De literaire manifesten van het fin de siècle in de Zuidnederlandse periodieken 1878-1914


auteur: Raymond Vervliet


bron: Raymond Vervliet, De literaire manifesten van het fin de siècle in de Zuidnederlandse periodieken 1878-1914. Rijksuniversiteit te Gent, Gent 1982 (2 delen)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

-14- Pol de Mont: ‘Over Stijl.’

Wat is letterkundige styl?

In dit viertal woorden ligt eene vraag opgesloten, welke door de meestebevoegde critici en literatoren niet enkel op zeer uiteenloopende, maar tevens op aleven onbevredigende wijze beantwoord wordt als deze andere: Wat is het schoone? Welk is er het criterium van?

Toch is er wellicht geene eigenschap van een lettergewrocht, waarover men door de groote en kleine bazen der critiek, in Noord- en Zuid-Nederland evenzeer als in elk ander gewest, op meer apodictischen toon allerlei theorieën hoort rondventen, die - wij haasten ons het er bij te voegen, - in de meeste gevallen bezwaarlijk den toets der gezonde rede doorstaan zouden.

Zij, die zich door onafgebroken en nauwgezette studie op de hoogte wisten te brengen niet alleen van het nationaal-Nederlandsche, maar van het Fransche en Duitsche proza

[p. 67]

in de negentiende eeuw, zullen het ongetwijfeld met steller dezer regelen eens zijn, dat onze prozaschrijvers, vooral onder opzicht van kunstvollen styl, niet alleen tamelijk verre bij die van gemelde naburige landen achterstaan, maar dat slechts van zeer weinigen onder hen kan getuigd worden, dat zij stylisten zijn. Dit belet onze recensenten geenszins, ook wanneer het gansch wat mindere talenten geldt dan eenen Potgieter, eenen Multatuli, eenen Huet, of eenen Terburch, hoog op te halen van den flinken, schilderachtige of gespierden stijl, al zoude het eenen tegenstrever nog zoo luttel moeite kosten om-het afdoende bewijs te leveren, dat er, in het bewuste werk, geen enkel spoor van iets dergelijks valt op te merken.

't Is waar, naar het voorbeeld van den Schoolmeester, den poëet van de Boterham en de Romeinsche Geschiedenis, die, waar hij in eenig vaers eenen voet te weinig had geschreven, zorg droeg dit gemis i[n] eenen verderen regel, bij middel van eenen overtollige voet, weer goed te maken, zoo herstellen onze recensenten meer dan eens hun vergrijp, door aan andere schrijvers, die wellicht wat al te ‘noode in voorgeschreven percken’ draven, ofwel allen styl kort en goed te ontzeggen, ofwel - voor het minst, - allerlei zoogezegde onvolmaaktheden en feilen in denzelven op te zoeken.

Menigeen deze critici zou wellicht wonder opzien, indien een der door hem be- of veroordeelde schrijvers, hem in een oogenblik van verbittering de vraag stelde, welke wij, aan het hoofd van dit opstel, neerschreven. Naar allen schijn zoude de stoutmoedige vrager dan op een dezer oude en tot op den draad versleten definities onthaald worden, waarvan de makers van ‘handboeken voor het’ zoogenaamd ‘letterkundig school-onderricht,’ een abt Giraud, ee Nyssen, een Laporte, een Roucourt, een André, en andere autoriteiten (?), het geheim bezitten.

Eene der minst onvolmaakte omschrijvingen van den styl, werd door Marmontel, op blz. 336 zijner Eléments de littérature medegedeeld, ‘C'est, zoo is het daar uitgedrukt, dan la langue écrite, le caractère de la diction.’ Waarom hij er echter bijvoegt, dans la langue écrite, juist alsof de styl van het gesproken woord niet aan dezelfde wetten was onderworpen, is ons een raadsel, dat wij echter veel minder betreuren dan zijne opsomming van wat hij heet: ‘les qualités essentielles du style’, eene geheel nuttelooze woordenkramerij, die op geenen redekundigen, nog veel minder op eenen artistieken grond berust, en het in naÏveteit bijna wint van de beruchte verdeeling van den styl in simple, tempéré, en siblime! - Wij hopen verder de redenen op te geven, waarom wij deze zoogenoemde ‘noodzakelijke hoedanigheden’ verwerpen.

Behalve dat Marmontels omschrijving niet vrij is van zekere duisterheid, zal elkeen, mits eenig ernstig onderzoek, opmerken, dat zij onvolledig is; immers, zooals wij weldra zullen bestatigen, dankt de styl van een gewrocht zijn bestaan nog aan vrij wat meer dan aan deze diction, een woord, dat hier, zoo wij het goed voorhebben, den uiterlijken zinbouw moet bedoelen.

De definitie, welke de uitmuntende Gustave Flaubert, een kunstenaar bij Gods genaden volgens de getuigenis van Guy de M[au]passant van den styl gaf, en die wij hier om haren eigenaardigen vorm mededeelen, maakt ons niet veel wijzer: ‘il n 'imaginait pas des “styles”, comme ime série de moules particuliers dont chacun porte ia marque d'un écrivain et dans lequel on coule toutes ses idées; mais il croyait au style, c'est-à-dire à une manière unique, absolue, d'exprimer une chose dans toute sa couleur et son intensité.’ - Zeker, overgroot, alles beheerschend, is de invloed der stof op den kunstvorm van het gewrocht; het schijnt ons echter boven allen twijfel verheven, dat, benevens de stof zelve, nog tal van factoren het hunne tot bepaling, of beter, tot wording van den styl bijdragen.

Zonder ons nu schuldig te maken aan den waan, zelven, met onze nederige kennissen tot stand te brengen, wat zoovelen niet vermochten, durven wij hier toch de vraag

[p. 68]

stellen, of het niet veel eenvoudiger en dito duidelijker zoude zijn, onder de benaming: letterkundige stijl te verstaan, de samenvatting van alle taal- en letterkundige hulpmiddelen, waarvan zich de schrijver, tot de volledigst mogelijke behandeling van zijn onderwerp, bediend heeft? - Zou eene andere intrinsèque omschrijving deze zaak inderdaad wel te vinden zijn?

Samenvatting van alle taal- en letterkundige hulpmiddelen, zeggen wij; en inderdaad, niet slechts uit de lengte of kortheid der perioden en den afwisselenden bouw der zinnen, wordt de styl geboren, maar ook, en wellicht nog meer, uit de beelden en figuren, uit den keus der woorden en uitdrukkingen, uit den trant der gedachten zelven, uit het min of meer kwistig aanwenden van kleur en lijn, ja, uit de stroef- of welluidendheid der taal zelve.

Met talrijke voorbeelden zouden wij deze bewering kunnen staven. Een tweetal moge echter volstaan.

Wanneer men in Vondels meesterlijk geschreven ‘Aanleidinge ter Nederduitsche dichtkunst’ de volgende plaats herleest: ‘Rijmers, die eerst hun AB opzeggen, vallen verwaandelijk aan 't zwetsen, gelijk de kwakzalvers, om hunne zalfpotten te venten. Die wat verder komen, laten zich voorstaan, dat ze groote bazen in de kunste zijn, en zwetsen kunstiger, doch het is met woorden van anderhalven voet lang, of eene doorgaande bravade, en louter blaaskakerije. Aldus winnen ze gunst bij den slechten hoop, die den mond vergeet toe te doen, en gelijk naar hemelval gaapt. De alleroudste en beste Poëten zijn de natuurlijkste en de eenvoudigste. De nakomelingen, om hen voorbij te rennen, vielen uit eerzucht òf aan het snorken en poffen, óf vernissen en blanketten. Dat behaagdein het eerst, gelijk wat nieuws, den min verstandigen, en klonk den nieuwsgierigen, gelijk een donderslag, in de ooren; doch het verwonderen duurde eene korte wijl, en de wakkerste oogen zagen hier door; en de oudsten, tegens de jonger werken, in de schale van een bezadigd oordeel opgewogen, vielen de lesten te licht, en de oudsten behielden den verdienden prijs’; - kan men dan loochenen, dat de eigenaardigheden van Vondels styl voor het minst in gelijke mate uit het gebruik van allerlei sappige, schilderachtige woorden en de wel alledaagsche, doch treffende beelden, als uit den rhetoricalen, statigen zinbouw voortspruiten?

Zouden, bij eene andere woordenkeus, Marnix' Bijencorf 'niet de grootste helft zijner satyrische kracht, Cremers boerennovellen niet hun schier geheel coloriet, verliezen?

Wat nu betreft de veelbesproken stylsoorten en - eigenschappen, is het onze vaste overtuiging, dat dit alles op geenen den minsten idealen grond berust. Uit de verscheidenheid, die men tusschen den schrijftrant van zekere groote schrijvers opmerkte, en die slechts het gevolg waren van eene reeks omstandigheden, die naar tijd, persoon en onderwerpen zulks medebrengen, òlf zich belangrijk wijzigen, òf zelfs geheel te loor gaan, heeft men gepoogd zekere voorschriften af te leiden, welke men daarna, mits allerlei spitsvondigheden, tot een overeenkomstelijk stelsel heeft vereenigd.

Niet of de styl eenvoudig, gematigd of verheven zij, maar alleen ‘of hij past op het behandelde onderwerp’ ziedaar, wat men met recht van den schrijver vragen mag. Zoo is, m.a.w., in de poëzie, het metrum een gewichtig bestanddeel van den styl, immers, met evenveel recht als in een toonkundig werk de rhtyhmus, in een gebouw het spel der lijnen, het hunne tot voortbrenging van den stijl bijdragen!

De voornaamste reden, waarom men, naar onze meening noch eene gegeven stylsoort aan een aangewezen onderwerp of letterkundig vak 't bijzonder, noch een aantal zoogezeide noodzakelijke of toevallige eigenschappen aan den styl in 't algemeen, vermag toe te schrijven, is voorhanden in de veelvuldigheid der omstandigheden, die op den uiterlijken kunstvorm van eene letterkundige schepping invloed hebben. Evenzeer als de smaak, wat sommigen ook zeggen mogen, aan geene vaste wetten onderworpen,

[p. 69]

van streek tot streek, van persoon tot persoon merkelijk verschilt, zoo ook wijzigt zich de schrijftrant naar den eisch van elke eeuw, elk land, elke beschaving. De kam, waarover de kunst van alle scholen, gewesten en tijden definitief zal geschoren worden, is tot heden toe nog niet uitgevonden! Wat men ook theoriseere en woordenkrame, nooit zal iemand verhinderen, dat de tijdgenooten van Hooft en Vondel anders dan die van de gebroeders van Haren en Justus van Effen, deze laatste weder anders dan Beets, Conscience en Mevr. Bosboom-Toussaint, ‘schrijven’ zullen.

Vrij mogen de would-be wetgevers der letterkunst, door een geheel legioen recensenten nagepraat, in hunne hooge wijsheid verklaren, dat men slechts met wijselijk spaarzame hand, figuren, metaphoren en beelden zal aanwenden; dit neemt geenszins weg, dat, om met Shelley te spreken, de geheele en bewonderenswaerdige moderne letterkunde van Engeland, van Moore, Keats, Byron, Scott, tot Coleridge, Tennyson, Swinburne en Elisabeth-Barret Browning, mag geheeten worden een ‘peculiar style of intense and comprehensive imagery.’

Men heeft schoon zeggen: de zinnen zullen bondig, niet te lang, niet gewrongen zijn! De soms bladzijden lange, zoo kunstig ineengezette perioden van eenen Cladel, eenen Zola, en - waarom het verzwegen? - van den wellicht te hooggeprezen van der Palm en den vast te zeer vergeten Haafner, verliezen daarom nog geenszins in waerde! ‘Natuurlijk’ zal de styl wezen: bij Hooft en Potgieter, bij Théo Gautier en Barbey d'Aurévilly is hij integendeel gezocht, opgesmukt, soms geaffecteerd; - toch gelden deze schrijvers bij eiken deskundige als meesters van allereersten rang! Ook zal de styl ‘betamelyk, décent’ wezen! Eilaas; eens te meer zij het hier bestatigd: zóó leeren de ketters, maar zij dolen! Noch Dante, Shakespeare en Göthe, noch Hugo, Baudelaire en Flaubert, gelukten er te allen tijde in: ‘à dire les choses comme il convient à celui qui parle, à l'objet dont il parle, et à ceux qui l'écoutent!’ Meer nog, wetens en willens zondigden zij, op meer dan eene bladzijde hunner werken, tegen deze alles behalve .artistieken regel. Zijn zij er maar een ietsje minder om?

Het loopt in 't oog: moesten de schrijvers zich aan voorschriften van den aard der door ons bedoelde gebonden achten, dan zoude de literatuur er niet slechts alle karakter en kleur, maar weldra ook alle aantrekkelijkheid, bij inschieten. Een schrijver, die.zich van al zulke wetten ontheven acht, legt er zich vóór al 't andere op toe, aan zijn onderwerp dien vorm te geven, welke er al de schoonheden best van doet uitkomen. Daar hij, van dan af, uit de volheid des gemoeds kan arbeiden, kan het niet anders, of hij zal den stempel zijner eigen persoonlijkheid op zijn werk afdrukken; zoodoende zet hij zijnen schrijftrant eigenschappen bij, die hem van den styl zijner collega's noodzakelijk moeten onderscheiden. Bezit hij eenen verheven geest, dan zal hij, de kleine en banale kantjes zijner stof voorbijziende, alleen nadruk leggen op wat er grootsch, edels, verhevens in te vinden is; is zijne phantazie rijk en vruchtbaar, dan weet hij zijn onderwerp langs tien, twintig verschillende kanten te beschouwen, en brengt het in verband en vergelijkt het met honderd andere onderwerpen; is zijn geest een positieve, dan bepaalt hij zich nauwkeurig tot de eens verkozen stof, beschouwt dezelve niet uit de hoogte of in hare hoofdlijnen, maar daalt integendeel af in duizend kleinigheden en bijzonderheden, waarvan hij op beurt géén trekje tracht te verwaarloozen!

Evenals de geest, oefent ook het gemoed invloed op den styl. Behoort gij tot dat slag van menschen, die, zonder gevoelloos te zijn, zelden hunne koelbloedigheid en rustige bedaardheid verliezen, dan zal uw styl gelijken aan de effen, heldere oppervlakte van een meer, dat wel de wiegelende boomen, de fladderende vogelen en de stormachtig drijvende wolken in zijnen spiegel weerkaatst, doch zonder ooit zelf beroerd te worden. Zoo Flaubert in Buvard et Pécuchet; zóo ook Zola, in Au bonheur des Dames; zoo, bij ons, de oude Heer Smits, Schimmel, Sleeckx, en anderen. Zijt gij voor alle indrukken

[p. 70]

der buitenwaereld vatbaar, gaat uw heeter bloed licht aan het koken en kunt gij moeilijk uwe gewaarwordingen verbergen onder het mom der onverschilligheid, zoo zal uw styl doen denken aan den stortvloed, die schuimend van tusschen de rotsen te voorschijn borrelt, en bruischend, klaterend, in grilligen, ongeregelden loop vooruitstroomt. Zoo, in Frankrijk, Hugo, Baudelaire, Barbey d'Aurévilly, en vooral Cladel; zoo, in Nederland, Multatuli, Hofdijk, Boissevain en anderen.

Ziehier, als een werkwaerdig voorbeeld, eenige regelen uit Cladels heerlijk gewrocht, la Fête votive de St Barthohmée Porte-Glaive:

‘Fantasque charivari! Jamais, au grand jamais, un tel boucan, un tel grabuge, un tel coup d'oeil! Lancés à fond de train, mufles fumants, fanons rasant la terre, cornes baissées, queues floconneuses tendues et rigides comme des tiges d'acier, des “ragots” de la Gascogne silonnaient le sol qui se plaignait sous leur furieux galop; d'autres, honteusement amoncelés, s'inondaient mutuellement de leurs propres déjections; d'autres, ruant sur place, éperdus, mettaient à rebours leurs pieds fourchus chaussés de fer; d'autres encore, montés sur la croupe de leurs congénères, reniflaient l'air et montraient à nu le bourrelet de leurs mâchoires supérieures sans dents; d'autres, enfin, ruminaient stupides; isolée et hagarde, une vache de la Camargue tournoyait sur ellemâme et renâclait, comme sucée par le taon.’

Teekenen deze, nu eens vlug daarheen rollende, dan weer op zijn onverwachts afgebroken zinnen, niet op uitmuntende wijze het persoonlijk temperament van den auteur? Verdient dit al te korte fragment eener onnavolgbaar heerlijke beschrijving, onder éen enkel opzicht onschoon te heeten, omdat de styl niet geheel aan de vereischten van stylleer en syntaxis voldoet?

Ware het bestek, waarover wij beschikken, niet zoo gering, voorzeker zouden wij deze verschillende denkbeelden nog verder ontwikkelen. Toch volstaan, dunkt ons, deze weinige bladzijden, om te bewijzen, dat de critiek ongelijk heeft zich langer aan den slenter van verouderde en valsch bevonden schoolstelsels gebonden te achten, en de verdiensten onzer letterkundigen af te meten naar de wijze, waarop zij aan de door ons bedoelde voorschriften beantwoorden.

Men zoeke niet langer den styl in de toepassing van min of meer gewettigde regelen, maar alleen in de eigenaardige openbaring van geest en gemoed des schrijvers in zijn letterkundig gewrocht; men veroordeele eenen schrijftrant niet, omdat hij te ingewikkeld, te gezocht, te bloemig, te eenvoudig, te verheven is; omdat de zinnen te kort, te lang, of te gehakt zijn; men vrage alleen, of de trant op de stof in het algemeen en op elk onderdeel, elk passage, elk denkbeeld in het bijzonder past! Over al het overige hoeft de schrijver geenen sterveling rekenschap te geven!

 

a.De Toekomst.
b.Tijdschrift voor Opvoeding en Onderwijs.
c.Gent.
d.Drukker: C. Annoot-Braeckman, [Gent].
e.‘Over Styl’.
f.Jg. 1885, pp. 561-568.
g.Pol de mont* (5).