De werken van Vondel. Deel 8. 1656-1660


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Achtste deel 1656-1660. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1935  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Aantekeningen door Dr. C.C. van de Graft.

OP G. FLINCKS AFBEELDINGE VAN I. MAURITIUS, blz. 213.

Het motto Qua patet orbis is het devies van Johan Maurits.

OP D'AFBEELDINGE VAN DEN KUNSTRYCKEN HEERE ABRAHAM VAN DIEPEBEECK, blz. 218.

In het handschrift zijn in de titel de woorden d'afbeeldinge van doorgeschrapt, echter niet door Vondel, maar door Brandt, toen hij dit gedicht onder de rubriek Afbeeldingen opnam in Poëzy 1682 I.

DE TOONEELPOËZY, blz. 602.

Dit gedicht werd het eerst afgedrukt in het voorwerk van de Salmoneus (zie deel 5, blz. 708), welke tekst echter volkomen, ook in spelling, overeenkomt met de hier gevolgde in Apollos Harp 1658.

OP D'AFBEELDINGE VAN ERYCK SEESTEED, blz. 612.

Eryck Seesteed, Seested of Schested (1633-1683), was van 1656-1660 secretaris in de Deense Kanselarij. Hij was de zoon van Christen Seested (1590-1657), in 1625 Rijksraad, in 1630 Rijkskanselier; zie Danmarks Adels Aarbog XXVII (1911).

MAEGDEPALM TER KLOOSTERSTAETSIE VAN ZUSTER ANNA BRUINING, blz. 666.

Zie P. Maximilianus O. Cap., Vondels Nichtje wordt Klaris, in: Franciscaansch Leven 18 (1935), blz. 33-38.

[p. 977]

[OP JOAN MAURITS], blz. 692.

Het door C. van Dalen Jr. gegraveerde portret van Johan Maurits met Vondels gedicht daaronder komt ook voor als titelprent in de tweede uitgave van Pierre Post, Les Ouvrages d'Architecture, Leide 1715; maar niet in de eerste uitgave van 1659.

OP DE HISTORISCHILDERYEN, blz. 723.

De stof voor deze schilderijen was aangegeven door Burgemeester Cornelis de Graeff, zie deel 6, blz. 89.

JEPTHA, blz. 769.

In de drukken die Koopmans in de uitgave-Terwey bezorgde, speelt de Hofmeester in het vierde bedrijf een belangrijker rol. Aan hem worden toegewezen vs. 1439-1460, vs. 1527 en vs. 1532-1536. (In verband daarmee staat in vs. 1528 niet Hofpriester, maar Hofmeester).

Doch alleen in Unger: Bibl. nr. 598, in 1697, dus na Vondels dood verschenen, worden vs. 1532-1536 aan de Hofmeester in de mond gelegd. De andere rolveranderingen komen in geen enkele uitgave voor.

OP G. FLINKS SCHILDERY VAN VENUS EN KUPIDO, DOOR KORNELIS VAN DALEN DEN JONGEN GESNEDEN, blz. 942.

Bij dit gedicht behoort de afbeelding, door Unger abusievelijk geplaatst bij het gedicht Op Venus en Cupido, door G. Flinck geschildert (Unger 1657-1660, blz. 355).

OP DE STANTVASTIGHEIT VAN KONING FREDERICK EN ZYN GETROUWE BURGERY TE KOPPENHAGEN. (Zie Unger: Bibl., blz. 209.) is hier niet opgenomen. Men vergelijke dit gedicht in Hollantsche Parnas, blz. 136, met het gedicht op blz. 100 van dezelfde uitgave, dat gewijd is aan Karel van Mander, door Jan Vos. Het eerstgenoemde zal ook geadresseerd zijn aan dezelfde en is ondertekend J.V.; dat is wel Jan Vos. Ook komt het in de Bladwijzer van de Hollantsche Parnas niet voor in de afzonderlike lijst der gedichten van Vondel, en Vondel ondertekent in deze bundel nooit anders dan J. V. Vondel. Brandt heeft zich in 1682 vergist, toen hij dit gedicht opnam (Poëzy 1682 II, blz. 584).