, buiten le sublime positif en buiten het brandpunt van Hoofts
aandacht liggen de natuur, de kosmos, de schuld, de dood’.
6 Dan verwacht men
ook geen intensief gebruik van beelden ontleend aan verbeeldingen van de
kosmos. Maar de formulering ‘buiten het brandpunt’ houdt een
aanwezigheid van het heelal binnen de periferie van Hoofts interesse voor
mogelijk, zo niet waarschijnlijk. En als men dat bedenkt, rijst de vraag of,
bij blijken in zijn lyriek van kennis van de kosmos, hij zijn beelden ontleent
aan alléén dat verwórpen beeld of óók aan
dat wat daarvoor in de plaats is gekomen. Het is toch ieder wel bekend hoe
omtrent de bouw van het heelal de strijd op het astronomisch vakgebied in
Hoofts geboorte-eeuw een definitieve, nieuwe fase is ingegaan, en tijdens zijn
leven beslist is. | | | | Het noemen van de namen
Copernicus en
Galileï kan volstaan om een ander in herinnering te
brengen. Evenzeer zal het bekend zijn dat wetenschappelijke discussies,
hypothesen en voorstellingen (in de zin van aanschouwelijke modellen) in het
algemeen traag ingang vinden in de belevings- en voorstellingswereld der leken
op het betreffende gebied van wetenschap. Zijn die leken literatoren dan zullen
in hun werken - zo daar al sprake is van directe verwerking van resultaten van
wetenschappelijke discussies, of van het incorporeren van beelden,
voorstellingen uit een wetenschapsgebied - veelal slechts díe beelden
uit een wetenschapsgebied een plaats vinden die dienstbaar kunnen zijn aan die
bedoelingen die zij met hun werken hebben. Alleen in het geval van een
leerdicht zal, bij de beslissing tot opname, de wetenschappelijke houdbaarheid
het zwaarstwegend argument zijn. In alle andere gevallen - bij voorgenomen
gebruik dus in met name lyriek, maar ook de ‘echte’ (vertellende)
epiek, en de dramatiek - zal veelal zowel de aanschouwelijkheid (of bepaalde
aspecten ervan) als het al dan niet algemeen aanvaard zijn van de
voorstelling(en) bepalend zijn voor de aanwending ervan. Niet gauw zal - om via
een voorbeeld een en ander wat te verduidelijken - een modern lyricus in een
liefdesgedicht de ptolemeïsche voorstelling van de kosmos gebruiken:
aanschouwelijk is dat model wèl, maar algemeen verworpen,
ongeloofwaardig geworden, en daarom moeilijk bruikbaar. Gebruik ervan zou
immers een beroep doen op de overtuigingskracht van de dichter die
‘binnen’ het gedicht de lezer zou moeten doen vergeten dat buiten
het gedicht het wereldbeeld ervan niet geaccepteerd wordt of kan worden. En
omgekeerd: eenzelfde modern lyricus zal het moeilijk vallen in een
liefdesgedicht het aanschouwelijke moderne heelalmodel een rol te laten spelen,
ook al is dat algemeen aanvaard, maar juist omdat het weinig beeld-materiaal
levert. Een en ander houdt wel in dat het moeilijk zal zijn op grond van het al
dan niet gebruiken van enig wereldbeeld door een auteur, conclusies te trekken
omtrent zijn meerdere of mindere moderniteit ten aanzien van de wetenschap
omtrent de kosmos.
Huygens gebruikt, naar het mij voorkomt, altijd het
ptolemeïsch stelsel als hij het kosmische in zijn liefdespoëzie, of
zijn religieus-mediterende verzen betrekt. Genoeg- | | | | zaam bekende
voorbeelden zijn daarvan resp. ‘Vryery’
7 en ‘Kent u’.
8 Op deze gronden Christiaens vader als ouderwets, als aanhanger
van het verouderde stelsel te beschouwen, gaat niet aan. Men is, dunkt me,
voorzichtiger, en zo dichter bij de waarheid, als men vaststelt dat de
concretezza, en het ‘beslotene’ en overzichtelijke van het
ptolemeïsche stelsel hem aantrekkelijk moeten zijn voorgekomen,
aantrekkelijk in verband met de doelstellingen van zijn gedichten.
Niet toevallig kon
Huygens goed als voorbeeld dienen: bij hem is er sprake
van levenslange, zij het niet erg diepgaande, interesse voor
natuurwetenschappelijke problematiek, waarbij ook het astronomische in het
gezichtsveld komt, en het astrologische. Astronomen van naam komen in zijn
correspondentie - overigens niet overmatig vaak - ter sprake. Dat alles is bij
Hooft niet aan de orde. In zijn
Briefwisseling komt men zelden namen tegen van
contemporaine astronomen of van filosofen die zich met hypotheses omtrent de
bouw van het heelal hebben beziggehouden. Om, met Van Trichts drie delen in de
hand gemakkelijk, precies te zijn:
Galileï twee,
Descartes twee en
Copernicus een maal.
9 En dan blijkt nergens interesse voor hun astronomisch of
kosmologisch werk. Toch, als gezegd, zijn er in zijn werk, met name in de
lyriek, en ook in zijn dramatiek, plaatsen aan te wijzen waar kosmische beelden
worden gebruikt. Bij enkele lijkt het me zinvol er enige aandacht voor te
vragen om te zien wat er precies staat, aan welke voorstellingen ze refereren,
en waartoe. Ik beperk me hier tot enkele verzen uit de lyriek; die bieden het
voordeel van een klein interpretatieveld, anders dan bij een plaats uit een
drama het geval is. In zijn omvangrijk proza-oeuvre verwacht men, op grond van
de stof, nauwelijks passages die ons in dit kader kunnen boeien; ik ken ze ook
niet, maar heb er de verschillende werken ook niet op nagelezen.
De kennis van het ptolemeïsche stelsel zal Hooft - als gezegd -
voor het eerst verworven hebben in zijn opleidingsjaren. Verlevendigd en
eventueel uitgebreid zal hij haar hebben eerder via lectuur van literaire
geschriften dan door die van wetenschappelijk werk of technische
verhandelingen. In eerste instantie mag men, dunkt me, niet méér
bij hem verwachten dan een globaal beeld van het oude | | | | model, zoals
dat nu en dan geschetst blijkt in werk van zijn tijdgenoten-literatoren, of
zoals dat op de achtergrond van beelden en verbeeldingen bij hen vermoed mag
worden. Ik heb hier het oog op passages als die men kent uit
Huygens' al genoemde ‘Kent u’ waarin hij
schrijft over het ‘Nest van Doosen sonder end’ (vs. 13), en uit
diens
Dagh-werck de verzen waarin sprake is van
‘'tblauw geschimmer / Datm' in soo veel schellen snijdt’.
10 Wie nu dat beeld vandaag de dag voor ogen
krijgt, door lectuur van zulke passages of anderszins, loopt het gevaar er met
te moderne ogen naar te kijken. De aantrekkingskracht van het ‘verworpen
beeld’ ligt, zoals ik hiervoor al heb opgemerkt, naar mijn mening voor
een zeer groot deel in de concretezza ervan in suggestieve afbeeldingen
(tekeningen, armillaire sferen) of soortgelijke evocatieve beschrijvingen (als
van Huygens). Welnu, die voorstelling, afbeelding, verbeelding lijken in al hun
concreetheid exact, in die zin dat ze bepaald zouden zijn door de metende,
objectieve wetenschappen uit het kamp der artes liberales: geometria,
arithmetica, astronomia. Dat zou betekenen dat het model een mechaniek
uitbeeldt, een samenstel van levenloze objekten. En dit nu was de afgebeelde,
of verbeelde ‘werkelijkheid’ van haar oorsprong af tot in haar
nadagen nooit. Dat ‘mechaniek’ immers bewoog; en voor beweging was
volgens Aristoteles' filosofie een beweger van node; voor elk der onderling
onafhankelijke onderdelen ervan, een beweger. Gevat binnen het Empyreum,
werd de buitenste sfeer, het Primum Mobile, bewogen door de onbewogen
Beweger, God. De sfeer der vaste sterren, en alle overige, van de Saturnus- tot
en met de Maansfeer werden elk bewogen door hetzij een hun toegedachte
anima, hetzij een hen vergezellende intelligentia. In de
middeleeuwse christelijke natuurfilosofie waren die intelligentiae
vereenzelvigd met Engelen. Het bestaan van Engelen stond toen en later niet
alleen op christelijk-dogmatische gronden, maar ook op basis van het
‘principe van de volheid’, dat erfgoed van het Neoplatonisme, vast.
11 Zo is het
begrijpelijk dat de hypothese die staande hield dat kosmische sferen bezielde
wezens waren, in de loop der christelijke tijden op de achtergrond raakte, ten
faveure van de voorstelling van die der dank zij Engelen bewegende
planetensferen.
12 Maar welke veronderstelling omtrent de bewe- | | | | gers,
animae of intelligentiae, men ook volgde, voor beide soorten
geldt dat ze binnen het fysisch universum geestelijke krachten
vertegenwoordigen. De eliminatie nu van deze krachten uit het wereldbeeld is
een (belangrijk) aspect van dat proces waaraan
Dijksterhuis zijn opus magnum heeft gewijd. Hij
heeft het zo niet voor het eerst
13, dan toch definitief zijn naam gegeven: de
mechanisering van het wereldbeeld. In dat proces is het door
Aristoteles geponeerde wezenlijk onderscheid tussen de
etherische ruimte boven, en de ruimte beneden de sfeer der maan opgeheven: in
het hemelse en in het ondermaanse gelden dezelfde wetten van de dynamica en de
kinematica.
Bij Dijksterhuis, en minder gedetailleerd, compacter, maar tegelijk
in een ruimer kader van wetenschapsontwikkelingen, bij
Crombie, kan men lezen hoe langzaam dat
mechaniseringsproces zich voltrokken heeft, tussen
Copernicus en
Newton. In de rij der grote natuurfilosofen door deze
twee in tijd begrensd horen thuis
Brahe,
Kepler,
Galileï en
Descartes.
Natuurfilosofen moeten ze heten, niet (alleen) fysici. Immers, zij
zijn niet (alleen) slechts rekenende onderzoekers, die zich louter occuperen
met het weeg- en meet-, en daarom berekenbare aspect van natuurverschijnselen.
Evenzeer speelt in hun denken en hun geschriften het filosofische zijn rol. En
in hun filosofische systemen bevindt zich - met uiteraard persoonsgebonden
variaties - een flink kwantum gedachtengoed uit de kwalitatieve,
niet-kwantitatieve aristotelische en de (neo-)platonische traditie.
Een flink kwantum, maar in de loop van de tijd wél in omvang
afnemend. Het kan dan ook niet verwonderen dat in een geschiedenis van het
(natuur-)wetenschappelijk denken en handelen naast namen als die zojuist in
herinnering geroepen zijn, andere figureren, waarvan het gros van de huidige
exacte-wetenschapsbeoefenaren geen weet heeft, tenzij eventueel via de algemene
cultuurgeschiedenis of historie van de wijsbegeerte. Enkele van hen zijn:
Thomas Digges en
Robert Fludd uit Engeland,
Giordano Bruno en
Tommaso Campanella uit Italië. Hun namen spelen in
werken op het ideeënhistorisch terrein een grotere rol dan in
wetenschapsgeschiedenissen.
14
| | | |
Eerstgenoemde categorie boeken is literatuurhistorici in
het algemeen vertrouwder dan laatstgenoemde. Daartoe hoort
Lovejoy's bekendste publicatie, waaruit hiervoor al
geput is
15, zijn
The great chain of being (1936, vele herdr.).
In het vierde hoofdstuk ervan wordt duidelijk gemaakt dat en hoe de nieuwe
wetenschappelijke theorieën van Copernicus en Kepler nauwelijks van belang
zijn geweest voor een revolutie in de kosmografische denkbeelden (in de meest
letterlijke zin van dat woord!) van filosofisch georiënteerden. De
wereldbeelden van beide geleerden handhaafden immers het idee van een kosmos
die gesloten was, namelijk omsloten door een buitenste schil, sfeer. Wèl
was die een stilstaande, met nu dus absoluut vast-staande sterren; maar ze
wàs er, begrensde het heelal.
16 En wèl
draaiden daarbinnen de aarde, vergezeld van de maan (nu geen planeet meer, maar
satelliet), en het vijftal resterende planeten (Mercurius, Venus, Mars, Jupiter
en Saturnus) rond de zon; maar die stond bij geen van beiden in het centrum van
een cirkelvormige aardbaan. Bij Copernicus toch ligt het centrum van de
aarde-beweging niet in de zon, en worden, om de cirkelvormige beweging als
grondprincipe van de hemel-mechanica te sauveren, nog ouderwetse epicycles en
excentrische deferenten gebruikt. Bij Kepler wordt - in het begin van de
zeventiende eeuw - de cirkel doorbroken
17: de aarde (ook zij) loopt in een
ellipsvormige baan, waarvan een der brandpunten de zon ‘is’.
Nu waren er die beide beroemdheden een echt helio-centrisch
wereldbeeld toerekenden; ten onrechte dus. Dat waren de
‘populariserende’ auteurs van boeken met fraaie maar globale, en
onnauwkeurige afbeeldingen.
18 Wat zij daarmee, onder andere, bewerkten was, dat de
weg vrij kwam voor een wenselijke, vroeger al door sommigen nodig geachte,
correctie van een tegenstrijdigheid in het (oude) wereldbeeld in metafysisch,
precieser gesproken, in neoplatonisch perspectief. Het middelpunt van de kosmos
en dus de aarde, bevond er zich, op de verst van het goddelijke
(‘in’ het Empyreum) verwijderde plaats; in de hiërarchische
wereldorde bevond zich de aarde ónderaan. Maar ze bekleedde
tévens de in feite belangrijkste plaats in een bol, het centrum. Sterker
nog, niet de aarde, maar de hel, ja de Duivel zelf vormde het heelalcentrum.
19 Met | | | | nù de zon, symbool van het Goddelijke, van
God als de zichzelf uitstortende Liefde (niet als de Onbewogen Beweger), in dat
centrum, vertoefde Hij als het ware niet meer in de ‘verre’
periferie van het Empyreum; Zijn licht en warmte vervulden de kosmos, begrensd
als deze bleef in absolute zin, door de vaste-sterren-sfeer die als een
ondoordringbare en spiegelende wand fungeerde. Zo kon, wie meer
(neo-)platonisch-filosofisch dan aristotelisch-christelijk georiënteerd,
dergelijke moderne heliocentrische modellen onder ogen kreeg, of ter ore
kwamen, weinig of in het geheel niet schrikken: omdat de kosmos er begrensd
bleef, en de zon, aantrekkelijker, in het centrum ervan was gekomen. Alleen wie
ook in heelalverbeeldingen bijbelse voorstellingen als richtsnoer hanteerde,
moest bij dergelijke afbeeldingen een discrepantie vaststellen tussen zo'n
heliocentrisch model, met de zon in rust, en het bijbelse wereldbeeld met de
zon in beweging, en kon daarvan schrikken. Van dezulken waren er ongetwijfeld
veel, ook in de Nederlanden. De geschiedenis van de acceptatie van het nieuwe
wereldbeeld binnen de christelijk-bijbelse geloofswereld strekt zich uit over
een lange periode, en behoeft hier niet verteld te worden.
20 In dit
kader is, naar mijn mening, van méér belang wat
Lovejoy in kosmografisch opzicht wèl
revolutionair noemt, in tegenstelling dus tot Copernicus' en Keplers
innovaties.
21 Dat zijn
een vijftal hypotheses omtrent de wereld om ons, om de aarde heen. Voor wat
verderop ter sprake wordt gebracht lijken mij de volgende drie van belang.
Allereerst: de kosmos heeft géén omgrenzende sfeer; dat wil
zeggen dat de ‘vaste’ sterren uit die sfeer wijd en onregelmatig
verspreid in de onbegrensde ruimte ‘buiten’ ons zonnestelsel (de
zon met de planeten) ‘staan’. Ten tweede: die sterren zijn zonnen
(als de onze), de meeste of mogelijk alle vergezeld van planeten. Ten slotte:
het fysisch universum is oneindig en bevat een oneindig aantal
zonnestelsels.
Ten aanzien van de eerste en tweede hypothese schrijft Lovejoy dat
het moeilijk zou zijn het potentiële belang ervan voor de verbeelding te
overschatten. En wat moeten dichters (veelal) anders heten dan:
verbeelders?
In feite betekenen de genoemde hypotheses de ommezwaai van een geo-
of helio-centrische naar een a-centrische kosmos; en zijn | | | | zij
consequenties van de toepassing van het hierboven al een keer vermelde
‘principe van de volheid’ (basis voor de keten der wezens) op
kosmische fenomenen, in het bijzonder levenloze creaturen.
Al vroeg in de zestiende eeuw, die van Hoofts geboorte, zijn de zo
juist vermelde hypotheses - tezamen met de twee overige die Lovejoy releveert
en betrekking hebben op buitenaardse lévende wezens - algemene punten
van wetenschappelijke discussie. In de laatste decennia ervan levert
Thomas Digges een suggestieve afbeelding van een kosmos
met een ‘infinity of the “orb” of the fixed stars’
(afb. 2).
22
Giordano Bruno is dan de voornaamste representant van de
leer van de a-centrische, oneindige en oneindig ‘gevulde’ kosmos.
Daarmee is hij overigens niet zozeer ‘the herald and champion of a modern
conception of the universe’ als wel ‘most completely the continuer
of a certain strain in Platonistic metaphysics and in medieval theology’.
23 (zie afb. 2) De
‘oneindigheid van werelden’ die Bruno propageert is immers -
Lovejoy wijst er nadrukkelijk op - klassiek erfgoed. Men vindt de these bij
Democritus en de Epicureërs.
Hooft kan ze gekend hebben uit de lectuur van
De rerum natura van de grootste dichter der
laatstgenoemden, Lucretius. In het tweede boek ervan is een hele passage gewijd
aan de veelvoud der werelden in het oneindige universum (vss 1048-1089). De
schrijver hoort met
Horatius - ook volger van
Epicurus - tot de favoriete dichters van
Montaigne
24, wiens invloed op
Hooft bekend is.
Van Tricht poneert trouwens ook het doorklinken van
Lucretius' stem in lyriek en drama van ‘zijn’
dichter.
25
Die schrijft op 5 en 6 oktober 1608 een bekend gedicht, een dialoog
tussen
Daifilo en
Granida, zijn ‘Persische Infante’. We kennen
het in de versie van die dagen, in het Eerste Rijmkladboek; in de versie van
het Granida-katern
26; en uit de
Emblemata amatoria van 1611.
27 Voor ons doel
zijn de lichte varianten van onvoldoende belang om ze alle aan de orde te
stellen. Eén ervan komt hieronder vanzelf ter sprake. Het gaat mij hier
om de derde strofe, volgens de Eerste Rijmkladboek-tekst als laatste voltooid
op zondag, de eerste der beide genoemde data. Die luidt (Daifilo spreekt):
9
'T alstierende vernuft met hete liefd bevangen
Heeft met meer const vw Siel en lichaem afgepast
| | | |
11
Als het ontallijck tal der werlden die der hangen
Straelvlammende' in de lucht, en nergens sijnse vast
De laatste uitvoerige annotator van deze (en de
Granida-katern-)versie,
Smit in
Hooft en DIA (1968), geeft toelichtingen bij 9a,
bij const en afgepast uit 10, ontallijck en der uit
11 en bij de laatste drie elementen uit 12. De variant (in het
Granida-katern) ‘alschickende’ voor
‘alstierende’ (9) wijst er mijns inziens op dat
Hooft die woorden praktisch als synoniemen beschouwde,
ofwel dat hij, zoals Smit opmerkt, aan het eerste woord later de voorkeur heeft
gegeven mede om de ruimere betekenis die tevens de gedachte aan
‘voorbeschikken’ en ‘bestemmen’ omvat. In ieder geval
lijkt ‘alstierende’ voor Hooft niet, of niet op de eerste plaats
‘alles sturende’, met hoofdaandacht voor het ‘doen(de)
bewegen’, te betekenen. Ook met het oog op de tweede bepaling, ‘met
hete liefd bevangen’, bij ‘vernuft’, lijkt het mij niet
gewaagd te veronderstellen dat Hooft, toen hij God aldus omschreef, deze niet
als Onbewogen Beweger heeft willen karakteriseren.
28 Eerder ziet hij Hem als de zongelijkende, verwarmende
liefde uitstortende, wijze schikker van alles, die met groter meesterschap op
elkaar heeft afgestemd Granida's ziel en lichaam, dan dát waarvan het
‘afgepast’, ‘geordend’ zijn van de
‘werlden’ in de kosmische ruimte getuigt. Eerder dus lijkt
in vers 9 sprake van een ander wereldbeeld dan dat waarin de Onbewogen Beweger
zijn plaats, buiten de kosmos, in het Empyreum, heeft. Welk beeld dat
dan is, daarvan zeggen de verzen 11 en 12 het een en ander. Wat precies?
Die vraag krijgt niet beantwoord wie Smit's annotatie en zijn
parafrase van het gedicht bestudeert. In de laatste geeft deze vss 11-12 weer
met ‘de stralende hemellichamen’. Het substantief is dus de
vertaling van Hoofts ‘werlden’; men moet er uit opmaken dat Hooft
hier over ‘sterren en planeten’ spreekt. Alleen deze immers kan men
heden ten dage - eventueel mèt kometen en vallende sterren - aanduiden
met ‘hemellichamen’ als men de benaming ‘sterren’ wil
vermijden omdat die te beperkt zou zijn. Dit laatste lijkt Smit te willen,
mogelijk in verband met Hoofts onwil of onmacht het woord ‘starren’
te gebruiken. Immers, als twee-syllabig | | | |

Afb. 2, uit: S.K. Heninger Jr., The Cosmographical
Glass. Renaissance Diagrams of the Universe. San Marino (Calif.) 1977, fig.
38, p. 50.
| | | | woord, was dát toch bij uitstek geschikt
hem te helpen bij de correctie van zijn tekst tijdens het kopiëren ervan
in zijn Rijmkladboek uit het eerdere ontwerp ervan, naar de door
Smit veronderstelde gang van zaken. In dat onderwerp
toch luidde vs. 11b oorspronkelijk ‘der werelden die hangen’; dat
werd eerst verbeterd tot ‘der werelden die der hangen’ waarna met
een finishing touch, nog zichtbaar in het handschrift, de tweede
‘e’ van ‘werelden’ geschrapt werd, en men moet lezen
‘werlden’.
Hooft vermijdt aldus ‘starren’, hij
persisteert bij ‘werelden/werlden’. Dat woord voorziet hij van
enkele bepalingen: ze zijn ontelbaar in aantal, ze hangen
‘straelvlammende’ in de lucht, en, tenslotte, dat hangen is
merkwaardig, want ze zijn nergens aan vastgehecht, ze zweven.
Het moet niet moeilijk zijn deze ‘werlden’ te
determineren. Het ‘straelvlammende’ dunkt mij het duidelijkst: ze
stralen vlammende, of ze vlammen, waarbij de indruk van wegschietende pijlen
ontstaat. Beide omschrijvingen, de eerste een aanvullende bij Smits parafrase,
de tweede die van mijn voorkeur, en dichter bij de tekst, lijkt me, wijzen
mijns inziens op een niet-gelijkmatig, flonkerend, beweeglijk-stralend licht.
Dat is het licht van alléén sterren, niet van planeten.
Mét de aanduiding dat ze in ‘tal ontallijck’ zijn, wijst dat
in de richting van sterren; die zijn hoewel niet echt ontelbaar - althans, in
vroeger tijden, inclusief Hoofts tijd telde men op basis van waarneming met het
ongewapend oog, en zonder dat men wist dat de Melkweg door sterren gevormd
werd, er op het noordelijk halfrond bijna 2500
29 - toch zó groot in aantal dat men van
‘ontallijck’ spreken kan, maar niét bij de zeven planeten
(in het oude beeld - zoals we zagen maar zes in het heliocentrische) - waarvan
er overigens slechts vijf ‘ster-achtig’ zijn (niet de zon en de
maan). Zijn de ‘werlden’ dus de ‘starren’? Maar waarom
gebruikte dan Hooft toch niet dat laatste woord? Dat was toch gewoon en
duidelijk genoeg? Maar, dat had wèl de connotatie: die staan aan het
firmament, die zijn vastgehecht aan de vaste-sterren-sfeer. En nu zegt Hooft -
of nauwkeuriger: Daifilo, die ik nu maar even gemakshalve en niet helemaal
onverantwoord
30 als zijn
‘alter ego’ beschouw - juist dat die ‘werlden’ hangen,
daar in de lucht, en nergens vast zijn!
| | | |
Het
WNT mist, zoals bekend is, en hopelijk nog maar
voor korte tijd, zijn afsluitende delen. Zo mist de lezer van
Hooft en WNT een lemma met de betekenissen en
betekenisontwikkelingen van het woord wereld in de zeventiende en latere
eeuwen. Zulk een lemma zou even interessante lectuur kunnen opleveren, denk ik,
als het hoofdstuk negen van
Lewis'
Studies in Words.
31
Dat handelt over ‘World’. Een Nederlandse Lewis die over
‘wereld’ schrijft zal eens ook met deze Hooft-plaats in het reine
moeten zien te komen. De Engelse Lewis merkt op dat de vroege natuurfilosofen
(waarmee hij die uit de zestiende en zeventiende eeuw bedoelt), als zij
handelen over de plurality of worlds - of ze nu in hun Latijn mundi, hun
Frans mondes, hun Engels worlds gebruiken - zij dan altijd speculeren over de
veelvuldigheid van zonnestelsels.
32 Een Engelse
bewijsplaats ontleent hij aan Hoofts befaamde tijd- en leeftijdgenoot
Burton, een Franse aan de laat-zeventiende eeuwer
Fontenelle. De eerste lijkt me te aardig om niet ook
hier een plaats te gunnen. Burton vraagt zich - in zijn
The anatomy of melancholie
33 - af: ‘Why
may we not suppose a plurality of worlds, those infinite stars visible in the
firmament to be so many suns… to have likewise their subordinate planets
as the Sun hath his’. De aardigheid die ik op het oog heb, is gelegen in
het gebruik in déze contekst van het woord ‘firmament’. Dat
is van ouds de term waarmee wordt aangeduid de vaste-sterrensfeer, terwijl de
geciteerde vraag en de hele context de hypothese impliceren die Burton
vervolgens aldus verwoordt door te zeggen dat ‘the “fixed”
stars, far from being all embedded in a single celestial sphere and therefore
all equidistant from Earth, are at very different distances’. Hier lijkt
dus ‘firmament’ de aanduiding geworden van de naar
‘buiten’ toe onbegrensde, uitgedijde ‘celestial sphere’
der ‘“fixed” stars’. Met dit al rijst vanzelfsprekend
de vraag of Hoofts ‘werlden’ een voorbeeld is van het gebruik ervan
als aanduiding van ‘sterren als zonnen (eventueel
al-dan-niet-met-planeten)’. Betekent dus in ‘Persische
Infante’ ‘werld’ zonnestelsel? En verwijst het
‘ontallijck tal’ naar een oneindig gevulde
kosmos-à-la-Bruno, naar een ‘infinite’ aantal
‘stars’ als waarover Burton het heeft? Is ‘lucht’ de
kosmische ruimte gezien als Digges' ‘“orb” of the fixed
stars’, namelijk ‘infi- | | | | nite’? Om dergelijke
vragen met zekerheid bevestigend te beantwoorden zouden we alles moeten weten
van Hoofts kennis van wat we zagen als topics in de wetenschappelijke
discussies al vanaf de vroege zestiende eeuw, door onder andere de hier
genoemde, soms geciteerde auteurs. Dat hij de succesvolle - althans gemeten
naar het aantal drukken
34 -
Digges uit lectuur gekend heeft lijkt onwaarschijnlijk:
het Engels beheerste hij niet.
Burton's boek dateert van ná de ontstaanstijd van
‘Persische Infante’, en zal hij, later, hooguit van horen zeggen
kennen, bijvoorbeeld via zijn contacten met
Huygens. Maar het Latijn en Italiaans beheerste hij
wél. En daarin publiceerden de vroeg-zestiende eeuwse Italiaan
Palingenius
35, en zijn later in die eeuw optredende landgenoot met blijvender
roem mede dank zij zijn tragischer levenslot,
Giordano Bruno. Dat hij geschriften van de laatste -
juist tijdens zijn verblijf in Rome op de brandstapel ter dood gebracht -
gezien of ingezien heeft lijkt zeer wel mogelijk. Dat hij zo kennis heeft
genomen van diens ideeën is niet uitgesloten. Overigens, men kan zeer wel
uit gesprekken over, of naar aanleiding van iemands lot wat algemene noties
verwerven omtrent zaken waarover men, uit desinteresse of anderszins, zich niet
via lectuur informeert. En zal er in het Rome van 1600 niet over die
merkwaardige ex-monnik gesproken zijn, en over zijn ideeën die mede aan
zijn veroordeling ten grondslag lagen? De vraag stellen staat gelijk met ze
bevestigend beantwoorden. Daarmee is overigens niet de hierboven aangeduide
zekerheid met betrekking tot de antwoorden op de gestelde vragen bereikt. Het
dunkt me geheel niet uitgesloten dat ‘werlden’ op deze plaats in
Hoofts werk ‘zonnestelsels’ betekent,
‘sterren-met-planeten’ die daarom ook niet vastzitten aan een
aristotelische, ptolemeïsche, copernicaanse, kepleriaanse vaste
sterren-sfeer, maar in letterlijk ‘ontallijck tal’ in de kosmische
ruimte (‘lucht’) zweven (‘hangen’). In elk geval blijkt
uit Hoofts teksten tot dan toe, voor zover ik zie, nergens dat
‘werld’ synoniem kan zijn van een om zo te zeggen
‘klassieke’, ‘vaste’ ster-zonder-meer, een
‘star’. In alle gevallen dat
Hooft in zijn tot ons gekomen lyrische teksten tot aan
het neerschrijven van de derde strofe van ‘Persische Infante’ het
woord ‘werld’ (‘wereld’) afzonderlijk of in
samenstelling of aflei- | | | | ding gebruikt, betekent het hetzij
‘aarde’ (zestien maal), hetzij ‘mensen/mensheid’ (vijf
maal) en éénmaal ‘kosmos’.
36 Het laatste is het geval in de samenstelling
‘wereld-ooch’ waarmee
Hooft, traditionaliter
37, de zon aanduidt. Zo'n
beeldspraak lijkt in het licht van de destijdse meningen over de werking van
het oog enerzijds en van bepaalde kosmische ‘inzichten’,
wijdverbreid, anderzijds, uitermate adequaat. Het oog zendt volgens die
opvattingen zelf zichtstralen uit die de lichtstralen afkomstig van de objecten
treffen, waardoor deze zichtbaar worden; en de zon is lichtbron, de
énige in de kosmos. Naar sommiger opvatting is ze dat zelfs van de vaste
sterren. Naar anderer opvattingen, heden ten dage algemeen aanvaard, alleen
maar van de planeten; kosmos wordt dan dus in de zin van planetenstelsel
gebruikt, afgezien van de sterren(-sfeer). Naar mijn mening opent de laatst
genoemde - toen moderner - interpretatie de mogelijkheid het woord
‘wereld’ afzonderlijk te gebruiken als aanduiding van het, of van
een zonnestelsel. Misschien is dus het tweetal besproken verzen uit de derde
strofe van ‘Persische Infante’ het éérste signaal in
Hoofts lyriek dat hij het moderne wereldbeeld kende. Zo niet, dan behoudt het
daar gebezigde woord ‘werlden’ iets raadselachtigs; want dan moet
men simpelweg deze verzen zien als de verwoording van de eenvoudige indruk die
de nachtelijke hemel op ‘Daifilo’ heeft gemaakt: een niet te tellen
aantal sterren die aan de koepel (wel moeten) hangen (maar dat op een zeer
kunstige wijze, want) nergens zijn ze (zichtbaar daaraan) vast(gehecht); en
rest niets anders dan de constatering dat ‘werlden’, niét
gewoon, ‘(gewone) sterren’ betekent, hier bij Hooft voor het
éérst.
De tweede passus uit Hoofts werk waarvoor ik in dit verband enige
aandacht wil vragen, dateert uit 1625, en staat te lezen in een gedicht voor
Susanna van Baerle. Voordat zij
Huygens' Sterre is geworden heeft menigeen om haar
geworven. Tenminste als we de ‘Harderskout’ van augustus 1625, met
Jorissen, biografisch mogen lezen, hetgeen, met de
nodige voorzichtigheid, bij zo'n pastorale tekst toegestaan lijkt.
38 In deze lange dialoog tussen
‘Haeghenaer’ en ‘Bosman’ - lees
Huygens en
Hooft - immers figureren | | | | Verveen en Wouter,
Eelhart en Dierrijk, Ypenaar en Lindeman en ‘hondert/De fraeyste van 't
gewest’ (vs. 49-50) als slachtoffers ‘dien zij [- Gloorroos, lees
Susanna -] de zinnen plondert’ (vs. 50), maar van wie zij ‘'er
(las!) niet een’ ‘acht’ (vs. 79). En ook al zou de
identificatie van Gloorroos met Susanne ten onrechte zijn, dan weten we
tòch dat Arbele een anagram van Baerle is. Gedichten voor haar staan
tussen die voor Cloris en Clorinde - met Arbele namen waarmee
Hooft Susanne aanduidt, en toespreekt, als hij bij haar
aandringt om haar gunst. ‘Harderskout’ dateert van
augustus 1625. Tussen dit gedicht en een berijming van Psalm 45 uit april van
dat jaar treft men in het Eerste Rijmkladboek nog slechts het sonnet
‘Fantazij’
39 aan waarvan de
thematiek overeenkomt met een deel van de herdersdialoog. ‘Bosman’
begrijpt, naar hij in vs. 148 zegt, wel waarnaar ‘Haeghenaer's
opmerkingen tenderen, die zojuist zijn uitgemond in zijn retorische vraag:
‘En is 't niet meer als reên dan ook dat yder trachte/Van een
onleschbaer vier zorgvuldigh zich te wachte', / En niemandt waen' te gaen van
ongenaede vrij?’ Immers hij antwoordt: ‘'K weet waer ghij wesen
wilt. Ghij maekt beslujt dat mij/Geen beter lot en is beschooren als den
andren./Maer wijd hun wit en 't mijn verscheelen van elkandren./Zij dienen al
om loon: zijn meer sich selven vriendt,/Als haer. Ick dien alleen op dat zij
zij gedient.’
En in het sonnet spreekt Hooft de minnaars aan en verzekert hen
‘Indien ghij dingt nae loon - en daar is nauwelijks twijfel aan mogelijk
-, wt liefd' en dient ghij niet’ (vs. 4) om in het sextet zichzelf
daartegenover te plaatsen als diegene die ‘wacht slechs op
geboôn’ (vs. 13) van de daar aangesproken beminde. Het is wel
(mede) daarom dat men ook ‘Fantazij’ kan rekenen tot de gedichten
voor, of in verband met Susanne geschreven
40, en wel als eerste van een reeks die zich voortzet tot de
Zededichten en het vijftal Psalmberijmingen dat voorafgaat, onmiddellijk, aan
de ‘Zang ter bruyloft van heer
Constantyn Huigens, (…) en joffrouw
Susanne van Baerle’(!) In die reeks van 21
gedichten, waar in tien ervan in ieder geval Susanne als Gloorroos, Arbele,
Cloris of Clorinde (in de handschriftelijke versies: in druk leest men dan
Arbele) wordt genoemd, dunkt het mij opvallend dat allusies op de eruditie van
de | | | | beminde veelal een bepaalde kleur vertonen. Ik heb hierbij het
oog op passages als, over Gloorroos' geest, in
‘Harderskout’ (vss. 119 e.v.)
Dien goddelijken geest, die all' der dingen drang
Die zonder naedruk zijn en luttel van verlang,
Zoo zoetelijk belacht: maer, met doorvlijmend' ooghen,
Opvliênde tegens 't stejl, ontdekt, tot in den hooghen,
De zaeken van gevolgh, welk' aen al wat 'er is
Zijn geevende de wet, en de beweeghenis.
en waar zij direct daarna gerekend wordt tot de ‘geesten, die
met voeten treen de wolken’ (vs. 130) immers
Haer lust is overleg van 't wightighe belejdt
Der wereltlijke goôn; en, met bescheidenheit
Te wikken hun bedrijf; te raemen op het naeuwste
Waer dat hun raedt op 't rijpst, waer die was op het
raeuwste.
Noch dunkt haer dit een deun. Zij stijght met ijver
óp
En voert zich krachtelijk tot aen des hemels
tóp,
Zien wat de Wijsheit, die daer is ten troon geseeten,
Voor lessen leest; en voeght de werken nae haer weeten.
(131-138)
In ‘Ooghen’
41 luidt een
van de complimenten eraan, dat zij
(..) gewendt zijn nae den hóóghen,
Daer zij meê, den hemelliên
Is gewoon goên dagh te biên (6-8)
En in het laatste gedicht voor Clorinde
42 heet het
dat
Haer sterk vernuft, dat boven 's hemels ringen,
Op zijn gemak, verheffen kan de vlucht,
Met hallef óógh, de tóppen vande dingen
Er is telkens sprake van een streven, met de geest of haar
(geestes-) ogen omhoog, waarvoor bijvoorbeeld het beoordelen van het politieke
bedrijf (in het tweede citaat, eerste helft, de passus over de
‘wereltlijke goôn’) moet wijken. In het pastorale gedicht is
er sprake van het zien van de oorzaken die wet en beweeggrond | | | | voor
het menselijk handelen leveren, ‘tot in den hooghen’, wat
toch niet anders geïnterpreteerd mag worden dan dat die oorzaken in de
hemelruimten, te vinden zijn. Dat zou kunnen duiden op interesse voor
astrologie, binnen de a-christelijke pastorale verbeelding analogon van
interesse voor het naspeuren van het goddelijk beleid, dat in het tweede citaat
in nauwelijks verhullende woorden wordt aangeduid met lessen van de Wijsheid.
De hemellieden die de bejubelde ‘ooghjes’ gewoon zijn te groeten,
kunnen moeilijk in christelijke zin, zullen het meest waarschijnlijk als de
goden of Intelligentiae, Engelen, der planeten en/of de (als) sterren
aan de hemel (geplaatste overledenen) gezien moeten worden. Een en ander
gecombineerd met het gegeven dat
Huygens Susanne Sterre noemt en blijft noemen, en - naar
bekend is - in zijn gedichten voor haar veelvuldig astronomische beelden
gebruikt wijst, naar mijn mening, sterk in de richting van astronomische
(eventueel ook astrologische) interesse bij Susanne. Dat juist in gedichten
voor háár van
Hooft evenzo, behalve een gemaniëreerde stijl,
sterrekundig beeld-materiaal aanwezig blijkt, is tot nu toe geen voorwerp van
aandacht van de zijde van Hooft-studiosi geweest. Als gezegd wil ik hier uit
één gedicht voor haar een passus bekijken. Het interessante (voor
mij) is dat, ook hier weer, twee versies ervan tot ons zijn gekomen. De eerste,
tot het eind van de 19de eeuw nooit gedrukt, vindt men (dus) in het Eerste
Rijmkladboek, en in
Leendertz-Stoett.
43 Het draagt daar de titel:
‘Op het gedicht van Clorinde’ en vangt aan met: ‘O dochter
van Juppijn, die door geregelt queelen’. Het beschrijft Clorinde's
zingende voordracht van haar gedicht, en de uitwerking daarvan. In al de
uitgaven van Hoofts
Gedichten, sinds 1636, verscheen de tweede
versie ervan onder de titel ‘Aen Arbele, datse haere Rijmen 't licht
gunne’. Dan begint het met: ‘Ghy ooghjen onzer eeuw’
44 en blijkt het aangepast aan de situatie dat
Susanne ‘verbiedt(..) 't licht van [hare] rijm te lichten’ (vs. 4).
Maar niet alle varianten zijn een gevolg van de gewijzigde praktische
doelstelling van het gedicht. Met name die in de slotstrofen hebben een wijder
bereik. En juist die twee slotstrofen interesseren ons hier.
In de eerste versie meldt Hooft dat Clorinde in haar zang hem zon
noemt. Hoe ongeloofwaardig dat ook klinkt, (hij is van te grof | | | | marmer gebouwd), het is mogelijk, want haar ‘weetenschap kan, met
een zet, verscheppen/Het maxel niet alleen, maar zellef ook de
stóf’ (vs. 41-42).
45 Dat staat ook in de latere versie,
maar dán is er geen sprake van dit éne gedicht en die uitspraak
erin. Hooft zelf veronderstelt dan dat, zou haar ‘maet’ (d.i. haar
maetgedichten, haar poëzie) zijn wezen komen te overheersen, hij
gemakkelijk een Phoebus zou worden, als niet, maar
tóch…immers… In de volgende strofen van beide versies
schetst hij dan zijn gedrag als zon, totdat hij zichzelf afvraagt waarmee hij
bezig is. Dat luidt in 1625 aldus:
Maer heeft mij Phebus in? Ick raez. De zeven ringen
Van 't blaeuw gewelf hun draej doen op Clorindes zingen,
Nae tujghenisse van mijn veervervoert gezicht.
Haer stemme nóódt ter rey de groote
personaedjen,
Die daer op schildwacht staen voor d' hooghste timmeraedjen,
En maekt al 't hemelsch hajr zijn' gulde voeten licht.
Ghij dichtren hajligh, die deedt door uw wonder werken
Mijn' geest aenwassen, ujt zijn' ijver, deese vlerken,
Ach wissel nemmermeer zijn' veedren weêr aen
lóót.
Op dat mij niet en tref de swaerste last van allen,
En hoe jck hoogher steegh, mij laegher stae te vallen.
Noch viel jck liever waer 't maer in Clorindes
schóót. (L.-St., 244)
In de drukken leest men deze twee strofen aldus - waarbij wereld en
wind in de eerste regel een expliciete aanknoping vormen bij de twee vorige
strofen die handelen over de aarde, met ongewone ‘goeden’ begiftigd
dankzij ‘een lonkjen lichts’ van Arbele, en over de betoverende
uitwerking op de (god der) winden van haar ‘troetelende tong, met
kittelkeurigh vormen/Van nooten noyt gehoort’ - :
Wat's wereld en wat 's windt? Ik zie de zeven ringen
Des hemels luystervast aen uw bekoorend zingen,
En hunnen draey aen trant van dat geschal verplicht:
Vw' stemme nóódt ter rey de grootste
personaedjen,
Die daer op schildwacht staen voor d'hooghste timmeraedjen,
Maekt al 't goud harnast' hajrs gespoorde voeten licht.
| | | |
Maer hoe? waer reys ik heen? myn geest door wonder werken
Der heilghe Poesy, bezeilt, met volle vlerken,
Het opperste gewelf van d' onbeheinde
klóót.
Godinne zoo ghy my in dit onaerdigh brallen
Begeeft, wat naekt my dan, (ach arm!) ellendigh vallen,
Noch viel ik liever, waer 't maer in haer' schoone
schóót. (L-St., 377-378)
De enige geannoteerde uitgave van de eerste versie die ik ken is te
vinden in
Leendertz-Stoett. Hun als overal karige
woordverklaringen beperken zich tot een vijftal waarvan hier twee van belang
zijn. De eerste daarvan, met betrekking tot ‘de zeven ringen’ geeft
in kort bestek zoveel mogelijk ónjuiste informatie op astronomisch
terrein; nu er de mogelijkheid bestaat voor literatuuronderzoekers zich correct
te laten voorlichten door een man als
Lewis met zijn genoemde werken, kan volstaan worden met op
te merken dat de zeven ringen de sferen van de ‘ptolemeïsche’
planeten zijn, die volgens pythagoreïsche ideeën, tezamen de harmonie
der sferen
46 teweegbrengen: dat lijkt me voldoende voor begrip en
interpretatie van de woordgroep. De tweede woordverklaring betreft
‘timmeraedjen’; de betekenis daarvan moet volgens deze editie
luiden: paleis.
Ook van de tweede versie, die vanaf 1636 openbaar is geworden, ken
ik maar één editie met toelichting; dat is die uit 1823, in
Bilderdijks driedelig uitgaafje der
Gedichten. Bij ‘Ghy ooghjen’
verklaart hij ‘aen trant van’ als: aan den maatval, en
‘hairs’ (in zijn spelling) met: D.i. heir, daaraantoevoegend de
parafrase van de hele regel: De gespoorde voeten van al 't (in) goud geharnaste
heir maakt uw stem licht, d.i. vlug.
47
Geen van beide annotaties rept ook maar met één woord
van de personaedjen op schildwacht staande voor ‘d'hooghste
timmerraedjen’; evenmin van de voeten; en, met betrekking tot de
gedrukte versie, van het opperste gewelf van d' onbeheinde
klóót. Toch verdienen ze dunkt me stuk voor stuk enige
aandacht.
Allereerst de personaedjen. Beide versies spreken erover; in
de oudste zijn het de ‘groote’, in de latere versie ‘de
grootste’. In 1625 doen zich zover ik zie twee mogelijkheden voor ze te
determineren. Leendertz-Stoett heeft voor de ene gekozen, door het
timmeraed-
| | | |
jen te verklaren, en zo te interpreteren, met
‘paleis’. Dat kan moeilijk anders dan het paleis van de
godheid/-heden betekenen, ofwel de hemel als woonplaats van God of goden. Grote
personages op schildwacht staand voor dat hemels paleis zullen dan wel geen
anderen zijn dan ‘echte’ hemelbewoners: mindere goden, helden of
halfgoden. Dat verzaligde stervelingen daar als groten zouden worden aangeduid
is niet uitgesloten, maar minder voor de hand liggend. Immers de stem waardoor
die groten ten reidans worden uitgenodigd, maakt tegelijk de voeten van het
gehéle hemelse leger lichtbewegelijk. En met dat leger wordt natuurlijk
de grote schare bedoeld der hemelingen die wel niet alle op schildwacht staan.
Beide categorieën hemelbewoners ervaren de macht van Clorinde's stem.
Aldus interpreterend ziet men iets als op middeleeuwse afbeeldingen van het
hemelse rijk: een grote schare hemelingen, waarvan sommigen, als voornamen,
Gods woonstede, of troon bewaken, en die, met de overigen, hier door het
stemgeluid van de zingende dichteres uitgenodigd en geschikt gemaakt worden
voor een reidans. Verklaart men - en dat is de tweede mogelijkheid -,
timmeraedjen neutraal met: bouwwerk, bouwsel, dan kan men het
interpreteren als een term binnen het, in de eerste strofehelft via de zeven
ringen opgeroepen (waarschijnlijk
48
ptolemeïsche) kosmosmodel, met de betekenis Primum mobile, de
uiterste sfeer. Daarvoor kan men beeldsprakig een zevental Goden of
Intelligentiae (Engelen) in hun (planeten-)sferen op schildwacht zien
staan, dat wil zeggen, staan òf langzaam heen en weer lopen. Die kan men
eenvoudig grote of grootste personages noemen, in vergelijking met de grote
schare der ‘vaste’ sterren, geen van alle Goden of Engelen, maar
(eventueel) ten hemel opgenomen, gestorven stervelingen, en daar voortlevend,
zich met hun gulden voeten zichtbaar langzaam en ‘en masse’ in
één richting voortbewegend. Het wil mij voorkomen dat de keuze
tussen deze twee mogelijkheden geen moeilijke is, en vallen zal op de laatste.
Bij de latere versie geldt hetzelfde; de varianten aldaar brengen geen
wezenlijke veranderingen in de interpretatieproblematiek met zich. Men ziet er
het pleonastische ‘hemelsch’ geëlimineerd, en in verband
daarmee zijn de gulde voeten, gespoorde voeten van goudgeharnasten
geworden. Daarmee is in het aan- | | | | schouwelijk vlak iets gewonnen: de
stervormige radertjes aan sporen corresponderen met de (talrijke,
‘vaste’) sterren; de syntactisch overspannen genitiefconstructie,
door Bilderdijk begrijpelijkerwijs toegelicht, betekent m.i. enig verlies, dat
niet wordt goedgemaakt door een geringe winst in klankcorrespondentie tussen de
laatste adjectieven in de laatste drie regels.
Bínnen het ptolemeïsche stelsel, dat hier een rol
speelt, blijft, naar het schijnt, en te verwachten valt, ook de tweede,
geciteerde strofe, het slot van het gedicht. Verschillende van de wijzigingen
in de 1636-versie zijn begrijpelijk in verband met de gewijzigde doelstelling
van het gedicht, en de gewijzigde status van de in beide versies aangesproken
dichteres (in de vroegere vanaf de vierde strofe, in de latere van meetaf aan).
Wat die status betreft: in 1625 is Clorinde de ongehuwde, om wie
Hooft werft; in 1636 is Arbele
Huygens' echtgenote, Sterre. En de doelstelling: in 1625
naar aanleiding van één gedicht van haar met een compliment voor
hem; resultaat: een complimenteus en op haar smaak ingesteld gedicht voor haar;
in 1636 maakt Hooft er in verband met het ongedrukt blijven van haar
poëzie een gedicht van naar háár smaak, nog steeds, maar nu
om haar tot publiceren te bewegen. Die wijzigingen stel ik hier niet aan de
orde. Evenmin andere, aanwijsbaar omwille van pregnanter zegging, van solieder
incorporeren binnen het geheel van het gedicht. Maar wèl die waarvan op
het eerste gezicht de belangrijkste reden niet ligt in het zojuist
vermelde. Ik bedoel de variant in de derde regel.
Daar zegt de dichter nu waarheen zijn geest door de wonderbare
werking, de macht die tot extase kan brengen, van de Dichtkunst, met al zijn
krachten vliegt, namelijk naar
Het opperste gewelf van d'onbeheinde klóót.
Wil men deze regel in modern Nederlands weergeven dan zal ze
ongeveer als volgt moeten luiden:
de allerhoogste welving van de bol zonder begrenzing.
Kan dat binnen het gedicht, en dus binnen het opgeroepen beeld van
de kosmos, een zinvolle betekenis hebben? De welving, het ge- | | | | welf
is, dunkt me gelijk te stellen aan (een deel van) een bolvormig lichaam, als
elk der sferen in het ptolemeïsche stelsel, of een der varianten ervan,
is. De allerhoogste is daar die van het Primum Mobile. Die is daarin
naar beneden begrensd door de daaronder aanwezige sferen, als eerste hetzij de
coelum cristallinum (diaphanum), hetzij de sfeer der vaste
sterren. En naar boven? Men kan zeggen door het Empyreum; maar dat is
geen begrenzing in ‘creatuurlijke’ zin: dat Empyreum is
immers geen ruimte waarin lichamen zich bevinden. Tóch kan men dan niet
concluderen dat het Primum Mobile onbegrensd is: het is begrensd door de
buitenkant van de etherische sfeer waaruit het bestaat. Nu spreekt
Hooft van de ‘onbeheinde kloot’, de bol
zonder begrenzing; naar de hoogste welving daarvan vliegt zijn geest. De eerste
interpretatie die ik van deze regel kan presenteren is, dat Hooft hier spreekt
over het hoogste gewelf van de hoogste sfeer (van de bolvormige kosmos) die
zonder begrenzing is. En dat kan dan alleen maar betekenen dat hem hier voor
ogen staat een kosmosmodel met een buitenste sfeer die onbegrensd is,
zoals het model dat
Thomas Digges schetste, in prent (afb. 2), en in de
volgende woorden, afgedrukt in die sfeer (dat is de sfeer die volgt op die van
Saturnus, de zesde in zijn heliocentrische, pythagoreïsche systeem):
This orbe of starres fixed infinitely vp extendeth hit self in
altitvde sphericallye, and therfore immovable the pallace of foelicitye
garnished with perpetvall shininge gloriovs lightes innvmerable. farr
excellinge ovr sonne both in qvantitye and qvalitye the very covrt of
coelestiall angelles devoyd of greefe and replenished with perfite endlesse
ioye the habitacle for the elect.
49
Een kosmos-model zoals: Het beeld op de achtergrond van
Hoofts gedicht is hoe dan ook, niet dat van Digges; als aangegeven: bij
hèm maar zes planeten, waaronder de aarde, die rond de zon draaien; bij
Hooft een zevental, daaronder dan de zon en maan, en dan derhalve een
geocentrisch model; of, wat niet uitgesloten is, maar, naar het mij voorkomt
minder waarschijnlijk, toch óók een heliocentrisch
50 model: tot de planeten worden dan zowel de maan als de aarde
gerekend, en de maan dus niet puur als satelliet be- | | | | schouwd. Dat
men kàn spreken van (zo) zeven planeten in een heliocentrisch model,
ziet men in Bruno's dialoog De l'infinito, universo e mondi waaruit het
volgend fragment: ‘Elpino [dat is de leerling van Filoteo]: Er zijn dus
tallooze zonnen en tallooze aarden [d.w.z. planeten], die evenzeer om hun zon
cirkelen als wij dit zien bij de zeven planeten die rondom ònze zon
loopen? Filoteo [Bruno's alter ego]: Zoo is het’.
51 Indien geocentrisch, dan lijkt het model van
Hooft een contaminatie van het discarded image
met het model van een onbegrensd heelal, zoals Digges voorstelde in de traditie
- naar we hebben gezien - van Democritus, de Epicureërs (onder wie
Lucretius) en Bruno, de voortzetter ook van platonische metafysica en
middeleeuwse theologie. Indien heliocentrisch, dan lijkt Hoofts kosmosbeeld
hier een beeld als van Digges op te roepen, en herinnert het in dat
‘zeven ringen’ ‘woordelijk’ aan de geciteerde passus
uit Bruno.
Maar…ook in dit geval dient zich een andere interpretatie
aan: de bewuste regel
Het opperste gewelf van d'onbeheinde klóót
kan ook aldus worden weergegeven:
De allerhoogste welving van de bol die geen (volgende bol als)
omheining om zich heen heeft
Kiest men voor déze interpreterende verklaring, dan blijkt
Hooft zich in deze passus bewust van de dikte van de (bolvormige) schil waaruit
het Primum Mobile geacht wordt te bestaan. Die
‘klóót’ heeft dan een benedenste welving, de
binnenzijde van de schil, en een bovenste, de buitenzijde. Deze vormt de
uiterste rand van de materiële kosmos; immers daarbuiten ‘is’
alleen het Empyreum, bevindt zich niet nog een volgende bol, die als
omheining van het Primum Mobile gezien kan worden. Dan zou Hooft in zijn
variant een precisering, getuigend van bewustheid omtrent de
‘materiële’ implicaties van de voorstelling van het
‘Nest van Doosen'-niet-sonder-end’ (vgl. pag. (7)), hebben
gerealiseerd. Die precisering staat dan in dienst van de lof voor de macht van
Arbele's poëzie: door haar zou dan zijn geest de uiterste rand van de
materiële kosmos bereiken.
| | | |
Deze tweede interpretatie heeft zijn eenvoud en
volledigheid voor op de eerste: de moeilijkheid van een (tòch) opperst
gewelf van een onbegrensde bol, moeilijkheid parallel met die in Digges' tekst,
waar sprake is van het ‘sphericallye’ zich in het oneindige
(‘infinitely’) uitstrekken van de ‘orbe of starres’ -
doet zich niet meer voor. De eerste interpretatie doet 's dichters geest
oneindig hoog stijgen, in het grenzeloos heelal, waarvan al
Lucretius sprak, en ook
Bruno. Het vermoeden dat
Hooft beider wereldbeeld kende, kan er de oorzaak van
zijn dat de eerste interpretatie zich presenteert en handhaaft, althans
handhaven wíl. Ik ben geneigd van dit laatste te zeggen: toch wel ten
onrechte.
Resumerend: het is niet nodig te veronderstellen dat Hooft
Digges' prent en tekst kende - voor zover wij weten is
dat onwaarschijnlijk. Maar ik geloof wel dat mogelijk via lectuur van of horen
over Bruno's theorieën, moderne voorstellingen als van hem (en van diens
fortuinlijker Engelse tijdgenoot) Hooft niet onbekend zullen zijn gebleven. Die
kan hij (misschien voor hem in al hun vaagheid) zich herinnerd hebben met
vooral dat éne concrete element: de onbegrensde ruimte met de
talloze zonnestelsels, de onbegrensde buitenste ‘orbe’,
klóót; én in zijn gedichten gebruikt hebben waar
hem dat binnen zijn doelstellingen wenselijk voorkwam. Gebruikt hebben, op
dichterlijke wijze. Dat wil zeggen: niet met de bedoeling in woorden een juist
en scherpgeprofileerd beeld van dat model te geven, maar elementen eruit
aanwendend eventueel binnen (de suggestie van) het traditionele, in casu
geocentrische model. In dit concrete geval dan een geocentrisch model op de
kleine schaal der planetaire ruimte, gecontamineerd met het via
Palingenius,
Digges en
Bruno weer tot leven gekomen onbegrensde, oneindige
model.
Wanneer geconcludeerd zou mogen worden dat zowel in ‘Persische
Infante’ als misschien ook in ‘O dochter van Juppijn/Ghy ooghjen
onzer eeuw’ elementen uit een na-ptolemeïsch wereldbeeld aanwezig
zijn, dan dient nog de vraag gesteld: waartoe?
Het ‘sleutel-gedicht’ van het ‘bouquet voor
DIA’ vertoont, zoals
Smit, aan wie deze aanduidingen zijn ontleend,
laatstelijk heeft geconstateerd, een ‘lijn naar boven’ in de
wederzijdse verheerlijking | | | | van Granida en Daifilo. Nader preciserend
schrijft de auteur van
Hooft en DIA: ‘in de strofen 1 en 2 gaat
het om aanzien en grootheid op aarde, in 3 en 4 zien de geliefden elkaar
als een schoner schepping dan de hemellichamen, in 5 en 6 als waardig om
onsterfelijk te zijn en als god(in) vereerd te worden’.
52 In de strofen 1 tot
en met 4, zo kan men verder vast stellen, is er sprake van constateringen
omtrent het bestaande, in strofen 5 en 6 van wenselijkheden omtrent het
toekomende. Dat impliceert dat in strofe 3 (en 4; deze valt hier buiten onze
belangstelling) sprake is van actuele vergelijkingen, naast elkaar stellen van
mensen en hemellichamen, en de conclusie dat de eersten ‘beter’
zijn. Binnen het aristotelisch-ptolemeïsche wereldbeeld is zulk een
vergelijking in feite onmogelijk: de elementaire, ondermaanse, en de
etherische, vanaf de maansfeer hemelse, gebieden zijn onvergelijkbaar, immers
wezenlijk onderscheiden. Binnen het wereldbeeld van de zgn. Nolaanse filosofie
- het stelsel van Bruno - is zulk een vergelijking wél mogelijk: daarin
is in ieder opzicht het fundamentele verschil tussen aarde en hemellichamen
opgeheven: sterren zijn zonnen (-en-planeten), zijn ‘werlden’. De
basis van de middenstrofen van ‘Persische Infante’ lijkt in
filosofisch opzicht Nolaans, grond voor de vergelijking die in evenzo Nolaanse
beelden lijkt te zijn verwoord. Is het misschien zó dat
Hooft zijn hierboven veronderstelde algemene kennis van
Bruno's ideeën in zijn gedicht ‘voor’ Ida een rol laat spelen,
juist omdat dat hem de gelegenheid biedt de twee gelieven van zijn spel voor
haar, in hun dialoog elkaar op een zodanige wijze te verheerlijken, dat hun
liefde zo stralend, hemels mogelijk wordt, in een mógelijke, moderne
èn acceptabele verbeelding? Het lijkt me niet uitgesloten.
Bij het gedicht voor Susanne ziet men, in de eerste interpretatie,
pas in de twééde versie een modern wereldbeeld, of een dat een
contaminatie van oude en nieuwe visies inhoudt, verschijnen. En wel als
resultaat van het variëren van regels die iets zeggen omtrent de macht van
poëzie. In de laatste versie staat dit in verband met Arbele's
poëzie: opdat zij ze in het licht geeft. De eerste versie was ontstaan
naar aanleiding van één gedicht, waarin Hooft ‘zon’
genoemd was. Beperkte zich de aanleiding tot het gedicht van 1625 wat zijn
kosmografia betreft tot die beeldspraak? Bevatte Arbele's | | | | poëzie blijken van haar hierboven veronderstelde
‘astronomische interesse’? Als men beide vragen bevestigend mag
beantwoorden, dan ligt in haar belangstelling mogelijk de reden van
verdergaander verwerking van moderne kosmografie in de versie ons bekend uit
1636. Bij het opteren voor de tweede interpretatie wijst de variant erop dat
Hooft wist wat ‘materieel’ gezien het
Primum Mobile was. De reden voor de wijziging van zijn tekst moet dan
gelegen hebben in de wens de beeldspraak van de aanvankelijke lóden
vlerken te elimineren en niet in de behoefte aan (moderniserende) bijstelling
van het opgeroepen wereldbeeld terwille van Arbele.
Hoe een en ander ook wezen moge, mij wil het voorkomen dat de twee
besproken fragmenten tegen de achtergrond van de in maar enkele lijnen
geschetste ontwikkelingen op het gebied van de wereld-verbeeldingen in de
zestiende eeuw, iets onthullen van wat er in 's dichters geest aanwezig was
omtrent de kennis van die kosmografieën. Wat precies, valt moeilijk te
zeggen. Immers, dergelijke beelden van de kosmos worden in een gedicht
opgenomen: slaagt zulk een gedicht tot in onderdelen, dan zijn ze er oganisch
in versmolten; zo niet, dan is er van meer of minder integratie sprake; in alle
gevallen van onderschikking aan de doelstellingen van het gedicht; en die zijn
in beide - bij Hooft in alle gevallen - niet die van een leerdicht.
Mijn speurtocht naar aanleiding van deze twee passages in Hoofts
lyriek ben ik begonnen in de hoop Hoofts beeld van de kosmos te zien te
krijgen. Aan het eind van het verslag ervan citeer ik de volgende opmerking,
die met de substitutie van de erin vermelde auteursnaam door die van Hooft, U,
desgewenst, en mij troost kan bieden: ‘Een exact inzicht te krijgen van
[lees: in] Hoofts wereldbeeld zal, denk ik, onmogelijk zijn omdat hij ook in
deze zaken op verschillende niveaux in verschillende patronen kan hebben
gedacht’
53.
oktober 1982
Adres van de auteur:
Achterberghof 3
9752 HE Haren (Gr.)
| | | | | |
Bibliografie
| AgW I P.C. Hooft,
Alle de gedrukte werken 1611-1738. Onder
redactie van W. Hellinga en P. Tuynman. Dl.1. Amsterdam 1972. |
| P.C. Hoofts Gedichten. Met ophelderende
aanteekeningen van Mr. W. Bilderdijk. 3 dln. Leiden 1823. |
| L.-St. I Gedichten van P.C. Hooft. Volledige
uitgave door F.A. Stoett. Tweede geheel herziene, opnieuw bewerkte en
vermeerderde druk van de uitgave van P. Leendertz Wz. Eerste Deel. Amsterdam
1899. |
| v.d. Heijden Profijtelijk vermaak.
Moraliteit en Satire uit de 16e en 17e eeuw. Spectrum der Nederlandse
Letterkunde. Ed. M.C.A. van der Heijden. Dl. 10 Utrecht enz.
(19681). Hierin P.C. Hooft,
Emblemata amatoria, p. 39-79. |
| Briefw.
De Briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft.
Ed. H.W. van Tricht. 3 dln. Culemborg 1976-1979. |
| Leven H.W. van Tricht,
Het leven van P.C. Hooft. 's-Gravenhage
1980. |
| Crombie A.C. Crombie,
Augustine to Galileo. Vol. I. Science in the
Middle Ages. 5th to 13th centuries. Vol. II. Science in the later Middle Ages
and early Modern Times. 13th to 17th centuries. Reprinted in one volume. London
1979 (19521). |
| Dagh-werck F.L. Zwaan,
Dagh-werck van Constantijn Huygens. Assen
1973. |
| Debus A.G. Debus,
Man and Nature in the Renaissance. Cambridge
enz. (1978). Cambridge History of Science (2). |
| | | |
| Dijksterhuis E.J. Dijksterhuis,
De mechanisering van het wereldbeeld. Amsterdam
(1950). Wetenschappelijk-wijsgerige bibliotheek III. |
| Flammarion
De Wonderen des Hemels. Flammarion's
Astronomie Populaire voor Nederland bewerkt
door B.C. Goudsmit. Zutphen z.j. |
| Groot 1940 H. Groot,
Geheimen van ruimte en tijd. De
natuurwetenschappelijke evolutie. Amsterdam (1947, 19401). |
| Groot 1947 H. Groot,
Kosmologische theorieën, voorheen en
thans. Den Haag 1947. Cultuur-historische monografieën 7. |
| Hellinga-Tuynman W. Hellinga en P. Tuynman,
‘Svsanne vn iovr. Hooft en Huygens' Otia’ in:
European Context, Studies (…) Weevers. Cambridge 1971, p.
81-119. |
| Heninger 1965 S.K. Heninger Jr, ‘Pythagorean
Cosmology and the Triumph of Heliocentrism’, in: Le
Soleil, p. 33-53 (zie infra). |
| Heninger 1977 S.K. Heninger Jr,
The Cosmographical Glass. Renaissance Diagrams
of the Universe. San Marino (Calif.) 1977. |
| Highet G. Highet,
The Classical Tradition. Greek and Roman
Influences on Western Literature. Oxford 1967 (19491). Oxford
Paperbacks 141. |
| Le Soleil Le Soleil à la Renaissance.
Sciences et mythes. Colloque international tenu en avril 1963 (…)
Bruxelles enz. 1965. Travaux de l'Institut pour l'Etude de la Renaissance et de
l'Humanisme. |
| Lewis 1960 C.S. Lewis,
Studies in Words. Cambridge 1960. |
| Lewis 1966 C.S. Lewis,
Studies in Medieval and Renaissance Literature.
Ed W. Hooper. Cambridge 1966. |
| Lewis 1967 C.S. Lewis,
The Discarded Image. An introduction to
medieval and renaissance literature. Cambridge 1967. |
| Lovejoy A.O. Lovejoy,
The Great Chain of Being. A Study of the
History of an Idea New York 1960 (19361) Harper Torchbooks 1009. |
| Miedema Karel van Mander.
Den Grondt der edel vry schilder-const. Ed. H.
Miedema. Dl. II. Utrecht 1973. |
| Smit W.A.P. Smit,
Hooft en DIA. Een onderzoek naar Hooft's
verzen-bouquet van 1608-1609 voor DIA, (…). Amsterdam 1968. |
| Strengholt L. Strengholt,
‘Interpretatieproblemen in de poëzie van Hooft
(II)’, in: TNTL 96 (1980) p. 19-30. |
| Veenstra F. Veenstra, ‘Twee Venussen en twee
Amores’, in: Ton Cram-nummer (van) Spektator
(jaargang 1, 1971-1972, juni/nr. 7-8) p. 464-472. |
| Weerwerk
Weerwerk. Opstellen aangeboden aan professor
dr. Garmt Stuiveling (…) Assen 1973. (p. 187-200: F. Veenstra,
‘Harmonieënleer in de Renaissance’). |
| Wildiers N. Max Wildiers,
Wereldbeeld en teologie. Van de middeleeuwen
tot vandaag. Antwerpen enz. (19772, 19721). |
|
1Verschenen in 1611; cfr. AgW I, 1-144; de
navolgende citaten in de eerste alinea vindt men daar op pag. 3-4.
2Ik ga hier uit van het eenvoudigste beeld. Er
zijn varianten - waarbij tussen het Primum Mobile en de sfeer der vaste
sterren nog een caelum diaphanum of cristallinum is gedacht. Dan
telt men 10 sferen (exclusief die der elementen), anders 9. Cfr.
Heninger 1977, afb. op pag. 72, resp. 38 (= Crombie, dl. I, afb.
1 t.o.p. 130).
4Bilderdijk, Leendertz (-Stoett), Van der
Heijden.
7Gedateerd 23 januari 1627; in Worp, II,
p. 170-174.
8Gedateerd 29 maart 1670; in Worp, VII,
p. 303.
9Briefw. I, br. 3, 14; II, br. 877, 884;
III, br. 1052.
10Dagh-werck (geschreven 1628-1638) vss.
1126-7; p. 118 (en p. 238).
12Groot 1947, p. 84: ‘Deze
opvatting dat de planeten in hun baan bestuurd en geleid werden door bepaalde
intelligenties, hield stand tot in het begin van de zeventiende eeuw. Nog
Kepler schrijft dat hij aanvankelijk overtuigd was van [J.C.] Scaliger's
theorie der planeetgeesten en er pas op later leeftijd toegekomen was deze
theorie als onhoudbaar te verwerpen’. Zie ook het Keplercitaat op p. 106
aldaar. Cfr. Crombie, dl. II, p. 198, en Dijksterhuis, p.
343.
13In zijn literatuuropgaven figureert Annelies
Maier's Die Mechanisierung des Weltbildes uit 1938. Toevoeging bij
correctie drukproef nov. '84: zie thans K. van Berkel, Isaac Beeckman
( 1588-1637) en de mechanisering van het wereldbeeld. Amsterdam
1983, p. 302 noot 17.
14Simpelweg kan dat al blijken uit de volgende
vergelijking van aantallen pagina's waarop namen van beroemdheden als
Copernicus, Newton, Brahe, Kepler, Galileï en Descartes genoemd worden bij
resp. Lovejoy en Crombie; dat zijn resp. 1/53; 0/52; 2/13; 5/45;
3/meer dan 100; 0/62. Vergelijk daarmee de resp. aantallen betreffende Digges,
Fludd, Bruno en Campanella: 1/3; 3/6; 9/7; 1/1.
15Zie noot 11 bij pag. 5.
16Ook Galileï houdt zich - in zijn
Dialogo(…) dove ne i congressi di quattro giornate si discorre
sopra i due Massimi Sistemi del Mondo, Tolemaico e Copernicano etc. (1632)
- aan een dergelijke begrensde kosmos. Lovejoy, p. 117 merkt daarbij
(zonder bewijsvoering) op, dat Galileï ‘in his actual belief’
tot Bruno's ideeën over een onbegrensd heelal neigde.
17Cfr. Marjorie Hope Nicolson, The Breaking
of the Circle. New York 1949.
18Heninger 1977 biedt deze laatste te
kust en te keur.
19Lovejoy, p. 102; Wildiers, p.
158.
20Voor die geschiedenis binnen het
rooms-katholieke theologisch denken zie men Wildiers.
22Heninger 1977, p. 50, Debus, p.
88.
26Beide in Smit, hfdst. 2, p.
27-40.
28Aristoteles ziet de Onbewogen Beweger de achtste
sfeer (die der vaste sterren) bewegen ως
ερωμενον (als bemind): de beweging
is gevolg van de liefde die de materie (ether) van de achtste sfeer Hem
toedraagt, van de begeerte naar volmaaktheid die Hij in haar opwekt
( Dijksterhuis p. 38). Mijns inziens toch iets anders dan men bij Hooft
lijkt te lezen.
29Flammarion, p. 573 noemt er exact
2478.
31Voor wat volgt zie aldaar p. 248-258.
32Voor Bruno wordt met betrekking tot mondo dit
expliciet bevestigd door P.-H. Michel, in ‘Le Soleil, le temps et
l'espace, intuitions cosmologiques et images poétiques de Giordano
Bruno’, in Le Soleil, p. 397-414, i.h.b. p. 406, waar hij
attendeert op 't door de Italiaan gemaakte onderscheid tussen mondo (‘un
système’ met een ‘étoile’ als centrum) en
universo (‘l'ensemble des mondes innombrables’).
34De eerste druk uit 1576 werd gevolgd door een
reeks van tenminste zes herdrukken tot 1605; aldus Heninger 1965, p.
44.
35Schuilnaam van Pier Angelo Manzolli, auteur
van Zodiacus Vitae (1534-7), een merkwaardig latijns astrologisch
leerdicht. Cfr. Lovejoy, Crombie. Evt. ook A. Koyré From the
Closed World to Infinity (1958) en F. Yates, Giordano Bruno
(1969).
36aarde: L.-St. I p. 1, 2, 3, 7,
21, 24, 27 (mondo), 34, 41, 41 (monde), 45, 50, 56, 63, 70, 72, 73;
mensen/mensheid: L.-St. I, p. 7, 15, 29, 32, 34; kosmos:
L.-St. I, p. 12.
37Die traditie gaat zeker terug tot Plato,
Staat VI, 508a-b. Er in staan o.m. Ronsard's l'oeil du monde (in
een citaat dat G. Gadoffre geeft in zijn voordracht ‘Ronsard et le
thème solaire’ (p. 510) in Le Soleil, p. 501-518) en Van
Manders sweerelts oogh in Kerck der Deucht (vs. 267) cfr. ed.
Miedema-Spies, Amsterdam 1973 1 (A iii v) en p. 68) twee mij
toevallig onder ogen gekomen plaatsen.
38L.-St. I, 226-231; zie evenwel
Hellinga-Tuynman, p. 110, n. 75.
40Veenstra, p. 468-9; Strengholt,
p. 30 en noot 23 aldaar, de verwijzing naar Hellinga-Tuynman, n.
74.
44L.-St. I, p. 376-8 in de niet
geannoteerde Aanteekeningen.
45Deze passus is slechts volledig begrijpelijk
voor wie in 't oog houdt het aristotelische onderscheid tussen de
elementaire ‘aardse’ (= ondermaanse) en de etherische
ruimte, waarin de objecten uit verschillende stof bestaan. Clorinde nu kan zijn
‘stof’ gelijk maken aan die van de etherische lichamen. Zo wordt
hij hemels en ‘eeuwig’.
46Het bekendst, wellicht, uit Cicero's
‘Somnium Scipionis’. Over de harmonie, met name bij Hooft, in
Achilles en Polyxena, 2e rei, zie men Veenstra, in Weerwerk, p.
187-200.
47D1.3, p. 263, annotatie bij dl. 2, p.
164.
48Waarschijnlijk: zie beneden, pag. 26.
49Heninger 1977, p. 50, fig. 38 (=
Debus, p. 88; bij deze, op pag. 90, nog een soortgelijke latere,
véél later gepublicéérde, afbeelding, naar Gilbert
(1540-1603)).
50Op 7 maart 1618 getuigt ‘De Welcoom van
Ida Queeckels Hoofden (…)’ van gebruik van het heliocentrische
beeld: ‘Craftighe Zon om wien de wereld drejt’. Cfr. L.-St.
I, p. 153.
51Geciteerd naar Groot 1940, p.
64.
|
|