|
|
|
| |
Vondel en het vaderlands verleden
| |
Gijsbreght van Aemstel in de geschiedschrijving
Auteurs van een spel over het vaderlands verleden konden in het
begin van de zeventiende eeuw op speciale aandacht rekenen.
Holland, binnen de jonge Republiek de belangrijkste provincie die
als eerste succesvol was geweest in de vrijheidsstrijd tegen
Spanje, had in het bijzonder behoefte aan versterking van haar
‘vaderlands profiel’. Hollandse historici benutten diverse bronnen
om de geschiedenis van de voorouders te beschrijven. Het belangrijkste werk in
de volkstaal, waarin ook ruime aandacht werd gegeven aan de graventijd, was
deDivisiekroniek (1517) van
Aurelius, die tussen 1585 en 1595 ineens
drie herdrukken (met aanvullingen) beleefde.
Colevelt, Sixtinus en Vondel hadden voor de
Velsen-Florisgeschiedenis de beschikking over de in 1620 verschenen kroniek van
Wouter van Gouthoeven, die voor een
belangrijk deel een compilatie was van het werk van Aurelius en enkele andere
geschiedschrijvers. In 1636 verscheen hiervan een tweede editie.
13
Vondel heeft talloze historische gegevens uit Van Gouthoevens
D'oude Chronijcke ende Historien gebruikt en deze ook in
verschillende gevallen met ‘de vrijheid van de poëzije’
veranderd.
14
Die gegevens betroffen o.a. de voorgeschiedenis van Gijsbreght,
waarop deze in zijn openingsmonoloog terugblikt, maar ook zijn leeftijd.
Volgens Van Gouthoeven en andere historici was Gijsbreght van Aemstel al
tijdens het complot tegen Floris V een ‘slecht [= eenvoudig] out
man’, die daardoor ook gemakkelijk door Van Velsen bedrogen kon worden.
Hooft had een krachtiger figuur van hem gemaakt; Vondel, die een oude man niet
kon gebruiken als held van zijn tragedie, maakte hem ook jonger. Bij Van
Gouthoeven vindt men ook de meeste andere figuren in het stuk genoemd, alleen
de kartuizerprior Willebord, de spion Vosmeer, Gijsbreghts zuster Kristijn en
zijn kinderen Adelgund en Veenerick zijn door Vondel toegevoegd.
Bij Van Gouthoeven had Vondel alleen de summiere mededeling kunnen
vinden dat na de dood van graaf Jan, Floris' zoon, de heer van Aemstel
(Gijsbreght IV) naar Amsterdam was teruggekeerd en de stad had
versterkt, om weer verdreven te worden door de alles verwoestende Haarlemmers
en Waterlanders. In 1611 was echter ook de grote Latijnse geschiedenis van
Amsterdam door
J.I. Pontanus verschenen, waaraan enkele
oudere beschrijvingen waren toegevoegd. Nadat dit boek in 1614 gevolgd was door
een Nederlandse vertaling heeft het vele generaties Amsterdammers
geïnformeerd over het verleden van hun eigen woonplaats.
15
Ook daarin kon men het verhaal van Floris' schanddaden en het
complot der edelen lezen, maar weinig meer over de vernietiging van Amsterdam.
Wel | | | |

S. Savry. Het toneel van de Amsterdamse Schouwburg (1658).
Gravure
Reconstructiekaart van Amsterdam ca. 1200 door Chr. van
Hartoghvelt, met de bijzondere ligging van de Middeldam. In Handvesten
privilegien willekeuren ende ordonnantien der stadt Aemstelredam. Z. pl.
1613
| | | |

A. Tempesta. Onderhandelingen op een afgebroken brug, in
de strijd tussen Bataven en Romeinen (zie vs. 1551 e.v.). Ets naat Otto van
Veen. In: Otto Vaenius. Batavorum cum Romanis bellum [...]. Antverpia
1612
A. Tempesta. De belegering van een burcht, in de strijd
tussen Bataven en Romeinen; met onder andere een stormbrug (zie vs. 1662). Ets
naar Otto van Veen. In: Otto Vaenius. Batavorum cum Romanis bellum
[...]. Antverpia 1612
| | | |
was Pontanus' oordeel over Gijsbreghts terugkeer weinig
positief, omdat ‘hy hier door so wel tegen hem selven het vier
van nydicheyt ontsteken, als de saken der inwoonderen by na in het
uuterste gevaer gebracht heeft’ (p. 12). Een dergelijke uitspraak van een
officiële stadsbeschrijver kon Vondel niet helemaal naast zich neerleggen.
Vandaar dat Gijsbreght in zijn openingsmonoloog ook rekenschap aflegt van de
overwegingen die tot deze beslissing leidden: hij mocht hopen dat na de dood
van Jan I de burgerij geen schade van zijn terugkeer zou ondervinden (vs.
62-71). Ook zijn nadruk op zijn voortdurende zorg voor de gemeenschap tijdens
het beleg van de stad (vs. 144-149) moest het verwijt van Pontanus
afzwakken.
Vondel heeft incidenteel waarschijnlijk ook het (Latijnse) werk van
andere eigentijdse geschiedschrijvers geraadpleegd, zoals het lange gedicht
De patria van
C.G. Plemp(1631) en de
Annales van
Mattheus Vossius (1635).
16
Voor de verbeelding van militaire situaties uit het verleden, in
Gijsbreghts beschrijving van de bestorming van het stadhuis en de scène
met Vooren aan weerszijden van de afgebroken slotbrug, lijkt Vondel ook
geïnspireerd door gravures in
Otto Vaenius' Batavorum cum
Romanis bellum (1612), waarin de strijd tussen de Bataven en
Romeinen op heroïsche wijze werd uitgebeeld.
17
| |
Het Amsterdam van Gijsbreght van Aemstel
De Gysbreght van Aemstel speelt omstreeks het jaar 1300
18, in een veel kleinere plaats
dan het zeventiende-eeuwse Amsterdam: een nog ommuurde stad met kloosters en
kerken in hun oorspronkelijke functie uit het katholieke verleden. Vondel
baseerde zich op een kaart die hij én zijn publiek bij Pontanus hadden
kunnen vinden, gemaakt naar de oude houtsnedekaart van
Cornelis Anthonisz uit 1544. Dat deze een
typografische situatie van tweeënhalve eeuw na het historische beleg
weergaf was niet belangrijk. Voor een evocatie van ‘het verleden’
behoefde de dichter zich niet als een nauwgezet historicus toe te leggen op een
reconstructie van de werkelijke situatie. Het ging er Vondel vooral om een stad
uit te beelden met enkele prachtige oude gebouwen die het publiek nog steeds
kende en die er ‘vroeger’ al stonden. Op de kaart ziet men in het
uiterste zuidwesten net binnen de muur het Klarissenkloosteraan de
Heiligeweg, waarin na 1578 het stedelijke tuchthuis was gevestigd. Op de Oude
Zijde staat in het noorden aan het IJde
Schreierstoren, die in het stuk wordt voorgesteld als een toren
van Gijsbreghts kasteel; op de Nieuwe Zijde zijn onder meer de Nieuwe Kerk en
het stadhuis aan het Damplein te zien. Aan de westzijde van de stad omsluiten
de muren alleen de twee burgwallen; het Singel is de gracht buiten
de muren. Het Kartuizerklooster, in 1638 een ruïne binnen de stad, waarin
naast een kerkhof een herberg was gevestigd, staat niet op deze kaart, maar uit
Van Gouthoeven wist men dat dit al omstreeks 1400 ten westen van de stad had
gelegen. Alleen ‘de Beurs, te water uitgebouwt’, waarover de bode
spreekt (vs. 1507), kon nog niet op de oude kaart staan: het publiek moet deze
immers geïdentificeerd hebben met de koopmansbeurs van
Hendrick de Keyser, waarvan in 1608 de
eerste steen werd gelegd. Mogelijk paste een voorstelling van Amsterdam zonder
fraai beursgebouw niet in het historisch bewustzijn van de Amsterdammers.
| | | | Vondel gebruikte dus de vrijheid van de dichter om in
de uitvoerige beschrijvingen van de verschillende fasen van de verdediging en
verovering van de stad een oud én herkenbaar Amsterdam uit te beelden.
Daarbij hield hij echter ook rekening met een spectaculaire topografische
verandering waarvan iedere Amsterdammer met historisch-archeologische
belangstelling op de hoogte kon zijn. Die verandering betrof de vaste
verbinding tussen de Oude en de Nieuwe Zijde, in de zeventiende eeuw bekend als
‘Middeldam’ of ‘Vijgendam’. Deze verbinding stond ook
op een reconstructiekaartje van het oude Amsterdam‘omtrent
't jaer 1220’, dat in 1613 opgenomen was in de tweede editie van de
Hantvesten [en] Privilegien [...] der stadt Aemstelredam,
een officiële uitgave namens het stadsbestuur.
19
In deze afbeelding van het zeer kleine Amsterdam werd de Middeldam
niet, zoals in latere tijd, gesitueerd in het directe verlengde van het
Damplein (in de Gysbreght, net als in de zeventiende eeuw,
‘markt’ of ‘Dam’ genoemd, vs. 1104, 1195, 1211, 1221,
1294), maar veel dichter naar het IJ, ter hoogte van de latere Papenbrug. Op de
plaats van de latere Middeldam was hier een brug aangegeven. Uit het stuk
blijkt dat ook Vondel de ‘Middeldam’ en de ‘Dam’, de
twee vitale posities in de verdediging van de stad, niet in elkaars verlengde
situeert, maar dat hij op dat punt de kaart uit de Hantvesten, die ook
in een iets andere versie in omloop was, heeft gevolgd. Hij toonde hiermee aan
dat hij als geleerd dichter op de hoogte was van nieuwe archeologische
inzichten, die in elk geval ook aan de stedelijke gezagsdragers bekend waren.
| |
De Gysbreght van Aemstel en de recente vaderlandse
geschiedenis
Ook het recente vaderlandse verleden klinkt mee in Vondels stuk.
Gijsbreghts eerste woorden konden direct de herinnering oproepen aan de ellende
die zoveel Hollandse burgers tijdens de belegering van hun stad in het begin
van de strijd tegen Spanje hadden doorstaan. Het wonderbaarlijke ontzet van
Leiden waarmee in 1574 na een beleg van ruim elf maanden de
Hollandse vrijheid werd herwonnen, was door verschillende historici beschreven
als hét voorbeeld van Gods genade over de in het nauw gebrachte burgers.
Als Gijsbreght verklaart dat hij zich zelf wel in stukken had willen laten
zagen, indien dat de zijnen voor vervolging had gevrijwaard (vs. 72-77), dan
zegt hij hetzelfde als de moedige burgemeester
Van der Werff, die zo de hongerige Leidse
burgers tot standvastigheid inspireerde. Net als hij heeft Gijsbreght zich
tijdens het beleg van zijn stad als een vader van de gemeenschap gedragen (vs.
144-149).
Amsterdam zelf, dat pas in 1578 de zijde van de prins van Oranje had
gekozen, kon niet bogen op manmoedig geleden oorlogsgeweld in het recente
verleden. Maar de stad had toch ook haar eigen traumatische ervaring met een
vijandelijke bijna-overmeestering, waarover men onder andere bij
Pontanuslezen kon. Die betrof het beruchte
oproer uit 1535, toen in de nacht van 10 mei een groep religieuze extremisten,
de zogenaamde Wederdopers, het stadhuis had ingenomen, terwijl de magistraat en
notabelen daar aan een feestmaal zaten. De op het nippertje ontkomen
burgemeesters gaven toen direct bevel de toegangen tot de Dam te bezetten om
versterking van de bezetters te voorkomen; vooral dankzij het strategisch
inzicht van oud-burgemeester Rekalf werden de burgers zo gered. Ook in de
Gysbreght is het barricaderen van de Dam de eerste zorg van de
verdediging.
| | | | In het perspectief van deze herinneringen aan het
vaderlands verleden werden Gijsbreght en zijn burgers herkenbaar als dappere,
vrijheidslievende Hollanders. Tegelijk konden ook daden van de tegenpartij naar
heldenfeiten van de Hollanders verwijzen. Voor Vosmeers verslag van de
verraderlijke wijze waarop hij het ‘Zeepaerd’ in Amsterdam heeft
binnen gevoerd, liet Vondel zich inspireren door het beroemde verhaal van het
turfschip van Breda. Dat wapenfeit werd in de tijd zelf al
vergeleken met het binnenhalen van het paard van Troje, net zoals Vosmeer dat
doet als hij spreekt over het Amsterdamse schip met rijshout, waaronder een
militaire keurbende verborgen is (vs. 618-619). De details die Vosmeer vertelt
over de benarde situatie binnen in het schip en de manier waarop hij de lossers
van de turf er met drinkgeld toe brengt hun werk te staken, zijn allemaal
ontleend aan het turfschipverhaal (vs. 620-659). Tegen zo'n klassieke list
waarmee Grieken én Spanjaarden waren verschalkt konden de Amsterdammers
niet op!
|
13W. van Gouthoeven, D'oude Chronijcke ende
Historien van Holland (met West-Vriesland) van Zeeland ende van Utrecht.
Den Haag 1636.
14Voor de bronnen van het stuk cf. H. Bruch,
‘De bronnen’ enz. en de Gijsbreght- editie van Terwey-de
Vooys-van Dis, bijlage II. (Zie de Bibliografie).
15J.I. Pontanus, Historische beschrijvinghe
der seer wijt beroemde coop-stadt Amsterdam. Amsterdam 1614.
16C.G. Plemp, De patria libri II. In: idem,
Poematia. Antverpia 1631. (Uitgebreide versie van Plemps Amsterodamum
monogrammon van 1616). M. Vossius, Annalium Hollandiae Zelandiaeque libri
quinque. Amsterdodamum 1635.
17Cf. H. van de Waal, Drie eeuwen vaderlandsche
geschied-uitbeelding 1500-1800. 's-Gravenhage 1952. 2 dln. I,
210-215.
18Zie de aantekening bij vs. 1000. Het
historische beleg wordt nu op 1304 gesteld.
19Dit kaartje van Christoffel van Hartoghvelt
werd in 1729 definitief als onbetrouwbaar afgedaan. Cf. M.B. Smits-Veldt,
‘Vondels Gysbreght van Aemstel’ enz. (Zie de
Bibliografie).
|
|