auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Negende deel 1660-1663. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1936
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
Ter bruiloft van den weledelen heer Peter de Graef, Jongkheer van Zuitpolsbroek
en de weledele mejoffer Jakoba Bikker.aant.*
Non hoec sine numine Divûm
Eveniunt.
De jonge Graef, belust uitheemsche steden, 1-vlg.
En volken te bezichtigen, met een
Hunn' ommegangk, en zinlijkheên, en zeden, 3
Quam bly Parijs, 's rijx hooftstadt, ingereên;
5
Geen stadt, maer eer een weerelt in het kleine,
Daer Luidewijk, gezeten in 't palais, 6
Wort aengebeên, op d'oevers van de Seine,
En triomfeert in oorlogh, en in pais.
Wie melt ons wat den jonglingk al gemoete? 9
10
Hy hoorde en zagh zich zelven naulijx zadt;
Toen al het rijk het paer gezalfden groete, 11
In eene zael, bekleet met kunst en schat.
| | | |
Hier blonk op 't hof een hemel, rijk van zonnen.
De rijkdom van de kunst verdoofde gout 14
15
En diamant, als ofze in 't renperk ronnen, 15
Of worstelden wie sterkst den palm behoudt.
Hy zagh'er op de hemelsche tapyten 17
De zege der Bourbonnen afgemaelt,
En hoe 't verdrag beslechte 't bloedig wrijten, 19
20
Daer Henrik en zijn afkomst eer behaelt.
Het luste hem t'aenschouwen in 't byzonder
Wat Luidewijk, zoo jongk, alree beschrijft. 22
In ieder perk gemoet het oog een wonder, 23
Waer aen het zich vergeet, en hangen blijft.
25
Hy ziet in 't endt twee weerelden verwarren. 25
De rook, en smook, geschrey, en wapenklank,
Trompet, en trom, en stof bedroeft de starren. 27
Men luistert hier naer oorloghstoom, noch dwangk.
Maer elders, als de zon de nevels doorschijn,
30
Komt Liefde allengs gedaelt uit d'ope wolk,
Met Wederliefde, op englezangk, te voorschijn.
Op dat gezangk rust donderbus en dolk. 32
Men ziet ze beide elkandre aenminnigh kussen,
En onderling zich vlechten, arm in arm.
35
De heiren, aen het wijken ondertussen,
Staen stil van zelf. Nu hoort men geen gekerm.
Heer Polsbroek merkt dat deze hofschildrye
Hem afbeelt hoe de krijghseeu raekte in rust,
En Luidewijk verbonden aen Marye,
40
Bekrachtight dat heel Vrankrijk Spanje kust. 39-40
Wie zou, docht Graef, gelooven dat de liefde,
En Wederliefde in top dit wonder wrocht,
Ter goeder uure elk 't hart der volken griefde. 43
De liefde won dat geen geweer bevocht. 44
45
Gelukkig zijn de beide nabuurrijken,
De harten, die, gewont in 't harrenas,
| | | |
Nu wapenloos verknocht door huwelijken,
Een bruiloftskus en wederkus genas.
Zoo spreekt hy by zich zelven, en beluistert
50
Het vryen van de min en wedermin,
Waer op een stem hem stil in d'ooren fluistert:
'k Zie u gepaert met uwe nabuurin. 52
Het schaemroot verft de leli van zijn kaeken.
Dat merkte flux de Hollantsche Gezant,
55
Die vraegde: hoe? begint uw hart te blaeken,
Door eene vonk, gespat van 's Konings brant? 56
Schep moedt, en leer op 's Konings voorbeelt paeren:
Zoo kan uw bloet, ten zegen van uw stadt 58
En vaderlant, der oudren stoel bewaeren, 59
60
Daer grootvaêr, al 't geslacht ter eere, zat.
Jakoba lag hem sedert in de zinnen,
Gelijk Atlante in 't hart van Hippomeen. 62
Hy hoopte haer, gelijk een prijs, te winnen
In 't renperk, zoo hem Venus gunst verscheen:
65
Zoo Venus strael het hart eens quaemt t'ondoien,
Dat harder dan het bergh kristal bevroos:
Maer 's winters wil de lucht geen bloemen stroien:
De lente geeft den knop, en dan de roos.
De lente is tot het minnefeest geboren:
70
Dan wijdt de jeugt den outer duif en zwaen. 70
Elk wierrookt dan gebeên in Venus kooren,
En vlecht festoen van roos en myrteblaên.
De jongling volgt, op 't hemelschblaeu geflikker
Der oogen, zijn beminde, in 't hart geplant,
75
Een Pallas, uit den eedlen stam van Bikker,
Die hier de kroon van deught en schoonheit spant.
Wanneer de deugt, in sterfelijke leden
Gedompelt, uit het schoone lichaem straelt,
Dan wortze van opmerkende aengebeden, 79
80
Als een godin, uit 's hemels schoot gedaelt.
De Wederliefde, in 't kerkgewelf gevlogen,
Belaeghtze, en treft door d'oogen haer in 't hart:
Dat voeltze, en vint zich onvermoedt bewogen
Met 's minnaers wonde, en uitgestaene smart.
| | | |
85
Nu wort hy van de schoone heusch bejegent, 85
Met een gezicht en ongewoonen lonk.
Een blijde star, die zijn vryaedje zegent.
Nu vint hy zich, als Hippomeen, aen honk. 88
Op dit besluit, van minnezorgen veilig,
90
En met een' kus bezegelt mont aen mont,
Verschijnt het paer de blijde Bruiloftsheiligh 91
Met zijne tortse, en kroont het trouverbont.
Hy zeght: nu volght dit licht, gekroonde braven: 93
Wy treên u voor, daer 't weeligh roozevelt
95
Weêr mengt in een de Bikkers en de Graven,
Als Venus gloet uw zielen t'zamensmelt.
Ten blijk dat gy u medeelt bey te gader,
Wort u belooft een lief en edel kroost,
Dat teffens zweemt naer moeder, en naer vader.
100
Zoo bloeie en groeie uw stam, den nijt getroost. 100
|
*Van 1662. - Volgens de tekst in Vondels Poëzy 1682 I, blz. 686. Het motto, ontleend aan Aeneïs II, 776-77, betekent: ‘dit gebeurt niet zonder goddelike beschikking.’
Opschrift: Voor Peter de Graef en Jacoba Bikker zie het vorige gedicht. Zij trouwden 11 April 1662 op huize Ilpensteyn te Ilpendam. Jan de Witt, die door dit huwelik een zwager werd van Pieter de Graeff, hield bij de bruiloft te Ilpendam geestige toespraken tot het bruidspaar en de gasten ( N. Biogr. Wdb.)
1-vlg.Pieter de Graeff had als zeventienjarige jongen burgemeester Huydecoper van Maersseveen vergezeld nar Berlijn, toen deze Amsterdam vertegenwoordigde bij de doop van de zoon van de Grote Keurvorst (zie deel 6, blz. 79). Van 1658-1660 reisde hu in Engeland en Frankrijk. Van zijn tochten in het buitenland schreef hij dagverhalen, waarvan alleen dat van zijn reis naar Berlijn is bewaard gebleven. ( N. Biogr. Wdb.).
6Luidewijk: Lodewijk XVI, in 1651 op veertienjarige leeftijd aan de regering gekomen.
9wat den jonglingk gemoete: welke ervaringen hij opdeed.
11het paer gezalfden: de koning en zijn gemalin Maria Theresia, met wie hij in 1660 gehuwd was, zie deel 8, blz. 710-11.
14verdoofde: overschitterde.
15ronnen: oude verl tijd bij rennen.
17de hemelsche tapyten: de wandtapijten, gobelins. Mogelik las Vondel de beschrijving van deze in het verloren dagverhaal van Peter de Graeff. Wij kunnen niet meer nagaan, welke gobelins dit geweest zijn; in elk geval behoorden zij niet tot de beroemde serie die Le Brun ontwierp van het leven van Lod. XIV, want met het weven van deze begon men eerst in 1662 (Zie Heinrich Göbel. Wandteppiche, Leipzig 1928, I, blz. 128).
19't verdrag: van 1659, tussen Frankrijk en Spanje; wrijten: strijd.
22beschrijft: bedrijft. Deze eigenaardige betekenis komt in de zeventiende-eeuwse volkstaal herhaaldelik voor: zie Ned. Wdb. II, 1998.
25twee weerelden: van mensen- en goden-figuren.(?)
27bedroeft: verduistert ( Ned. Wdb. II, 1238).
39-40Marye: zie vs 11. Het huwelik was een der hoofdvoorwaarden bij de vrede der Pyreneeën.
43Ter goeder uure: op een gezegend ogenblik; elk: nl. de Liefde en de Wederliefde; griefde: geriefde.
44dat: wat; geweer: wapen.
52nabuurin: de bruid woonde op de Keizersgracht, de bruidegom op de Heregracht bij de Hartestraat (Elias, De Vroedschap I, blz. 174 en 422).
58bloet: nakomelingschap.
59stoel: zetel in de stedelike regering.
62Atlante: Atalante, door Hippomenes in een wedloop gewonnen (vgl. 63-64).
70den outer: aan het altaar; duif en zwaen: aan Venus gewijd.
79van opmerkende: door degenen die haar opmerken.
85heusch bejegent van: vriendelik ontvangen door.
88aen honk: aan de eindpaal, bij het einddoel ( Ned. Wdb. VI, 934).
91Bruiloftsheiligh: Hymen.
93braven: voortreffeliken.
100den nijt getroost: niet bevreesd voor afgunst ( Ned. Wdb. IV, 1853, waar de verbinding met den nijt ontbreekt. Vgl. evenwel den doot getroost).
|
|