De gedichten


auteur: Maria Tesselschade Roemers Visscher


bron: A. Agnes Sneller en Olga van Marion (ed.), De gedichten van Tesselschade Roemers. Verloren, Hilversum 1994  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 34]

4 Wat in de lotery Des luckx zyn oorspronck nam (1641)

Voor het album amicorum van haar vriendin Trajectina Johanna Ogle schreef Tesselschade Roemers het volgende sonnet. De overgeleverde versie is blijkens vers 3 nog onaf.

Aen me Juffrou Trajectina Ogle
 
Wat in de lotery Des luckx zyn oorspronck nam 1
 
Is u lucksalicheyt Door lot te beurt gevallen 2
 
Beneven 't vaeder huys omheynt met strydbre/vaste wallen 3
 
Van koene daeden by een Adel sonder schram 4
5
Wat van u schoonheyt is en van u deughden vlam 5
 
En wysheyt op zyn tyt te boerten en te mallen 6
 
En kan myn noertse tong syn onkunt niet kallen 7
 
Wat vroommicheyt belanght dat is u rechte stam 8
9
Hoe zeldsaem is deez deught by soo veel schildqartieren 9
 
Die met een stasy ry 't rechtschapen waepen cieren 10
 
Van Niet te roemen en dit is het eedel slot 11
12
Dat den phoet weet met zyn veer te raecken 12
 
En met die zeldtsaemheyt een yder vroet sal maecken 13
 
Van al deez watjes is dit Niet het hoghste lott. 14
[p. 35]

Naar het handschrift van Tesselschade Roemers. ub Leiden, Pap. 2 (Visscher).

Verantwoording

In het opschrift is ‘TRA_____’ aangevuld tot Trajectina Ogle. Het gebruik van de afkorting heeft ons inziens niets te betekenen; daarom hebben wij deze opgelost. Vers 3 bevat een opengehouden variant: boven strydbre staat in het handschrift in dezelfde hand vaste. Het sonnet was blijkbaar nog niet af. Deze staat hebben wij

[p. 36]

behouden. In de uitgave van Worp (1918: 222) is gekozen voor vaste; hierin is tevens in vers 2 ['t] toegevoegd voor lot (1918: 221). Het metrum van vers 7 klopt niet. Worp (1918: 222) voegt [in] toe, wat de onwelluidende jamben ‘in sýn onkúnt niet kállen’ oplevert. Ons inziens zou het werkwoord ‘vercallen’ (xx, 94) aansluiten bij de betekenis en metrisch veel beter passen: ‘syn ónkunt níét vercállen’. Toch achten wij het niet noodzakelijk in de tekst in te grijpen. De aanpassing beperkt zich tot de aanvulling van de losse /t/ uit het handschrift tot 't in v. 3 en 10, en de cursivering van de woorden ‘Niet’ (v. 11 en 14) en ‘phoet’ (v. 12), die van de humanistische cursief afwijken. Waar twijfel was omtrent hoofd- of kleine letter is gekozen voor de kleine.

Diplomatische transcriptie

Aen me Juffrou TRA_____
 
Wat in de lotery Des luckx Z/zyn oorspronck nam
 
is u lucksalicheyt Door lot te beurt gevallen
 
beneven t vaeder H/huys omheynt met strydbre +<vaste>+ wallen
 
van koene daeden by een Adel sonder schram
 
Wat van u schoonheyt is en van u deughden vlam
 
en wysheyt op Z/zyn tyt te boerten en te mallen
 
en kan myn N/noertse tong syn onkunt niet kallen
 
Wat vroommicheyt belanght dat is u rechte stam
 
H/hoe Z/zeldsaem is deez deught by soo veel schildqartieren
 
D/die met een stasy ry t rechtschapen waepen cieren
 
van Niet te roemen [is+]<en> dit is het eedel slot
 
dat den p[*.*+]<h>oet weet met zyn veer te raecken
 
en met die zeldtsaemheyt een yder vroet sal maecken
 
van al deez watjes is dit Niet het hoghste lott.

a/bonzeker of a of b bedoeld is
+< >+toegevoegd boven de regel
[ +]hieroverheen is < > geschreven
*.*onduidelijke letter

Notities

In vers 14 sluit de dichter op voorbeeldige wijze de breed uitgewerkte paradox in het woordspel van de loterijbedrijvigheid af. De ‘watjes’ in de loterij, dwz. de briefjes waarop een prijs viel, zijn verwoord in de opsomming van de eigenschappen: Wat... (v. 1), Wat... (v. 5), Wat... (v. 8). Deze watjes blijken niet het meest waardevol, maar het Niet.
1/2   de woorden lotery en luckx vormen een chiasme met lucksalicheyt en lot.
5/6   Leendertz Jr. (1929: 124) vertaalt ‘Wat uwe schoonheid en deugden en wijsheid betekenen.’
6   wysheyt te boerten en te mallen is een contradictio.
6/7   mallen en kallen komen veelal in combinatie voor (ix, 153). In de tekst wordt dit doorbroken doordat het mallen aan Trajectina Ogle, het kallenaan de ik wordt toegeschreven.
7   noertse: de combinatie norse tong komt vaker voor. De keuze van de dichter voor noertse zou een woordspeling met ‘noordse’ in de zin van Noordhollandse kunnen inhouden; ook de grotere zoetvloeiendheid van de vadertaal van Ogle, het Engels, kan hier als bescheidenheidstopos zijn ingebracht. Soms ook wordt het Nederlands als stugger dan de taal van de cultuur bij uitstek, het Italiaans, gewaardeerd.
8   vroommicheyt: Veenstra (1968: 31) spreekt van het ‘geheel van morele en intellectuele deugden.’
11/12   Verwijzing naar 2 Korinthe 12: 1 ‘Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar’. De paradox van de verzen wordt duidelijk bij het lezen wat de ‘poeet’ in dit gedicht heeft gedaan: zij heeft het Niet weten te raken.

[p. 37]

Korte inhoud

In het octaaf worden de verschillende kwaliteiten van de aangesprokene opgesomd. Zij heeft een goede afkomst, is mooi, deugdzaam en vrolijk, maar vooral rechtschapen. Haar grootste verdienste echter is, zo blijkt uit het sextet, haar bescheidenheid.

Achtergrond

Het gedicht is opgenomen in een brief van de dichter aan Caspar Barlaeus, die aan de achterzijde is geadresseerd: ‘Aen myn heer C. bareleus met Vrind die Godt bewaert’. De aanhef van de brief luidt: ‘Tesselschade aan Barlaeus’. Op het gedicht volgt:

Mijn Heer wild dit wat betuttelen 1 en bekladden 1 en t sal daer door gesuyver werden send het my wederom van ue in 't net geschreven om wel te spelden 2 met ue oordel wat wel off qualyck is, en laet u prysen voor minder vrinden als ick 3, die verlangh van ue berispt te mogen werden, en dat sal mijn 4 doen blijven altyt ue beste vrindinne en openhertighe
M. Tesselschade.

Naar het handschrift van Tesselschade Roemers. ub Leiden, Pap. 2 (Visscher).

Trajectina Johanna Ogle (overleden 1643) is een dochter van Sir John Ogle (1568-1640) en Elizabeth de Vries (overleden 1660). Haar zus Utricia Swann-Ogle (1616-1674) was een goede vriendin van Anna Maria van Schurman (Van Beek 1992: 76 en 78). De twee dochters zijn genoemd naar de stad Utrecht, waar hun vader in 1610 korte tijd gouverneur was. De vader werd in 1603 in Engeland tot ridder geslagen. Zijn adeldom lag duidelijk niet in bezittingen en kastelen, maar in zijn dapper optreden onder andere tijdens de Slag bij Nieuwpoort (1600). Dit wordt uitgedrukt in de verzen 3 en 4 van het sonnet.

Tesselschade Roemers moet als klein meisje van dichtbij loterijen hebben meegemaakt, want in de beginjaren van de zeventiende eeuw werden er door allerlei steden loterijen georganiseerd. De collecteurs reisden het gehele land af om hun loten te verkopen. Soms werd de bevolking zelfs van de kansel opgeroepen om toch vooral loten te kopen. Dit is verklaarbaar als men bedenkt dat de winst meestal ten goede kwam aan de armen. Deze positieve houding ten aanzien van loterijen veranderde na 1619 als gevolg van het strenge klimaat dat na de Synode vanDordrecht in veel steden heerste. Al eerder hadden orthodoxe predikanten de loterijen toegevoegd aan de lijst van ongepaste vermaken zoals dansen, drinken, kermispret en toneel. Ruim twintig jaar zullen Holland en Zeeland verstoken blijven van grote publieksloterijen, al zal er zeker een aantal illegale loterijen (rijfelarijen) georganiseerd zijn. Pas na 1640 werden er opnieuw publieke loterijen uitgeschreven (Huisman/Koppenol 1991). Met het thema van de loterij voor het sonnet aan Trajectina Ogle uit 1641 geeft de dichter dus tevens te kennen dat zij zich schaart bij mensen die de negatieve houding van de streng gereformeerde predikanten niet delen.

datering 1641

Constantijn Huygens en Caspar Barlaeus refereren in hun correspondentie uit 1641 aan dit sonnet (Huygens, De briefwisseling dl. 3, 1914: 179 en 191).