|
|
|
| |
| | | |
4 Wat in de lotery Des luckx zyn oorspronck nam (1641)
Voor het album amicorum van haar vriendin Trajectina Johanna Ogle
schreef Tesselschade Roemers het volgende sonnet. De overgeleverde versie is
blijkens vers 3 nog onaf.
Aen me Juffrou Trajectina Ogle
Wat in de lotery Des luckx zyn oorspronck nam
1
Is u lucksalicheyt Door lot te beurt gevallen
2
Beneven 't vaeder huys omheynt met strydbre/vaste wallen
3
Van koene daeden by een Adel sonder schram
4
5
Wat van u schoonheyt is en van u deughden vlam
5
En wysheyt op zyn tyt te boerten en te mallen
6
En kan myn noertse tong syn onkunt niet kallen
7
Wat vroommicheyt belanght dat is u rechte stam
8
9
Hoe zeldsaem is deez deught by soo veel schildqartieren
9
Die met een stasy ry 't rechtschapen waepen cieren
10
Van Niet te roemen en dit is het eedel slot
11
12
Dat den phoet weet met zyn veer te raecken
12
En met die zeldtsaemheyt een yder vroet sal maecken
13
Van al deez watjes is dit Niet het hoghste lott.
14
| | | |
Naar het handschrift van Tesselschade Roemers. ub Leiden,
Pap. 2 (Visscher).
| |
Verantwoording
In het opschrift is ‘TRA_____’ aangevuld tot
Trajectina Ogle. Het gebruik van de afkorting heeft ons inziens niets te
betekenen; daarom hebben wij deze opgelost. Vers 3 bevat een opengehouden
variant: boven strydbre staat in het handschrift in dezelfde hand
vaste. Het sonnet was blijkbaar nog niet af. Deze staat hebben wij
| | | | behouden. In de uitgave van Worp (1918: 222) is gekozen voor
vaste; hierin is tevens in vers 2 ['t] toegevoegd voor lot
(1918: 221). Het metrum van vers 7 klopt niet. Worp (1918: 222) voegt [in] toe,
wat de onwelluidende jamben ‘in sýn onkúnt niet
kállen’ oplevert. Ons inziens zou het werkwoord
‘vercallen’ (xx, 94) aansluiten bij de betekenis en
metrisch veel beter passen: ‘syn ónkunt níét
vercállen’. Toch achten wij het niet noodzakelijk in de tekst in
te grijpen. De aanpassing beperkt zich tot de aanvulling van de losse /t/ uit
het handschrift tot 't in v. 3 en 10, en de cursivering van de woorden
‘Niet’ (v. 11 en 14) en ‘phoet’ (v. 12), die van de
humanistische cursief afwijken. Waar twijfel was omtrent hoofd- of kleine
letter is gekozen voor de kleine.
| |
Diplomatische transcriptie
Aen me Juffrou TRA_____
Wat in de lotery Des luckx Z/zyn oorspronck nam
is u lucksalicheyt Door lot te beurt gevallen
beneven t vaeder H/huys omheynt met strydbre
+<vaste>+ wallen
van koene daeden by een Adel sonder schram
Wat van u schoonheyt is en van u deughden vlam
en wysheyt op Z/zyn tyt te boerten en te mallen
en kan myn N/noertse tong syn onkunt niet kallen
Wat vroommicheyt belanght dat is u rechte stam
H/hoe Z/zeldsaem is deez deught by soo veel
schildqartieren
D/die met een stasy ry t rechtschapen waepen
cieren
van Niet te roemen [is+]<en> dit is het eedel slot
dat den p[*.*+]<h>oet weet met zyn veer te
raecken
en met die zeldtsaemheyt een yder vroet sal
maecken
van al deez watjes is dit Niet het hoghste lott.
| a/b | onzeker of a of b bedoeld is |
| +< >+ | toegevoegd boven de regel |
| [ +] | hieroverheen is < > geschreven
|
| *.* | onduidelijke letter |
| |
Notities
In vers 14 sluit de dichter op voorbeeldige wijze de breed
uitgewerkte paradox in het woordspel van de loterijbedrijvigheid af. De
‘watjes’ in de loterij, dwz. de briefjes waarop een prijs viel,
zijn verwoord in de opsomming van de eigenschappen: Wat... (v. 1),
Wat... (v. 5), Wat... (v. 8). Deze watjes blijken niet het
meest waardevol, maar het Niet. 1/2 de woorden
lotery en luckx vormen een chiasme met lucksalicheyt en
lot. 5/6 Leendertz Jr. (1929: 124) vertaalt
‘Wat uwe schoonheid en deugden en wijsheid betekenen.’
6 wysheyt te boerten en te mallen is een
contradictio. 6/7 mallen en kallen komen
veelal in combinatie voor (ix, 153). In de tekst wordt dit doorbroken
doordat het mallen aan Trajectina Ogle, het kallenaan de
ik wordt toegeschreven. 7 noertse: de
combinatie norse tong komt vaker voor. De keuze van de dichter voor
noertse zou een woordspeling met ‘noordse’ in de zin van
Noordhollandse kunnen inhouden; ook de grotere zoetvloeiendheid van de
vadertaal van Ogle, het Engels, kan hier als bescheidenheidstopos zijn
ingebracht. Soms ook wordt het Nederlands als stugger dan de taal van de
cultuur bij uitstek, het Italiaans, gewaardeerd.
8 vroommicheyt: Veenstra (1968: 31) spreekt van het
‘geheel van morele en intellectuele deugden.’
11/12 Verwijzing naar 2 Korinthe 12: 1
‘Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar’. De paradox van de verzen
wordt duidelijk bij het lezen wat de ‘poeet’ in dit gedicht heeft
gedaan: zij heeft het Niet weten te raken.
| | | |
| |
Korte inhoud
In het octaaf worden de verschillende kwaliteiten van de
aangesprokene opgesomd. Zij heeft een goede afkomst, is mooi, deugdzaam en
vrolijk, maar vooral rechtschapen. Haar grootste verdienste echter is, zo
blijkt uit het sextet, haar bescheidenheid.
| |
Achtergrond
Het gedicht is opgenomen in een brief van de dichter aan
Caspar Barlaeus, die aan de achterzijde
is geadresseerd: ‘Aen myn heer C. bareleus met Vrind die Godt
bewaert’. De aanhef van de brief luidt: ‘Tesselschade aan
Barlaeus’. Op het gedicht volgt:
Mijn Heer wild dit wat betuttelen
1 en bekladden
1 en t sal daer door gesuyver werden send het my
wederom van ue in 't net geschreven om wel te spelden
2 met ue oordel
wat wel off qualyck is, en laet u prysen voor minder vrinden als ick
3, die verlangh van ue berispt te mogen
werden, en dat sal mijn
4
doen blijven altyt ue beste vrindinne en openhertighe M.
Tesselschade.
Naar het handschrift van Tesselschade Roemers. ub Leiden,
Pap. 2 (Visscher).
Trajectina Johanna Ogle (overleden
1643) is een dochter van
Sir John Ogle (1568-1640) en
Elizabeth de Vries (overleden 1660).
Haar zus Utricia Swann-Ogle (1616-1674) was een goede
vriendin van
Anna Maria van Schurman (Van Beek
1992: 76 en 78). De twee dochters zijn genoemd naar de stad
Utrecht, waar hun vader in 1610 korte tijd gouverneur was. De
vader werd in 1603 in Engeland tot ridder geslagen. Zijn adeldom lag duidelijk
niet in bezittingen en kastelen, maar in zijn dapper optreden onder andere
tijdens de Slag bij Nieuwpoort (1600). Dit wordt uitgedrukt in de verzen 3 en 4
van het sonnet.
Tesselschade Roemers moet als klein meisje van dichtbij loterijen
hebben meegemaakt, want in de beginjaren van de zeventiende eeuw werden er door
allerlei steden loterijen georganiseerd. De collecteurs reisden het gehele land
af om hun loten te verkopen. Soms werd de bevolking zelfs van de kansel
opgeroepen om toch vooral loten te kopen. Dit is verklaarbaar als men bedenkt
dat de winst meestal ten goede kwam aan de armen. Deze positieve houding ten
aanzien van loterijen veranderde na 1619 als gevolg van het strenge klimaat dat
na de Synode vanDordrecht in veel steden heerste. Al eerder hadden
orthodoxe predikanten de loterijen toegevoegd aan de lijst van ongepaste
vermaken zoals dansen, drinken, kermispret en toneel. Ruim twintig jaar zullen
Holland en Zeeland verstoken blijven van grote
publieksloterijen, al zal er zeker een aantal illegale loterijen (rijfelarijen)
georganiseerd zijn. Pas na 1640 werden er opnieuw publieke loterijen
uitgeschreven (Huisman/Koppenol 1991). Met het thema van de loterij voor het
sonnet aan Trajectina Ogle uit 1641 geeft de dichter dus tevens te kennen dat
zij zich schaart bij mensen die de negatieve houding van de streng
gereformeerde predikanten niet delen.
| |
datering 1641
Constantijn Huygens en
Caspar Barlaeus refereren in hun
correspondentie uit 1641 aan dit sonnet (Huygens, De briefwisseling dl.
3, 1914: 179 en 191).
|
1Wat...nam: onderwerpszin;
nevenschikkend verbonden met Beneven...schram (v. 3-4).
Des
luckx: van het geluk ( viii, 3303-4, sv. luk).
2u lucksaligheyt: u gelukkige; indirect
object; derde persoon als aanspreekvorm: u: uw; vgl. ‘Uw
Edelheid’.
lot: toeval ( viii, 3054).
3Beneven: daarenboven
( ii, 1797).
vaste: stevige ( xviii, 670).
4Van...schram: van-vergelijking:
koene daeden zijn als vaste wallen rondom 't vaeder huys
(v. 3).
by: door ( ii, 2578).
5Wat...mallen: partiële
samentrekking op oorspronck (v. 1): Wat de oorsprong van u
schoonheyt is en de oorsprong van u deughden vlam En
wysheyt...mallen.
u: uw (2x).
u deughden vlam: de
vlam van uw deugden.
vlam: ook metafoor: intensiteit
( xxi, 1452).
6te boerten en te mallen: te schertsen;
tautologie ( iii, 188 en ix, 153).
7myn noertse tong syn onkunt: de
onkunde van mijn stroeve tong.
noertse: waarschijnlijk dubbelzinnig:
a) stroeve ( ix, 2170 sv. norsch); b) uit het noorden komende
( ix, 2132).
kallen: zeggen ( vii, 1010).
8vroommicheyt: dapperheid; in algemene
zin: deugdzaamheid ( xxiii, 911-3); (zie
Notities).
belanght: betreft ( ii, 1672); lees
hierachter een dubbele punt.
u rechte stam: uw werkelijke afstamming
( xii, 5-7 en xv, 568).
9deez deught: vooruitwijzend naar
Van Niet te roemen (v. 11).
schildqartieren: vakken op een
wapenschild ( viii, 712-3 sv. kwartier) die de adellijke afstamming
voorstellen.
10stasy ry: imponerende reeks (naar
xv, 324 sv. staatsie, en xiii, 182).
rechtschapen:
indrukwekkende ( xii/3, 616 bet.c).
11Van Niet te roemen: lees hierachter
een punt; (deze deugd) van zich op niets te beroemen, zich nergens op te laten
voorstaan ( xiii, 712-3). Vgl. 2 Korinthe 12: 1.
eedel: a)
adellijk; b) verheven ( iii, 3772 en 3775).
slot: besluit
( xiv, 1903).
12den phoet: de dichter;
ond.
veer: schrijftuig.
13En...maecken: overspannen
samentrekking op Dat; Dat (v. 12) lijd. voorwerp en [dat]
(v. 13) ond.; beide met als antecedent het eedel slot (v. 11).
een
yder: meewerkend vw.: aan een yder.
vroet sal maecken:
duidelijk zal maken; lees hierachter een dubbele punt.
14watjes: prijzen in een loterij
( xxiv, 1507).
dit Niet: t.w. Niet te roemen (v. 11);
tevens woordspeling: een ‘niet’ is een lot in de loterij dat zonder
prijs uitkomt ( ix, 1946).
1betuttelen: verbeteren
( ii, 2260).
1 bekladden: van aantekeningen voorzien
( ii, 1587).
3laet...ick: bewaar uw prijzen [maar]
voor minder goede vrienden dan ik.
4mijn: lijdend vw.; lees: mij.
|
|