De werken van Vondel. Deel 5. 1645-1656


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft en A.A. Verdenius


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Vijfde deel 1645-1656. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1931  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 162]

Maria Stuartaant.aant.

VAN 1646. AFGEDRUKT NAAR DE TEKST VAN DE eerste uitgave (te Kevlen in d'oude druckerye [lees: Amsterdam voor Abraham de Wees] 1646), waarvan het titelblad hiernaast typografies is nagevolgd. Unger: Bibliographie, nr. 431.

Op de plaats van het putje met devies ‘Elck zyn bevrt’ ziet men het portret van Maria Stuart, naar een verdwenen schilderij, met onderschrift ‘Myn hartekenner zit om hoogh’. In de linkerbovenhoek de roos van Engeland, de lelie van Frankrijk en de distel van Ierland, samengevat in de doornenkroon; rechts de palmtak, laurier en korenaar, verbonden door de rijkskroon. Een beschouwing over Vondel's bronnen vindt men achter in dit deel bij de Aantekeningen.

[p. 163]

Maria Stuart of Gemartelde Majesteit.

Te Kevlen

In d'oude druckerye.

MDCXLVI.



illustratie

[p. 164]

Den doorluchtighsten Vorst en Heere Eduart
door Godts genade Palts-Grave by den Ryn, Hertoge van Bajere.*

1 Ick brenge, ô doorluchtighste Vorst, uwe Grootmoeder, waerlijck eenr. 1 2 groote Moeder, Dochter, Gemalin, Moeder en Weduwe der Koningen,2 3 en, dat het allergrootste is, een Koningklijcke Kruisheldin en gekroonde3 4 Martelares op ons Nederduitsch Toneel; niet gelijckze in Schotlant gezalft, 5 nochte te Parijs getrout, gekroont, en op den troon gezet, maer in Engelant,5 6 haer grootvaders en naer Rechte haer eigen erfrijck, op een schavot, na een6 7 langdurige gevangenis, van de naeste bloetvriendinne gemartelt wert, alleen7 8 om haere erfwettigheit tot de zelve kroon, en stantvastigheit in het Katholijck8 9 Geloof, heur waerdiger dan vier scepters en kroonen, ja haer eigen leven.9 10 Weinigen streecken hier die kroon van (Gode en zijn eere ten dienst) een10 11 zichtbare kroon en dit leven te versmaden. In de heilige boecken wort Moses 12 en Kristus alleen die lof toegeschreven. Moses weigerde, geloofs halve, een 13 zoon van Faroos dochter genoemt te worden (en zoo Iosephus getuigt, de13 14 kroon zoo vroegh van zijn hooft ruckende, tradtze met voeten) en schatte 15 Kristus rijckdom en zijn volcks versmaetheit hooger dan de schatten van15 16 Egypten. Kristus, het eenige voorbeelt der volkomenheit, versmade beyde16

[p. 165]

17 de kroon en dit leven, om Godt, zijnen vader, met de doornekroon te eeren. 18 In d'oude Martelschriften vint men de Koningen en Koninginnen, om den18 19 godtsdienst gemartelt, dun gezait, gelijck trouwen gekroonde hoofden zelfs19 20 dun gezaeit zijn. In deze leste, zoo veel koeler in yver dan d'eerste, tijden,20 21 komt een eenige MARIA STUART op, als een nieuwe star. Zy versmaet 22 haren grijzen stam, het edelste geslacht van geheel Kristenrijck. Zy vergeet22 23 over de hondert voorzaten en voorvaders, alle Monarchen van haren bloede, 24 wiens oirsprong het einde van Alexander de Grootes tijt bereickt. Zy buight24 25 haer vrye schouders gewilligh, geduldigh onder het kruis, ten spiegel van25 26 alle Kriste Vorsten. Hierom blincktze nu met recht onder de zalige Martel-26 27 starren in Godts hemelsche klaerheit, aen de voeten van Maria, wiens naem 28 zy zoo waerdigh gedragen heeft, als zy haer, onder het twintighjarige kruis, 29 en met zoo vele zwaerden van wederwaerdigheit doorregen, nader dan zoo29 30 vele Koninginnen stont. De tooneelwetten lijden by Aristoteles naulicks,30 31 datmen een personaedje, in alle deelen zoo onnozel, zoo volmaeckt, de 32 treurrol laet spelen; maer liever zulck eene, die, tusschen deughdelijck en32 33 gebreckelijck, den middelwegh houde, en met eenige schuit en gebreken33 34 behangen, of door een hevigen hartstogt tot iet gruwzaems vervoert wert:34 35 waerom wy, om dit mangel te boeten, Stuarts onnozelheit en de recht-35 36 vaerdigheit van haere zaeck met den mist der opspraecke en lasteringe en36 37 boosheit van dien tijdt benevelden, op dat haer Kristelijcke en Koningklijcke 38 deugden, hier en daer wat verdonckert, te schooner moghten uitschijnen.38 39 Zoo steeckt gouden en purperen glans op nevels en wolcken, en licht op 40 bruine schaduwen af. Het docht my al t'onbillick, dat de Nederduitschen40 41 hier in andere volcken en tongen, die haer tooneelen met dit kostelijcke41 42 bloet purperden iet zouden toegeven: en het lagh al eenige jaren geleden42-43 43 by my, als een belofte, haere Majesteits godtvruchtige faem, die zoo hoogh 44 gestegen, mijne nochte iemants pen behoeft, van verre in haer schaduwe44 45 naer te streven; en noch te vieriger, dewijl ick, des onwaerdigh, mijn ge- 46 boortejaer by Mariaes moortjaer (marteljaer most men zeggen) of liever46-47 47 geboortejaer gedencke. De Heilige Kerck is van outs gewoon de geboorte 48 der Martelaren naer de geboorte der ziele, en niet naer de lichamelijcke, 49 te vieren; aengezien de ziel ten marteldage, van den lichame ontbonden,

[p. 166]

50 in den hemel, en het licht der onsterflijckheit, ten eeuwigen leven geboren50 51 wort. Ick nam de vrymoedigheit dit treurspel uwe Vorstelijcke Doorluchtig- 52 heit op te dragen, die d'eerste van uwe Grootmoeders nakomelingen haer52 53 heilige asschen en geest verquickt met den Katholijcken Roomschen Godts- 54 dienst t'omhelzen, en haer godtvruchtige voetstappen na te volgen; een54 55 zaeck, die zy in het uiterste haren eenigen zoon Iakob, uwen Grootvader,55 56 namaels Monarch van Groot Britanje, zoo hartelijck beval, als zy die groot-56-57 57 hartigh met haer Kristelijck bloet bezegelde: en zeker boven uw Groot- 58 moeders voorbeelt vermaent u daer toe u eigen naem, zoo loflijck by de58 59 Katholijcke Koningen van Engelant, uwe voorvaders, gedragen, en waer 60 onder men twee Eduarden telt, eenen met den tijtel van Martelaer, den60 61 anderen met dien van Heiligh gekroont. Oock ontbrack het van outs den 62 Hertogen van Bajere, waer uit uw Keizerlijck en Keurvorstelijck stamhuis 63 zijnen oirsprong nam, noit aen voorbeelden van Heiligheit en godtvruch-63 64 tigheit, die u nu op deze hemelsche heirbaen welkomen, zegenen, en met64 65 hun voorbede stercken, terwijl ick het gewijde tooneel openzet, daer uwe 66 Grootmoeder weder te voorschijn komende, den aenschouweren te gelijck 67 schrick aenjaeght, en tranen van medoogen ten oogen uitperst.67

[p. 167]

Inhout.

1 Koningin MARIA STUART, eenige erfdochter van Jakob den vijfden, 2 Koning van Schotlant, en nicht van Henrick den zevenden, Koning van Enge-r. 2 3 lant, wert om hare stantvastigheit in den Katholijcken Godtsdienst, na het 4 uitstaen van valsche lasteringen, gewelt, lagen en gevangenis, genootzaeckt4 5 ten rijcke uit te vlughten, voor de wreetheit van den staetzuchtigen tyran5 6 Mouray, haren bastertbroeder, en de godtvergetenheit en meineedigheit6 7 der Puriteinsche Schotten, aengeschonden door hare nicht Elizabeth, die7 8 deze onnozele en oprechte ziel onverzoenelijck haette, dewijlze noch jong8 9 in Vranckrijck aen den Dolfijn getrouwt, niet uit eige staetzucht, maer9 10 ontijdige drift van Guize en Lothringen, haere oomen, en Koning Henrick,10 11 den tweeden, haren schoonvader, en Francois den tweeden, haren gemael, 12 voor Koningin van Engelant en Yrlant uitgeroepen wiert; waer van men, 13 hoewel zy in der daet wettiger dan Elizabeth was, nochtans vredes halve,13 14 eerlang afstont, behoudende evenwel het erfrecht van de naeste na Eliza-14 15 beth, indien deze zonder oir overleedt, tot de kroon gewettight te zijn.15 16 De vervolghde Koningin nam dan in noot haren toevlught in Engelant,16 17 listigh derwaert getroont van Elizabeth, die op woort nochte beloften17 18 passende, en het heiligh gastrecht schendende, de vervolghde en in haer18 19 recht verdruckte bloetvriendin, in plaetse van Kristelijck en Koningklijck19 20 onthael, en beloofde noothulp, over de achtien jaren zoo vast gekerckert20 21 hielt, dat vriendelijcke bede nochte verzoeck, nochte tusschenspraeck,21 22 nochte aengewende middelen, of aenslagen de gevange niet alleen aen 23 geenen vrydom holpen, maer heur ellende t'elckenmale meer bezwaerden,23 24 tot dat men endelijck, (aengezien zy noit om eenige beloften den Room- 25 schen Godtsdienst wou verloochenen) haer, op een daer toe met voordacht25 26 gesmede wet, en onder schijn, datze Elizabeth naer het hart en de kroon 27 gesteecken had, valschelijck en gruwelijck, tegens alle goddelijck en men-27 28 schelijck Recht, ter bijle verwees. Het tooneel vertoont het kasteel van 29 Fodringaye. De Rey bestaet uit Staetjofferen der Koninginne.29

[p. 168]

Personaedjen.*

BIECHTVADER.

MELVIN. Hofmeester.

BURGON. Lijfarts.

REY van STAETJOFFEREN.

MARIA STUART. Monarche van Groot Britanje.

KENEDE'. Kamenier.

DE GRAVEN. Halsrechters.

PAULET. Slotvooght.

Incomparabilis Heroïnae Anagramma.
Maria Stuarta erat Matura arista.

EPITAPHIUM.

Vivificante Fide MATURA resurget ARISTA.

Secta odio, JESU lecta, STUARTA, manu.

Byschrift Op d'afbeeldinge van Koningin Maria Stuart.aant.*

 
Zoo bloeide STUARTs jeught, eer haet heur hooft zagh rollen;
 
Eerze, op 't verwoet schavot, van hartewee gezwollen,vs. 2
 
Onnozel storf, onthalst naer die gesmede Wet.3
 
Zoo wert MARIE omhelst van nicht ELIZABETH.4
5
Twee punten hebben haer de bijl door 't vleesch gedreven,
 
Haer erfrecht tot de Kroon, en haer Katholisch leven.6