De werken van Vondel. Deel 10. 1663-1674


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Tiende deel 1663-1674. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1937  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 646]

Op den heer Kornelis de Witaant.*

 
Dus leefde Ruart WIT, zoo zwart als een Moorjaen
 
Misverft, en met de schroef gepynight op de scheenen,1-2
 
Om valsche logentaal, in damp en rook verdweenen.
 
Van zyne trou gewaeght de Teems en Oceaen.4