auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Tiende deel 1663-1674. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1937
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
Op 't veroveren van Koevorden in den jaere MDCLXXII.aant.*
De raven roepen, kras kras,
Maer Ravenshooft roept huiden. 1-2
Men laet' de klokken luiden:
Daer helpt noch sterkte noch moeras. 4
|
*Van 1672. - Volgens de tekst in Vondel's Poëzy 1682 II, blz. 588.
Opschrift: De sterke vesting Koevorden, sinds 4 Juli bezet door de bisschop van Munster, die zich van de doortocht naar Groningen wilde verzekeren, werd in de nacht van 29 op 30 Dec. bij verrassing door onze troepen hernomen, waarop Rabenhaupt er met de zijnen introk.
1-2Woordspeling met het Latijnse woord cras = morgen, tegenover huiden = heden.
4dat de omliggende moerassen toen dicht bevroren waren, begunstigde dit wapenfeit.
|
|