|
|
|
| |
| | | |
De sociale roman en de sociale novelle in het midden van de negentiende eeuw
| |
Openbare les bij de opening van zijn lessen als privaat-docent in de Nederlandse Letterkunde van de Negentiende Eeuw aan de Rijks-Universiteit te Groningen, de 18de October 1912 gehouden
Bij de beoefening van de litteratuurwetenschap kan men zich op verschillend standpunt plaatsen. Wetenschappelike inventarisatie en schifting heeft onmiskenbaar nut, en verschaft betrouwbare grondslagen. Voor een esthetiese waardebepaling zal geen man van smaak ongevoelig zijn. En wanneer men, om daartoe te geraken, het verband tussen dichterindividualiteit en dichteruiting systematies onderzoekt - gelijk Elster in zijn Prinzipien der Literaturwissenschaft heeft aangewezen - dan opent zich een studieveld dat hier te lande nog ternauwernood betreden is. Wie de letterkunde van een volk histories bestudeert, zal het verband tussen litteratuur en samenleving niet straffeloos kunnen verwaarlozen. Het behoeft nauweliks gezegd te worden dat deze opvattingen elkaar niet uitsluiten, maar dat aanleg en voorliefde bij ieder de hoofdrichting bepalen. Voor mij had tot nu toe, bij mijn studie van de negentiende-eeuwse letterkunde, de historiese beschouwing de meeste aantrekkelikheid. Een algemene beschouwing over de samenhang en de wisselwerking van litteratuur en leven leek mij voor deze openbare les minder geschikt. Liever koos ik uit het tijdperk dat ik in mijn lessen hoop te behandelen een onderwerp, waardoor op die nauwe samenhang het volle licht komt te vallen, namelik de sociale roman en de sociale novelle in het midden van de negentiende eeuw.
Aanleiding en prikkel tot de keuze van dit onderwerp gaf mij de boeiende lektuur van twee boeken: Le Roman social en Angleterre (1830-1850) van L. Cazamian en Le roman social en France au XIX siècle van Charles Brun1. De eerstgenoemde studie is een model van systematies, degelik en diepgaand onderzoek. Cazamian erkent dat elke schildering van de omringende maatschappij een ‘sociale roman’ genoemd zou kunnen worden, maar om praktiese redenen beperkt hij het begrip tot die roman, waarvan een bewust streven uitgaat om de maatschappelike verhoudingen te beïnvloeden. De macht van de ideeën staat voor hem vast. Dat de litteratuur, naar Taine's opvatting, ‘expression de la société’ is, geldt voor hem slechts als halve waar- | | | | heid. Hij wil dus de wisselwerking van de ekonomiese factoren en de morele faktoren in de romankunst nagaan gedurende de twintig fel bewogen jaren, waarin de energieke Engelse bourgeoisie een historiese rol ging vervullen.
In de studies van Charles Brun wordt het begrip ‘sociale roman’ ruimer opgevat dan de zuivere ‘roman à thèse’. Wanneer een schrijver de samenleving uitbeeldt, is de bedoelde uitwerking van de onbedoelde moeielik te scheiden. Zowel de romantiese kunst, waarin ‘la préoccupation sociale’ zo scherp tot uiting komt, als de naturalistiese roman neemt hij in zijn beschouwing op: de laatste is immers ontstaan uit ‘la pression du milieu social’ en verraadt dus, zijns ondanks, de houding van de kunstenaar tegenover de maatschappelike omgeving.
De verschillende begrenzing hangt samen met een verschillende methode. Cazamian toont ons belangrijke litteraire werken onder sociologiese belichting; Brun zoekt voor zijn sociologies onderzoek nieuw licht in de litteratuur2.
Wanneer men zich na de lezing van deze beide boeken naar de Nederlandse samenleving wendt, kan men van te voren verzekerd zijn dat een vergelijking weinig vleiend is voor de nationale eigenliefde. Maar aanlokkelik en leerzaam blijft die vergelijking in dubbel opzicht. In de eerste plaats wordt het besef verlevendigd hoe zeer het lagere letterkundige peil in verband staat met de ekonomiese achterlikheid. In de tweede plaats blijkt opnieuw het nut en de noodzakelikheid om onze letterkunde te bestuderen in verband met de invloedrijke buitenlandse. Niet om ‘invloeden’ te registreren of jacht te maken op ‘motieven’; evenmin allereerst om het nagevolgde van het oorspronkelike te scheiden, maar om na te gaan in hoeverre uitheemse ideeën en auteurs al of niet bevruchtend hebben ingewerkt op de inheemse ontwikkeling. Daarbij kan het van evenveel belang zijn, na te gaan wat afgestoten of buitengesloten, als wat binnengehaald en geassimileerd werd. In de meeste gevallen zal blijken dat de nieuwe groei op eigen bodem door kruising ontstaan is.
Vooraf zal ik dus trachten, aan de hand van de genoemde gidsen, in hoofdtrekken de ontwikkeling van de sociale-romankunst te schetsen.
Engeland doorleefde in de eerste helft van de negentiende eeuw tijden van ongekende opbloei. De snel ontwikkelde groot-industrie had een nieuwe klasse, de liberale bourgeoisie, een ekonomiese macht verleend, die in 1832 door een politieke overwinning was bezegeld. Het machtige groot-grondbezit moest wijken. De tegenstelling tussen rijk en arm werd verscherpt: een talrijk fabrieks-proletariaat werd in diepe ellende gedompeld, terwijl de ener- | | | | gieke ondernemers de wereldmarkt veroverden en grote rijkdommen verzamelden. De verschuiving in de machtsverhoudingen wekte weldra heftige tegenstand: enerzijds van de vroegere machthebbers en dragers van de traditie, anderzijds van de zich organiserende arbeidersklasse. Het spreekt vanzelf dat ook in het denken en voelen van het geslacht dat deze omwenteling meeleefde, sterke gisting merkbaar is.
De opkomende klasse steunde op de individualistiese vrijheidsideeën van de achttiende eeuw: de utilaristiese wijsbegeerte van Bentham en de liberale staathuishoudkunde van Ricardo waren daar de vruchten van. In naam van de eerste werd de politieke gelijkheid geëist en ten eigen bate aangewend; in naam van de laatste werd de ekonomiese ongelijkheid verheven tot een onwrikbare natuurwet en tot een noodzakelike faktor van het algemene welzijn. In wezen rationalisties, in de strijd om de macht allereerst materiële belangen najagend, meende de nieuwe burgerij de vooruitgang van de mensheid het best te dienen, door de stem van het gevoel te onderdrukken en hun denkbeelden tot in alle logiese konsekwenties maatschappelik te verwezenliken.
De idealistiese tegenstroming, door deze stoere liberale eenzijdigheid gewekt, viel samen met de belangen van de oude aristokratie en het nieuwe proletariaat. De bandeloze vrijheidsopvatting had mens-onterende toestanden gekweekt. Een huivering ging door Engeland, toen de uitkomsten van de sociale enquêtes bekend werden: de behandeling van de armen in ‘workhouses’, de kinderafbeuling in fabrieken, het leed van de huisarbeid brachten een onherstelbare schok toe aan het optimisme, door de liberale leer gekweekt. Men voelde dat de heilzaamheid van het maatschappelik egoïsme een waan, de ‘ekonomiese mens’ van de liberale staathuishoudkunde een bedrieglike abstraktie was, en stelde daar tegenover een maatschappelike solidariteit, die in het Christendom steun en rechtvaardiging vond.
De ingewikkeldheid van de maatschappelike verhoudingen verzet zich tegen een simplistiese verklaring. De idealistiese reaktie openbaart zich sedert 1830 op verschillend gebied en in verschillende kringen. Bij dit ‘interventionnisme’ - gelijk Cazamian het streven om het solidariteitsgevoel te herstellen noemt - zijn klassebelang en morele drijfveren vaak onverbrekelik verbonden. Het openbaart zich in de godsdienstige opleving van Oxford, in de nieuwe filantropie van Lord Ashley, in de esthetiek van Ruskin, in de politiek van het Jonge Engeland en de nieuwe Tory-partij en in het Christensocialisme van Maurice en Kingsley. Vóóraan staat de machtige figuur van Carlyle, als boetprediker van het liberale optimisme, als wekker van het sociale geweten en als profeet van een nieuwe filantropie. Zijn diepinsnijdende kritiek op het Heden werd aangevuld door een verheerliking van het
| | | |
feodaal-Christelike Verleden. Maar tegelijk rechtvaardigt hij de Chartistenbeweging en droomt hij van een toekomst waarin ‘cash-payment’ niet meer de enige band is tussen mens en mens. In zijn gevoelswereld vindt zowel het reaktionaire als het vooruitstrevende interventionnisme aanknopingspunten. De kracht die van zijn ideeën uitging, straalt voornamelik dóór zijn discipelen.
De roman, die als litteraire vorm terecht ‘admirablement élastique’ genoemd is, werd weldra de drager van de nieuwe denkbeelden. In de realistiese voorstelling van de feiten schuilt een machtiger wapen dan in abstrakte redenering. In het liberale kamp had men zich al vroeg er van bediend. Toen Bulwer Lytton tot de utilitaire leer bekeerd was, kreeg zijn roman Paul Clifford (1830) een propagandisties karakter. Miss Martineau hanteerde hetzelfde wapen toen zij aanschouwelik onderwijs gaf in de nieuwe ekonomie, door het pakkende illustrerende verhaal. Maar de belangrijkste ‘romans à thèse’ zijn de interventionnistiese romans van een viertal auteurs, die men bij Cazamian voortreffelik gekarakteriseerd vindt. Deze vier vertegen woordigers - Dickens, Disraeli, Mrs. Gaskell en Kingsley - zoeken, met behoud van de bestaande grondslagen, naar vreedzame wegen om de industriële anarchie te ontkomen, maar bezien de maatschappij, onder invloed van persoonlikheid en omgeving, van eigen standpunt.
Dickens groeide op te midden van de kleine burgerij. Als kind leed hij diep onder armoede en vernedering, en de herinnering aan dat kinderleed versterkte zijn medegevoel met lijdenden en verdrukten. Deze weke mensenliefde bleef het gekleurde glas waardoor hij de werkelikheid bekeek, en dat bij voorkeur gericht werd op de ellende van het grotestadsproletariaat met al zijn overgangen naar de kleine burgerij. Deze groepen van maatschappelike schipbreukelingen of maatschappelik-zwakken, die onder de druk of in afhankelikheid leefden van aristokraten of burgerlike parvenus, heeft hij door en door gekend en treffend getypeerd. Opmerkelik is dat de groot-industrie geheel, de landarbeid bijna geheel buiten zijn gezichtskring valt. In de maatschappelike verhoudingen ziet hij allereerst de persoonlike verhouding: de liefdadigheid van beurs en hart is voor hem in veel gevallen een afdoende leniging van de armoede. Door zijn partij-kiezen voor de verdrukten is hij geneigd de deugden van de arme te idealiseren, en de hulp van de rijke als een recht op te eisen. De tegenstelling van arm en rijk wordt met schelle kleuren getekend. Onder de rijken zijn in 't biezonder de hoogmoedig-liefdadige aristokraten en de hardvochtig-egoïstiese rijk-geworden bourgeoisie hem antipathiek, maar al geldt zijn afkeer meer het temperament dan de stand, hij voelt dat de nieuwe ekonomie zulk egoïsme kweekt en verbloemt. Daartegenover predikt hij het altruïsme. Het grondbeginsel van zijn ekonomie
| | | |
luidt: een natie is niet rijk, als de meerderheid arm blijft. Zo wordt zijn sociaal evangelie - het duidelikst uitgesproken in zijn Kerstvertellingen - een bestrijding van de orthodoxe ekonomie en het intellektualisme. Daarin heeft hij gelegd ‘les qualités de son âme et les insuffisances de sa pensée’, want zijn kritiek is even scherp in het negatieve als schroomvallig in het positieve. Hij is zich niet bewust geworden van een halfslachtigheid, die door de vaagheid van zijn altruïsme omsluierd blijft: met de bourgeoisie omhoog gekomen, vertoont hij een gemeenzame trek van radikalisme, in zijn afkeer van aristokratiese en feodale bevoogding. Maar zijn medelijdend hart brengt hem in opstand tegen de onheilstichtende vrijheidstheorieën, en maakt hem tot een bewonderaar van Carlyle en een voorstander van staatsinmenging.
Wanneer hij in zijn tweede periode, in navolging van anderen, de grote strijd tussen kapitaal en arbeid in een roman aandurft, dan blijkt dit onderwerp hem te machtig, en zelfs onvoldoende om de gehele roman te vullen. Hard Times (1854) behoort niet tot zijn beste boeken. De ‘Kerstmis-filosofie’ wordt hier toegepast op de groot-industriële verhoudingen, maar de cyniese parvenu-fabrikant Bounderby heeft te veel van een karikatuur, de vrome arbeider Stephen Blackpool is te zeer ‘a dramatic perfection’3 om als levend mens vóór ons te staan. Bij de botsing kiest Dickens de zijde van de stakers, maar zijn conservatief instinkt maakt van de volksleider Slackbridge een bedrieglik opruier. De opdracht van deze roman aan Carlyle is veelbetekenend: het boek staat grotendeels onder zijn patronaat. De groot-industrie is de macht die de zedelike gezondheid van de mens en de maatschappij verdorven, die levensvreugde en gezondheid verwoest heeft. Alleen innerlike, morele omkeer kan genezing brengen. Als Carlyle, geeft Dickens profeties de keuze tussen interventie of revolutie.
Uit een geheel andere sfeer komt Disraeli tot het sociale vraagstuk. Buiten de aristokratie geboren, met radikale neigingen, zoekt de eerzuchtige zijn heil bij het aristokratiese ‘Jonge Engeland’, en wijdt hij zijn talent aan de verdediging van het program der jonge Tory-partij. Een drietal romans zijn hem wapens in de strijd. De tweede, Sybil (1845), toont de scherpe blik van de aanstaande staatsman op het industriële vraagstuk, dat juist in deze jaren brandend geworden was. Hij kent het ‘zwarte land’ van Manchester uit aanschouwing; hij kent de intieme geschiedenis van de Chartisten, de blauwboeken, de nuchtere feiten van de enquêtes. Zijn boek staat dus op de bodem van de werkelikheid, die met schrille kleuren er in opleeft: de toon is, in tegenstelling met Dickens, koel en ironies. De strekking komt scherp naar voren. De ideale verzoening van de strijdende klassen wordt gesymboliseerd in het huwelik van de edelman Egremont met Sibyl, de dochter van
| | | |
een meestersknecht. De edelmoedigheid van de hogere standen zal de oplossing brengen; de Kerk moet zich bewust worden van haar sociale taak; de model-fabrikant moet vaderlike leiding geven. De egoïstiese ekonomie wordt in Lord Marney aan de kaak gesteld; Chartisme en socialisme worden antipathiek geschilderd, door van hun vertegenwoordiger een volksmisleider en een verrader van zijn klasse te maken. Ook de geschiedkundige feiten zijn op de voet gevolgd: de nachtelike meetings, de ‘Birmingham riots.’, het échec van de Chartisten worden naar waarheid getekend, om er de les uit te halen, dat het volk zijn eigen vijand is, en alleen veilig onder de leiding van de aristokraten. ‘They are the natural leaders of the People, they are the only ones’, zegt Egremont tot de ontgochelde Sibyl. Ook voor Disraeli is de naderende revolutie een schrikbeeld, dat tot staatsinmenging en zelfherziening dwingt. De menging van praktiese en romantiese politiek wijst er op, dat Carlyle's denkbeelden zich in deze roman op eigen wijze weerkaatsen.
Mrs. Gaskell, predikantsvrouw te Manchester, behoefde het arbeidersleven niet uit gedrukte dokumenten te leren kennen. Zij zag de verwoestingen van de groot-industrie van zeer nabij, door een intiem meeleven. Haar godsdienstig gevoel kwam in opstand toen zij de Christelike geboden ongestraft zag schenden door de wreedheid van het kapitalisme. Haar eerste roman, Mary Barton (1848), staat midden in de werkelikheid, en kiest krachtig partij voor de onderdrukte klasse. De opstandige gevoelens van John Barton, die als afgevaardigde van de Chartisten uit Londen verbitterd terugkeert, zijn diep meegevoeld. Zijn kommunisme, dat in gewelddaden overslaat, wordt veroordeeld, maar de verantwoordelikheid van dat geweld wordt geschoven op een schuldige maatschappij. Kenschetsend is dat de volksmisleider van Dickens en Disraeli in dit boek ontbreekt. Een kommunist is voor de schrijfster geen verdediger van misdaad of slachtoffer van hersenschimmen: it shows a soul, a creature who looks forward for others, if not for himself.’ Een nieuw ekonomies systeem moet men in dit boek natuurlik niet zoeken, wèl een instinktieve afkeer van de gangbare ekonomiese begrippen. Het positieve bestanddeel is de schepping van de model-fabrikant Carson. Evenals bij Dickens is de persoonlike inkeer als afdoend redmiddel uit de nood aangeprezen.
Dat blijkt nog duideliker uit haar tweede sociale roman, North and South (1855), die op een ander sociaal plan staat. Het zwaartepunt van de belangstelling is uit het arbeidersleven in de bourgeoisie verlegd: een teken dat het filantropiese interventionnisme na de revolutie van 1848 gaat luwen. De strijd tussen kapitaal en arbeid wordt hier achteruitgeschoven voor de tegenstelling tussen het industriële Noorden van Engeland en het patriarchale
| | | |
Zuiden. Het huwelik van de predikantsdochter Margaret uit het Zuiden met de fabrikant Thornton uit Manchester wordt weer tot symbool. De vrouwelike zachtheid heeft tot taak, de sociale verzoening tot stand te brengen. De gemoedsverharding, een gevolg van de klassenscheiding, wijkt bij Thornton, onder Margaret's invloed, voor de nieuwe filantropie, die van hem een model-fabrikant maakt.
In het werk van de Christen socialist Kingsley, de bewonderaar van Carlyle, trekken zich alle stralen van de interventionnistiese litteratuur samen. De Christen-socialistiese beweging van 1848 wilde de demokratiese kern van de Chartisten beweging opnieuw doen gedijen tot een politiek-christelike opvoeding van het volk. Men trachtte de uiteengeslagen Chartisten om het nieuwe vaandel te verenigen. Naar het Franse voorbeeld werd de produktieve koöperatie als strijdmiddel aangeprezen. Tot dit streven voelde Kingsley, ondanks zijn aristokraties en konservatief temperament, zich sterk aangetrokken. Evenals Dickens kende hij de groot-industrie slechts op verre afstand. Hem had vooral het lijden van de landarbeiders en het klein-bedrijf getroffen.
In zijn eersteling Yeast (1848) waren zijn sympathieën breed en vaag. Het is meer een overzicht dan een synthese van al wat er gist in zijn omgeving en in hem zelf. De beide hoofdpersonen vertegenwoordigen de volksbeweging en het idealisme van de intellektuele aristokratie, de profeet en de held. Het boek is vol van Carlyle's invloed. De meester leent zelfs zijn trekken aan een van de personen. Tot vaster vorm komt al deze gisting in de roman Alton Locke (1850). De hoofdpersoon, die zijn eigen leven vertelt, ontwikkelt zich van revolutionair-Chartist tot vreedzaam Christen-socialist. De achtergrond is een treffend tafreel van arbeidersleed: de ellende van het sweating-systeem en de huisindustrie. Met het slot weet Kingsley geen raad: hij laat Alton een nieuw vaderland zoeken in Texas, maar eigenlik eindigt de roman al in de fantasieën van ‘Dreamland’. De schrijver voelt wel dat hij meer poëet dan sociaal hervormer is. De grote verdiensten van dit boek zijn dan ook te zoeken in het diep-menselik mede-lijden: het zieleleed van een Alton Locke overtreft de lichamelike ellende; beide brengen het gevoel in opstand tegen het Mammonisme van de industriële en handeldrijvende bourgeoisie, die met wereldse middelen tot onverdiende welvaart komt. Van kerk en godsdienst, niet als uiterlik machtsmiddel, maar als innerlike beweegkracht, verwacht hij, met Carlyle, de morele omkeer van de maatschappij, maar hij heeft meer vertrouwen op de sluimerende volkskrachten, en minder verwachting van onbaatzuchtige bevoogding. Mindere berekenend dan Disraeli, vermijdt hij onbillike partijdigheid. Meer menskundig dan Dickens,
| | | |
wacht hij zich voor overdrijvende eenzijdigheid. Deze matiging is ook de oorzaak dat de behoudende neigingen bij Kingsley na 1850 de overhand kregen, toen bij het opkomend maatschappelik optimisme de stem van ‘social compunction’ verzwakte.
Op het werk van deze vier auteurs terugziende, treft ons, bij alle verscheidenheid, menige gemeenschappelike en nationale trek. De lust tot uitbeelden van de omringende werkelikheid wordt bezield door diepe ernst, door de bedoeling om te ontroeren en een nieuw idealisme te kweken. Wij bevinden ons in een land met sterke tradities en een diepgeworteld Protestants geloof. Vandaar de afwezigheid van een eigenlik revolutionaire tendenz en een vast geloof aan de almacht van de Christelike liefde. De maatschappijbeschouwing blijft individualisties, gaat uit van de enkele mens en zijn morele verhouding tot de medemens. Het interventionnisme is in wezen behoudend en prakties; meer gericht op verzachting dan op verdrijving van de armoede. Wanneer dus de tijd van heftige sociale beroering overgaat in optimistiese rust, dan zien we ook een geleidelike overgang tot de meer bezonken en objektieve romankunst van Thackeray en Eliot. Door de uitbreiding van het waarnemingsterrein over de gehele maatschappij, de verdieping van de psychologie, is de roman van Eliot de rijpere vrucht, gegroeid op het diep doorploegde terrein van de voorafgaande tendenz-roman.
Geheel anders is de ontwikkeling in Frankrijk. De grote revolutie had geen traditie gespaard. Maatschappelike en kerkelike instellingen, zedelike en godsdienstige begrippen hadden een radikale omkeer ondergaan. De opkomende bourgeoisie vond geen machtige oude aristokratie op haar weg, maar kon de regering rechtstreeks beïnvloeden, terwijl de stem van de vierde stand niet tot zwijgen gebracht was. De noden en behoeften van het proletariaat weerspiegelen zich daardoor op geheel andere wijze in de litteratuur. De twee voornaamste auteurs die zich als pleitbezorgers opwierpen, waren George Sand en Eugène Sue. Men pleegt de romans uit G. Sand's tweede periode socialisties te noemen, maar het is een eigenaardig gevoelssocialisme dat zij voorstaat, vol vage aspiraties en fantastiese gelijkheidsdromen. Propagandisten van nieuwe ideeën zochten de steun van haar talent en vonden in haar een discipel. De hoofdpersonen in haar romans worden de woordvoerders van die ideeën. Ze hebben allen ‘héroisme du coeur et l'argumentation intarissable’. Het middel om de kloof tussen de standen te dempen is enigszins naïef: de liefde zal die overbruggen. Haar romans brengen zulke klassen-verzoenende huweliken met groot gemak tot stand.
| | | |
Eugène Sue leidt, evenals Dickens, de laagste volksklassen in de litteratuur binnen, en vermeit zich in de schrilste kleuren van het realisties palet. Door opzettelike tegenstelling van arm en rijk laat hij het maatschappelik onrecht voelen: de schurkachtige rijkaard wordt een type. De zonden en tekortkomingen van armen en ongelukkigen: drankzucht, prostitutie en onwetendheid, worden uit de omgeving verklaard en verontschuldigd. Zijn anti-klerikalisme maakt van de Jezuiet een monster, van de priester een huichelaar. En zijn eenvoudig deïsties geloof maakt de romanoplossingen gemakkelik door in beslissende ogenblikken de Voorzienigheid te doen ingrijpen. Op zijn wijze gaf E. Sue, evenals G. Sand, dus ook een sociale prediking van algemene mensenliefde, van een ‘religion d'humanité’, maar om die ingang te doen vinden, werd de roman in elkaar gezet met ‘la simplicité du mélodrame’, die bij de vereenvoudigde psychologie paste.
Men voelt hoezeer deze romankunst staat in het teken van de romantiek. De grootmeester van de Franse romantiek, Victor Hugo, volgt dan ook in 1862 hun voetspoor met Les Misérables, een reusachtige ‘roman-feuilleton’ in grote stijl: brede fresco's, maar realisties van opvatting, en melodramaties van uitwerking. Ook hier worden de mensen vereenvoudigd tot geallegoriseerde deugden en ondeugden. Tegenover de egoïstiese voldane bourgeoisie staat het verdrukte volk, als bedrogen slachtoffer. De vernedering van de mensheid door het bestaan van een proletariaat is voor hem een van de grote problemen. Met echt romanties zelfgevoel acht hij zich een zaaier van ideeën, een Leider en Profeet. Hij predikt een Christendom boven geloofsverdeeldheid, optimisties door het vertrouwen op de triomf der deugd. Hij gelooft aan de macht van onderwijs, als faktor van welvaart en zedelikheid. Hij vloeit over van medelijden voor alle verongelijkten en verdrukten, en gelooft aan de louterende macht van het berouw, aan ‘influence révélatrice de la charité chrétienne’.
Victor Hugo heeft niet vergeefs de populariteit van Sue en Dumas nagestreefd. Zijn Misérables - ‘la bible d'un peuple’ genoemd - oefende machtige invloed, niet alleen door de personen, die dragers waren van zijn gevoelens en denkbeelden, maar ook door de uitweidingen, vol ontboezeming van zijn humanitaire filosofie en retoriese lyriek.
De overspanning van deze sociale romantiek deed de veer springen. Bij een volgend geslacht openbaart zich de reaktie. In plaats van een geleidelike ontwikkeling, als in Engeland, streeft de nieuwe, naturalistiese romankunst naar strenge objektiviteit, naar uitbanning van elke morele strekking. De brede maatschappijschildering van Balzac is nog van romantiek doortrokken; Flaubert voert het nieuwe beginsel door. En de quasi-experimentele weten- | | | | schappelikheid van Zola heeft met de romantiek van Hugo slechts het studieveld gemeen.
Ondanks menig punt van overeenkomst is de ontwikkelingsgang in de beide landen dus zeer verschillend geweest. De sociale roman in Duitsland kunnen we hier buiten beschouwing laten: het komt mij voor dat er in dezen van Duitse invloed hier te lande nauweliks sprake kan zijn4.
De Nederlandse samenleving van 1815 geeft een beeld van slaperige rust en zelfgenoegzame tevredenheid. De smeulende partijgeschillen waren ingerekend in de doofpot van een gematigd liberalisme5. Onder de vaderlike regering van Willem I kweekte men het chauvinisme van Helmers en de verdraagzaamheid van Tollens, en waande zich daarmee aan de spits van de beschaving. De werkelikheid was daarmee in schril kontrast. Het ekonomies verval van de Franse tijd werkte lang na. De gezeten burgerij teerde op het oude geld-bezit; de schrikbarende massa bedeelden leefden in een geest-dodende afhankelikheid. Wat een verschil met de rijke geschakeerdheid en het opgewekte leven in de Engelse maatschappij! Hier geen invloedrijke oude aristokratie, geen nieuwe arbeidersbevolking als faktor van nieuwe rijkdom en nieuwe energie. De standenscheiding droeg een geheel ander karakter: geen scherpe lijnen, maar langzame overgangen van de rijke koopman en grote en kleine renteniers over het klein-bedrijf en de klein-handel met de persoonlike verhouding van patroon en knecht, naar het bedeelde, energie-loze lompenproletariaat. In deze samenleving ontwikkelde zich de maatschappelike deugd, die met het typiese Nederlandse woord ‘liefdadigheid’ bestempeld is, en die door Tollens uitentreure verheerlikt is: de afdalende verhouding van aalmoesgever tot bedelaar, met een fariseïes besef van braafheid aan de ene, en een verondersteld gevoel van dankbaarheid aan de andere kant. Deze deugd zou de schaal van de maatschappelike harmonie in evenwicht houden. De overheersende klein-burgerlike moraal zag in rijkdom en macht slechts een bron van onrust: ieder had zijn geluk te zoeken in eigen gezin en stand; hogere aspiraties leidden tot ontevredenheid of dweepzucht. Bilderdijk werd door zijn liberale tijdgenoten als een sfinx aangestaard, wanneer ze vergeefs pogingen deden om de bewonderde schil van zijn poëzie los te maken van de ideeën-kern. De denkbeelden en dromen van het Réveil, het ‘drijven’ van de Afgescheidenen werden verfoeid als ongeoorloofde tegenwerking van de vooruitgang. Maar ook bij de tegenstroming zien we de nationale neiging tot opsluiting in eigen kring. In de profetieën van Da Costa klinkt ook een sociale toon6, een waarschuwing voor revolutionaire standenbotsing, een aansporing tot toenadering, maar de geest en de eer- | | | | zucht van een Disraeli blijft hem vreemd: zijn geest is te zeer verdiept in godsdienstige en historiese bespiegeling om tot de werkelikheid van het om ringende leven af te dalen. Een politieke vormkracht hebben de denkbeelden van het Réveil niet gekregen: hun bondgenootschap met de belangen van ‘kleine luiden’ bracht ze geheel in reaktionaire sfeer.
De stuwkracht kwam van jong-liberale zijde, onder sterke buitenlandse invloed. De nieuwe ideeën deden zich hier te lande gelden, eer de nieuwe toestanden zich ten volle hadden ontwikkeld, waarin die ideeën elders hun oorsprong namen. Thorbecke is meer schepper dan voorganger van een machtige partij; Potgieter predikt een maatschappijvernieuwing uit de kern van een wilskrachtige bourgeoisie, zoals hij die in Engeland bewonderde, maar waarvan in het land van Jan Salie nauweliks de eerste sporen te zien waren7. De nieuwe Engelse staathuishoudkunde vond weinig toelichting in Nederlandse toestanden. En ook in de litteratuur warrelen de luchtstromen vreemd dooreen, wanneer de deuren langzaam open gaan, en de bedomptheid van de zelfgenoegzame afsluiting opgefrist wordt. Telkens worden de nieuwe ideeën geënt op de stam van een konservatieve maatschappij- en litteratuurbeschouwing.
Dat veroorzaakt een soms moeilik ontwarbare kruising van oude en nieuwe elementen. Wij moeten steeds bedenken dat een nationale groei, geheel uit eigen krachten, een wedijver als tussen gelijken, buitengesloten werd door onze ekonomiese en geestelike achterlikheid in het begin van de eeuw. Erkenning van onze minderheid was omstreeks 1840 juist een bewijs van opleving.
Bij wie hebben de nieuwe leiders op letterkundig gebied allereerst leiding gezocht? De Fransen hadden sinds eeuwen een diep-gaande invloed op onze kultuur gehad, maar na de revolutie was de bewondering voor hun schitterende knapheid niet sterk genoeg om de instinktmatige afkeer te overwinnen voor een samenleving en een litteratuur, zo sterk doortrokken van de revolutionaire zuurdeeg. Alleen de romanties gestemde jeugd het zich door de ‘onzedelikheid’ en ‘onmaatschappelikheid’ niet afschrikken van de geest en verbeelding prikkelende lievelingslektuur. Met het Angelsaksiese ras voelden de Nederlanders meer verwantschap en geestesgemeenschap. De Engelse romantiek bracht veel dat over de Nederlandse hoofden heen moest gaan, en eerst veel later hier weerklank vond. Shelley, Keats en Wordsworth waren te fijn en te diepzinnig voor een geslacht dat Helmers en Tollens genoot. Het dwepen met Byron was grotendeels mode van romantiese jongeren. Maar Scott werd ook door konservatieve naturen bewonderd8. Hier kon de uitheems-romantiese verbeelding van een Middeleeuws verleden zich paren
| | | |
met de inheems-didaktiese verheerliking van het volksverleden, in de romans van Adriaan Loosjes.
Door de kruising ontstond een vaderlandse romantiek, die de zeventiende eeuw ten spiegel stelde aan het nageslacht.
Te midden van die romantiek herleefde ook de werkelikheidschildering onder Engelse invloed. De beperkte gezichtskring van de essay trok de Hollanders aan. Hun aangeboren voorliefde voor een didakties getint realisme werd er door bevredigd. De onschuldige humor vervrolikte een berustendkonservatieve maatschappijbeschouwing. Onlangs heeft Kalff9 aangewezen hoeveel zelfs Hildebrand's Camera Obscura, met zijn onvergankelik echt-Hollandse waarneming, te danken heeft aan de schetsen van Dickens. Opmerkelik is, dat Beets Dickens niet volgt, wanneer de romanschrijver prediker wordt van sociale rechtvaardigheid. Beets verwisselt de tekenstift niet voor het ontleedmes. De ‘kopieerlust des dagelijkschen levens’ richt zijn Camera slechts op wat hij zien wil. Potgieter, die in de keuze van deze termen zijn onvoldaanheid uitte, betreurde dat het Diakenhuismannetje, een verongelukt voorwerp van liefdadigheid, de deernis van de schrijver het meest gaande maakte10. Was dit niet een sentimenteel verspillen van medelijden, waar in het volksleven zoveel kwijnde dat tot nieuw leven gewekt kon worden, en dus de sympathie zoveel meer verdiende? Potgieter verlangde een ‘schildering van de toestanden des volks, opdat het er door mogt worden geboeid, getroost, geleerd’,11 niet een kopie dus, maar een werkelikheidschildering, bezield door het idealisme van de kunstenaar, die er een eer in stelde, opvoeder van zijn volk te zijn. Deze Gids wijst dus in de richting van het Engelse interventionnisme.
De pogingen om de verhoudingen in onze samenleving door letterkundig werk te beïnvloeden komen bij twee auteurs tot uiting: bij Potgieter en Van Koetsveld. Op eigenaardig-Nederlandse wijze zien we hier tegenover elkaar een idealisties-liberaal en een idealisties-konservatief interventionnisme. Scherp omlijnde typen moeten we even wel niet verwachten. Potgieter staat op het standpunt van de opkomende liberale bourgeoisie, maar de liberale idee is voor hem, meer dichter dan denker, heel iets anders dan een liberale leer. Op de ‘middenstand’ is al zijn hoop gevestigd. Van een geboorte-aristokratie verwacht hij weinig meer12: talent dient vóór geboorte te gaan. Er moet, evenals in de zeventiende eeuw, een aristokratie-van-de-daad ontstaan. Daartoe is nodig dat de ‘middenstand’ zich steeds aanvult met de beste krachten uit de volksklassen, die op deze wijze geleidelik tot de middenstand worden opgeheven. De gemeenschap verschaffe dus aan allen ‘gelegenheid ter ontwikkeling van wat er goeds en groots in hen schuilt’. De konkurrentie zal,
| | | |
evenals bij de renpaarden op een Engelse race, aan de rapste en moedigste de overwinning verschaffen. In deze gedachtengang is het rijk-worden, als beloning voor betoonde energie, een aanbeveling. Want in de handel moet ‘fair’ het wachtwoord blijven; in de industrie heeft de fabrikant morele plichten tegenover de arbeidersbevolking. Al deze grondgedachten vindt men in Potgieter's krities en verhalend proza evengoed als in zijn poëzie, maar idealist als hij is, kon hij niet ongevoelig blijven voor de Engelse antiliberale gevoelsstroming. Gedachten uit de kring van Carlyle - de achterstelling van het moderne klasse-egoïsme bij de samenhang en de trouw in de Middeleeuwse feodaliteit - vindt men bij Potgieter met ingenomenheid aangehaald13. In Dickens eert hij de hem zo sympathieke harmonie tussen gemoed en geest14. De armoede is voor hem niet een noodzakelike schaduw van de welvaart, maar een schande voor een Christelike samenleving. Zijn medegevoel met armen en lijdenden brengt hem eer tot een beroep op het hart dan op de beurs. Een grote en brede litteratuur, meende Potgieter, moest afdalen tot beneden de ‘middenstand’, en ‘zich verdiepen in de ellende van 't volk’15, al was het alleen om het gevoel van samenhang te versterken. Zonder zich om de liberale ekonomie te bekommeren, droomde hij zich een maatschappij zonder armoede, maar zo sterk gedifferentieerd, dat de wedijver er steeds geprikkeld werd, en de onderlinge grenslijnen telkens overschreden. Dan zou elke stand het zich als een eer aanrekenen tot het volksgeheel te behoren, en dat volk groot te maken.
Potgieter voelde meer de behoefte aan een sociale romankunst dan de kracht om die zelf te verwerkeliken: daarvoor bracht zijn leven op de Beurs en in de studeerkamer hem te weinig met de verschillende standen in aanraking. Zijn pleidooi voor de kantoorbedienden, in 't Is maar een pennelikker; zijn klachten over de proponentennood, in Als een visch op het drooge, werden meer betogen en schetsen dan novellen. De studiebeelden uit het volksleven, Hanna, en het blauwbessenvrouwtje, werden niet door schilderijen gevolgd. Zijn enige roman, De Zusters, bleef onvoltooid.
Van Koetsveld daarentegen stelde er, met alle bescheidenheid, een eer in, de ‘Vader der Nederlandse - en sociale - novelle’ genoemd te worden. Busken Huet heeft hem - als predikant-novellist een ‘type’ en nationaal verschijnsel! - geestig en lichtelik sarkasties gekarakteriseerd16. Hij legt de vinger op de zwakke plek, wanneer hij zegt: ‘De novellist in hem laat zich verschalken door den godsdienstleeraar, den zedemeester’, zodat zijn novellen te veel behoren ‘tot de orde der traktaatjes’.
Van Koetsveld heeft dat zelf geweten en gewild: men behoeft er zijn Voorredenen maar op na te lezen17. Is deze ‘dienstboden-litteratuur’ - gelijk
| | | |
Huet spotte - dan terecht in het vergeetboek geraakt? Eersterangs-kunst vindt men in die talrijke bundels niet. Populariteit en zelfingenomenheid hebben de gevierde predikant tot veelschrijver gemaakt. Wel vindt men er realisme uit de goede school, en menige diep-menselike en menskundige bladzijde, uit rijke ervaring geput. De schrijver stond met open ogen midden in de sociale werkelikheid van zijn tijd. Dat maakt zijn mengeling van ‘fantasie en waarheid’ in menig opzicht belangrijk, vooral omdat de waarheid overweegt. De schrijver blijft de Camera hanteren, en fantaseert slechts om zijn modellen niet al te herkenbaar te maken. Toch is het niet allereerst kopieerlust die hem drijft. Steeds zien we ‘zijn wijsvinger over de lijst van de schilderij’18
Busken Huet beweert - misschien met de plagerige bedoeling om de bewonderaars van Van Koetsveld de schrik op het lijf te jagen! - dat hij eigenlik ‘een discipel der voorlaatste romantische school in Frankrijk’, een Nederlandse Eugène Sue in toga geweest zou zijn, en dat bij hem ‘de righting spreekt, die men in 1848 men den algemeenen naam van socialisme bestempelde’. De novellist zelf ziet in zijn kunst een tegengif tegen de ‘horreurs die thans de kranke verbeelding van 't lezend publiek overprikkelen als de sterke drank der litteratuur’19 Zijn die opvattingen te rijmen? Mij dunkt dat we in een juister spoor komen door een parallel met Dickens, al biedt de stof van deze Haagse ‘Mystères’ overeenkomst met Sue. Het is niet toevallig, dat Dickens, meer dan de andere besproken sociale romanschrijvers, de Nederlandse filantropen aantrok. De klein-burgerlike maatschappelike kringen waar Dickens mee sympathiseerde, vertoonden immers veel overeenkomst met de onze. De verdraagzame orthodoxie, vertederd tot een sentimenteel gekleurde mensenmin was beiden gemeen. In 't biezonder staat Van Koetsveld geestelik dicht bij Dickens. Ook bij hem vinden we die eigenaardige tweeslachtigheid, die we bij Dickens kenschetsend vonden. Hij komt omhoog met de tot macht komende ‘middenstand’, en deelt, tegen wil en dank, in de daar heersende begrippen: een aangeboren wantrouwen tegen de hogere klassen, eerbied voor de energieken die ‘wat willen worden in de wereld’, het besef van de noodzakelikheid van het pauperisme, als ‘het onkruid dat op vruchtbare akker het weligst tiert’. Maar zijn levenservaring verhindert dat hij tot een oppervlakkig optimisme vervalt: Hij heeft als evangelie-dienaar, van zijn ‘Mastland’ naar Den Haag verplaatst, ‘het raderwerk der menschelijke zamenleving’20 leren kennen, en in 't biezonder de ellende van de achterbuurten gepeild. Daar heeft hij het verschil gevoeld tussen de aalmoezen-liefdadigheid van de ‘bourgeois satisfait’ en de nieuwe filantropie, die toenadering predikte uit naam van sociale rechtvaardigheid. Het verschil tussen de Engelse en de Nederlandse maatschappij verklaart
| | | |
de konservatiever houding van de Nederlandse prediker. Bij beiden vinden we konservatisme met interventionnisme gemengd, maar in omgekeerde verhouding. Van Koetsveld acht de standen door God geordineerd. Elke revolutionaire neiging is uit den boze; het kommunisme is het ‘monster der eeuw’, dat boze hartstochten wekt, bedriegers kweekt, of bij de besten, een bedrieglike hersenschim is, een ‘ziekteverschijnsel’21 In zoverre komt hij met Dickens overeen. Maar op de weg die leidt van Tollens z'n tevredenheidsprediking naar Dickens z'n scherpe aanklachten, van de oude naar de nieuwe filantropie, is hij halverwege blijven staan. In zijn Oudejaarsavond (1840), geschreven vóór de Pastorie van Mastland (1843), tempert hij zijn realisme en zijn ergernis om de liefdadigheid niet af te stoten22 En ook later kiest zijn beroep op het sociale geweten een zo gemoedelike toonaard, dat hij meer vertedert dan schokt. Hij wil zijn publiek niet verbitteren, maar bekeren, in een weke oudejaarsavondstemming. Toch klinkt de nieuwe filantropie duidelik door. Kort na het revolutiejaar, in de novelle De schoone onbekende (1849), betreurt hij het dat ‘de standen te zeer uit een gerukt’ zijn. Met een weinig smaakvol beeld vergelijkt hij de maatschappij met een vrouw, ‘bij wie door de scheuren van 't satijnen kleed henen, het vuil en rafelig ondergoed zich verraadt’. In dit ‘pijnlijk bewustzijn’ van de ‘hardheid der maatschappelijke orde’ ziet hij een eerste voorwaarde tot verbetering. Het gevoel dat de gewone filantropie ontoereikend is, wordt levendiger. In 't biezonder bij zijn onvermoeide en sympatieke strijd tegen de prostitutie, waar hij ter wille van het goede doel zijn lezers - gelijk Huet zegt - ‘tot over de enkels door de modder’ voert, heeft hij het levendige besef dat hij ‘niet personen, maar zeden en wetten aanklaagt voor de regtbank der menschelijkheid23 Evenals bij Dickens, is de zelfvoldane liefdadigheid, uit ijdelheid of gewoonte, hem een ergernis. Deze officieel-christelike ‘braafheid’ vindt men scherp en raak in zijn Novellen getypeerd24 Ook de ambtelike, harteloze ‘liefdadigheid’ stuit hem tegen de borst: terecht is de schets Asschen Kaatje geprezen, waarin het lot van het bedelvrouwtje getekend wordt, een echt stadstype, uit de vertrouwde omgeving weggerukt, om opgeborgen te worden in een Kolonie van Weldadigheid.
In één opzicht moet Van Koetsveld bij Dickens achterblijven, omdat hij niet, als Dickens, getuige geweest is van een verdere kapitalistiese maatschap pij-ontwikkeling. Terwijl Dickens de liberale ekonomie typeert en bestrijdt, en staatsinmenging ter beteugeling van klasse-egoïsme en tot standenverzoening nodig acht, blijft Van Koetsveld, op zijn individualisties standpunt, ondanks menige ontgocheling, de schuld zoeken in persoonlik egoïsme, en alle heil verwachten van prediking en bekering. Dat blijkt het duidelikst wanneer
| | | |
hij in de laatste Novellenbundel, Ideaal en Werkelijkheid (1868), op zijn beurt het industriële vraagstuk te berde brengt, en in De oude Jonas zijn modelarbeider en zijn model-fabrikant tekent: de vrome Jonas slijt een gelukkige ouderdom in het Bestedelinghuis, dank zij de spaarduitjes, en denkt met dankbaarheid aan de ‘vrome’ fabriek van de heer Van Beveren, die zijn werklieden als zijn kinderen beschouwde, en elke morgen zelf onder het ontbijt uit de Bijbel kwam lezen; ‘zondags, wanneer de fabriek niet stil kon staan, werd de machine toch even gestopt, om in de groote eetzaal godsdienst te houden’. Deze idylliese versmelting van fabrikant en zieleherder toont, hoe ver Van Koetsveld nog staat van een werkelikheid als Mrs. Gaskell kende. Het interventionnistiese geluid blijft tot het einde uiterst zwak. Het konservatisme van deze predikant is idealisties, ziet uit naar een betere toekomst. Hij predikt geen berusting en vergoelikt het bestaande allerminst, maar toch, wat komt het voort uit kleinburgerlike bekrompenheid, wanneer we denken aan het frisse idealisme van zijn Engelse ambtgenoot Kingsley! Stel Klaas de Landverhuizer25, de ontevreden gemaakte, domme handwerksman, die zich verleiden liet om zijn knusse achterbuurt te verlaten, maar bijtijds en innig-gelukkig in 't gareel terugkeert, naast Alton Locke, die in Texas een nieuw leven wil beginnen. Of denk aan Potgieter's opstel over ‘Landverhuizen26, waarin hij met vreugde een nieuwe wereld ziet opengaan. Hoe steekt dan het duffe burgermansideaal van Koetsveld af bij het echte dichterlike idealisme! Het verwondert ons dan ook niet dat Potgieter, die aanvankelik in Van Koetsveld's Pastorie van Mastland een belofte zag, zich na de volgende bundel27 teleurgesteld van hem afkeerde, en zijn verder werk met stilzwijgen voorbijging.
Was er bij een nieuw geslacht, dat tussen 1850 en 1880 zijn krachten zou moeten tonen, plaats voor een diepere en bredere sociale romankunst? Daartoe moesten twee faktoren samenwerken: een krachtig bewogen samenleving, en levendige belangstelling van realisties aangelegde kunstenaars. De gemakkelike overwinning van 1848 had inderdaad de macht van de liberale bourgeoisie bevestigd, maar een ononderbroken zegetocht was het niet geworden: daarvoor was de rem van het Behoud - bij een in naam ‘liberale’ kleine burgerij - te sterk. De organiserende arbeid van Thorbecke werd in 1853 gestuit. Ook de ekonomiese ontwikkeling was trager dan idealisten als Potgieter gehoopt hadden: de voorsprong van Engeland was niet zo gemakkelik in te halen. En evenals daar, bracht meerdere welvaart tevredenheid en optimisme.
Het nieuw opkomende talent koos de wegen, door De Gids gebaand. Voor
| | | |
de besten werd de verheerliking van de zeventiende eeuw opnieuw een bron van bezieling; bij de zwakkeren leidde het tot een romantiese houding, zonder romanties gevoel. Het oorspronkelike idealisme verstarde tot een leer, of verwaterde tot frasen. De vertegenwoordigers van de vaderlands-historiese roman, Van Lennep, Mevr. Bosboom-Toussaint en Schimmel konden geen school meer maken: het besef dat de historiese roman een doodbloedend genre was, dat een nieuwe romankunst zich tot het omringende leven moest wenden, begon veld te winnen. In 1853 schreef de Gidsredacteur Schimmel: ‘Meestal is de blik des kunstenaars naar het verleden gericht.’, maar we moeten het heden niet voor het verleden voorbijzien28. Eigenaardig is, dat hij zich daarbij op Carlyle beroept, en spreekt van ‘wonden blootleggen en peilen’. Zelf blijft hij vooreerst op het oude pad. Mevrouw Bosboom schrijft in 1857: ‘Het is zonderling hoe weinig mijne contemporains mij aanlachen om weer te geven’29. En als ze eindelik het nieuwe terrein betreden, dan blijkt hun talent meestal te veel in de oude richting vastgegroeid. Van Lennep's Klaasje Zevenster (1865) werd een mislukking; Mevr. Bosboom keerde na Frits Millioen (1869) - een liberaal motief: het talent dat zich van onderop baanbreekt - tot de Wonderdokter terug; Schimmel struikelde over Baas van Ommeren (1870)30.
De werkelikheidschildering is intussen niet gestaakt, maar komt in 't gevlij van de gezeten bourgeoisie. Om de Haagse Spectator groeperen zich een aantal schrijvers van middelmatig of gering talent, die tot populariteit voorbestemd zijn. ‘Populariteit - heeft men gezegd31 - veronderstelt kracht.’ Even waar is de stelling: populariteit vereist buigzaamheid. Bij novellisten als Cremer en Keller - om van minderen als Ising en Gram niet te spreken - voelen we zo duidelik dat het idealisme van De Gids de diepte niet geraakt heeft. Ze zijn liberaal, zoals de ‘ontwikkelde’ burger van hun tijd verklaarde liberaal te zijn. Ze wanen aan de spits van de vooruitgang te staan, terwijl ze bezig zijn zich zelfvoldaan in hun kring op te sluiten. Eén van geest met hun publiek, voelen ze zich meer geroepen om gunst en roem te verwerven dan om van een hoog standpunt te leiden en te richten. De sociale roman van dit tijdperk moest een burgerlike roman worden. Busken Huet heeft deze ‘burgelike’ roman gekarakteriseerd als ‘de roman van de bourgeoisie, van de dusgenaamde kern der natie’32. Op zich zelf behoeft in die term volstrekt geen geringschatting te liggen. Een heersende klasse, die de kuituur van een belangrijk tijdvak draagt, is ook in staat een grote kunst voort te brengen. Wij zagen dat de Engelse interventionnistiese roman, die dit ‘burgerlike’ standpunt nooit verliet, waardevolle kunst gaf. Maar in de toenmalige Nederlandse verhoudingen kreeg ‘burgerlik’ een bedenkelike bijsmaak van zelf- | | | | voldaanheid en bekrompenheid. Huet heeft dat meermalen, niet zonder leedvermaak, aangetoond, wanneer hij middelmatige produkten ontleedde ‘om met de wijze van denken en gevoelen van tijdgenoten bekend te worden’33
Voor ons doel moeten we in deze groep het licht laten vallen op Cremer. Bij hem vinden we de sociale gevoeligheid van Dickens en van Van Koetsveld geënt op de liberaal-burgerlike maatschappijbeschouwing. Hij zet, als predikant zonder toga of dogma, het zendingswerk van Van Koetsveld voort in moderner en optimistieser toonaard. Al mag zijn talent van schilderen groter, zijn taaltechniek ontwikkelder zijn, zijn maatschappijbeschouwing, zijn levenswijsheid gaat feitelik over Van Koetsveld tot Tollens terug. Het is niet toevallig dat zijn eerste novellen wortelen in de oude filantropie. In het bescheiden bundeltje dat hij in 1858 met Keller uitgaf, vindt men als voorrede een merkwaardig ‘Gesprek tusschen de beide auteurs’34. Daaruit blijkt, dat Cremer - als een tweede Tollens - aan 't schrijven ging ‘ten behoeve van eerlijke armoede.’, voor ‘arme stakkers’ in een strenge winter. En met een echt huiselik, geestig bedoeld beeld zegt hij tot zijn bondgenoot: ‘Wij zoeken naar waarheden, naar beelden uit 't leven, kooken die in 't zout en gieten ze af... smaken zij sommigen te zout, anderen vinden ze te laf, weder anderen oordeelen, dat ze goed van smaak zijn.’ Het weldadigheidszout, dat in deze ongare eerstelingen werkelik op de tong bijt, is nooit helemaal afgekookt.
Cremer is door bewonderende tijdgenoten gevierd als een Nederlandse Dickens, vooral toen zijn goede hart ook hem sociale misstanden deed blootleggen. Daarentegen nam Huet een loopje met hem door hem als ‘evangeliedienaar op eigen hand’ een ‘straatprediker’ te noemen35.
Terwijl we Cremer's edelmoedige bedoelingen tegen zulke spot in bescherming nemen, mogen we niet voorbijzien, dat het gehalte van zijn werk er aanleiding toe gaf. Er zijn inderdaad, niet minder dan bij Van Koetsveld, treffende punten van overeenkomst met Dickens; de neiging om de kleuren er dik op te leggen, en in verband daarmee een vereenvoudigde psychologie en voorliefde voor het melodramatiese, een realisme dat gedrenkt is met romantiek36 Maar de gebreken van de meester worden stuitender in de navolger37 Het theatrale wordt bij deze ‘geboren tooneelspeler’ hinderlik, het gevoel ontaardt in pathos en sentimentaliteit, omdat zo vaak de werkelikheid er achter ontbreekt. Dickens doorvoelde het lijden van de arme uit bittere ervaring; Van Koetsveld kende het achterbuurtleven door intieme aanraking. Wij beseffen met ons verstand dat ze de stoffelike ellende met de donkerste kleuren schilderen, en de deugden van de vernederden doen stralen met geidealiseerde glans. Toch kan het diep-menselik gevoel, dat zij te midden van
| | | |
armoede en ontaarding vinden, als ‘goud in de modder.’, overtuigd-echt en dus ontroerend zijn. Hun beroep op de sociale rechtvaardigheid krijgt dan een doordringende klank. Bij Dickens vindt men - gelijk Huet opmerkte - als echt-Christelike grondgedachte, de ‘verlossende kracht van 't lijden der weerlooze onschuld’; in Cremer's vaag Christendom is daarvoor geen plaats. Zijn fonds is een oppervlakkig rationalisme. Dat zijn verlicht geloof, zijn verdraagzaamheid alleen de vooruitgang en het heil van de mensheid waarborgen, daarvan is hij vast overtuigd. Twijfel aan de rechtvaardigheid van het Godsbestuur, aan de volmaakbaarheid van de mens, acht hij uit den boze. De grondslagen van de bestaande samenleving staan voor hem even vast als die van zijn moraal. Als de armoede gelenigd is door de befaamde weldadigheid, en het oog van de weldenkenden voor enkele fouten geopend, wie zou er dan belang bij hebben, de maatschappelike harmonie te verstoren? Men ziet: deze levensbeschouwing is meer geschikt voor de idylliese dorpsnovellist dan voor een tolk van ‘social compunction’. Bij Cremer verrijst dan ook weer de stereotype ‘brave’ arme, de gelukkige eenvoudige van hart38 Zelfs de realiteit van het dorpsleven, dat Cremer uit zijn jeugd kende, wordt weggedoezeld in de zoetheid van de dorpsidylle, waarmee hij zijn triumfen behaalde, en die als pakkende voortzetting van de ‘stichtelike lektuur’, als ‘modern traktaatje’ in overvolle zalen toegejuicht, in menige binnenkamer in gemoedsvertedering genoten is. De populariteit van dit nieuwe genre is in vele opzichten kenschetsend voor de tijd en het publiek.
In de schets Fabriekskinderen (1863) zien we hoe de liefdadigheidsnovellist, de moralist van de dorpsidylle, de kinderexploitatie in de groot-industrie tot onderwerp kiest, aangespoord door De Vries Robbé, die in de populaire schrijver een bondgenoot zoekt. Wordt zijn optimisme door die gruwelen geschokt? Eigenhk niet. Het gevoel van onbehaaglikheid is sterker dan de verontwaardiging. Evenals voor Dickens, is de fabriek hem een hel, die hij zo gauw mogelik de rug toekeert, al prijst hij plichtmatig die ‘wondere spruit van genie en verstand’. Onder het schrijven windt hij zich op. Hij voelt dat het procédé van de dorpsnovelle hier niet past: dat ‘het hoog gewicht zijner roeping’ zijn stijl ‘ontzettend eenvoudig’ moet maken. Maar de gewoonte van het ‘mooi schrijven’ zit te diep. Hoor die door-en-door valse retoriese toon waarmee het stuk inzet: ‘Een koude Decembernacht houdt met kille vingers oud Hollands grijze academieveste den blinddoek voor de oogen.’ enz. In tegenstelling met de nieuwe filantropie in Engeland spreekt hier voornamelik het gevoel van de oude liefdadigheid. We worden binnengeleid in een arbeidersgezin, waar onze verontwaardiging gewekt wordt door harteloze luie ouders, die jonge kinderen in hun plaats tot kostwinners ma- | | | | ken. Een liefdadige jonge baron en vlijtig student vindt zo'n arm haveloos kind 's nachts uitgeput op straat, legt het in zijn bed, vertroetelt het en... laat het opvoeden en onderwijzen om er een ‘waarachtig mensch’ van te maken. Naast deze al te naieve geneeswijze van de maatschappelike ‘wonde’, verwacht hij heil van staatsinmenging, waarbij de ‘fabrikanten die met deernis neder zien op de ellende die hen omringt’, hem wel zullen helpen. Want behalve de onbarmhartige ouders is er nog een schuldige, de Concurrentie, volgens Cremer een ‘schoone waanzinnige vrouw’ die ‘boeleert met den gouddorst’. Ondanks Cremer's innig medelijden met de kleine slachtoffers, vervalt hij tot pathos en sentimentaliteit. Hij noemt Engeland, maar heeft op de nieuwe maatschappelike ontwikkeling niet de minste kijk. Terwijl de oudere Engelse sociale-romanschrijvers de industriële bourgeoisie fel aantasten, en hun egoïstiese ekonomiese leer als onchristelik verwerpen, richt Cremer zijn ‘bede, maar niet om geld’ tot de voorstanders van het ‘laisseraller’, die hij hoopt te vermurwen door hen bij voorbaat van alle mede-verantwoordelikheid vrij te pleiten.
Dat Cremer's talent niet op nieuwe wegen gekomen is, blijkt ten overvloede uit de zoetelike onnatuur van de latere ‘sociale’ novelle Wouter Linge (1861), een pleidooi voor de Maatschappij van Weldadigheid: een verarmd en verzwakt gezin trekt uit de hel van een Amsterdamse achterbuurt naar de hemel van een idylliese landarbeid op de Drentse hei. Vergelijk daarmee eens Asschen Kaatje van Van Koetsveld, die het wezen van deze officiële liefdadigheid zoveel beter doorziet. Ook hier is Cremer meer de opgewonden lofzanger voor een soort filantropie, waarvan het maatschappelik nut nu eenmaal een gemeenplaats is, dan de dichterlik-gevoelige waarnemer en wekker van het sociale geweten.
Zijn onvermogen komt het duidelikst aan het licht, wanneer hij, geprikkeld door de roem van de Engelse schrijvers, in Hanna de Freule een sociale roman in breder stijl wil schrijven. De botsing van kapitaal en arbeid - of juister, van zijn standpunt, de opstand van de arbeid tegen het kapitaal - is zijn onderwerp; de aanwijzing van een mogelike harmoniese verhouding is zijn doel. Om billik te blijven, moeten we bedenken, dat Cremer's fantasie niet kon steunen op Nederlandse werkelikheid: de tijd van grote werkstakingen was in 1873 nog verre39. In deze verontschuldiging ligt evenwel tevens een veroordeling. De sfeer van Cremer's verbeelding was te beperkt, zijn inzicht in de toekomstige maatschappelike ontwikkeling te gebrekkig, om in het buitenland te zoeken wat hier ontbrak. Hij kende alleen buitenlandse romàns. Daaruit nam hij wat hem aanstond en wat zijn publiek genieten en begrijpen kon, wanneer het op Nederlandse bodem overgeplant
| | | |
werd. Deze roman bracht mij de aardige vergelijking te binnen, die zijn vriend Keiler gebruikt om Cremer's vertelkunst te karakteriseren40: het is een kaleidoskoop, waarin velerlei gekleurde glaasjes wentelen: lila stukjes dorpsnovelle, zwarte stukjes bijgeloof, rode stukjes kinderleed door fabrieksarbeid, en daartussendoor buitenlandse figuurtjes uit sociale romans. Wie lust heeft de ‘motieven’ te vergelijken, zou in menige reminiscentie of opzettelike ontlening Cremer's verplichtingen aan Dickens en Mrs. Gaskell, en waarschijnlik aan Duitse en Franse auteurs kunnen opsporen41. De spanning is sterk melodramaties; een gelijktijdig beoordelaar noemde het niet ten onrechte ‘een zenuwachtig boek’42. Is het dan niets meer dan een knutselwerk van de schrijver, een tijdpassering voor de roman-verslindende lezer geweest? Al valt een uitvoerige ontleding buiten het bestek van deze voordracht, toch is in enkele hoofdtrekken wel aan te wijzen, hoe leerzaam dat boek is voor de denkwijze en de gevoelswereld van de schrijver en zijn publiek.
Bij de opzet van de roman stond Hard Times van Dickens hem voor de geest. Bounderby, de egoïstische parvenu-fabrikant, wordt verkleed tot de harteloze Degen. De kleuren zijn vergrofd tot een echte karikatuur: de rijke fabrikant komt bij voorkeur ten tonele met een ‘glimmende mond’ van de pas genoten smulpartij, en blijkt later de schurkachtige verleider geweest te zijn van Hanna's moeder. Voor Cremer kon zo'n man niet een geachte stand vertegen woordigen: zijn schoonzoon Bronsberg, de model-fabrikant naar Cremer's opvatting, staat dus naast hem. De slechte fabrikant krijgt zijn straf door een beroerte, als een arbeidersoproer dreigt; de goede herstelt de maatschappelike orde. Degen verkondigt de stelling: ‘Philanthropen en fabrikanten zijn geen vogels van dezelfde veeren’; Bronsberg overlaadt de ondankbare arbeiders met weldaden, door het volle loon uit te blijven betalen wanneer de fabriek verwoest is.
Ook de arbeidersfiguur bij Dickens, Stephen Blackpool, moest verdubbeld worden. Bij Cremer vinden we als zijn geestverwant: Abel, de gelovige, berustende arbeider, die zijn dochter Klaartje ziet sterven als slachtoffer van de fabriek. Maar daarnaast komt als Cremer's ideale arbeider de meer ‘verlichte’ Wouter Glover. Hij is de edele, moedige, zelfopofferende, die gloeit bij de aanschouwing van het onrecht, die de leider wordt van het verzet.
Zijn de toegevoegde figuren nu scheppingen van Cremer's verbeelding? Als we nauwkeuriger toezien, blijken ze eveneens weggelopen uit de Engelse sociale roman. De modelfabrikant en de ontwikkelde, voor zijn recht opkomende arbeider heeft Cremer waarschijnlik bij Mrs. Gaskell leren kennen. Er zijn tonelen die duidelik aan North and South herinneren. En hoe onwerke- | | | | lik staan die Engelse verbeeldingen in de toenmalige Nederlandse samenleving! Ze steken namelik af tegen de fabrieksbevolking, zoals Cremer zich die hier te lande voorstelt: door armoede gedegenereerd, door gebrek aan onderwijs en opvoeding dom en bijgelovig, door afgunst op de rijken en door verslaafdheid aan de drank licht vatbaar voor opruiïng. Voorlopig weet de aspirant-modelfabrikant met die ‘onmondige kinderen’ geen raad, en speelt hij de verlichte despoot, als hij door het ontslag van Glover ‘de geest van dreigend verzet’ wil breken. Zelfs eist hij eerbied voor de onmenselike Degen, die hij tegenover de arbeiders ‘je wettige heer’ noemt. Tegen het einde van de roman, als een overstroming de spanning moet helpen versterken, verloopt Bronsberg's heldenmoed geheel in melodramatiese onnatuur.
Nog onmogeliker is de figuur van Glover. Hij heeft geen onderwijs gehad en kan zelfs zijn naam niet schrijven. Toch houdt hij redevoeringen met welverzorgde, beeldrijke retoriek. Daardoor wil de schrijver te kennen geven dat zijn held even ontwikkeld als begaafd is. Waar hij dat alles vandaan heeft, blijft in die omgeving een raadsel. Diezelfde leider en welsprekende pleiter is tegelijk schrikbarend dom, als hij goedgelovig alles aanneemt wat de ontslagen, schurkachtige fabrieksbaas Binzer, een opruiende ‘duivel-souffleur’ - gelijk Cremer naïef zegt - hem op de mouw speldt. Ook Binzer is met al zijn duivelse list zelf de verpersoonlikte domheid43. Deze lichtgelovigheid van Glover was voor Cremer een noodzakelikheid. Immers, de revolutionaire stemming was tegenover Degen, de schurk, gerechtvaardigd, tegenover Bronsberg ongeoorloofd. De sympathie voor Glover kon alleen gered worden door hem het slachtoffer van misleiding te maken. Tot beter inzicht gekomen, kan hij zijn vroegere meester, ten onrechte van allerlei slechts verdacht, berouwvol de hand drukken. En die handdruk wordt voor Cremer, verliefd op dergelijke symboliek, een klassenverzoening. ‘Kom aan Glover, 't is goed dat de arbeid en 't kapitaal elkaar de hand eens geven’44. In het bezit van een lieve vrouw en een vaste betrekking voelt Glover zich dan, na zijn revolutionaire vergissing, volkomen tevreden.
Op het verschillend standpunt van Cremer en Dickens tegenover het industriële vraagstuk hebben wel al gewezen: Cremer kiest allerminst partij tegen de liberale ekonomie, die Dickens bestrijdt. Sterker is het verschil tussen Cremer en Mrs. Gaskell. De vergelijking van een paar taferelen kan dat verduideliken. In Hanna de Freule en North and South beide vinden we een jonge teringlijdster, vermoord door het katoenstof in de spinnerij. In de Engelse roman wordt de predikantsdochter Margaret aan dat ziekbed gekweld door sociale wroeging, als ze haar lot vergelijkt met dat van het arme slachtoffer; in de Nederlandse roman krijgt de fabrikantsdochter Nelly, die een
| | | |
liefdadigheidsbezoek in dat armoedige, maar gelovig-tevreden gezin brengt, ‘een kalm, ja zelfs een dankbaar gevoel’45. Treffender is de tegenstelling van de werkstakingsonlusten, blijkbaar door Cremer aan Mrs Gaskell ontleend. Bij de Engelse schrijfster staan we midden in de werkelikheid: de fabrikant Carson zal de staking breken; arme Ieren zijn aangevoerd en nemen de plaatsen van de stakers in. Als ‘onderkruipers’ achtervolgd, worden ze in de fabriek gehuisvest. Een verbitterde menigte verzamelt zich voor het buiten van de fabrikant, die op het bordes de stakers tegemoet treedt, vertrouwende op de aanrukkende soldaten. Eén enkele steen worp kan de spanning breken. En als werkelik de noodlottige uitbarsting zal komen, wordt Carson gered, doordat Margaret hem met haar lichaam dekt. Bij Cremer redt Hanna de Freule de fabrikant Bronsberg op dezelfde wijze. Maar hoe puilt de melodramatiese onnatuur aan alle kanten uit! In plaats van een tot woede en wanhoop gedreven menigte, een dronken, joelende en scheldende troep, door vrouwen aangevoerd, die met hun welbespraaktheid een langdurige ruzie maken. Aan levensgevaar geloven we ternauwernood46. Opnieuw zien we, dat Cremer, door zijn voorstelling van Nederlandse stakingsopstootjes onder te schuiven, de Engelse werkelikheid tot een parodie vervormt. Over de hoofdpersoon, Hanna, waarin de onnatuur het toppunt bereikt, kunnen we hier zwijgen.
Dat Cremer niet te gast gaat bij Disraeli en Kingsley, al kent hij wellicht hun sociale romans47, zal u, na de gegeven karakteristiek niet verwonderen. Voor de wrede werkelikheid en de anti-liberale strekking van de politicus heeft hij niets gevoeld; ook bij Kingsley kan hij weinig van zijn gading gevonden hebben. Tekenend voor Cremer is, dat hij de predikant van het dorp in de schaduw, en buiten de staking laat: hij mag alleen even voor den dag komen om de liefdegaven van Bronsberg anoniem aan het huis van Abel te bezorgen.
De Engelse interventionnistiese denkbeelden van rondom 1850 werden dus bij Cremer vertroebeld door zijn liberaal konservatisme48, en aangelengd met het sausje van zijn zoetelike romantiek. Toch konden ze hier te lande juist toen, in een tijd van opkomend radikalisme49, door gemoedsvertedering een sociale faktor worden. Een geestdriftig beoordelaar, Aart Admiraal, prijst dit ‘mooie boek’, omdat het de geneesmiddelen aan wijst’: ‘met zulke Nederlanders in de voorhoede komen wij tot het bewustzijn van hetgeen ons nog ontbreekt’50.
Als dezelfde criticus Cremer noemt ‘den tooverachtigen bloemist onzer samenleving, den dichterlijksten onzer jongere romanschrijvers’, dan zijn we geneigd aan die karakteristiek een ironiese uitleg te geven: juist die ‘dichter- | | | | lijkheid’ is de oorzaak dat uit de zwoele broeikas van Cremer's romantiek geen kunst van betekenis kon voortkomen, omdat door hem en de meeste tijdgenoten, in proza als in poëzie, het dichterlike gezocht werd in het kleed van retoriek, waarmee de werkelikheid omhangen en verhuld werd.
Ongeveer gelijktijdig met Cremer schreef Keller, de oude vriend en bondgenoot, zijn ‘sociale roman.’ Gedérailleerd (1873). Als litterair werk heeft dit boek de vergetelheid volkomen verdiend; als tegenhanger van Cremer's roman is het een merkwaardig dokument. De smaak van de schrijver en het publiek dat zijn knutselwerk genoot, staat op laag peil51. 't Is niet eens een kaleidoskoop, met kleurige verrassingen, maar een poppenkastvertoning. Cremer weet nog te bekoren door schilderachtige détails, te boeien door spannende vertelkunst uit de school van Van Lennep; ook waar hij zich opwindt tot retoriese uiting, blijft hij in zijn verhaal. Keller geeft koel verstandswerk: een legkaart van traditioneel-pakkende romanmotieven: een levensredding is maar een kleinigheid; er moet liefst een adder bij komen die onverwacht een maagdelike boezem bedreigt; een verlopen baron, een half-krankzinnige zonderling, een heel krankzinnige onderwijzer, opruiers met en zonder rode vesten vertonen hun kunsten als er aan de touwtjes getrokken wordt. Aan het eind weet de schrijver geen raad meer met zijn poppen: zijn verhaal verloopt in een komplete draak. Zelfs de naïefste lezer kan er niet meer in geloven. Als nu de werkstaking bij Keller niets meer was als romandekoratief, de fabrikanten en arbeiders niets meer als wezenloze romanpoppen, dan konden we zijn boek veilig buiten de kring van de ‘sociale’ romans sluiten. Maar juist in de behandeling van het sociale vraagstuk heeft Keller het zwaartepunt willen leggen. Zijn nuchterheid stelt hij tegenover Cremer's idealisme: zijn boek wordt een protest van de liberale verstandelikheid tegen de sentimentaliteit van het interventionnisme. De fabrikant naar zijn hart is Van Brander, de ontwikkelde en energieke liberaal. Hij houdt er een grote bibliotheek op na, waar hij in Malthus en Cobden studeert. Hij is niet ongevoelig voor het lot van de werkman, maar handhaaft krachtig het autokraties gezag van de meester. Op de adel - in dit boek vertegenwoordigd door een verlopen, drankzuchtige vader, een monomane zoon en een zedelik diep gevallen dochter! - ziet hij neer: ‘Wij kennen geen baronnen meer, wij geven dien titel nog uit beleefdheid.’ Van zijn werkvolk spreekt hij smalend als de ‘heeren arbeiders’, en wanneer ze oproerig worden stelt hij de zuivere machtskwestie. Tegenover de arbeiders laat hij het volle gewicht voelen van zijn maatschappelike meerderheid en braafheid, maar zelf bedriegt hij zijn vrouw, en tracht hij een bevriende rechter van instruktie over te halen om
| | | |
hem kompromitterende stukken af te staan. Zelf is hij ongelovig, maar het geloof acht hij goed genoeg om zijn werkvolk in bedwang te houden. In een gesprek over de staking zegt hij, zo cynies mogelik, tegen de predikant Lessing: ‘Gij moet er eens achter zitten met de eeuwige verdoemenis en dergelijke begrippen, anders zie ik geen ander middel dan den honger’52.
Naast Van Brander staat zijn zuster Bertha, de idealiste, die een model-fabriek heeft ingericht. ‘Hare fabriek had daardoor half het karakter dat haar eigen moest zijn, half dat van eene instelling van liefdadigheid.’ Het zou op zich zelf een onschuldige liefhebberij zijn, want Bertha heeft geld genoeg, maar met reden protesteren de andere fabrikanten, want zij betalen ‘in overeenstemming met de krachten hunner arbeiders’, en zien nu met leedwezen dat hun volk ontevreden wordt gemaakt door de beweldadigde arbeiders van de modelfabriek.
Bij de schildering van de arbeiders heeft Keiler alle sentimentaliteit verbannen: men voelt daarin de huivering van de konservatieve burgerij, de angst voor de schrikbeelden van 187053. De oproerige stemming was aangewakkerd door vlugschriften en kranten, maar vooral gewetenloze ‘woelgeesten’, die uit eigenbelang stoken, zijn de schuldigen. De onnozele baron, die zich op Van Brander wreken wil, wordt opeens arbeidersleider, en de nog onnozeler arbeiders geloven hem dadelik. De woordvoerders uit hun eigen midden zijn bedriegers, die de kas bestelen. Uit wantrouwen tegen de ‘fijnen’ maakt deze liberale schrijver van de laffe, bedrieglike voorzitter een ‘Afgescheidene’, met een witte das, die met het rode vest van de vertegenwoordiger der Internationale een zonderling kontrast vormt. Alleen de afkeer van de auteur brengt hen beiden met de verlopen baron samen in het kamp, waar men tegen de bourgeoisie, en dus tegen de vooruitgang, samenspant.
Zo ziet men de ernst achter de karikatuur! Zonderling en onmogelik is ook de figuur van de orthodoxe predikant. Bij Cremer blijft de dominee buiten spel: hij houdt meer van lekepredikers. Bij Keller is de dominee een man van de wereld, intiem bevriend met de atheïstiese fabrikant, later nog intiemer met zijn rijke zuster. Als hij haar hand en haar fortuin verworven heeft, blijkt hij plotseling, zonder dat de lezer er iets van merkt, tot haar overtuigingen bekeerd, en vindt hij het veel verstandiger fabrikant te worden dan ‘op gezette tijden teksten te behandelen’. Als predikant bewijst hij Van Brander goede diensten door het stakingsplan te verraden en na de uitbarsting van de staking er tegen te preken. Wel pleit hij bij zijn vriend voor loonsverhoging, maar hij wijkt gaarne voor de onweerlegbare liberale theorieën van de fabrikant. Dat deze deftig redenerende meneer werkelik gelovig is, wordt ons nergens aan- | | | | nemelik gemaakt. Om het innerlik leven bekommert de schrijver zich trouwens niet veel: het spelen van hun rol is voor zijn mensen het voornaamste op het wereldtoneel. Ons was het voornamelik om de achtergrond te doen: de verhouding van de auteur tot de werkelikheid. En daar zien we de waanwijze ‘verlichting’ van een gegoede burgerij in haar verheerliking van de nuchtere zakenman die het ver brengt in de wereld, in haar bespotten van idealisme en geloof, in haar geringschatting van al wat buiten en boven de eigen sfeer ligt; kortom het nuchter konservatieve, dogmaties geworden liberalisme op z'n smalst. Zien we van hier uit terug op Cremer, dan is zijn pathos - waar tenminste een teer gemoed uit spreekt - ons liever dan deze doodse verstandelikheid.
Deze beide boeken geven ons dus een volledig beeld van de liberaal burgerlike levensbeschouwing, gezien vanuit de beide polen: het gevoel en het verstand. De vergelijking verduidelikt ons de betekenis en de weldadigmorele invloed van Cremer's pleidooien, die wij, van onze tijd uit gezien - om de innerlike zwakte - geneigd zijn te onderschatten.
Binnen het bestek van één voordracht moest ik mij beperken tot het midden van de eeuw. Het zou interessant zijn, de lijnen verder te trekken. Tegen het einde van de eeuw zien we hier te lande dezelfde groot-industriële verhoudingen, dezelfde botsingen, waaruit een halve eeuw vroeger in Engeland de interventionnistiese roman voortkwam. Maar ondertussen is de Engelse invloed opzij gedrongen door de machtige stroom van het Franse naturalisme. Een jonger schrijversgeslacht komt tot een heel andere kijk op de ontwikkeling en de verhoudingen in de maatschappij. Het gist aan alle kanten. De kentering in de ideeën, in de taalbehandeling, in de keuze van de stof, lijkt soms op een omwenteling. Lees b.v. na het werkstakingstafreel bij Cremer, de eerste hoofdstukken van de Gelukkige Familie bij Robbers: de typografenstaking, en het is u of ge uit een derde-rangs-schouwburg met Bengaals-vuur-effekten in het nuchtere daglicht komt. De uitgesproken tendenz werd door de naturalistiese theorie veroordeeld, maar de moderne roman staat zo zeer midden in het leven van onze tijd, dat hij als sociaal produkt en als sociale faktor aandacht en studie verdient. Daarbij zou opnieuw rekening te houden zijn met de kruising van het uitheemse en het inheemse.
Hadden we de lijnen zover doorgetrokken, dan zou in het vorige tijdperk Multatuli's optreden en betekenis scherp uit moeten komen, niet zozeer om Max Havelaar - in zekere zin ook een sociale roman - als om zijn vlijmende kritiek op de theorie en de praktijk van de liberale staathuishoudkunde. Als boetprediker is hij een late Nederlandse Carlyle54. Leg zijn bekende idee (II,
| | | |
53) van 1864 naast de bijna gelijktijdige Fabriekskinderen van Cremer, en hoor die echt-hartstochtelike toon naast dat soms wee makende pathos. Geen wonder dat Multatuli de ware sociale wroeging wekte. Maar Multatuli gaf revolutionaire, Cremer strelend-weke stemmingen. Daarom werd de eerste verketterd of vergood, de laatste gemoedelik aangehoord. Multatuli's maatschappijbeschouwing was evenwel, in tegenstelling met die van Carlyle, te zeer onmaatschappelik, zijn kritiek te weinig positief, om een uitgangspunt te worden voor interventionnistiese romankunst. Daarom konden wij hem in onze voorafgaande beschouwingen terzijde laten, terwijl hij voorop zou moeten staan, als we de krities-sociale onderstroming van het naturalisme wilden volgen.
De Nederlandse letterkundige produkten die we achtereenvolgens beschouwden en vergeleken, laten dus grotendeels een indruk na van nationale achterlikheid. Was dit onderwerp dan wel gelukkig gekozen, als inleiding van mijn lessen, waarin ik belangstelling wil wekken en tot studie prikkelen? Ik hoop u overtuigd te hebben dat juist de kennis en de ontleding van de populaire geschriften in een bepaald tijdperk zeer nuttig is om de algemene geestelike en litteraire achtergrond te leren zien, waaruit het betere voortkomt en waartegen het afsteekt. En bovendien: dat vergelijking, ook van het beste, met de buitenlandse letterkunde, voor overschatting kan bewaren. Chauvinisme is een slechte raadgever. Echte historiese belangstelling wil de voorafgaande schrijversgeslachten - schakels in een ontwikkelingsreeks waaruit ons Heden verklaard moet worden - ook in hun zwak begrijpen. De litteratuurgeschiedenis is geen toonkast van beroemdheden. Maar die historiese belangstelling sluit een schifting van het belangrijke en het onbeduidende niet buiten. Ik behoef u nauweliks te zeggen dat ik mij allerminst verenigen kan met de kritiekloze geringschatting van de gehele negentiende-eeuwse litteratuur vóór 1880, waartoe vooral napraters van sommige Tachtigers aanleiding gaven55. De verdienstelike behandeling van de negentiende eeuw in Kalff's Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde heeft de grondslag gelegd voor een breder studie dan aan dit tijdvak tot nu toe ten deel viel. Menige studie uit de laatste jaren toonde reeds vernieuwde belangstelling. Door mijn lessen hoop ik er het mijne toe bij te dragen om die studie te bevorderen.
|
1Van het eerstgenoemde boek gebruikte ik de tweede editie (Paris - Société Nouvelle de Librairie et d'édition - 1904). De studie van Charles Brun verscheen in de Etudes économiques et sociales X (Paris - V. Giard et E. Brière - 1910). In het laatste boek is de wederzijdse verhouding van literatuur en samenleving breedvoerig behandeld, onder aanhaling van tal van meningen over dit onderwerp.
2Dat blijkt vooral uit het tweede gedeelte van Brun's boek, waar hij afzonderlike hoofdstukken wijdt aan l'évolution de la femme, le prêtre, la politique et la magistrature, les foules, le régionalisme, l'exotisme dans le Roman. - In dezelfde richting ging de studie van de gebroeders Marius - Ary Leblond over La société française sous la troisième République d'après les romanciers contemporains (Paris - Félix Alcan - 1905).
3Zo noemde hem Ruskin (‘a dramatic perfection, instead of a characteristic example of an honest workman’) in Unto this Last (Tauchnitz-editie, blz. 26), waar overigens Dickens om dit boek geprezen wordt.
4In het boek van Hellmuth Mielke, Der Deutsche Roman des 19. Jahrhunderts3 wordt gewezen op de grote invloed van Dickens en Sue op de Duitse roman (blz. 140 vlg.). Of de ‘sociale romans’ van R. Prutz, b.v. Engelchen (1851) (zie H. Mielke, blz. 243) hier te lande indruk maakten, heb ik niet kunnen nagaan. Wel werd in de volgende periode Spielhagen gelezen, die in zijn sociale roman In Reih und Glied (1866) het industriële vraagstuk behandelt en ‘die Solidarität der menschlichen Interessen’ bepleit. (Mielke, blz. 296). Dat bleek mij uit de bespreking van Hanna de Freule door Aart Admiraal ( Nederland 1873 II, 182), die het slot van dit boek vergelijkt en achterstelt bij een dergelijke oplossing in In Reih und Glied: daar wordt nl. de fabriek door de arbeiders vernield. Of Cremer de roman van Spielhagen gekend heeft, heb ik niet kunnen nagaan.
5Van deze ‘liberalen van den ouden stempel’ tekent Van Koetsveld een paar aardige typen, twee autoriteiten: de burgemeester en de schoolmeester. Burgemeester Zonneveld ( Godsdienstige en Zedelijke Novellen, derde verzameling I) is de liberaal ‘die op zekere oppervlakkig-philanthropische wijsbegeerte daar heen zweefde, en, een aartsvijand van alle her komst en vooroordeel, uit verstandelijke redenering eene nieuwe wereld wilde opbouwen.’ De liberale schoolmeester vindt men in dezelfde bundel (blz. 148-149): ‘hij acht zich zelf iemand van den nieuweren tijd, liberaal als de Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen, en populair als de nog altijd vigerende of niet vigerende oude schoolwet. Deze heeft volstrekt geen denkbeeld van eene andere liberaliteit of populariteit’. - ‘Hij heeft geen denkbeeld dat er na deze eeuw nog een andere komen kan, die anders, geheel anders, en toch niet slechter wezen zou. Hij heeft zijnen tijd bijgeboekt tot aan de afscheiding en de afschaffing toe.’ De eerste acht hij ‘eene schreeuwende ondankbaarheid van al te zeer beweldadigde kinderen’, de tweede ‘een overdrijving, waaraan het bezadigde Nut zich nooit zou bezondigd hebben’.
6Denk aan de bekende plaats en zijn eerste grote Tijdzang ( Vijf en twintig jaren) waar hij ‘de ongelijke drukking van 't machtig raderwerk’ in haar uitwerking beschrijft: hier weelde ontwassen aan zichzelf
... dáár
‘gemor bij d'arbeid die geen brood geeft jokdierbanden
geworpen om den hals van vrijen, waar de wanden
van hitte blaakren dag en nacht, en eeuwge rook
de steden zwart verwt, en de ziel verstikt in smook.’
En daarnaast de regels uit de Tijdzang 1648-1848:
Toenaadring eischt Gods orde en dezer tijden nood
Toenaadring... van arm en rijk, van standen en belangen.
7Wat in deze bladzijde slechts aangeduid kon worden, vindt men uitgewerkt in mijn studie over Potgieter en het Liberalisme ( Letterk. Stud. Groningen - J.B. Wolters - 1910).
8Cazamian (a.w. blz. 70) wijst er op, dat Scott de lof zuigt van ‘l'ancienne société hiérarchisée’, waarin iedere stand zijn plaats wist en behield. Dat kwam dus in de lijn van de konservatieve maatschappijbeschouwing van auteurs als De Neufville, Van Lennep en de jonge Beets.
9Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde VII, blz. 326.
10In zijn bekend opstel Kopieerlust des dagelijkschen levens ( Kritische Studiën I).
11Kritische Studiën II, 72: Schetsen uit de Pastorij te Mastland.
12Zie b.v. zijn ongunstig oordeel over Amsterdamse patriciërs in Salmagundi ( Studiën en Schetsen I, 352) en in datzelfde stuk (blz. 321-322) zijn eerbied voor eerlik verworven fortuinen: een ‘volk van winkeliers’ is voor hem een eretitel.
13b.v. de aanhaling van ‘een uitheemsch vernuft’ in de studie over Huygens' Cluyswerck ( Krit. stud. II, 26-27). Vergelijk daarmee een bekende plaats uit 't Is maar een pennelikker, over het ‘jammer onzer handelseeuw’.
14Deze mening over Dickens vindt men in het bovengenoemde Salmagundi ( Studiën en Schetsen I, 286).
15Zie hetzelfde opstel, blz. 297.
16Dit opstel, van 1864, werd herdrukt in deel II van de Liter. Phant. en Kritieken.
17In de Pastorij te Mastland: ‘Romanschrijver ben ik niet, noch dichter, noch schilder; eenvoudig predikant, meer niet.’ In de Voorrede van de Godsdienstige en Zedelijke Novellen I(1847): ‘Ik heb telkens eene godsdienstige of nuttige gedachte ingekleed.’ - ‘Mijn doel zal ik eerst bereikt hebben, wanneer christelijke wijsheid en godzaligheid, geloof hoop en liefde, onder den zegen des hemels, door deze vlugtige lektuur wordt aangekweekt.’
In de Voorrede van de Tweede verzameling (1850) zegt hij nadrukkelik, dat hij de wens om schrijver te worden heeft gesmoord, om allereerst zijn roeping als spreker voor de christelike gemeente te volgen. - In de Voorrede van Fantasie en Waarheid (1863): ‘Niet de werkelijkheid der feiten evenwel, maar de zedelijke waarheid, die ons de diepten van 't menschelijk leven leert peilen, schat ik het hoogst.’ In de Voorrede van Ideaal em Werkelijkheid (1868): de taak van de Novellist is ‘een schilderen met woorden en beelden, ook tot een hooger, godsdienstig en zedelijk doel.’ Hij moet meer zijn dan ‘leverancier in tijdverdrijf.’
Rechtstreeks tegen Huet's kritiek gericht zijn de woorden: ‘En zoo kan ik 't dan ook volstrekt niet als een gebrek erkennen, wanneer men op de grond mijner Novellen dezelfde beginselen terug vindt, die mijne Evangelie-prediking beheerschen.’ Dat de kritiek hem onaangenaam was, blijkt uit het slot van een verhaal in deze bundel (blz. 84): ‘Kijk, kijk! al weder de dominé. Een preek en eene toepassing! En Busken Huet heeft 't hem nog zoo goed gezeid.’ ‘Vergeef mij... en neem mij zoo als ik ben: boven de vijftig verandert men niet zoo gemakkelijk meer!’
18Deze tekenende uitdrukking gebruikt hij zelf, in Godsd. en Zedel. Nov. III 2, blz. 247. Ook het beeld van de Camera is van hem: ‘Soms ook vormen vele photographische portretten ééne type ( Fant. en Waarheid, Voorrede, blz. VI).
19De schoone onbekende. Een tooneel uit de achterbuurt ( Godsd. en Zedel. Nov. III, 246). De schrijver laat nog volgen: ‘De kleuren zijn niet op 't doek gelegd om huivering of walging te wekken. Neen! ik ik wenschte goud te wasschen uit den modder en drab der mensche lijke zamenleving.’
20Als inleiding van een achterbuurtschets Eene ontmoeting ( Godsd. en Zedel. Nov. III, 59) zegt hij: ‘De post van den Evangelie-dienaar is reeds daarom belangrijk, omdat zijn stand tot die bevoorregte in de maatschappij behoort, waar in men zeker regt heeft, om het raderwerk der menschelijke zamenleving te doorzoeken, terwijl anderen voor de wijzerplaat moeten blijven staan, en alleen zien, hoe laat het is.’
21De ‘kommunist’ als bedriegelik opruier vinden we als ‘mijnheer Bossaert’ in Klaas de Landverhuizer, kort na het revolutiejaar 1848 geschreven ( Godsd. en Zedel. Nov. III). Hij kolporteert met de ‘Nachtblaker’ voor een kleinsteedse koperslagerij; een oproerlied uit dat blad horen we op de straat uitgalmen door een troep dronkaards en leeglopers. - Het kommunisme als een romaneske droom van een jong meisje (Adèle), als Utopie bij de notaris Kromstra - die beiden genezen worden! - in De schoone onbekende ( Godsd. en Zedel. Nov. III). Aan het slot wordt de leer verkondigd dat de standen gescheiden zijn door ‘de ordinantie Gods, die niemand mag, nog ook straffeloos kan weerstaan.’ Schep dus geen denkbeeldige wereld, maar kweek huiselike zin en geloof.
22Oudejaarsavond2 blz. 252: ‘Maar neen, wij willen de natuur niet te naakt afschilderen. Deze of gene, die nimmer gevoeld heeft en nimmer denkt te gevoelen, wat armoede is mogt misschien hart en hand voor haar sluiten; den arme veroordeelen, omdat hij niet is, gelijk hij op het velijn papier van een' roman wordt beschreven, gelijk hij op het keurige steen drukplaatje van een lief kinderwerkje staat afgebeeld!’
In de schetsen ‘uit het werkelijke leven’, De laatste klokslag, waarin deze woorden voor komen, vindt men, grover dan in het latere werk, maar geheel in de trant van Dickens, de scherpe tegenstelling tussen de vrome Armoede en het ongodsdienstige Genot van de rijke.
Het realisme in de taalweergave - dat Huet al te ver ging - is eveneens getemperd, veel meer dan b.v. bij Hildebrand. In de achterbuurtschets van 1849 zegt de auteur b.v. Zij ‘kleedde haar verhaal zoo veel mogelijk in den platten volkstoon, die ik, in haar en anderen, niet meer dan tot de karakteristiek van 't verhaal noodig is, laat uitkomen.’ En even later: ‘Als wij (die uitroepingen) een weinig van het slijk der straten reinigen, klinken zij-...’
23Wat een moeder vermag ( Ideaal en Werkelijkheid, blz. 260). Vgl. Mijne Topsy ( Fantasie en Waarheid II, 241).
24In ware Armen ( Godsd. en Zedel. Nov. II). En later opnieuw in Philanthropie en Menschenliefde ( Ideaal en Werkelijkheid, blz. 61).
26Schetsen en Verhalen III, blz. 137.
27Snippers van de schrijftafel, beoordeeld in 1852 ( Kritische Studiën II, 349). Aan het slot vergelijkt hij de beperktheid van Van Koetsveld met de ‘veelzijdige ontwikkeling’ van Hawthorne. Maar die had dan ook de invloed ondervonden van Emerson, en de omgang genoten van mannen als Thoreau en Longfellow! Geen wonder dat zijn scheppingen een ‘frisch, oorspronkelijk waas’ hebben, dat men in de Hollandse kunst vergeefs zoekt.
28In een artikel Blikken in de Werkelijkheid ( De Gids 1853 I, 83), waarin enige sinds lang vergeten boeken breedvoerig besproken worden.
29In een brief van 31 Maart 1857, onlangs afgedrukt in De Gids (Sept. 1912, blz. 566). Na 1870 gaf Potgieter haar de raad, een onderwerp uit het hedendaagse leven te kiezen.
30Het gezin van Baas van Ommeren werd zeer scherp veroordeeld door Busken Huet ( Liter. Phant. en Kritieken XV).
31Herman Robbens in de biografie van H.J. Schimmel ( Mannen van Beteekenis XXXVIII; 1907), blz. 4. Zeer juist is hier opgemerkt dat bij de idealisering van het voorgeslacht vaak een opwinding kwam, die tot pathos en retoriek leidde.
32Busken Huet's karakteristiek van de ‘burgerlike roman’ vindt men als inleiding bij zijn scherpe kritiek op Schimmel's mislukte roman Het gezin van Baas van Ommeren ( Lit. Phant. en Krit. XV, 95). Hij voegt er aan toe: in die roman wordt de derde stand opgevat, ‘eenerzijds als de zegevierende plaatsvervangster van het ancien régime, aan den anderen kant als de onzigtbare standaard van ontwikkeling waartoe de misdeelde volksklasse zich heeft op te heffen.’ Dit laatste is inderdaad een Potgieteriaans idee. Maar pogingen als die van Schimmel om dit idee te belichamen in romanvorm geven aan het nageslacht alleen ‘de maatstaf onzer bekrompenheid in handen.’ In Schimmel's tekening ziet men bij de hogere standen verstandelike en zedelike ontaarding; bij de eigenlik gezegde volksklasse verdierliking (Huet, blz. 101). Een aardige parallel dus van de maatschappij-beschouwing in Keller's sociale roman!
Dat Schimmel zelf de ‘gegoede middenstand’ het aangewezen terrein achtte voor de burgerlike 10man, blijkt uit zijn beoordeling van Klaasje Zevenster: Een Nederlandsche Zedenroman, in De Gids 1866, blz. 520: ‘Zou de schets volledig kunnen heeten, waar de kern eener natie en vooral van de onze, de bourgeoisie, de min of meer gegoede middenstand, wij eischen niet in al zijne schakeeringen, maar zelfs niet in één type wordt gekarakteriseerd; waar slechts twee standen - en deze met verrassende uitvoerigheid - de aristokratie en het gemeen, worden ten toon gesteld?’
33Zie o.a. Huet's opstel over De familie Schaffels van J. Gram (1870) in Lit. Phant. en Krit. XV, 67. Zulke romans, zegt Huet, leest men ‘om met de wijze van denken en gevoelen van tijdgenooten bekend te worden.’ De metselaarszoon Herman Meerkamp, een ‘kind der eeuw’ wordt een karikatuur genoemd van het kind uit het volk, dat door ‘eigen geestkracht’ omhoog komt. Hij wil alleen rijzen uit ijdelheid, is kinderlik blij met zijn akademiese bul, maar blijkt ‘met het leed en de gebreken van den stand waaruit hij voortkomt onbekend.’ Fortuin maken is voor hem de hoofdzaak. Huet vergelijkt deze figuur met de radikaal Felix Holt in G. Eliot's bekende roman.
34Het bundeltje werd uitgegeven als tweede deeltje van de Guldenseditie, bij D.A. Thieme te Arnhem. Een Winternacht (dat ƒ125 opbracht) geeft al dadelik de tegenstelling van brave armoede, met veel effektbejag, en egoïsties rijkeluisgenot. Ook De predikantsdochter is een typiese liefdadigheidsnovelle.
35‘In hem bezitten we een Dickens’ zegt Aart Admiraal ( Nederland 1873 II). En Hanna de Freule vergelijkend met Hard Times: ‘In sommige opzichten kan het een vergelijking met Dickens' Hard Times doorstaan, in enkele opzichten overtreft het dit boek.’ - Dat de tijdgenoten Cremer voor een groot schrijver hielden, blijkt nog in 1881 uit de woorden van H. de Veer ( Mannen van Beteekenis): ‘In de Letterkunde onzer dagen zal zijn naam met groote letters prijken.’ - Huet's oordeel vindt men in zijn studie over de Dorpsnovelle ( Liter. Phant. en Kritieken IX).
36Vergelijk de interessante en diep-gaande studie van Frans Coenen over Dickens en de Romantiek (uitgegeven in de Wereld-Bibliotheek).
37Van Huet is de juiste opmerking dat de lektuur van Dickens ‘ten koste der waarheid, eene fantastische levensbeschouwing kweekt’, en ‘dat elke poging tot navolging zichzelt aanstonds verraadt en straft.’ Aan Cremer's lust in toneelspelen dachten we, bij deze woorden uit hetzelfde artikel: ‘Dickens is te zeer geboren tooneelspeler om naïef te kunnen zijn’ ( Dickens in Liter. Phant. en Kritieken IV, 76). Uit dit artikel is ook het citaat op blz. 152.
38Dat het idylliese optimisme van Cremer school maakte, blijkt o.a. bij Ising. In een schets Op den drempel, van 1860 (opgenomen in de Verhalen en Schetsen I) schetst hij ons de thuiskomst van een arbeider uit de fabriek. Vrouw en kinderen ontvangen hem hartelik in de armoedige kamer: ‘Ware een koning(!) in zijn plaats gekomen, het zou een grievende teleurstelling zijn geweest.’ En als een denkbeeldige lezer dit een ‘afgezaagde historie noemt.’, en vraagt wat er gebeuren zal als er eens vier kinderen bij komen, dan klinkt het:
‘Zwijg pessimist! Alsof niet juist het edele, verheffende gevoel, dat thans het hart van dien t'huis komenden vader doorstroomt, hem in dagen van beproeving kracht zou geven om te dulden en te strijden.’...
‘Och, de wereld is nog zoo slecht niet en het leven niet zoo ellendig of men kan, als men zijn plicht doet, al is men dan ook een werkman, het hoofd wel boven water houden!’
Natuurlijk kan er ziekte komen.. Maar dan rekenen wij er op ‘dat gij het eerst dien donkeren trap zult opsnellen en het uwe doen om het gebrek te verjagen’.
Kwam deze schets ons in handen zonder naam en jaartal, dan zouden we geneigd zijn, die ± 1825 te stellen, en niet licht nà de Gidsbeweging!
39Blok ( Geschiedenis van het Nederlandsche Volk VIII, 214) spreekt over ‘de geringe belangstelling, die bij de hollandsche werklieden getoond werd tijdens de stakingsoproertjes in Twente in den nazomer van 1872’, waaruit bleek dat er ‘van een eigenlijk nationale (arbeiders)-beweging weinig sprake was.’ Heeft Cremer daarin wellicht aanleiding gevonden tot het schrijven van zijn roman? Vliegen ( De Dageraad der Volksbevrijding) zegt dat vóór 1888 ‘werkstakingen zeldzaam waren in Nederland’. Eerst bij de weversstaking te Almeloo in 1888 zien we inmenging van het Sociaal Weekblad en mannen als Van Marken, ten gunste van de stakers.
40In zijn Gidsartikel Jacob Jan Cremer. Een woord van herinnering (1881 IV).
41In het reeds genoemde artikel wijst Aart Admiraal er op, dat de Joodse uitdrager Elie herinnert aan Spindler's jood, die zijn dochter lief heeft, gelijk Elie Hanna. Over de parallel met Spielhagen's In Reih und Glied, zie aant. 4.
42J.A.S(illem) in De Gids 1873 II, 191: ‘Men denkt een levensbeschrijving te lezen van de arme vondelinge... onderwijl krijgt men een économie en action, met de moraal: geen werkstaking!’ Deze criticus acht het een bewijs van Cremer's talent, dat hij de tendenz zoo goed verbergt, maar de voorstelling der werkelikheid is verwrongen.
Omgekeerd zegt Keller, in het bovengenoemde artikel, dat Hanna de Freule geen bepaalde tendenz had. De industriële toestanden moesten alleen dienen als achtergrond voor een ‘boeiend’ boek. In de Economist zocht ik vergeefs een bespreking: de ekonomen hebben deze romantiese konkurrent niet au sérieux genomen. Eigenaardig is, dat er ook geen konservatieve-liberale kritiek schijnt geweest te zijn, die Cremer om zijn radikalisme op de vingers tikte. Daarin bleef dus Keller's roman alleen staan.
43Het onedele is dan ook, voor Cremer, in de grond domheid. Zie het slot van Hoofdst. 41: ‘Of 't altijd zoo klaar mocht wezen dat al, wat onedel en laag en onrein is, in 't einde zal blijken domheid te zijn, ontzettende domheid.’ Bronsberg's overtuiging is dan ook ‘dat geld en altijd meer geld, den arbeider niet zal baten op den duur.’ Kennis hebben ze nodig. Ook Hanna zou zich ‘gelukkig en tevreden voelen door opvoeding en onderwijs’ (Hs. 36). Als tegenstelling is het ‘bijgeloof’ van Glover's moeder bedoeld.
44Tegen het einde van Hoofdstuk 57.
45Vgl. Cap. XIII van North and South met Hoofdstuk 16 van Cremer's roman. Na het boven gezegde is het begrijpelik, dat Cremer meer ingenomen was met deze latere roman van Mrs. Gaskell dan met het revolutionaire Mary Barton.
46Vgl. Cap. XXVII van North and South met Hoofdstuk 38-39 van Cremer's roman.
47Kingsley werd al vroeg in vertaling bekend gemaakt door M.P. Lindo. In 1855 verscheen Gist, Een Vraagstuk; in 1858 Twee jaren geleden. Opmerkelik is dat hij Alton Locke niet vertaalde. Of was een ander hem vóór geweest? Over de bekendheid van Disraeli's romans hier te lande heb ik niets gevonden.
48Ten overvloede blijkt dat duidelik uit de merkwaardige Brief van Jan Stukadoor, metselaar, onder toezicht gesteld van zijn neef den hulponderwijzer B., gericht ‘aan alle Nederlandsche werklieden, leden en geen-leden der Internationale’, van het jaar 1871.
49Daarbij mag niet vergeten worden, dat de radikale stromingen zich toen nog in een zeer beperkte kring vertoonden. In De Gids van omstreeks 1870 zien we nieuw en oud vreedzaam naast, of onharmonies door elkaar. De mening Van Blok ( Geschiedenis van het Nederlandsche Volk VIII, 216): ‘Zoo was omstreeks 1870 alom in den lande de polsslag van een krachtig geestelijk leven merkbaar’ lijkt mij te optimisties. De nieuwe ideeën waren er, en groeiden, maar ‘alom’ merkbaar waren ze allerminst. Was dat waar, dan zou dat krachtige leven zich waarschijnlijk in een belangrijker litteratuur weerspiegeld hebben.
50Zie de beoordeling, in Aant. 35 aangehaald.
51In Nederland (1873 III, 188) werd dit boek van Keller, door Mene, geprezen als ‘een van zijn beste en nauwkeurigst bewerkte novellen.’ De personen zijn ‘flink geteekend en leiden een gezond menschelijk leven.’ Er is in dit werk ‘groote realiteit’, al is het ‘het tegenovergestelde van een pleidooi voor den arbeid.’ De criticus stelt het naast Hanna de Freule, dat hij evenmin opvat als een pleidooi voor de arbeiders, blijkens dit slot: ‘Het zal tijd worden dat een derde poëet recht laat weervaren aan de billijke bezwaren, die er van de zijde der gewone fabrieksarbeiders kunnen worden te berde gebracht. Wellicht zal deze zich niet lang laten wachten. In Engeland pleitte Dickens voor hen, in Duitschland Spielhagen.’
52Zie Gedérailleerd, blz. 290-292. Mocht iemand menen dat Keller over de fabrikant Van Brander juist een vonnis heeft willen vellen, omdat hij zijn ongeloof afkeurt, dan kan het slot hem overtuigen, dat dat Van Brander volgens Keller is, wat een fabrikant moet zijn. Daar wordt hij als de edelmoedige tegenover zijn konkurrenten gesteld, die na de mislukte staking het loon gaan verlagen.
53Vgl. Blok: Geschiedenis van het Nederlandsche Volk VIII, 214: De Commune had ‘de bij onzen kalmen landaard heerschende vrees voor revolutionnaire bewegingen versterkt’ Men voelde meer voor nationale aansluiting. Van die vrees was ook Cremer's ‘Brief’, n Aant. 48 genoemd, een uiting.
54Vgl. voor deze parallel: De invloed van Multatulli's letterkundig werk op oudere en jongere tijdgenoten. - Multatuli predikt soms in Carlyle's trant: ‘de verhouding tusschen adel en gemeenen bood over 't geheel meer lichtpunten, bevatte meer liefelijks, dan er in onze maatschappij wordt gevonden in de relatiën van armen, burgerlui en rijken.’ - ‘De ongemeenen zijn verantwoordelijk voor de laagte waarop hun gemeene broeders staan’ - ‘De zoogenaamde hoogere klasse leert de lagere niet kennen. De broederschap openbaart zich alleen in tijden van gevaar.’
In 't biezonder keert hij zich tegen de liefdadigheid: ‘Overigens blijft ze, zelfs waar menschenliefde 't pakjen aantrok van uithangbordige philanthropie, op 'n afstand, grootsch stijf, vormelijk, en,.. wreed.’ - ‘Niets duidt meer de lage trap aan van algemeene welvaart en zedelijkheid dan 't groot aantal inrichtingen van liefdadigheid.’
55b.v. door Dr. F.H. Fischer, die in zijn proefschrift: Studiën over het Individualisme in Nederland in de Negentiende eeuw (Amsterdam 1910) beweert dat onze letterkunde in de 19de eeuw vóór 1880 ‘mets dan geschrijf’ opleverde (vgl. de beoordeling in De Nieuwe Taalgids IV 262). Overigens vindt men in deze studieën veel goede en juiste opmerkingen over het verband van letterkunde en samenleving. In verband met het onderwerp van deze les wijs ik o.a. op de karakteristiek van Cremer's romankunst (blz. 80 vlg.). Vergelijk ook het Amsterdamse proefschrift van A.L.B. Saalborn over Het ontwaken van het sociale bewustzijn in de litteratuur (1931).
|
|