|
|
|
| |
| | | |
postplay 12 juni 1964 [na bezoek lauriergracht]
Een uur 's middags. Wes Montgomery Boss Guitar. Klaas maakt van folklorebrood en aardbeien m'n koffiemaaltijd klaar, met thee.
We komen van Aadje vandaan, aan de vooravond van zijn grote offensief. Wat gaat er morgen gebeuren. Ik kan het niet vertellen, dit is een dagboek. Morgen weet ik het pas, jij misschien ook. Ik kan je, weet ik nu al, méér vertellen; want wat jij weet, weet je uit de zoveelste hand: een blinde ooggetuige, een analfabetische kranteverslaggever, het vertekende oog van televisie. Want Aadje (en Robert Jasper, met wie hij samengaat) bereidt een grootse aanval voor: wilde hij eerst zijn rotaprenten (tekeningen op aluminium, binnen enkele uren getekend, gedrukt bij duizenden, verkocht voor drie gulden) binnen het kader van the Art of Living uit een vliegtuig boven Amsterdam werpen om de mensen te laten zien; nu biedt hij ze op straat, morgenavond, te koop aan. Kunst voor het volk; hij heeft er genoeg van te moeten leven van ‘kunstminnaars’ die zijn kostbare lithoprenten (een middeleeuwse techniek) van hem afnemen voor honderd gulden het stuk, ze in nette mappen opbergen: de happy few. Aadje wil meer dan het geluk van weinigen, hij wil het geluk van allen. Kunst hoort een deel van leven te zijn, mee-ademend van de muren, mee-kijkend, levend: neukend desnoods, of als politieagent en pater. ‘Misschien de droom van een gekgeworden grafikus,’ zegt hij, en lacht. De plakploeg staat klaar; het komt aan op handelen.
‘Jij wilt ze allemaal hebben, heel Amsterdam, hè?’ De wand van zijn atelier hangt vol met dertig verschillende prenten, binnen zes weken gemaakt, gedrukt (het tekenen van litho's en etsen nam dagen en weken - hij wil vooruit, resultaten zien, en niet de stukken in de kranten: Aadje Veldhoen onze meest geniale jonge etser, waarvoor hij verder niets kan kopen (behalve het goed leven, waar iedereen recht op heeft). Hij wil veranderen, ingrijpen, liefde geven - hij is niet voor niets een kunstenaar. Een opmerking van Darky bracht me op het spoor: ‘Wat Aadje wil, is een Encyclopedie.’ Ja, hij wil ze allemaal hebben, één voor één, want iedereen die kijkt, is wel een kijker.
‘Ik weet precies waarom ik ether snuif,’ zegt Klaas. ‘Ik vind
| | | |
ten eerste de reuk dus lekker, beter dan benzine, petroleum en dat soort dingen, wee en toch wel hard, en bovendien: ik word zo verschrikkelijk aktief van ether. Ik ben de hele dag bezig, er gebeuren zoveel dingen, nu dat weet je wel, als je me ziet rennen. Je ziet gewoon alles, net als met mescaline.’ Ik zie het inderdaad, vanwege de reuk en zijn ekstatische gewaarwordingen, die mijn geregeld schrijversleven in de war brengen. Ik laat hem niet binnen als hij onder invloed van ether bij me aan de deur komt, maar anders is hij altijd welkom, en hij is de meest juiste kenner van z'n vrienden, omdat hij hen altijd (vanwege de ether) aantreft in hun menselijkheid, zien hoe zij angstig en ontzet reageren, en hij vecht een moeilijke strijd. Het is niet verboden, wat hij doet, maar hij is ‘lastig’. Mensen, die zich over hem beklagen bij de politie krijgen van 5 maal 8 slechts dan gehoor, als er een agent is die hem niet kent. Wordt hij opgepakt (‘en de behandeling die je dan krijgt, het grenst aan antisemitisme’), dan wordt hij ook direkt weer vrijgelaten: hij staat bekend.
‘Maar als je nou 's kon uitleggen, waarom je snoof, zó dat iedereen het begreep en je je gang maar liet gaan...’ opper ik. ‘Ik kan alleen maar zeggen: snuif zelf, ik heb van de week toch Adriaan in het Westerpark laten snuiven, die begreep er ook niets van...’
‘Ja, maar probeer het eens met woorden, door met ze te praten. Ik zeg ook niet: hier, rook 's 'n stick, dat is verboden, dat kan niet.’
‘Ze laten me niet eens praten, ze snauwen me af, ze luisteren niet eens naar me. Het wordt gewoon te gek. En wat de mensen ook niet begrijpen is dat de politie ook werkt voor vrouw en kinderen. Als ze zo'n paar honderd nozems op zich af zien komen, met kettingen, dan worden ze toch gek. Dat begrijp je toch? Dan worden ze geprikkeld. Daarom ga ik wel 's gewoon op bezoek, op het hoofdbureau of het Leidseplein.’
Ook Aadje, die zelf wekenlang met een 5 maal 8 auto op stap is geweest om verongelukten te tekenen, verkeersslachtoffers, en meeging, de huizen in: de ruzies, de dieven, de krankzinnigen, begrijpt niet wat Klaas (ik zag hem binnenlopen) bij de politie zoekt. ‘Maar het zijn toch óók mensen? Wat niemand wil geloven, dat er bij de politie ook aardige mensen zijn, net als overal anders. En in wat voor maatschappij leven we eigenlijk? Als er
| | | |
morgen geen politie meer zou zijn, zou je op straat vermoord worden. Dan zie je toch dagelijks. De mensen zijn toch zo geworden, ze sarren, pesten en treiteren.’ (Een Nederlandse karaktereigenschap, waarover Stephen het ook vaak genoeg met me gehad heeft.)
‘Dan hoef ik er toch niet meer uit, als ik ze hier allemaal kan hebben,’ Aadje weer. ‘Dan hoef ik de ziekenhuizen niet meer in (waar hij baringen tekende, in een witte jas aan de verlostafel gezeten), en de krankzinnigengestichten. Dan krijg ik ze allemaal thuis.’ En ik kijk naar de kollektie, die hij al heeft. Ik hoop dat hij ze allemaal kan treffen, zoals Klaas, zoals ik, ze wil treffen. Als 'n geweten. ‘Ik ben toch geen versliecheraar’. ‘Nee, Klaas, maar ik las in Battle of the Mind dat ether wordt gebruikt om soldaten de waarheid te laten vertellen, of ze over 'n shock heen te helpen; ze vertellen een verdrongen gebeurtenis en dat wordt de katalyse.’
‘Ja, je wordt echt eerlijk, maar ik zou toch niet open en bloot midden overdag het politiebureau binnenlopen, als ik mensen wilde versliecheren. Jongens, die dat doen, doen het juist geheimzinnig, stiekem.’
Robert Jasper heeft weer een groot aantal van zijn gele aanplakbiljetten, het doorslagpapier, dat schuttingen en zuilen in Amsterdam vult, met de stuntelig-gekunstelde blokletters, de opzettelijke fouten van de image, gedrukt; een nieuw nummer van de Hipperzweter, Nederlands voor Hidden Persuader, ‘orgaan voor toegepaste verborgen verleiding’.
happening rond het beeld van het Amsterdamse lieverdje, Spui. De verslaafde consument van morgen ugge ugge ugge ugge ugge ugge ugge ugge onthullingen Zaterdagnacht 13 juny 1964 12 uur. Tevens gelegenheid tot arrestatie van Robert Jasper Grootveld (moet nog 12 dagen zitten voor het schrijven van het woord Kanker op rookreklame). Gevolgd door het magisch teken, voorafgegaan door de drie Amsterdamse kruisen, die van barmhartigheid, edelmoedigheid en vastberadenheid.
Wij maken Amsterdam waar. Een stad vol liefde. Maar de mensen willen het niet weten.
Wij zullen het doen weten.
Op alle manieren.
| | | |
Rechter J. las over de lezing van Barendregt betreffende LSD een Parool-stuk, een loos verslag. Hij kan niet vaststellen aan de hand hiervan, of de bewustzijnsdrempel alleen maar werd verlaagd, of ook het bewustzijn verruimd. ‘Dat kwam er niet uit naar voren.’
Er gebeurt veel onrecht. Veel mensen doen verkeerde dingen. Schrijven is genezen.
Vele afgoden heb ik mij geschapen, om te verbranden. Mozes en het derde gebod; maar we leven niet langer in het Oude Testament, dit zijn andere tijden: de mens mag slechts naar het beeld en de gelijkenis van zijn God scheppen.
|
|
|