auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Tiende deel 1663-1674. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1937
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
De slaepende Venus van Filips Koning.aant.*
Omne tulit punctum qui miscuit utile dulci.
Zoo raeckt Apelles geest de bitse Nijt te boven. 1
Wanneer men 't ziet is 't met vertrouwen en gelooven
Schoon omgekomen, daer het werk den meester prijst. 2-3
Dit werk behoeft geen goude of diamante lijst,
Noch leent van buiten roem. men staek' dan ydel stoffen. 5
De schilder heeft natuur hier net op 't hooft getroffen: 6
Gelijk Pigmalion, wiens allebasten beelt, 7
Omhelzens waerdigh, van het leven niet verscheelt. 8
En vraeghtge wie hier slaept, en slaepende zoo schoon is:
10
Het is de schoone, korts verslingert op Adonis. 10
Men heetze VENUS, mits zy ieders hart ontvonkt 11
Door haer bekoorlijkheit, en wont wat zy belonkt,
En hierom hoeftze torts, noch pijlen, boogh, noch wapen. 13
Volkomenheit is al het lichaem ingeschapen, 14
15
En elk byzonder lidt, op zijn vereischte maet, 15
Staet even stout, en vol, en wraekt al wat misstaet. 16
Men ziet het bloet gezont door 't blanke vel heengloeien:
| | | |
Gelijk de morgenlucht, als 't licht begint te groeien:
Gelijk een gloeientheit, by heldren zonneschijn,
20
Door dunne zijde van een purpere gordijn,
De witte pronkzael verft. al slaepen al de zinnen, 17-2121
Noch tuight dit dat de brant natuurelijk van binnen 22
Niet rust te werken, en het vier in d'adren speelt, 23
Hoewelze uit zeeschuim en zout water wert geteelt. 24
25
Deze is de vruchtbaerheit, en 't zaet, en zout der dingen. 25
Zy teelt, en onderhout, en haere straelen dringen
Door 't lichaem van 't Heelal, en worden noit gestuit.
Zoodaenigh beelden haer van outs de wijzen uit,
Niet om afgodery te planten en leeraeren *, 29
30
Maer ons de werken van natuure t'openbaeren.
De leerzucht volght hier vlak het leven, geen papier 31
Noch print, noch stambeelt, om door zulk een middel 't vier 32
Des kunstbeminners meer t'ontvonken en ontsteeken
Door levend vleesch, geen verf, met kunst op doek gestreken.
35
Is Cipris slaepende zoo schoon datze ieder blaek', 35
Zy zal noch schooner zijn in 't oogh, wanneerze ontwaek
Uit haeren zoeten droom. dan zullenze al bewogen
De ziel zien speelen in den spiegel van haere oogen,
Een hemelsch diamant, als flonkrende gestarnt,
40
Dat in onze oogen uit den derden hemel barnt. 40
Ontluiktze dan den mont, nu stom en zonder spreeken, 41
Hoe zalze 't hart van Mars niet morselen en breeken, 42
Dien zy in haeren schoot ontharnast en onthaelt, 43
Waerop een luchte wolk van minneschuttren daelt, 44
45
Om bey de harten der gelieven aen te prikken, 45
Dan met hun vleuglen weêr te koelen en verquikken.
Een schilder, die natuur best uitbeelt quijt zich braef. 47
Wie zich aen iemant bint blijft eeuwigh ieders slaef. 48
t'Amsterdam, voor de Weduwe van Abraham de Wees, boekverkoopster op den Middeldam.
|
*Van 1670. - Volgens de tekst van de afzonderlike uitgave (Unger no. 765).
Opschrift: Zie over dit gedicht Horst Gerson, Philips Koninck, Berlin 1936, blz. 117, no. 137. Gerson meent dat Vondel onder dit opschrift een schilderij beschrijft dat voorstelt Jupiter en Antiope(?), en getekend is: P. Koninck 1670 (in de verz. A.v. Veen te Rotterdam). Jupiter, die in Satergedaante van achter een boom te voorschijn komt, ziet de slapende Antiope uitgestrekt liggen, slechts door een sluier bedekt; haar hoofd rust op een kussen. - Het motto, ontleend aan Horatius, De arte poëtica, vs. 343, werd door Vondel aldus vertaald: ‘Wie den oirbaer met het genoegelijck mengelt, den lezer vermaeckende, en te gelijck onderwijzende, die heeft het rechte wit getroffen’. Zie deel 7, blz. 367.
1Apelles: bekend Grieks schilder; geest: vernuft, talent. Het schildertalent van Koning logenstraft alle afgunst
2-3't is omgekomen: het is uit, het is gedaan ( Ned. Wdb. X, 342). Dan behoeft men niet op goed geloof, op goed vertrouwen te bewonderen.
5leent van buiten: ontleent aan bijkomstige omstandigheden; ydel stoffen: vergeefs roemen.
6net op 't hooft getroffen: met grote juistheid afgebeeld.
7Pigmalion: de vrouwenhatende koning van Cyprus, die Aphrodite smeekte aan het door hem zelf vervaardigde beeld ziel en leven in te storten.
8verscheelt: verschilt, zich onderscheidt.
10korts verslingert: kort geleden verliefd op.
14Volkomenheit: volmaakte schoonheid; al: geheel.
15op zijn vereischte maat: in juiste harmonie.
16Vertoont zich daar even flink en onberispelik; wraeckt al wat misstaet: keurt af, onthoudt zich van al wat misvormend zou werken.
17-21De verdienste van dit schilderij moet bestaan in de warme kleur ( gloeientheit). Zie Gerson t.a.p.
21verft: kleurt; zinnen: zintuigen.
22na uurelijk: van nature.
24ze: Venus werd volgens de mythe uit het zeeschuim geboren.
25Deze kan op Venus slaan, maar ook op brant in vs. 22.
29planten: in de prenten; leeraeren: prediken.
31leerzucht: neiging tot nuttige lering; vlak: nauwkeurig.
32print: gedrukte afbeelding; stambeelt: standbeeld ( Ned. Wdb. XV, 500), beeldhouwwerk,
35Cipris: Venus; blaeck': zou doen ontvlammen.
40uit den derden hemel barnt: uit de hemel tegenschittert. In de derde hemel stond het sterrebeeld Venus.
42Mars: de klassieken plachten Mars en Venus als een echtpaar voor te stellen; morselen: synoniem van breken.
43ontharnast: het harnas doet afleggen; onthaelt: ontvangt.
44minneschuttren: Amors, gevleugeld en met pijlen gewapend.
45aen te prikken: te verwonden.
48aen iemant bint: een voorganger nabootst.
|
|