Vaderlandsche historie. Deel 2


auteur: Jan Wagenaar


bron: Jan Wagenaar, Vaderlandsche historie. Deel 2. Isaak Tirion, Amsterdam 1749 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

IV. Vrugtelooze Onderhandeling met de Deenen.

Godefrid deedt, sedert, voorslagen van Vrede. De Keizer zondt eenige Graaven naar de Deensche grenzen, aan de overzyde der Elve, om over de voorwaarden te handelen. Doch de byeenkomst liep vrugteloos af. De wederzydsche vyandlykheden begonden op+nieuws. De Keizer, om de Deenen het trekken over de Elve te beletten, deedt, aan de overzyde dier Riviere, eene Vesting opwerpen, over welke 't bevel aan zekeren Graave Egbert opgedraagen werdt(l). De Vesting

[p. 38]origineel

of Stad draagt, in oude schriften, den naam van Essesfeld. Men wil, dat 'er Itzehoe, in Holstein, voor moet gehouden worden.

+ De Deenen werden dus wel verhinderd, om iets van belang te Lande te onderneemen; doch dit deedt hen te meer, op hunne oude Zeetogten, bedagt zyn. Met den aanvang des jaars agt honderd en tien, deedt Godefrid, in alleryl, twee honderd Schepen uitrusten,+die, behoorlyk bemand, naar de Friesche Kusten stevenden. Deezen werden, ten dien tyde al, gelyk nog heden ten dage, bezoomd, door eene ry van Eilanden, welken den eersten aanstoot leeden, en deerlyk verwoest werden(m). Toen werdt het Noordsch Krygsvolk aan de vaste Kust ontscheept. De Hertog, die, ten deezen tyde, over Friesland bevel hadt(n), en van sommigen(o) Herek of Rerek, misschien den zelfden naam als Theoderik of Dirk, genoemd wordt, hadt deezen inval voorzien, en de Friezen, by tyds, in de wapenen gebragt. Onze Kronyken verhaalen, dat de Deenen of Noormannen, aan drie oorden, in Friesland gevallen zynde, van de Friezen ook, in drie hoopen, werden tegengetrokken; die allen drie verslaagen werden(p). Godefrid vorderde toen den overmanden Friezen eene Schatting af van honderd ponden zilvers, die terstond werdt opgebragt(q). Deeze voordeelen deeden hem

[p. 39]origineel

den moed dermaate zwellen, dat hy Friesland reeds als zyn wingewest begon aan te merken(r). Ook waande hy eenig gegrond Regt op deeze Landen te hebben, doordien Koning Radboud, volgens sommiger verhaal(s), zyn Grootvader van Moeders zyde geweest was. Doch hy bepaalde zyne heerschzugt niet binnen Friesland; maar tot aan den Moezel doorgedrongen(t), gaf hy voor, haast te Aken te zullen zyn, en Keizer Karel deeze zyne Ryksstad zelve te bang te willen maaken(u). Sommige laater Kronykschryvers verhaalen, dat de Noormannen, op deezen togt, in Groningen gevallen zynde, de S. Maartens Kerk aldaar in den brand gesteken, en zekeren Walfrid en anderen, die belydenis van den Christelyken Godsdienst deeden, jammerlyk van 't leeven beroofd zouden hebben(v). Doch de waarheid deezer dingen is, met geene schriften van Tydgenooten, te bevestigen.

Keizer Karel kreeg de tyding van den inval der Deenen te Aken, van waar hy, terstond, boden naar alle oorden zyns Ryks afvaardigde, met bevel, om een magtig Leger, aan den oorsprong der Lippe, te doen samenkomen. Ook deedt hy, te Gend aan de Schelde, een goed getal van Schepen bouwen, die te Boulogne by een gebragt moesten wor-

[p. 40]origineel

den(w). Zelfs begas hy zig terstond over den Rynstroom naar de Lippe, en vervolgens, met het Leger, 't welk daar, met allen spoed, by een gebragt was, naar de Rivier de Aller, slaande, sedert, het Leger neder aan een'*anderen Stroom, die in de Wezer valt(x). Hier hieldt hy stal, om Godefrid af te wagten, die zig beroemd hadt, den Keizer, in persoon, tot een tweegevegt+te willen uitdaagen(y). Doch na dat hy hier vyftien dagen vertoefd hadt, kreeg hy de onverwagte tyding van Godefrids dood, die, in 't midden zyner overwinningen, volgens 't verhaal der meesten, door eenen zyner Lyfwagten, was omgebragt(z). Doch sommigen hebben geschreeven, dat hy, door zynen eigen' Zoon, wiens Moeder hy onlangs verstooten hadt om eene andere vrouw te trouwen, met een zwaard, gedood is(a). De Noormannen kreegen zo dra geene kennis van deezen dood, of zy begaven zig te schepe, verlieten deeze landen, en keerden naar huis; niet zonder gevoelige smerte van Keizer Karel, dien 't, terwyl hy verheugd was over Godefrids dood, egter wee deedt, dat eenige Noormannen zyne handen ontkomen waren(b).

Hemming, Broeders Zoon van Godefrid,

[p. 41]origineel

+werdt tot zynen Opvolger verklaard, en sloot terstond een Bestand met Keizer Karel, 't welk, volgens de aloude gewoonte, op de wapenen bezwooren, en in de Lente des volgenden jaars, wanneer de wegen reisbaar geworden+waren, in eene vaste Vrede veranderd werdt. Twaalf Gezanten van elke zyde waren, ten deezen einde, op de Deensche grenzen, aan de Eider, samengekomen. Die van Keizer Karel waren allen of meest allen Graaven, en onder dezelven bevondt zig zekere Graaf Dirk, dien, sommigen, voor eenen Frieschen Graaf, gehouden hebben. Het verbond, by 't welk de Eiderstroom tot eene vaste grensscheiding werdt gesteld(c), werdt, van weerskanten, met plegtigen eede gestaafd. En de Keizer begaf zig, zo dra hy 'er tyding van bekwam, naar Boulogne, alwaar hy de Vloot bezigtigde, die aldaar, 's jaars te vooren, byeen gebragt was. Ook herstelde hy hier, ten dienste der Zeevaarenden, eene vuurbaak, die, door grooten ouderdom, t'eenemaal vervallen was. Van Boulogne voer hy den mond der Schelde in naar Gend(d), en hier, insgelyks, de gebouwde schepen bezien hebbende, keerde hy, omtrent het midden van Slagtmaand, te Aken te rug, alwaar hem eenige Gezanten van Koning Hemming geschenken kwamen brengen(e).

+ Hemming overleedt niet lang hier na(f). Zyn dood bragt merkelyke veranderingen in

[p. 42]origineel

+de Noordsche zaaken te weeg. Eerst verdeelden Sigifrid, Dogters Zoon van Godefrid, en Anul het Ryksbewind onder zig. Doch oneenig geworden zynde, en de wapenen tegen elkanderen opgevat hebbende, sneuvelden zy beide in 't gevegt. Het Leger van Anul zegepraalde egter(g), en 't Ryksbewind werdt aan zyne Broeders, Heriold en Reginfrid, opgedraagen, die terstond Gezanten afvaardigden, om de Vrede met Keizer Karel+te bevestigen. Dit geschiedde in 't jaar agt honderd en dertien. Vooraf, waren 'er egter, naar sommiger Verhaal, nog eenige Vyandlykheden, door de Noormannen, in Friesland gepleegd, alwaar zy, met eene Vloot, waren aangeland, en veel buits en gevangenen bekomen hadden(h). Hemming, een Broeder der Deensche Koningen, die zig ten hove van Keizer Karel onthieldt, veelligt als Gyzelaar des voorigen Verbonds, keerde, na 't sluiten der Vrede, met de Gezanten zyner Broederen, naar zyn Vaderland te rug: alwaar hy deel in 't Ryksbestier verkreeg(i).