terug  begin  verder

II. Afwijkende lezingenaant.

Hier heb ik niet opgenomen:

1. spellingverschillen die geen klankverschillen aanduiden; de uitg. van 1644 (niet van Vondel zelf) spelt meermalen 't achtervoegsel -lijk als -lick; dit heb ik bij enige gedichten aangegeven.

2. leestekenverschillen die geen wijziging brengen in de betekenis, of wel klaarblijkelik drukfouten zijn.

Alle uitgaven tijdens 't leven van Vondel, behalve de eerste onder de tekst zelf opgegeven, worden hier vermeld met de afwijkende lezingen. De uitgaven die niet van Vondel zelf zijn, zoals Poesy 1647 (2 drukken) en 1660 worden wel vermeld, evenzo die van Brandt Vondels Poëzy, 1682, maar afwijkende lezingen worden niet gegeven, dan alleen wanneer 't om een of andere reden van belang kan zijn. Dus:

1. wanneer we van Vondel zelf geen eigen uitgaaf hebben;

2. wanneer ze 'n lezing hebben die door Vondel zelf gewijzigd kan zijn;

3. wanneer om andere redenen hun lezing 'n nadere verklaring of verduideliking kan geven van Vondel's tekst.

Van Poëzy 1650 bestaan twee nadrukken (Tot Leeuwarden, By Gysbert Sybes 1651 en 1658), met dezelfde gedichten op dezelfde bladzijden; deze twee worden dus verder niet aangegeven.

In de verschillende bundels Poëzy staan natuurlik geen ondertekeningen daar al de gedichten van Vondel zijn. Hierover wordt dus niets aangegeven, alleen Poesy 1647 heeft wel ondertekeningen.

Tenslotte geef ik de plaats waar de tekst te vinden is bij Van Lennep en Unger.

[p. 837]

AENDACHTIGE BETRACHTINGE OVER CHRISTUS LYDEN, blz. 55:

Geen enkele verdere uitgave in Vondel's tijd is hiervan bekend.

Van Lennep I, blz. 307. - Unger 1621-1625, blz. 11.

HOWLYCK-SANG, TUSSCHEN GOD EN DE GELOOVIGE ZIELE, blz. 69:

Poesy 1647 II, 2e druk, blz 108.

55 armoedt
71 na' Bruydgoms beeld

Poëzy 1650, blz. 549, onder ‘Gezangen.’

Tietel: Howlyck-Sang.
Van den 100 Psalm.

2 d'afgewassche zuiverheit
10 Liefde, d'ander
11 trouw
13 toch!
17 wien 't zienelijck behaeght
19 afslaet,
23 lieflijck bloost
25 legt nu
27 als de snoeplust is
30 spier-wit feestgewaet,
34 de Hemel
35 En ofze schoon
36 Zoo blijft hy
37 Ten beste
44 Waer in
45 kleeders
48 u Hert
50 Tot een onfeilbaar
54 zoo rijck een
60 aen uw rechte zy?
63 rijcke.... onwaerdeerbaer
65 Verwaerdigh
66 Dat ick
67 uw weldaet
71 en naer 's Bruigoms.
72 Kinders

Poëzy 1660 II, blz. 115.

51 Tot teiken
55 armoed
63 onwaardeerlijk
66 Dat ik
67 uw weldaad
69 Die Ziel
71 Bruigoms

Poëzy 1682 I, blz. 782, onder ‘Bruiloftdichten.’ - De tekst van 1650, met 'n enkele verandering.

Van Lennep II, blz. 109. - Unger 1621-1625, blz. 21.

VVTERSTE OORDEEL, blz. 72:

Door 'n vergissing is inplaats van de tekst uit Coornhert, de tekst uit de Vernieuwde Gulden Winckel 1622, blz. 74 afgedrukt. Hier volgt Coornhert's tekst die alleen in spelling verschilt (zie Tekstkritiek, blz. 830).

 
Den Hemel Vierschaar houdt, de Graven barsten open,
 
Het Aardrijck krylt alsins van zielen opgekropen:
 
Zijn soete en felle stem de Rechter hooren laat,
 
Gebenedyde komt, Vermaledyde gaat.

Poëzy 1682 II, blz. 652, onder ‘Oude Rymen.’

Tietel: Het leste oordeel.

1 bersten
2 krielt
4 Gezegenden komt hier, en gy vervloekten gaet.

Van Lennep I, blz. 302. - Unger 1618-1620, blz. 352.

VIER VVTERSTE, blz. 73:

Poëzy 1682 II, blz. 652, onder ‘Oude Rymen.’

Tietel: De vier uitersten.

3 honing zoet,
5 en 't blijft
6 Zoo doet
8 Die zelf de vierschaer spant, dien 't vonnis....
10 Van hem die
12 Vervloekten gaet nu heen om 't eeuwig wee te lijden.
14 Christus
15 uw kroon
16 Gezegenden komt hier, komt....

Van Lennep I, blz. 301. - Unger 1671-1679, blz. 398.

HIERVSALEM VERWOEST, blz. 74:

1. J.v. Vondels Hiervsalem Verwoest. Trevrspel. Siet uw Huis wort u woest gelaten.

Vignet: Met bloemen omkranste Bijenkorf, op 'n schildpad; met 't onderschrift: ‘Door Yuer in liefde Bloiende.’ 't Amsterdam Gedruckt by Paulus Matthysz. Voor Dirk Cornelisz. Hout-haeck, Boeckverkooper op de Nieuwe zyds Kolck, Anno 1642. 4o. De bladzijden worden aangewezen ('t voorwerk inbegrepen) door nummering van de bladen A2 enz. (samen IV en 74 bladzijden).

In deze uitgave is weggelaten van 't voorwerk: de opdracht aan Cornelis Pietersz. Hoofd, 't bericht: Aenden Gedichtlievenden Lezer, en de Klinckert: Aende Ioodsche Rabbynen (zie voor de latere teksten van deze Klinckert blz. 839); ook 't gedicht: Davids Lofzangh van Hierusalem, achter 't treurspel is weggelaten (zie voor de latere teksten van dit gedicht blz. 840).

[p. 838]

In de tietel boven De eerste handel is weggelaten: Den Joden tot naedencken, den Christenen tot waerschouwingh, als op het tooneel voorgesteld.

Al deze uitlatingen ook in alle volgende uitgaven.

Voor de opmerkelike spiegeldruk van Palamedes' tietelblad, op 't laatste blad van deze uitgave, zie Afwijkende lezingen bij Palamedes nr. 9.

Behoudens enige kleine onbeduidende verschillen geheel gelijk aan de tekst van 1620.

In de personenlijst: Titus de Kaizer; De Rey van Staet Iuffren.

In 't treurspel o.a. vs. 14: moest verkoelen.

Er staan nogal drukfouten en slordigheden in deze druk, zoals o.a. vs. 74: die ick schende.

Ook staat hier overal kaizer i. pl. v. keizer.

Onder 't treurspel staat niet: Door een is 't nu voldaan; maar hier is wel 'n vignet: 'n vliegende engel.

Opmerking: Hoewel Vondel in zijn Verscheide Gedichten van 1644 dit treurspel erkent, blijkt dat deze en de volgende uitgaven geen van alle van Vondel zijn. Immers de opmerkelike fouten zijn blijven staan; zoals bijv. in vs. 580 waar 't rijmwoord gaen is uitgevallen; in al deze uitgaven, behalve in die van 1665 is dat woord weggelaten; vs. 1634 En in plaats van Op; enz.; zo is zelfs overal drij blijven staan in de uitg. van 1642 en 1643 (ook in de latere, maar toen schreef Vondel weer drij); zie de opmerking over drij op blz. 831).

2. J.v. Vondels Iervsalem Verwoest. Trevrspel. Over vele jaren gedruckt, en nu herdruckt.

Vignet: 'n fontein met onderschrift: ‘Eeuwigh’, door C.V.S. (d.i. C. van Sichem).

Gedrukt bij en voor dezelfde als de vorige uitgave, Anno 1643. 4o. Evenveel bladzijden als bij 1, en op dezelfde wijze aangegeven.

Hier is ook nog weggelaten 't gedicht van Guilhelmus Vondelius, dat in de vorige uitgaven aan de achterkant van 't tietelblad staat. De uitg. is verder geheel gelijk aan 1642.

'n Nieuwe tieteluitgave dus van dezelfde boekverkoper en reeds 'n jaar later; blijkbaar alleen om opnieuw de aandacht op 't boek te vestigen.

3. I.V. Vondels Jerusalem verwoest. Treurspel. Ziet uw Huis wordt u woest gelaten.

Vignet: Putje met onderschrift: ‘Elck zyn beurt.’ t' Amsterdam, Ter Druckerye van Kornelis de Bruyn, Boeckdrucker, in de Gravestraet. CIƆ IƆ LXI (d.i. 1661). 8o. 64 blz. aangegeven door cijfers, beginnende bij 't treurspel met 5; en ook door letters A 2 enz.

't Is blijkbaar 'n nadruk van 1, er zijn wel veel drukfouten verbeterd, maar 'n vergissing zoals die van vs. 74, en de oorspr. fout van vs. 580 zijn niet hersteld.

In 't voorwerk is 't zelfde weggelaten als in de uitg van 1642. Ook in de tietel boven 't eerste bedrijf.

Hier staat overal bedryf in plaats van handel. Bij 't vijfde bedrijf staat er niet bij ‘en leste.’ Ook staat hier weer overal: keizer.

In 't gedicht van Guilhelmus Vondelius staat vs. 2 paerlen. Boven vers 151 staat enkel: Titus. Librarius. De overige afwijkingen opgegeven onder 1 komen hier ook zo voor.

Onder 't treurspel staat alleen: Einde.

Deze druk heeft veel kleiner letter, en is veel meer in elkaar gedrukt.

4. J.v. Vondels Hierusalem Verwoest. Treurspel. Over vele Jaren gedrukt, en nu herdrukt.

Vignet: Putje met onderschrift: ‘Elk syn beurt.’ t'Amsterdam, Voor de Weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, in 't Nieuwe Testament. 1665. 4o 76 blz. aangegeven door cijfers, en ook door letters A2 enz.

In deze uitgave is 'n prent ingevoegd voorstellende de verwoesting van Jeruzalem. Op de voorgrond wordt de zevenarmige kandelaar weggedragen. De prent is van Gerard*) de Iode.

't Gedicht van Guilhelmus Vondelius is evenals in 2 weggelaten.

Hier ook overal bedryf in plaats van handel, en er staat weer kaizer, maar niet overal.

Dezelfde tekst als de voorgaande met enkele wijzigingen en verbeteringen, zoals: vs. 74 die ick scheppe. Boven vs. 151 staat weer: Titus de Keizer. Librarius Rothmeester.

Onder 't treurspel staat alleen: Einde.

[p. 839]

5. J.v. Vondels Hierusalem verwoest. Treurspel. Over vele Jaren gedrukt, en nu herdrukt.

Vignet: naar links omgewend putje, met onderschrift: ‘Elk zyn beurt.’ t'Amsterdam, Voor de Weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, in 't Nieuwe Testament. 1665. 4o 67 blz. aangegeven zoals bij 4.

Deze druk is (enkele spellingsverschillen uitgezonderd, en 't omgekeerde putjesvignet) gelijk aan de voorgaande (4) maar de prent staat hier niet in. De reien zijn in kleine letter gedrukt. Unger zegt in z'n Bibliographie blz. 32, dat deze druk vermoedelik pas van de laatste jaren van de 17 d'eeuw is. 't Bewijs hiervoor lijkt mij 't vignet met 't omgekeerde putje op 't tietelblad, (de emmer aan de linkerzij van de ketting, enz.), en dat dus nagegraveerd is.

De aanhaling uit Vergilius in de opdracht aan Hoofd, blz. 79, beginnende: ‘O die ghy neemt alleen’ blz. 78-79.

Poëzy 1660 II, blz. 532.

Tietel: Uit Virgilius.
4 van ramp
15 oud'ren
20 werwaarts

De aanhaling uit Vergilius in de voorrede Aenden Gedichtlievenden Lezer, blz. 83, beginnende: ‘Wilt, Vader, kuysche ving'ren aen’

Poëzy 1660 II, blz. 533.

Er staat boven: Uit de zelve ('t staat vlak achter de vorige aanhaling). Geen verschillen.

De aanhaling blz. 83, uit Homeros, beginnende: ‘'t En past niet datme God Iuppijn’

Poëzy 1660 II, blz. 533.

Tietel: Uit Homeer.
l Jupijn

Poëzy 1682 II, blz. 598 onder ‘Vertaelingen.’

Tietel: Uit Homeer.
1 datmen
2 onrein
3 verbiedt my
5 de Goden
Er staat onder: MDCXX.

De aanhaling blz. 88, uit Vergilius, beginnende: ‘Wie sal de lijcken,’

Poëzy 1660 II, blz. 533.

Tietel: Uit Virgilius.
3 oude

De aanhaling blz. 91, uit Prudentius, beginnende: ‘De Iood zynde uyt den stoel’

Poëzy 1660 II, blz. 533.

Tietel: Uit Prudentius.
Geen verschillen.

Poëzy 1682 II, blz. 598, onder ‘Vertaelingen.’

Tietel: Uit Prudentius.
4 begange
Er staat onder: MDCXX.

De aanhaling blz. 93, uit Seneca, beginnende: ‘Het Loth en wees’

Poëzy 1682 II, blz. 595, onder ‘Vertaelingen.’

Tietel: Uit Seneca.
2 trotzen

AENDE IOODSCHE RABBYNEN, blz. 100:

Verscheide Gedichten 1644, blz. 65, onder ‘Klinckdichten.’

Aan de Iootsche Rabbijnen.
 
Vw gansche Priesterschap was, als van blyschap, dronken,
 
Toen Christus hing aan 't hout met armen uitgestrekt,
 
Gekruist, gegeesselt, en van dierbaar bloet bevlekt,
 
Daar hem dien bittren kelk des doots was toegeschonken.
5
Zy dochten luttel, dat Rechtvaardigheit, die boven
 
In 's hemels hoogen troon de fixe weeghschaal houdt,
 
Onschuldig bloet waardeert noch meer dan 't fijnste goud;
 
En telt al 't zuchten van de waarheit hier verschoven:
 
Maar toen de dag eens quam, dien Godt beschoren hadt
10
Tot wraak van 't schellemstuk der godtvergete stadt,
 
Die veiligh docht te staan op haar gewijde drempels;
 
Bleek klaar, wat zulk een stuk al plagen met zich brocht,
 
En dat den wrevlen tot geen borstweer strecken mocht,
 
Gewelt van muuren, noch schijnheiligheit des tempels.

Poëzy 1650, blz 61, onder ‘Klinckdichten.’

Helemaal dezelfde tekst als van Verscheide Gedichten 1644.

Poëzy 1682 I, blz. 295, onder ‘Klinckdichten.’ (Er staat verkeerd 395).

Tietel: Op de verwoesting van Jerusalem, aen de Joodsche Rabbijnen.

Overigens helemaal dezelfde tekst als van Versch. Ged. 1650.

[p. 840]

DAVIDS LOFZANGH VAN HIERVSALEM, blz. 216:

Dit gedicht komt niet voor in de latere uitgaven van Hiervsalem Verwoest.

Verscheide Gedichten 1644, blz. 377, onder ‘Gezangen.’

Iervsalems lof,
Of Vitbreidinge van den CXX1 Psalm.
Wijze: O nuit jalouse nuit.
 
Ierusalem, als ick u boven 't hooft zie hangen
 
Het uitgetogen zwaart, dat uwen schedel dreight;
 
Als ick u, Sion, zie geketent, en gevangen,
 
En hoe, ghy, als een zon, uw hooft ter aarde neight;
5
Als ick uw daken zie en muren omgevallen,
 
Geslecht met gras, dat dal en heuvel flus besloegh;
 
En 't pratte Babylon met zegeteeckens brallen,
 
Die David zegenrijck den Philistijn ontjoegh;
 
Dan sluit mijn hart, van rou; dan gaat het op een schreien;
10
Dan ben ick, als de sneeuw, die voor den zomer smelt;
 
Dan gaat mijn droeve ziel, in 't dal van droefheit, weien;
 
Daar stadigh eene beeck van tranen vloeit, en zweIt.
 
Maar als ick, wederom gekomen tot my zelven,
 
Zie rijzen top by top van 't nieuw gesticht gebouw,
15
Den tempel, en het hof, die prachtige gewelven;
 
Dan schep ick zoo veel vreugt, als voormaals druk en rou.
 
Dan spreeck ick by my self: o stadt, van Godt verkoren,
 
Van blyschap juicht mijn hart, van blyschap springt mijn siel:
 
Om dat, ick weet niet wie, my luistren komt in d'ooren:
20
De Godtsstadt is herbouwt, die eertijts nederviel.
 
Godt Godt heeft aangezien 't boetvaardige vernedren
 
Der stammen, al te lang gevangen aan d'Euphraat.
 
De rijcke tempel klimt met marmersteen en cedren,
 
Tot aan den hemel toe, gelijck de dageraat.
25
Het Heilige is verzien met zijne goude vaten.
 
De Priesters op een nieuw het outer smoocken doen.
 
De stieren loeien weêr, en d'offerlammers blaten,
 
Geheilight, om de vlam van 't offervier te voên.
 
Klimt op in Arons huis. klimt op in 't huis des Heeren:
30
Naardien de poorten weêr te Sion open staan.
 
Laat's Priesters lippen u Godts wet en zeden leeren,
 
En, aan zijn voetschabel, roept 's hemels Godtheit aan.
 
O uitgeleze stadt, o Moeder aller steden,
 
Door's hemels schicking, niet by wilt geval, gesticht:
35
Maar tot een zaligh eindt, en plaats voor 's volx gebeden;
 
Ghy zult mijn rustplaats zijn, en stof voor mijn gedicht.
 
O eere van het Rijck, o zetel van de stammen,
 
Die met een heilgen glans der Godtheit zijn bekleet;
 
Ghy blinckt met 's Konings kroone, en Arons offervlammen,
40
Dat wie u ziet, met roem van u te spreken weet.
 
Mijn yver eet mijn hart, en krenkt bykans mijn zinnen,
 
Wanneer ick vieren helpe, om 't statighst, 't hooge feest;
 
Dan ben ick meer dan mensch, of een der Cherubinnen;
 
Dan is mijn lichaam hier, en elders ziel en geest.
45
Men ziet een weerelt, zwart van menschen, t'samendringen,
 
Van wijdt en zijd, om strijt, verzamelt op een sté:
 
Gelijck de stroomen, elck uit hunne bron, ontspringen,
 
En bruisen op het lest in eene diepe zee.
 
De Priesterlijcke schaar, welrieckende van geuren,
50
Vitmuntende in cieraat, elx aanzicht tot zich haalt.
 
In myter, gordel, rock, en duizent mengelkleuren,
 
In gout, en klaar gesteente een ieders oogh verdwaalt.
 
Het offer, eerst gewijt aan 't outer, en zijn horen,
 
Ten leste 't offerplat met ingewant beslaat.
55
De hemel aangeterght, door 's volx vergrijp, tot toren,
 
Op d'offerhande ziet, en zich verzoenen laat.
 
Daar vangt het loven aan. daar zingt men Gode psalmen.
 
De wint, het snarespel, en Goddelick musijck,
 
In 't hangende gewelf, verwecken duisent galmen,
60
Ia zelf den Englezangk, in 't noit bedroefde Rijck.
 
Dan zingen zy: geen bloet van kalveren noch stieren
 
Kan boeten onze schult, noch wasschen onze smet;
 
Maar wel een eedler bloet van 't offer, goedertieren
 
Ons allen tot een zoen en offer voorgezet.
65
Wy zien op waarder zoen: op waarder bloet wy oogen,
 
Waar van deze offerhande alleen een voorbeelt streckt.
 
O kom, Messias, kom, en sterck ons onvermogen,
 
En drijf de schaduw wech, die ons gezicht bedeckt.
 
Het slaghtschaap zy gelooft, dat, eer de starren blonken,
70
Ons met zijn dierbaar bloet had vrygekocht alree.
 
Schiet vleugels aan. heft op uw harten, laagh gezoncken,
 
En voert des Hooghsten roem in d'allerhooghste stee.
 
O Hooftstadt van dit Rijck, de weerelt door geprezen,
 
Wat zwijgh ick, dat in u van elpenbeen en gout
75
Des Konings rechterstoelaanzienlick staat gerezen?
 
Daar elck zijn vonnis haalt, als Iuda vierschaar houdt.
 
Hier dringt men voor 't palais, of om den Vorst te spreken,
 
Of hem te zien: elck heeft zijn eigen wit, en wensch.
 
Zoo ras hy zich vertoont, is ieders hart bezweken,
80
Om 't hooft, meer Godt gelijk, dan een onsterflik mensch.
 
Dat Memphis 't hooft inhale, en vry den moet laet dalen,
 
Voor 't glinsterende slot, dat in de bergen light.
 
Dat Sidon niet eens droom dees toppen t'achterhalen;
 
En Tyrus elders keer het schaamroot aangezicht.
85
Zy pronkt gelijk een bruit der Godtheit, hoog geheven.
 
Gesteente is haar cieraat, en purper hare draght.
 
De hemel scheen verlieft aan haar zijn trouw te geven,
 
En heeft, om eene stadt, alle andre steên veracht.
 
Zy schijnt een paradijs, omhelst van zilvre beken;
[p. 841]
90
Een Eden, daar het Man aan 's levens puickboom groeit;
 
Een geurigh lustprieel, met hemeldauw bestreken,
 
Dat geenen winter voelt, en eeuwigh groent, en bloeit.
 
Zy schijnt een Phoenix, die, met schitterende veêren
 
Vit d'assche weêr verrijst, en al wat vlieght beschaamt.
95
Maar zwijgh, mijn psalterspel; zy kan uw roem ontbeeren
 
Die al de weerelt door geroemt is en befaamt.
 
Het zy ick dan aanschouw, hoe binnen uwe wallen
 
Aaron wort gezalft, en Iudaas hooft gekroont,
 
Hoeze elck, naar hunnen staat gedient, zoo heerlick brallen;
100
Hoe d'een het Heilighdom, en d'ander 't hof bewoont;
 
Het zy ick overlegh, hoe ghy begrijpt de kooren,
 
En 't God gewijt gewelf, het welck de starren zoeckt,
 
En Godt, die d'offers rieckt, en hier 't gebedt wil hooren,
 
En zegent wederom wat van hem wiert gevloeckt;
105
Het zy ick u aanschouwe, als 't beelt, dat ons, naar 't leven,
 
Een stadt vooroogen maalt, waaraan noch iedereen,
 
Die van den rechten Geeft des hemels wort gedreven,
 
In 't lest der dagen, strecke een levendige steen;
 
Het zy ghy 't voorbeelt wilt van d'opper heilstadt schijnen,
110
Waar van der Vadren Godt alleen is timmerman;
 
Een stadt van klincklaar gout, en perlen, en robijnen;
 
Een stadt, die eeuwigh duurt, en nimmer storten kan;
 
Ierusalem ghy zijt en blijft mijn lust, en weelde.
 
Ick wensch dat, als uw volck eens afschudt Babels juck,
115
Men u veel zegens wenschte, en elck u zegen deelde;
 
Dat wie u minde, ontfing een ongemeen geluck.
 
Dewijl de burgertwist ter neêr smijt stercke muren,
 
En voorspoet in den schoot van vrede en eendraght rust;
 
Zoo moet de vrede en pais in u gedurigh duren:
120
Zoo blijf het vier des krijghs in uwen kreits geblust.
 
Om mijner broedren wil, ter liefde van Godts vrunden,
 
Gehooft gehuist van u, in weldoen onvermoeit,
 
Wy hartelijcker u veel vrede en welvaart gunden,
 
En wenschen, dat uw heil oneindigh groeit, en bloeit.
125
Om Arons drempels oock, die binnen uwe veste
 
Geleit zijn, en betreên van Levijs vroom geslacht;
 
Ick gaarne u wenschen wil al 't geen u dien ten beste:
 
Gelijck een, die uw heil zijn eige welvaart acht.

Poëzy 1650, blz. 555, onder ‘Gezangen.’ - Dezelfde tekst als van Verscheide Gedichten 1644, behalve de volgende verschillen.

29 Klim op.... klim op
38 den heilgen
42 om statighst
56 d'offerhanden
58 De wint en snarespel:... Goddelijck
75 Des Konigs.... aenzienlijck
80 dan eenig sterflijk mensch.
90 Manne
93 Fenix
99 heerlijck
105 aenschouw
108 streckt
111 peerlen
121 broederen
127 dient

Poëzy 1682 II, blz. 479, onder ‘Gezangen.’ - Met nog 'n enkele kleine wijziging dezelfde tekst als van 1650. - Van Lennep I, blz. 757. - Unger 1618-1620, blz. 141.

DE HEERLYCKHEYD VAN SALOMON, blz. 223:

In W.S. Heere van Bartas wercken door Zacharias Heijns. (1621), IV. dagh der II. weke, blz. 503-vlgg. (W.S. = Willem Saluste).

't Tietelblad is hier natuurlik weggelaten. 't Stuk begint hier met 'n prent, voorstellende koning Salomon op z'n troon, met zeven leeuwen aan weerszijden op de treden.

Boven 't gedicht staat alleen: De Heerlijckheyd van Salomon.

Behoudens spellingverschil geen andere verschillen dan dikwels u voor uw, en in de tegenw. tijd 3e pers. enk. dikwels d voor t.

In 't voorwerk zijn weggelaten de Opdracht en de Voorrede; boven ‘Het Inhoud’ staat: De Heerlijckheyd van Salomon. Door I.v. Vondelen.

De Klinckert van ‘De Vertaelder aen Keyzeren enz.’ staat hier achter 't stuk, blz. 558.

vs. 4 achter opgetimmert 'n punt; vs. 10 u blyschap (voor de volgende teksten zie hieronder).

De Klinckert ‘Op de aenkomste van De Koninginne van 't Zuyden te Hiervsalem’ is ook weggelaten (voor de volgende teksten zie hieronder).

Van Lennep I, blz. 339. - Unger 1618-1620, blz. 147-vlg.

Klinckert van ‘De Vertaelder aen Keyzeren, Koningen enz.’ blz. 225:

Verscheide gedichten 1644, blz. 64.

Tietel: Aan Keizers, Koningen, en Vorsten.
1 parlen
2 Op 't voorhooft, waar in Godt
3 En kraakt van purper, en verkreukt u
4 Met glinstrend kroonegout te prachtigh
5 Benijt het niet
6 zijn vaders
7 den blixem van zijn groote
8 Verslaat en doodverft,
10 u blyschap
11 tijtlijck erf hoovaardigh
12 Rijk is duurzaam, als het
13 te gelijk

[p. 842]

Poëzy 1650, blz. 60. - Dezelfde tekst als 1644, behalve:

3 uw hair
10 uw blyschap

Poëzy 1682 I, blz. 294. - Dezelfde tekst als 1650, behalve:

Tietel: Op de Heerlijckheit van Salomon, Aen Keizers, Koningen, en Vorsten.

Van Lennep I, blz. 340. - Unger 1618-1620 blz. 148.

't Gedichtje op Phaëton, Voorreden, blz. 230:

Verscheide Gedichten 1644, blz. 320.

 
Tietel: Op PHAETON, uit Ovidius.
 
Alhier leit Phaëton verslagen,
 
De voerman van zijn vaders wagen;
 
Die, schoon de toom hem zy ontgaan,
 
Heeft niettemin wat stouts bestaan.

Poëzy 1650, blz. 472. - Dezelfde tekst als 1644, behalve:

vs. 3 hem is ontgaen,

Poëzy 1682 II, blz. 79. - Dezelfde tekst als 1650.

Van Lennep I, blz. 344 - Unger 1618-1620, blz. 153.

Klinckert ‘Op de aenkomste van De Koninginne van 't Zuyden te Hiervsalem’, blz. 299:

Verscheide Gedichten 1644, blz. 64.

Op d'aankomste der Koninginne van't Zuiden te Ierusalem.
 
Aanschou, wat schooner zon verlaat de morgenstralen,
 
En heft haar hooft om hoog, dat op de Vorsten smaalt,
 
Met steenen, daar natuur zoo goddelijck meê praalt.
 
Wat yver prickelt haar zoo wijt te loopen dwalen?
5
Of is het om een parle aan hare kroon te halen?
 
Och neen, de liefde heeft haar edel hart gewont,
 
Met lust tot dauw, die, uit des wijzen Konings mont,
 
Noch liefelijcker vloeit, dan honigh in de dalen.
 
Een vrouw, een Koningin, een Heidensche, die komt
10
Beschamen onzen roem; hoe schoon men dien verblomt.
 
Dees blickerende lamp verdrijft door hare klaarheit
 
Den luister onzes naams: naardien wy, zwaar gejukt
 
Van 't aartsch, door yver noit ten bedde uit zien* gerukt;
 
Dies derven wy het heil der aangebode waarheit.
 
Er staat geen ‘Klinckert’ boven.

Poëzy 1650, blz. 61. - Dezelfde tekst als 1644, behalve:

2 dat tegens zonnen straelt
9 een Heidensche afkomst komt
13 zijn geruckt;
14 derven wy de vrucht

Poëzy 1682 I, blz. 295. - Dezelfde tekst als 1650.

Van Lennep I, blz. 387. - Unger 1618-1620 blz. 211-vlg.

DE HELDEN GODES, blz. 302:

De Helden Godes Des Ouden Verbonds, Dicht-kunstelijk verklaart Door J.v. Vondelen. Midsgaders De Heilige Dagen van C. Huigens. Vignet: De gevleugelde faam, met 'n lauwerkrans in de hand, blazend op 'n bazuin, zwevend boven 'n zeehaven met schepen. Tot Gorinchem, Uit de Boekwinkel van David van Wesel, Boekverkooper aan de Peterbrugh, In 't Jaar 1663.

In 't voorwerk is weggelaten de opdracht aan ‘Iohan Fonteyn.’ Deze uitgave bevat geen prenten. De teksten van onder de prenten, staan in deze uitgave onder de namen der Helden boven de gedichten. De ‘Hymnus of Lofzangh vande Christelycke Ridder’ staat in deze uitgave niet. De gedichten van Huygens hebben 'n afzonderlike bladnummering.

In de teksten kleine wijzigingen zoals:

Van onze blz. 308 r. 28 Evangelium
Van onze blz. 311 r. 80 paerlen
Van onze blz. 312 r. 96 toortzen
Van onze blz. 313 r. 127 omwegen
Van onze blz. 317 vs. 25 t'sevens
Van onze blz. 319 vs. 18 pick; vs. 30 vloed
Van onze blz. 323 des Hemel
Van onze blz. 329 vs. 2 gaen vergen; vs. 5 Neef
Van onze blz. 329 vs. 26 vlam
Van onze blz. 329 vs. 7 t' saem;
Van onze blz. 335 vs. 3 plichtigh
Van onze blz. 345 vs. 3 bezyen
Van onze blz. 371 vs. 15 Met onbesnedene
Van onze blz. 371 vs. 26 lendenen
Van onze blz. 371 vs. 28 't Prophetisch ampt bekleed

Van Lennep II, blz. 11. - Unger 1618-1620, blz. 213.

[p. 843]

Klinckert, blz. 303: Verscheide Gedichten 1644, blz. 62.

Aan de Outvaders, Priesters, Koningen, Propheten, en Helden.
 
Outvaders, uit wier struick de stammen zijn gesproten;
 
Aartspriesters, die 't altaar met vier en vee besloegt;
 
Gekroonde koningen, die heilge scepters droegt;
 
Propheten, die voor 't volck het* Godts geheim ontsloten;
5
En strijtbre Helden, die met schitterende degens
 
Den vyant boodt het hooft, en rande Moab aan,
 
En Ammons Ridderschap; en t'huis keerde, overlaên
 
Van bloedige tropheen, en zoo veel roofs en zegens:
 
Lijt dat mijn zangheldin koom met haar harp verbreên,
10
Hoe ghy geteelt, gesmoockt, geheerscht, gespeelt, gestreên,
 
En overwonnen hebt: lijt dat ick my vermake,
 
En spiegel in uw deugt: en andren mededeil
 
Al 't geen de Geest beschreef, tot 's menschen dienst en heil;
 
Op dat elck een met my in 's hemels liefde blake.

Poëzy 1650, blz. 59. - Dezelfde tekst als 1644, behalve:

4 hebt Godts
12 spiegele
14 van 's hemels

Poëzy 1682 I. blz. 293. - Dezelfde tekst als 1650.

Van Lennep II, blz. 12. - Unger 1618-1620, blz. 214.

Klinckert, blz. 315: Verscheide Gedichten 1644, blz. 63.

Tietel: Op Godts Helden.
6 Allerhooghsten.... schelle stem
9 wy hier, noch ballingen, beneên
10 Vast zuchten eer men.... betreên,
11 Dat ons Aertspriester
12 Zoo offren wy.... vromen wandel, dien
13 Wy.... papier.... zien.
14 lagen.... toch

Poëzy 1650, blz. 59 en Poëzy 1682 I, blz. 293 hebben tietel en tekst als 1644.

Van Lennep II, blz. 22. - Unger 1618-1620, blz. 225.

ODE OP DE GHEBOORTE VAN ONSE HOLLANDTSCHE SAPPHO ANNA ROEMERS, blz. 392: Verscheide Gedichten 1644, blz. 129. - In de tietel is ‘Ode’ weggelaten.

37 u dicht
40 Wie van uw

Poëzy 1650, blz. 171.

2 toen
3 van den hemel zelf bezint.
5 hun hooge
8 en blinckende
13 Groei,.... en bloei, ontluick,
15 van uw
18 Die
20 uw naeldwerck
21 met pinceel,
27 bemaelt;
29 verscheide
33 Cats verbaest toekijckt:
36 Saffo zelf gelijckt:
39 Die u
43 Was op,.... was op
46 Was op,
47 De Hemel
48 Was.... van 't gezegent Nederlant.
49 Die hun
54 dat wert
55 leste
58 Jongkvrouw,
59 zich in uwe
60 wilvaerdigh
61 uitgeleze
63 Vergaep.... schielijck
65 naer de starren
66 hemelwaert.... Sibille

Poëzy 1682 I, blz. 287. - Dezelfde tekst als 1650 met enige verschillen.

Van Lennep II blz. 209. - Unger 1618-1620, blz. 23.

OP DEN BURGER-KRIJGH DER ROOMEREN, blz. 396:

Verscheide Gedichten 1644, blz. 62. - Er staat geen ‘Klinckert’ boven.

1 vordert.... de dwingelanden
2 hunnen zetel
3 na dat zy
4 Tarquijn.... ontwrongen, uit zijn handen:
5 Als 't forsse Roomsche.... eigene
7 Vitheemsche vyanden; en draegt naar 't duister graf
8 Verkregen vrydom,.... gemengde en bloende
12 brave
13 Italië gequeeckt hadde in zijn
14 Hy won 't gebiet, maar met verlies

Poëzy 1650, blz. 58. - Onder de tietel staat: Door den Heer Fiskael Storm uit Lukaen vertaelt.

1 vordert.... de dwingelanden
2 hunnen zetel
4 Tarquijn.... gewrongen uit zijn handen;
5 Als 't Roomsche volck zoo dol zijn eigene
6 met zijn zwaert,
7 Uitheemsche vyanden; en draeght naer 't duister graf
8 Verkregen vrydom, met gemengde en bloênde
12 brave
13 Italie gequeeckt hadde in zijn'
14 Hy won 't gebiet, maer met verlies

Poëzy 1682 I, blz. 292. - Dezelfde tekst als 1650.

Van Lennep II, blz. 201. - Unger 1618-1620, blz. 351.

[p. 844]

AEN DEN BRUIDEGOM LAMBRECHT JACOBSZ. MET SIJN BRVIDT, AECHTJEN ANTHONIS, blz. 397:

Poëzy 1650, blz. 485.

Op het Huwelyck van Lambert Jacobsz Schilder.
 
De Schilderkunst, die praelt met puick van oude stucken,
 
En aen den Tiber wort geviert en aengebeên
 
Van aller geesten bloem, gedreven derwaert heen,
 
Om daer met doode stof het leven uit te drucken;
5
Dees hoe aenlockend kon den geest zoo niet verrucken
 
Van onzen Schildergeest, die in 't gemoet bestreên
 
Geen doode verf vernoeghde, albast, noch marmersteen,
 
Om een ontloke bloem in Nederlant te plucken.
 
Na veel beraets hy dus den schellen weêrgalm vraeght:
10
Hoe heet mijn echtgenoot? hoe noemt men deze maeght?
 
Aeght, riept* de wedergalm. Aldus om uit te kiezen
 
Een Aeght uit duizenden, zo komt de Bruigom t'huis,
 
En zoeckt zijn wederhelft, zijn Bruit, niet zonder kruis,
 
En vint haer endelijck met vreught in 't Hof der Vriezen.

Poëzy 1660, blz. 115. - Dezelfde tekst als 1647, in dit deel blz. 397 afgedrukt, met 'n enkel verschil.

Poëzy 1682 I, blz. 306. - Dezelfde tekst als 1650 (met dezelfde zetfout riept vs. 11) met uitgebreide tietel, en hier staat de datum (met dezelfde vergissing) onder 't gedicht.

Van Lennep II, blz. 116. - Unger 1618-1620, blz. 350.

BABYLONISCHE GEVANGENIS, blz. 398:

Poëzy 1650, blz. 559. - Spellingverschillen als:

1 daeghlijx
14 ver van huis,
30 Men trapze,

Poëzy 1682 II, blz. 484. - Dezelfde tekst als 1650, behalve in vs. 28 breng.

Van Lennep II, blz. 137. - Unger 1621-1625, blz. 35.

GEZANG, op het Latijnsche Woordt: Trahit sua quemque voluptas, blz. 400:

Poesy 1647 II, 2e druk, blz. 134. - Dezelfde tekst als de eerste druk van 1647.

Poëzy 1660, blz. 145.
11 Elk werd

Poëzy 1682 II, blz. 680 onder ‘Oude Rymen.’

28 is,
40 hun schilden
45 door ondervinden
49 d'Eene zal zijn
53 klinken,
54 zwaerden
62 kerrektooren,
66 zich verschuilen,
75 zijns herten

Van Lennep II, blz. 206. - Unger 1621-1625, blz. 88.

OP 'T WOORT: DAER IS SOO YETS, blz. 403:

Poesy 1647 II, 2e druk, blz. 137. - Dezelfde tekst als de eerste druk van 1647.

Poëzy 1660 II, blz. 148. - Dezelfde tekst als van 1647.

Poëzy 1682 II, blz. 682, onder ‘Oude Rymen.’

Tietel: Gekken te hoop.
8 't Is bonum....
9 dat volkje

Van Lennep II, blz. 208. - Unger 1621-1625, blz. 90.

OP KASSANDRAS TREURSPEL, blz. 404:

Dit gedichtje staat in geen van de drukken van Rodenburghs treurspel (zie bij de Jaartallen op dit gedichtje.

Poesy 1647 II, 2e druk, blz. 84. - Dezelfde tekst als de eerste druk van 1647.

Poëzy 1660 II, blz. 89.
1 uw vervloekte

Poëzy 1682 II, blz. 390.

1 hertogin.... uw' vervloekte
2 minne past toch
4 trek

Van Lennep II, blz. 333. - Unger 1646-1647, blz. 261.

KLINCKDICHT OP HET DERDE DEEL VAN 'T LICHT DER ZEEVAART, blz. 405:

Verscheide Gedichten 1644, blz. 61, onder ‘Klinckdichten’.

1 overgeve
2 Die 't Middelantsche meir benauwen
5 De Straatsche*) handelaar gaf geen
6 van gevaar

[p. 845]

Poëzy 1650, blz. 58 onder ‘Klinckdichten.’

1 van hun die luttel stuiten,
2 De Middellantsche zee benauwen
3 hun gewin
5 De Straetsche handelaer gaf geen
6 van gevaer
9 angst voor.... hart

Poëzy 1682 I, blz. 292, onder ‘Klinckdichten.’ - Dezelfde tekst als van 1650.

Van Lennep III, blz. 460. - Unger 1621-1625, blz. 1.

KLINKERT, blz. 406:

Verscheide Gedichten 1644, blz. 66 onder ‘Klinckdichten.’

Tietel: Op de vertalinge van Bartas door Z. Heins.
1 Taals onkund hiel dus lang veel
3 Daar Willem stak voor hen het heiligh reukwerk aan,
4 En volghde's hemels heir, met
5 Doch.... als Aartspriester
6 met de verf der beste blaên,
7 En huwde, op dat zijn lant den Fransman moght verstaan,
8 Aan Bartas klare stem den weerklank zijner luiten.
9 Britanje,
10 Noch brommenden Tuskaan, ....hoovaardigh Spanje,
11 Noch wijken de trompet van....
12 Wie lust heb dien
13 Deurlees dit.... leen leergierige ooren
14 Aan Heins, ons streckende des grooten

Poëzy 1650, blz. 63, onder ‘Klinckdichten.’ - Dezelfde tekst als 1644, behalve:

1 Gebreck van tolck hiel lang de Nederlanders buiten,
14 Aen Heins, die ons verstreckt des grooten....

Poëzy 1682 I, blz. 297 (verkeerd genummerd 397) onder ‘Klinckdichten.’

Tietel: Op de vertalinge van Willem Bartas door Zacharias Heyns.

Dezelfde tekst als 1650.

Van Lennep II, blz. 199. - Unger 1621-1625, blz. 2.

OP ZACHARIAS HEYNS, blz. 408: Verscheide Gedichten 1644, blz. 136.

1 Aldus leeft Heins in print, om onzen tijt te cieren,
2 En deckt zijn geestigh hooft met heilige
3 Met reden; want hy vloeit.... klare beeck,
4 Zoo lieflijck als Bartas, in d'een....

Poëzy 1650, blz. 192, onder ‘Afbeeldingen’ - Dezelfde tekst als 1644, behalve:
4 in d'eene en d'andre Weeck.

Poëzy 1682 I, blz. 589, onder ‘Afbeeldingen’. - Dezelfde tekst als 1650.

Onder de tietel staat: Vertaelder van de werken van Bartas.

Van Lennep II, blz. 200. - Unger 1621-1625, blz. 3.

GEBEDT, UYTGESTORT TOT GODT, OVER MIJN GEDUERIGE QUIJNENDE SIECKTE. Anno 1621, blz. 409:

Poesy 1647 II 2e druk, blz. 137. - Dezelfde tekst als de eerste druk van 1647.

Poëzy 1650, blz. 592.

Tietel: Gebedt uitgestort tot Godt in mijn langdurige quynende Zieckte.
1 zieckten.... en weder laet verdwijnen,
2 Aenzie een Kristensch hart,
3 troost,
4 vat, van brosse stoffe ben:
5 Aenzie mijn.... dan, en laet uw goetheit stralen
6 Op my, nu afgepijnt van dagelijcksche qualen;
7 Of zoo u dat behaeght om mijn bedreve schult,
8 wapen.... borst met Kristelijck gedult.
9 De noot dit harnas eischt:
10 zwaricheên, verdriet, en ellenden.
11 Dus valtme 't leven zuur: dit
12 hemelwaert verzuchten
13 de zwaluwen hoor nestlen aen den gevel
14 overlend*.... van 's weerelts
15 daer gesternt
16 En gout, in blaeuw Turkois,
17 hoe yverigh de ziecken
18 Naer.... lucht, al roeiende op zijn wiecken
19 Gezwint wil steigeren; of wenscht dat uwe boôn
20 Hem dragen op hun schacht in
21 Wanneer ick om vermaeck met....
23 duncktme dat uw geest inwendigh my getuight
24 Hoe aller Englen rei daer....
25 Uit mijn quellaedje wert een hartelijck verlangen
26 Tot Godt en 't hooghste goet geboren en ontfangen.
27 den tijtelijcken
28 toch niet
29 Noch deze ellende niet te lang ons brosheit tergen,
30 Noch boven zijne maght uw sterflijck schepsel vergen.
31 Zoo zal mijn maetgezang u loven stadigh aen,
32 duistren
34 Genadigh zy gegunt te juichen met uw reien.

Poëzy 1660 II, blz. 149. - Dezelfde tekst als 1647 met enkele veranderingen (niet naar 1650).

Poëzy 1682 II, blz. 618. - Dezelfde tekst als 1650 met enkele veranderingen.

Er staat onder: MDCXXI.

Van Lennep II, blz. 119. - Unger 1621-1625, blz. 4.

[p. 846]

OP HENDRICK DE KEYSER, blz. 411:

Nog 'n zelfde Portret (gravure) als vermeld op blz. 411. De tekst is hier opnieuw onder gegraveerd, en heeft enkele spellingverschillen en 't abast van vs. 2 is verbeterd in albast.

Nog 'n zelfde Portret (gravure), maar de zeer slordige tekst van 't gedicht is er onder gedrukt:

 
Hier leeft, die, leven gaf aen marmer, aen metael
 
Yvoor albast en klay dies laet zich, Uytrecht hooren
 
Is Roome op kaysers prat en keyserlycke prael,
 
De Kayser van de kunst is uyt myn schoot ghebooren
 
I.V. Vondelen

Verscheide Gedichten 1644, blz. 135.

Tietel: Op Henrik de Keizer, Doorluchtigh Beelt- en Steenhouwer van Amsterdam.
1 en metaal,
2 Uitrecht

Poëzy 1650, blz. 189. - Dezelfde tekst als 1644, behalve:

3 Keizers.... keizerlijcke
4 Keizer

Poëzy 1682 I, blz. 591. - Dezelfde tekst als 1650.

Van Lennep II, blz. 123. - Unger 1618-1625, blz. 46.

OPDRAGHT DER AFBEELDINGHE VAN PRINS WILLEMS GRAF, AEN DE STATEN DER VEREENIGHDE NEDERLANDEN, blz. 412:

Nog 'n afbeelding van dit graf zoals op blz. 413, maar nu van links gezien; 't gedicht ook bovenaan zoals daar met enkele spellingverschillen. Onderaan links van de afbeelding staat: Henrick de Caeser, Inven, E.M.H. Stat: cum Privil. 1626. Onderaan rechts staat: C.J. Visscher, Excud.

Verscheide Gedichten 1644, blz. 300.

Tietel: Op Prins Willems graf, aan de Staten der vereenighde Nederlanden.
1 van dit lant,
2 Ontfangt, naar uwe gunst, doorluchte
3 van den Vorst,
5 Met haat van dwinglandye, en op
6 Uitschudde 't harrenas der westersche
7 Verdadighde al uw Recht, en....
8 Bezegelde den schat des Vrydoms met zijn bloet.

Poëzy 1650, blz. 454. - Dezelfde tekst als 1644.

Poëzy 1682 II, blz. 296. - Dezelfde tekst als 1644 en 1650.

De tietel van de eerste uitgave.

Van Lennep II, blz. 121. - Unger 1621-1625, blz. 45.

GEDACHTENIS VAN DESIDEER ERASMVS ROTTERDAMMER AEN DEN HEER PETER SCHRYVER, blz. 414:

Verscheide Gedichten 1644, blz. 170, onder ‘Lierdichten.’

11 schandelicken
12 Christelicken
19 weereldlick.... geestlick
57 redelicksten

Poëzy 1650, blz. 324, onder ‘Lierdichten.’

9 heene
10 Athene
20 Zy
34 Zy
43 gesternt
44 bernt
49 Gekroonde hoofden
50 Zijn gunst door hun
55 Omhelzende
59 Haet en Nijt
64 Godt zegene en bedauw'

Poëzy 1682 I, blz. 473, onder ‘Lierdichten.’ - Dezelfde tekst als Poëzy 1650.

Van Lennep II, blz. 128. - Unger 1621-1625, blz. 38.

OP HET METALEN PRONCK-BEELD VANDEN GROOTEN ERASMVS, blz. 418:

Colloquia Familiaria of Gemeensame t'samen-spraken.... (enz.) t'Haerlem, Ghedruct by Thomas Fonteyn, Voor Dirck Pietersz. Boeck-verkooper tot Amstelredam, op 't water inde witte Persse, recht over de koorn-Marckt. Anno 1634. Op blz. 6 van 't voorwerk dezelfde tekst als de eerste uitgave van ‘Colloquia Familiaria.’

Colloquia Familiaria’... (enz.) Tot Utrecht, Gedrukt ter druckerije van Gysbert van Zyll, Boekverkoper op de Ganse-markt, in 's Konings-Bijbel 1664. Dezelfde tekst als de vorige uitgaven van ‘Colloquia.’

[p. 847]

Verscheide Gedichten 1644, blz. 66, onder ‘Klinckdichten.’

In de tietel: Pronkbeelt, te Rotterdam.... ter eere
1 Latiam*.... hiel
2 gansch.... zoo ras
3 En schonk.... aan 't nedrigh Rotterdam,
4 Een naam, naar dien
5 De Stadt, verheugt om d'eer van zulk een zoon genoten,
6 Zijn rottende.... noch stuivende
8 Om haren zuigeling van 't hoogh altaar te stooten:
9 Dan och, die groote keert zich niet aan nijt noch spijt.
10 graf bestulpt zijn faam.... den tijdt.
11 voor afgunst
13 steurt aan 's Helts verdiende praal:
14 Wy gieten licht.... dien

Afzonderlike uitgave onder 'n zeldzame afbeelding van Erasmus (zie blz. 419). Deze tekst is dezelfde als van 1644; alleen de fout in vs. 1 Latiam is verbeterd juist als in Poëzy 1650; dit is natuurlik niet voldoende om te beslissen, dat deze prent van na 1650 is. De spelling komt deels met 1644 deels met 1650 overeen; maar de y overal zonder puntjes (zoals Vondel altijd schreef).

Poëzy 1650, blz. 62, onder ‘Klinckdichten’ en Poëzy 1682 I, blz. 296, onder ‘Klinckdichten’.

Dezelfde tekst als 1644, behalve de fout in vs. 1 Latiam, hier verbeterd in Latium.

Van Lennep II, blz. 127. - Unger 1621-1625, blz. 37.

OP ERASMUS, blz. 420: Van Lennep II, blz. 130. - Unger 1621-1625, blz. 41.

TOT LOF VAN ST. AGNES, GHESANG, blz. 420:

Geen latere uitgave van Stalpaert's Vrouwelick Cieraet is bekend. Ook in geen enkele latere verzameling van Vondel's poëzie komt dit gedicht voor. Dit is heel vreemd, en zou doen twijfelen of dit gedicht wel van Vondel is (zie blz. 832).

Van Lennep en Unger niet.

LYCKDICHT OP D. CONRADUS VORSTIUS, blz. 426:

Poesy 1647 II, 1e druk, blz. 57. - Omdat de 1e druk van 1647 blijkbare fouten had, is op blz. 426 de tekst uit de 2e druk afgedrukt.

Dezelfde tekst als de twede druk van 1647 met enige verschillen waaronder in vs. 9 Naem i.pl.v. Roem, dat in Vondels uitgave van 1650 en alle volgende staat.

Poëzy 1650, blz. 482.

Tietel: Op de doot van Koenraet Vorstius.
1 most leven,
3 gouden
4 En Godes aengezicht afschildert
9 niet hooren zonder straffen (geen leesteken)
10 dien Cerberus
11 Die smeet
13 De helsche afgront
15 op dat genaderijck
16 bestraele

Poëzy 1660 II, blz. 60. - Dezelfde tekst als 1647 2e druk, met 'n enkele verandering.

Poëzy 1682 II, blz. 24, onder ‘Lykdichten.’ - Dezelfde tekst als 1650 met 'n enkele verandering; in vs. 11 Dies smeet (zie Tekstkritiek op dit gedicht). Links onder 't gedicht staat: Overleden 1622 den 9 van Wijnmaent.

Van Lennep II, blz. 147. - Unger 1621-1625, blz. 42.

KLINKERT, blz. 428:

Van Lennep II, blz. 139. - Unger 1621-8625 blz. 47.

OP DE VERTALINGE VAN DE EERSTE WEECKE, VAN G. DE SALVSTE, DOOR WESSEL VAN BOETSELER, blz. 429:

Verscheide Gedichten 1644, blz. 63.

Tietel: Op 't vertolken van Bartas door den Heer Wessel van Boetselaar, Vryheer en Baron tot Asperen.
1 u taal
2 u moeders.... op 't hof
3 Komt school bij Boetselaar;
5 u lantsman
6 Hoe zijne zaken staan.... vremde
7 Uitheemsche.... schuwt, en maackt het
8 noch kalck
9 schep moedt:
10 vervalle
11 Die, rijck van.... hooft heft
13 zoo groot een
14 Die Phebus lauwerhoet

[p. 848]

Poëzy 1650, blz. 60 en Poëzy 1682 I, blz. 264, onder ‘Klinckdichten.’ - Dezelfde tekst als 1644 met de volgende verschillen:

In de tietel: Vryheer t'Asperen.
In vs. 1, 2 en 5 uw i.pl.v. u.
8 datwe zweeten.
14 na moeilijck (1682 na 't moeilyck)

Van Lennep II, blz. 198. - Unger 1621-1625, blz. 48.

ALS JUFFROUW MAGDALENE HAREN BAAK TROUWDE, blz. 430:

Van de hand van Anna Roemers hebben we deze tekst:

 
Veel duijsent Baken sijn aen ieder een[?]/man[?] gemeen:
 
Maer gij, ô braven Baek! sijt voor dees' Maegd'alleen.

Aldus in 'n oud handschrift, waarbij vermeld wordt: ‘23 Maij ao 1623 heeft Anna Roemers op de Bruijloft van Iost Laurenss'. Baek ende Magdalena van Erp 't volgende versken op eenen Roomer gesneden.’

(Zie Dr. F. Kosmann: De gedichten van Anna Roemers Visscher (1925) blz. 29. Mogelik is dit Vondel's oudste tekst, maar waarschijnliker is 't 'n gewijzigde lezing (zie Tekstkritiek).

Poëzy 1682 II, Aanhangsel blz. 3.

Tietel: Op het trouwen van joffrouw Magdalena van Erp met Justus Baak.
2 Baek, is nu voor u,

Van Lennep II, blz. 266. - Unger 1621-1625, blz. 51.

HET LOF DER ZEEVAERT, blz. 431:

Zeespiegel, Inhoudende Een korte Onderwysinghe inde Konst der zeevaert enz. Tot Amsterdam, Ghedruckt by Willem Iansz Blaeuw, inde vergulde Sonnewyser. 1627, blz. 4.

45 my
95 ontstelt,
227 noch witten
238 noch beworpen,
330 op cierlijxst
342 deuntjes
424 oorloch

Zeespiegel; Inhoudende Een korte Onderwysinghe inde Konst der Zeevaert, enz. Door Willem Iansz Blaeuw. Tot Amsterdam, Ghedruckt bij Willem Iansz Blaeuw, in de vergulde Sonnewyser, 1631, blz. 4.

16 voormals
31 Britanjen
45 Wat my
95 ontstelt.
108 Den wereld
136 perlen
178 moet geven
301 aenbreckt
413 bekend
424 oorloch
429 dienste en verschillende zetfouten.

De latere uitg. van Zeespiegel hebben 't gedicht niet.

Verscheide Gedichten 1644, blz. 114.

Tietel: Het Lof der Zeevaart. Aen den Heer Laurens Reael, Ridder, Oud-Generael van Oost-Indien, &c.
9 kunt
10 veergelege
13 voorgenome
21 Van waar
22 maakt het
27 gulden
28 hollen
30 gevlochte
31 Britanje
34 Uranie eerst is aan Phoenicien
35 meer,
36 Des aspunts sincken, en het... Beer.
37 En Rhodus is befaamt,
38 van den wind
44 en elleck d'eerst wil sijn.
45 Wat mij
50 konde duuren,
56 Kon
64 Wen op
65 Wen hy.... disselen
66 verwisselen
74 tegens
80 leyt gesmoort,
81 der omgestorte
82 om dat het
85 Die arbeyd
89 u vermogen
92 burgery
100 met haer saed
107 Kercktorens in de zee,
115 Oranje blanje
116 Wat schoon schakeersel hier het oogh
122 Iunoos kar.
124 Mercuur om laegh van 't lichtgestarrent
128 starren
133 sijt ge droncken,
134 misbruikt ge om meê te pronken,
136 worpt
138 swijg
142 kleenoodje,
144 Cypersche.... op levend
145 haars aanschijns eerse lande,
186 drie
260 soetelick
273 aan strand,
286 de Hel
409 moest
410 vreedsamelik
412 yegelick
428 gansche
442 op de soomen,

Poëzy 1650, blz. 113.

Tietel: Het Lof der Zeevaert. Aen den Heer Laurens Reael, Ridder, Out Generael van de Oost Indien.
9 kunt
10 vergelege
11 binnen boorts
13 voorgenome
15 Mijn Laurens
16 als Hooft, naer
20 onze kiel
21 van waer
22 maeckt het
26 Tifis
27 Gulden
28 hollen
30 gevlochte
31 Britanje
32 Dorst tarten met een boot

[p. 849]

34 Uranie eerst is aen Fenicie
35 En leert hen.... meer
36 Des aspunts zincken, en het...Beer
37 Rhodus is befaemt
38 van den wint
43 naer dien vont:
45 Wat my
49 Die borst, uit schuim geteelt,
53 En sedert,
56 Kon
57 goetje,
58 en luchtigh toppers hoetje,
61 hier meê.... d'ouden
64 Wen op stadts.... de kiel;
65 Wen hy.... timmerliên met byl en zaegh en disselen
66 verwisselen
67 De balcken van weêrszyde
69 beide
74 tegens
76 of als Neptunus kerck,
79 De Reuzen zijn herteelt,
80 't bloet, wel eer gesmoort,
81 der omgestorte
82 om dat dees aert Saturnus stoel durf tergen.
85 Die arbeit
86 Een' man die wricken kost
90 vermetenheit:
91 gevaert,
92 burgery.... paert.
94 rijt een kuil
100 met haer zaet
103 romp, en hobbelt,
107 Kercktorens in de zee, ....men kan
108 hoogen
111 Ten leste ick mijne
112 Voor ancker
115 Oranje wit en blaeuw!
116 Wat schoon schakeersel hier het oogh
122 Junoos kar:
124 Merkuur om laegh van 't lichtgestarrent
128 starren
132 galery,
133 zijtge droncken?
134 misbruicktge om meê te proncken:
136 worpt
137 De weelde Tyrus.... deed dolen.
138 zwijg
142 kleenoodje.... uw ooren
144 Na'et Cypersche..op levend marmer
145 haers aenschijns,.... lande,
147 Wie.... binnen boorts
160 van de hel.
162 te Rome Italiaensche
168 Al is het lichaem t'huis,
169 Joffer
175 de Putier,
178 moet geven.
179 dick hondert in getal
181 na 'et
182 by abberdaen,
184 gehart gevoelt
185 ons slempers
186 gastgaen dick drie
189 Zoo neemt men oogh hier op.
193 Met dagk, gevangenis,
196 koi,
205 Wier blacken.... wier
209 Wier vesten
211 rechtvaerdigheit
217 Den windt
218 En d'Eick de baren klooft,
222 wat het
224 Geef
227 noch witten
229 noch
235 staerten,
237 nu braecken,
238 die geen loot.... noch
240 dick ontzien
245 baecken
253 des roovers (zonder komma)
257 naer wensch,
259 zet het
263 De heldre
266 starren
267 komt den Oceaen
268 dicke
269 Mengt hemel lucht en zee,
270 tegens.... tegens
271 En d'Op- den Ondergang,
273 woet opstrant,
276 een' Baiert brouwen
278 de vloet, en golf op golven
279 waentghe
280 in de muil
283 Nu lijt het..., nu voor, en nu ter zy.
285 Nu hangt men aen
286 de hel ons op
288 naer...., naer...., noch
289 Van toren
290 naer
293 Tifus dickwils dus, ...de gemoeden
294 d'ingelade goeden,
295 en alle masten kerft,
298 noch
302 hart
306 Wanhopigen
307 rots,
309 anderen
315 wanneer mijn zeepinas
316 de Noorder As,
319 Korus water.... uit het ruim,
321 dry, en door langdurigh
323 door gewelt
324 breecken dick
325 Men viert het armdick touw zomwijl tweehondert vadem,
326 En geeft het
332 doet, de dappere Heldin,
333 durfze
335 gemaenden
336 vergeefs geweer
339 als nu d'Oceaen,
341 smert, met vrolijckheit
342 met deunen,
343 koesterr
344 heldren
348 de kiel.
349 veelerley
350 kleinen,... gevaert
351 naer
352 hoewel de nachten
354 Door ongebaenden
355 naar d'As,
357 leidstar
360 toch der genen,
361 gruwelijcke
362 noch keeren.
363 de hemel
364 die zich van de gulde
365 Als van een uurwerck dient,
368 blaeuwen
370 uit het
381 wetsteen zulcks
386 Noch marssepeinen
388 tekenen... beelden overvol;
389 waer voorze
390 waerschuwt
391 Inhammen,
393 Mijn grenen
405 aerden
406 zwaerden
408 gratigh
409 moest
410 Noch.... drempels
412 zorge
413 waert gelastert.
414 dit vondeling, dien aterlinxen
415 men smack' hem
417 veergelegene
419 Noch.... geen Kristelicke
420 Noch
421 naer
423 maaien en gaf.... oegst
424 Op dat geen rijck noch kust door oorloogh wiert
427 En hoe 't
428 gansche
430 zwaergeladene
431 Zoo zal Godts zegen ons toevloeien
440 de lenden overdeckt,
441 als de zoomen,
442 langs de zoomen;
443 De slincke zwaeit... rechtehant;
445 Bemoschte watergoên
446 naer
447 uit het diep; en groote
448 Gelegen aen den stroom, of palende
449 zie er.... is, rijck Venedigh,
450 Marsilje staegh
453 zie'er uitheemsch
456 slaen
462 der Dichtren hooft, met vaerzen
465 De merckt.... weelden
466 De trotsgewelfde...., ten hemel vaert
468 de Joffers van ons Y,
470 naar den toon... haer treden
473 Zy hebben
477 drempel

Poëzy 1682 I, blz. 147. - Dezelfde tekst als 1650 met enkele kleine wijzigingen.

Van Lennep II, blz. 168. - Unger 1621-1625, blz. 52.

[p. 850]

VECHTZANGK VOOR IOFFROUW MARIA TESSELSCHADE, blz. 456:

Poëzy 1650, blz. 517, onder ‘Gezangen.’

In de tietel: Juffrouwe
15 by 't
16 Rijck
24 weiden
27 Zwijght
38 Dan 't en eng
54 Daer 't loot 't geen
55 Het schip
59 oorlogh
67 ofghe
83 Met slaghzwaert

Poëzy 1682 II, blz. 411, onder ‘Gezangen.’ - Dezelfde tekst als 1650 met enkele veranderingen. - Van Lennep II, blz. 164. - Unger 1621-1625, blz. 70.

DE SALIGE TOORTSEN, blz. 460:

Verscheide Gedichten 1644, blz. 278, onder ‘Bruiloftdichten.’

De tortsen van Alard Krombalck,
en
Tesselscha Roemers.
 
Hoe sal ick 't heilig bed van Roemers dochter roemen?
 
Mijn oog te keurig dwaalt. hier lacht een beemd vol bloemen.
 
O Amstelnymfen, helpt. wat hemelsch drijft mijn geest.
 
Vlecht hoeden en ontsteeckt de tortsen van dees feest.
5
Dat soo veel geesten als 'er leven in mijn aderen
 
Naar boven swevende in mijn harssenen vergaderen.
 
Sy sijn 'er al, ick voel 't. een God besit mijn siel,
 
En opent 't schoonste, dat een kiesch vernuft beviel.
 
God Iupiters gemaal bewaackte d'Amsterdammers
10
Met haer sorghvuldigh oogh, na veel geleden jammers,
 
Te liever, mits de Wraack, verbittert tegens recht,
 
Hun lage vesten tot den grond toe had geslecht:
 
Want wat was toch verbeurt aan 't goddeloos omhelsen
 
Te wreken van een Graaf, die 't edel huis van Velsen
15
Getrappelt had op 't hart, en sulck een vrouw verkracht
 
Die eerlick was gehuwt, en roemde op haar geslacht;
 
Een Graaf, die queeckend een verbitterde gemeente
 
Den ouden adel hoonde, en quetstese in 't gebeente.
 
De suster van Iupijn de stad hieromme was
20
Met gunst genegen, en herbouwdese uit haar asch:
 
Soo datse jong te prijck, met 's keisers kroon bepeerelt,
 
Sat tot verwondering der gansche Christe weereld,
 
En lade op sich, om al haar handel en gewoel,
 
Den nijd van nabuursteên, gewijt ten konings stoel:
25
Maar Iuno niet vernoeght, als die met grooter gaven
 
Haar burgers eeren wou, begaan was, om 's lands haven
 
Te schuimen van gevaar, dat over 't scheepsvolck hing,
 
Wen na behoude reis dick'vloot op vloot verging,
 
Door tweer Sireenen sang, wier liefelicke lippen
30
En snaren Palinuur verlockten op de klippen.
 
Sy stuurden eb en vloed, en breidelden de zee,
 
Soo dat vast weer en wind most luistren naar dees twee,
 
Het bloed van Kallioop. d'een om haar ongenade
 
Genoemt werd naar heur aard en strengheid Tesselschade.
35
Saturnus dochter dan met desen last beswaart,
 
Hier op den breeden Raad der Goden had vergaart,
 
Die overleiden 't vast en vonden sich verlegen:
 
Want Iuno dreef haar stuck, Apollo stondse tegen.
 
Sy dong op dese wijze: o vader van den Goôn,
40
En ghy wier Majesteit vereert den hoogen troon
 
Des grooten Dondergods, de spijt verruckt mijn sinnen
 
Wen ick gedenck, hoe twee half zee-half-landmeer-minnen
 
Bestrijden een Godin, wiens toornigheid vertsaaght
 
Den opperste, die moed op sijnen blixem draaght.
45
Mijn stad, wiens burgers staag als wackre mieren krielen,
 
d'Ondraghelicke scha moet boeten van de kielen,
 
Die stranden reis op reis, en stooten op den grond,
 
Wanneerse seilen gaan 's lands haven in den mond;
 
Of ryen op de ree, in pekelschuim gedolven,
50
En staan de barning uit der schrickelicke golven,
 
Al t'ysselick aan 't woên geraackt, door spel en sang
 
Van dese sustren, soet op onsen ondergang.
 
En waarom sit ick traagh, die lang behoort te wreken
 
't Geleden leet: of sou 't aan onse maght ontbreken?
55
Dat tuigh de Frygiaan die t'Argos sit geboeit,
 
Priaams geslachtboom tot den wortel uitgeroeit:
 
Dat tuigh de basterdsoon, ten leste vrygevochten
 
Dwars heen door afgronds spook en leelicke gedrochten,
 
Door soo veel ongevals en ramps, hem voor de scheen
60
Gesprongen, om mijn spijt te wreecken aan Alkmeen,
 
En slechte ick niet tot puin Karthagoos hooge vesten?
 
En slaanwe Rijcken niet met doodelicke pesten,
 
En met het scharpe swaard van bittren hongers nood,
 
Die d'arme sondaars pijnt met een gereckte dood?
65
Ick had Neptuin geterght dat hy 't sich soude belgen,
 
En door een zeegedroght dien havenvloeck verdelgen,
 
Tot heil van Amstelland, en wasdom van den Staat:
 
Maar ben, 'k en weet niet hoe, verandert van beraad,
 
En legh vast over, om door sachte hylixwetten
70
En bruiloften haar hart en sinnen te verletten,
 
Door kuische en heilge sucht om teelen haars gelijck.
 
Dat dan voor dit besluit mijn eersten yver wijck,
 
En dees vergadering, na ernstigh overwegen,
 
Dit stemme, en daar toe spreeck een algemeenen segen.
75
Sy sweegh, en hoorde toe. 't gemompel ging rondom,
 
Elck overwoegh 't. alleen Apollo sat 'er stom,
 
En kropte sijn verdriet, en toonde sich t'onvrede.
 
Ten leste rees hy op, en borst met dese rede
 
Op Iunoos voorstel uit: noit onbeschaamder eisch
80
En klonck 'er uit 't gestoelt van 't hemelsche pallais.
 
Heeft Ganimeed te mild sijn stiefmoêrs brein beschonken
 
Met nectar, datse raast als waarse dol en droncken.
[p. 851]
 
Wat overschrijdse 't perck? wat vordertse op mijn Recht?
 
Wat micktse op 't suiver wit, daar geen geschut op hecht?
85
Wat stichtse hemelbrant, dien niemant uit kan lesschen?
 
T'onbillick eischtse 't puick van alle Priesteressen
 
Apollo toegewijt, die door het gansche jaar
 
Bewierroocken sijn kerck, en eeren 't hoogh autaar
 
Met versche kranssen, bont gespickelt en gevlochten,
90
Met geuren, diese ons oit godsdienstelick toebrogten;
 
Soo dick' zy blaken deên een suiver offervier,
 
Naar sede geperruickt met heiligen laurier.
 
Swijgh Iuno, die u toont soo ruw en onbescheeden.
 
Sy sijn aan my verlooft door dier gesworen eeden.
95
Mijn Dochters, wacht uw dienst, mijn koorgewaad u dek,
 
Dat geen kerckschennis u besprenckel noch bevleck.
 
Mijn feest uw sorge sy. volhard in mijn gesangen:
 
En ghy voornamelick, wiens schrandre sinnen hangen
 
Aan Tassoos heldenstijl, wiens assche ghy beroert,
100
En soo hooghdravend door ons Holland speelen voert,
 
En durft met Godefroy den oorloogh u getroosten,
 
En hitst de Westersche slaghordens aan het Oosten,
 
En noopt den klepper, die het stof omwroet verhit,
 
En schuimbeckt op sijn draf, en knabbelt het gebit.
105
Ghy mede, mijn Sibyl, die namaels noch sult melden,
 
En setten op 't autaar het Hoofd van Hollands helden,
 
't Welck worstelde met raad, en dapper van gemoed
 
Voor 't Recht des Vaderlands vergoot sijn edel bloed.
 
Geen God noch geen Godin beroofme van dees panden.
110
Mijn voesterkinders sijn 't. sy voên mijn offerhanden.
 
De galm van snarenspel haar mond volght vol van God.
 
Mijn vloeren sy betreên. mijn tempel is haar lot.
 
Neptuin hier door gesteurt, borst harder uit en grover:
 
Wat geest drijft Cynthius? wat dwaasheid komt hem over,
115
Dat hy der Goden Raad wil meestren met sijn stem,
 
Als of elck luistren most naar hen niet, maar naar hem?
 
Als waar sijn woord een wet? of leert hy ons nu schuwen
 
De bruiloften, en set de kuischeid boven 't huwen?
 
Soo deê hy seker niet, toen Dafne langs den stroom
120
Van Peneus ademloos veranderde in een boom,
 
In eenen boom, dien hy noch minnend, met sijn armen
 
Soo liefelick omhelst, en arbeit te verwarmen.
 
Soo deê hy seker niet, toen 't bosch van Pelion
 
Met pijnbooms schaduw hem soo dicht niet decken kon,
125
Of d'een of d'andre nymf wist datelick te seggen,
 
Hoe hy Cyrene daar den gordel af deê leggen,
 
En versche roosen las, gedoodverft van de schaamt,
 
En kreuckte 't kruidje vry wat stouter dan 't betaamt,
 
En settese in sijn kar, van waarse moght beschouwen
130
Thessalien, en al d'omleggende landouwen.
 
En waarom luid dit vreemd, hy aard toch naar Latoon,
 
Meer dan sijn suster doet? en draaght sich als een soon
 
De moeder heel gelijck? ontlochent hy dees treken,
 
De knapen die gekruist hem melden sullen spreken.
135
De zeevooghd sprack dit niet, de hemel was gesplist:
 
En hoe men langer keef te feller rees de twist.
 
Wat bleef'er ongerept? wat dorstmen niet verwijten?
 
Van schaamte krompen de klaarblinckende tapijten.
 
Iupijn bleef onverschoont, soo schendigh gingt 'er toe.
140
Men smaaalde op sijn beerin. men schrolde op sijne koe:
 
Op Danaë, bewaackt van honden, graft, en toornen:
 
Op Kadmus suster, die den stier hing aan sijn hoornen:
 
Ick swijgh van Ganimeed, en andre rancken meer,
 
Al wrockende opgeveilt, doch luttel tot sijn eer:
145
Soo dat de diepe saal te barsten scheen van 't rasen:
 
Want 't ginger als een zee van winden opgeblasen,
 
Niet maghtigh meer sich self, als die geen strand en houd:
 
En siedend, het gestarnt besprenckelt met haar sout;
 
Wanneer den stuurman 't roer niet langer koomt te stade,
150
Die nu drijft reddeloos op 's onweers ongenade:
 
Of als in 't vlacke veld d'aanschennende trompet
 
't Geknarssetand van 't staal naar billickheid nocht wet
 
Doet luisteren den Moord, wiens breideloose benden
 
Gaan weien in een oegst van allerleie ellenden.
155
Maar toen der Goden Hoofd de daken van de lucht
 
Betemde, en sette neêr het onbetoomt gerucht,
 
Heeft Mars vol viers de saak tot Iunoos baat en voordeel
 
Aldus hervat: elck een die wachte sich een oordeel
 
Te vellen over 't pleit en 't hangende geschil,
160
Dat niet rechtmatigh stemt met mijn vrouw moeders wil;
 
Of 'k sweer dees degen sal haar smart en wonden heelen.
 
Dees stoelen sijn gescheurt te bitter in twee deelen,
 
Waar van het strengste leunt en helt op onse sy':
 
Daar steun ick seker op: dat ooght alleen op my.
165
Ick moedighse de borst, om rustigh aan te spannen,
 
En d'overigen hoop van sijn gesagh t'ontmannen.
 
Geen wetten gelden hier, nocht heiligh oud gebruick.
 
't Belieft ons. 't sy genoegh, dat elck voor moeder duick.
 
Al sou de trotse troon van Iupiter ten leste
170
Sien storten al de Goôn van 's hemels hooge veste:
 
Het eertijds glinstrend goud, 't welck noit yet sterflix sagh
 
Ontluistert door veel stofs, beweven van het ragh
 
En spinnekoppenweb: de laaghgesete menschen
 
Den auter weigeren de wierroocken, met wenschen
175
Met suchten met gebeên en aandachts sout gemengt;
 
En allen dienst geschort die saligheid toebrengt.
 
Sacht sacht, al hoogh genoegh, riep Liber, wy verwarren
 
Door 't schelden meer en meer: die 't vrye hof der starren
 
Beheerschen wil met kracht, vermeesteren met dwang,
180
Die brouwt des selfs bederf, en haast ten ondergang,
 
Nocht smaackt yet goddelix. al is 't dat wy bekleeden
 
Het purper en rood goud van dit gestoelt, en treden