|
|
|
| | | | | |
Translatio - imitatio - aemulatio.
| |
I. Vertalen.
Vertalingen van literaire kunstwerken en van wetenschappelijke
geschriften leveren geen nieuwe meesterwerken op, maar kunnen voor de
ontwikkeling van een cultuur van enorme betekenis zijn, en oorzaak of
aanleiding zijn van het scheppen van nieuwe meesterwerken. Een vertaling van
een tragedie van Sophocles of van een roman van Dostojewsky zal in het algemeen
het oorspronkelijk niet overtreffen of zelfs maar evenaren; maar zodra een
vertaling aan velen de gelegenheid schenkt Sophocles of Dostojewsky in eigen
vertrouwde taal te lezen en te bestuderen, is het zeer wel mogelijk dat
kunstenaars, zowel naar vorm als naar inhoud, nieuwe wegen vinden voor eigen
scheppende werkzaamheid.
In de renaissance is de vertaling één van de
belangrijkste kanalen, die de pas ontdekte griekse en romeinse letterkunde,
welke met schier religieuze eerbied gelezen en bestudeerd werd door de kleine
groep die de klassieke talen kende, naar ons land voerde. Het Grieks kon maar
door zeer weinigen in ons land gelezen worden, het Latijn leverde weliswaar
veel minder moeilijkheden op, maar ook de romeinse letterkunde zou niet die
formidabele invloed hebben kunnen uitoefenen, indien vertalingen daarbij niet
de helpende hand hadden geboden. In ons land waren slechts geleerden als
Heinsius,
Grotius en
Vossius in staat om griekse auteurs in het
oorspronkelijk te lezen en zo hun invloed op meest directe wijze te ondergaan.
Maar
Vondel zou zonder hulp van geleerde vrienden en van
vertalingen de griekse tragedie nooit hebben kunnen lezen, terwijl hij ook bij
latijnse teksten niet graag de hulp van anderen zou hebben willen missen.
Wat vertalen voor Vondel betekend heeft willen we eerst in grote
lijnen nagaan, waarbij we ons door Vondel zelf en door zijn biograaf
Brandt de weg laten wijzen.
Voordat Vondel zich is gaan toeleggen op het vertalen van
klassieke schrijvers heeft hij zich eerst bezig gehouden met franse teksten. In
1620 verschijnt ‘De Heerlyckheyd van Salomon’
1 . In het voorwoord,
gericht tot ‘zynen Vrund den Heer Dierick Korver’ schrijft
Vondel:
‘Evenwel myn Zangeresse leergierigh, heeft, om haer feylen
aengewezen te zien, haer zelven willen onderwerpen uwe A. oordeel, het welck zy
heeft ervaren te wezen gezond ryp en bezadight, zoo datze wenscht indien de
Rymers malkanderen eenmael uytdagen om zonder bloedstortinge om den palm of
lauwerhoed te kampen: dat uwe A. de voorplaets onder de Scheydsmannen mooght
bekleeden ten eynde het vonnis te billycker gestreken werde.’
Vondel vertaalde ‘De Heerlyckheyd van
Salomon’ uit het Frans naar Du Bartas en de jonge dichter heeft nog maar
weinig vertrouwen in eigen vertaalwerkzaamheid: hij wil niets liever dan dat
zijn geleerde vriend hem op zijn fouten zal wijzen. Maar naast deze onzekerheid
aangaande eigen kunnen beluisteren we in dit citaat ook een geheel andere
klank, waaruit we kunnen afleiden op welke hoge waarde het vertalen geschat
werd: een palm of lauwerhoed is gemoeid met de edele wedkamp tussen vertalers,
die hun eigen letterkunde met deze arbeid verrijken. In een
‘Voorreden’, na de opdracht, gaat Vondel hier nader in op zijn
bemoeiingen met dit werkstuk van Du Bartas: | | | |
‘Ick hebbe, Lezer, meermaels voorgehad mijn plompe handen aen
dit zuyvere te slaen, maer vreeze heeft my altijd doen aerzelen, om dat ick
ontzag, met ongewyde vingeren deze Arcke aen te tasten: en liet my vastelijck
voorstaen dat geen gemeen Priester of Levyt, maer wel een hooger als ick
geoorloft was zijn voetzool in dit heylige der heyligen te zetten.… Maer
gelijck my vreeze zomtijds dede deynzen, alzoo noopte my wederom een
heymelijcke hertstocht om eenmael te zien hoe ick deze fransche Venus met een
neerlands gewaed en hulsel zoude mogen toijen en opsmucken, en met Appelles ten
toon zetten, om van nutte berispers mijn werck te laten keuren. Ick wickte. Ick
waeghde 't… Latet u oock niet vreemd toeschynen dat wy wat tijds met
vertalen spillen: een beroyd huysraed moet veeltijds van anderen wat te leen
bezitten. En zoo ghy ons voorwerpt die boertery van d'Exter die onder de
Paeuwen met geleende veeren dacht te proncken, wy voelen dat wy heerlijck
getackt, en op ons zeer geraekt zijn, want wy brageren met het gene eens anders
is. Maer eer ghy u aen onze rymen ergert, zoo bidde ick dat ghy eerst deze
dingen op de ryge overweeght: 1. dat wy u een vertalinge en geen eygen vindinge
ter hand stellen. 2. dat wy zoetelijcker hadden mogen vloeijen zoo wy ons niet
naeuwer aende texst wilden binden. 3. dat mijn moeder my geen beter nederduyts
geleert heeft.’
Vondel weet zich geen hogepriester die het heiligdom
van de voorname kunst van Du Bartas mag betreden, maar een heimelijke
hartstocht vervult de dichter toch om dit franse gedicht in de moedertaal te
laten klinken. Welk een distinctie, welk een aristocratische bewogenheid van
onze dichter, welk een grandioze eerbied voor de poëzie. Er is nog een
motief dat de dichter tot vertalen aanzet: de arme van geest moet lenen. De
dichter-in-opkomst moet zijn werk niet met eigen gedachten en eigen
bespiegelingen vullen, maar hij zal de weg van de ekster moeten gaan, die zich
tooide met de veren van de pauw. We komen nog nader te spreken over dit lenen
en ontlenen, maar men beseffe nu reeds dat in deze werkwijze niets
minderwaardigs ligt: vertalen is een zich aansluiten bij het door anderen
bereikte. Het is niet in de eerste plaats de roeping van de dichter nieuw te
zijn, maar hij is de schatbewaarder van het oude. De vertaler dient,
herscheppende, te volgen, in oprechte eerbied voor het origineel. Vondel voelt
dit zo sterk dat hij er met nadruk op wijst dat uit respekt voor het
gepresteerde door anderen de vertaler zich zeer nauw dient te houden aan de
oorspronkelijke tekst, wat zo zijn bezwaren meebrengt: de vertalende dichter is
zo gebonden dat hij eigen kunnen niet altijd kan tonen. En dan eindigt Vondel
met die humoristische woorden: over een schonere taal heb ik niet de
beschikking, de lezer moet het er maar voor doen, want mijn moeder heeft me het
niet beter geleerd.
Een jaar na Vondel's zeer gedeeltelijke vertaling van Du Bartas
vertaalde
Zacharias Heyns het gehele werk van de franse dichter,
behalve die gedeelten die Vondel reeds bewerkt had: Vondel's vertaling voegde
hij tussen zijn vertaling in: een mooi voorbeeld van gezamenlijke
vertaalarbeid, waaruit men Heyns' waardering voor Vondel's werk kan opmaken. Op
zijn beurt is Vondel verrukt over de resultaten van zijn collega: hij ziet in
Heyns de hogepriester die met het volste recht het heiligdom van Du Bartas mag
betreden en hij eert hem met het volgende sonnet:
'S Taels onkunde hield tot noch veel Nederlanders buyten,
Die in het Heyligdom der Vrancken wilden gaen,
Alwaer Salustius
1 stack lieflyck
reuckwerck aen,
En volghde 't heyrschaer Gods met duysend orgelfluyten:
Maer Zacharias als Hooghpriester quam ontsluyten
Dees Kerck beschildert met der ouder Vad'ren da'en:
Waer van de Geest getuygt in zyn geschreven bla'en,
En huwde aen Bartas stem den weerklang syner luyten.
| | | |
Nu geven wy niet toe de Geesten van Britanjen,
Den smekenden Tuscaen, noch oock 't hooghmoedigh Spaenjen,
Noch wycken voor de prael van het Latynsche volck.
Wie lust heeft den Gascon in Nederduyts te hooren,
Die lees dit Godlyck boeck, en leen syn heylige ooren
Aen Heyns, die ons verstreckt eens grooten Dichters
Tolck
1.
Mocht
Vondel zijn eigen vertalingen met een zeer critisch oog
beschouwen,
Heyns is voor hem de dichter die, vertalend, volledig
geslaagd is. Wellicht spreekt de befaamde renaissance-hoffelijkheid een woordje
mee, maar onder de fraaie formulering kunnen we toch Vondel's mening in alle
oprechtheid horen klinken. Tot op het moment van de verschijning van deze
vertaling bestonden er te veel landgenoten die niet in staat waren Du Bartas te
leren kennen. Heyns heeft de taalbarrière doorbroken en de wijze waarop
hij dat deed is voor ons zeer belangrijk: hij ‘huwde’ aan de stem
van Du Bartas ‘den weerklang syner luyten’. Heyns is in staat
geweest de franse dichter te evenaren en zo heeft hij Nederland helpen opstoten
in de vaart der volkeren; naast de spaanse, engelse en latijnse vertalingen kan
de Nederlander nu trots wijzen op de zijne. Vondel herhaalt hier zijn
beeldspraak: het heiligdom van Du Bartas' poëzie mag slechts betreden
worden door een hogepriester, waarmee nogmaals de hoge taak van de vertaler
aangegeven wordt, hoog, zowel vaktechnisch als cultureel. De beeldspraak is
niet toevallig: zoals de hogepriester de tolk is van het goddelijke, zo is de
vertalende dichter een tolk, die de lezers geen menselijke fantasieën
voorzet, maar een boodschap van hoger oorsprong, van objectiever waarde.
In 1626 verschijnt Vondel's ‘Amsterdamsche
Hecuba’, waarover
Brandt
2 het volgende
meedeelt:
‘Op dien beraamden voet (zoals vastgesteld was op de
“Letterkunstige vergadering t'Amsterdam”), vertaalde
Vondel, met hulpe van den Drost en Reaal, omtrent het
jaar MDCXXV de
Troas of Troades van Seneka, die men met den
tytel van Koninginne der treurspeelen vereerde: waar toe zy met hun driën,
ten huize van
Roemer Visscher, den Hollandtschen Martiaal, en
voedstervader der wetenschappen, daagelyks by een quamen. Uit die vertaalinge
in prose braght Vondel dat treurspel in dicht, en gaf het sedert aan den dagh
onder den naam van
Amsterdamsche Hekuba; bekennende in d'opdraght,
dat verscheide vaders vaderlyk recht aan dat kindt hadden; voorts
zeggende, dat men die Hekuba vry moght bezien en doorzien; dat ze niet
alleen gebooren, maar ook herbooren was, zoo datze met recht twee- of
drieboortige moght heeten. In het dicht van dat Treurspel, daar Vondel geen
helpers toe hadt, gelyk tot de vertaaling, hoewel de vertaaling zelf, (daar hy
zyn deel in hadt) hem tot hulp verstrekte, zaagen nu de kunstkenners een
majesteit van taale en hoogdravenheit die heerlyk was, en het Latyn op den voet
volghde.’
En
Vondel zelf schrijft
3:
‘Het wyse en geleerde breyn van eenen, wiens standvastigheyd
de eeuwen doorleven sal (Hugo de Groot) heeft de Latijnsche Troas
vereert met den tytel van Regina tragoediarum: Wy wenschten dat de
Nederlandsche sulck eenen karbonckel in 't voorhoofd voeren moght, of datse ten
minsten meer luysters van Seneca ontleent hadde. Dat wy uwe E. die in 't
bysonder hayligen, en opdragen, geschied tot danckbaerheyd van de psalmen, die
uwe E. ons toegesonden hebt, en waer mede wy niet weynigh vermaeckt waeren, als
wy met greetige ooren den Goddelijcken galm van Davids harpe vingen, en hem met
geene mindere soetigheyd in suyver Neerduyts hoorden geluyt slaen, als
voormaels in 't Hebreeus de Hebreen in Iudea deden. Of wy hier alle
eygenschappen onser moederlijcke taele, volgens het afscheyd der dichteren, wel
hebben waergenomen: daer van sal uwe A. konnen oordeelen: | | | | als die
hier t'huys hoort, en als een treffelijck litmaet onse letterkunstige
vergaderinge miet weynigh vereerde.’
Vondel heeft, blijkens het getuigenis van
Brandt, met
Hooft en
Reaal in het huis van
Roemer Visscher bijeenkomsten gehad om gezamenlijke
krachten in te spannen bij een poging een goede en vooral betrouwbare vertaling
tot stand te brengen van de tragedie van Seneca. Brandt heeft ons over deze
bijeenkomsten nader ingelicht:
‘Hier werd gehandelt van d'eigenschappen der moederlyke
taale. Men stelde verscheide regels, daar men zich in 't dichten naar hadde te
schikken: ontrent het stuk der taalschikkinge, de t'saamenvoeging der woorden
en naamen, het onderscheidt der geslachten, buiging der gevallen, en spelling
van yder woordt.’
Ziehier een boeiende beschrijving van de voorbereidende
werkzaamheden, die aan een waarlijk goede vertaling dienden vooraf te gaan: de
moedertaal in opkomst was nog maar nauwelijks geschikt om een drama van Seneca
op aannemelijke wijze weer te geven. Maar alle moeite aan de vervolmaking van
het taalapparaat besteed werd met succes bekroond: wat Seneca in het Latijn kon
uitdrukken, kon Vondel met de hulp van zijn vrienden ook bereiken. Dat was een
overwinning die niet te overschatten is. De nationale renaissance bereikte een
hoogtepunt nu bleek dat het Nederlands niet behoefde onder te doen voor het
aanbeden Latijn, voor de grootheid van de romeinse antieke beschaving. De
samensprekingen bij Roemer Visscher thuis brachten geen estetische vragen te
berde in de moderne betekenis van het woord, maar zuiver taalkundige. De
technische kant van het taalgebruik stond in het middelpunt van de
belangstelling: spelling, verbuiging, naamvalsleer en vooral ook syntactische
kwesties. We bedenken meestal veel te weinig hoe elke nieuwe dichtergeneratie
steeds weer de taal gereed moet maken als medium van menselijke
expressiemogelijkheden. Hoe zeer in het bijzonder geldt dit voor de
renaissancedichters van de jonge nationale nederlandse staat. We onderschatten
ook vaak de moeilijkheden der technische vaardigheid die de dichter zich dient
te verwerven voordat hij beginnen kan uiting te geven aan datgene wat er in hem
leeft. Geen oefening tot verkrijgen van die taalvaardigheid is, naar de mening
van de renaissance-auteurs, zo efficient als vertaalarbeid. Bij deze
taalexercities snijdt het mes aan twee kanten: de eigen taal wordt gescherpt,
en, indien men belangrijke teksten ter vertaling kiest zoals in Vondel's geval
Du Bartas en Seneca, leert de dichter zijn grote voorgangers door en door
kennen.
Brandt deelt ook mee dat de kunstkenner ‘een majesteit van
taale en hoogdravenheit, die heerlyk was, en het Latyn op de voet volgde’
in Vondel's werk onderkenden. Voordat Vondel zich intensief had bezig gehouden
met het Latijn had zijn literaire productie iets armoedigs, meent Brandt, maar
juist het vertalen brengt hem tot groter en grootste hoogte:
‘Noch zeer jong raakte hy al aan 't rymen, en toonde zynen
aangebooren trek tot de dichtkunst: maar 't hadt noch in lang geen klem. Hier
was wel geest van poëzye, maar 't geen dien geest most leiden en
aanqueeken, ontbrak hem: kennis van taalen, om d'oude Latynsche en Grieksche
Poëten te lezen, en hoonig uit dien tym te zuigen;… Zijn eerste
rymen waaren plat en zenuwloos: zich zelven dikwils ongelyk, somwyl zwetsende
met woorden van anderhalven voet lang, die luidt schreeuwden, en weinig
zeiden’
1.
| | | |
Maar nu is
Vondel in kontakt gekomen met de grote Seneca en nu is
hem een nieuwe wereld geopenbaard, die hem in staat stelt zijn dichterschap tot
groter bloei te brengen.
Vondel, nog leerling in de school der humanistische geleerden, is
nog niet geheel zeker van zijn zaak. Heeft zijn vertaling van Seneca wel
luister genoeg aan het grote voorbeeld ontleend? De dichter hoopt dat
Hubert, die op zó een voortreffelijke wijze de
Psalmen vertaald heeft, dat hij het oorspronkelijk geëvenaard heeft, hem
op zijn fouten wil wijzen, zodat het geheel nog beter, of althans beter kan
worden. Op deze wijze leert de jonge dichter het handwerk van de poëet, in
die tijd, naar het lijkt, zoveel meer een technisch bedrijf dan heden. Men
vraagt zich af, in hoeverre
Brandt gelijk heeft als hij Vondel's jeugdwerk van de
hand wijst: waardeloos, wegens gebrek aan techniek. Wat er ook van zij, voor
Brandt en velen van zijn tijdgenoten is het aanleren van het Latijn een eerste
schrede op de goede weg.
Hooft zal op dezelfde wijze Tacitus vertalende zijn
greep op de moedertaal vast en zeker voelen worden. En als we nog een modern
voorbeeld mogen noemen: Boutens zou zonder zijn griekse studiën en
vertalingen zijn oeuvre niet hebben kunnen opbouwen zo als hij gedaan
heeft.
In 1639 verschijnt Vondel's eerste vertaling van een griekse
tragedie: Sophocles' Electra, opgedragen aan
Maria Tesselscha. De dichter begint zijn opdracht met de
reden aan te geven die hem tot deze vertaling bracht
1:
‘Gelijck een vryer met overlegh, en oordeel zijn hart, en
liefde zet op een jonge vryster, die, om haere natuurlijcke schoonheid,
aengebore bevalligheid, en voegelijck cieraed, bekoorlijck is; eveneens kreegh
ick een' treck tot deze princes Elektra, of liever Electa, een uitgeleze
dochter, uit… Agamemnon geboren; en herboren uit de harssenen van dien
Atheenschen en zegenrijcken veldheer, Sophokles, die haer, tot verwondering
zijner en der navolgende eewen, van ouds, op het toneel, te voorschijn broght,
Met vaerzen, schoejende op den leest
Van zijnen goddelijcken geest.
Meester Ioan Victorijn, in wiens mond Elektra bestorven is,
prickelde ons zoo menighmael hier toe aen, tot dat wy ten leste waeghden, en
deze doorluchtige Ionckvrouw, op onze wijze, Neerlandsch spreecken leerden, met
hulpe van die hooghgeleerden Iongeling,
Isaak Vossius; een loos vos, en wacker vernuft, om het
Griecksche wild, hoe diep en duister het oock verborgen zy, op te snuffelen
… Oock is 't onmogelijck de redenen wel te binden, indien men gehouden
zijnde de Griecksche koppelingen stip te volgen, niet met een ruim geweten wat
vrymoedigh daer over heenen durf vaeren. Rijm en maet, waer aen de vertolcker
gebonden staet, verhindert oock menighmael, dat de vertaelder niet zoo wel en
volmaecktelijck naspreeckt, 't geen zoo wel en heerlijck voorgesproken word; en
yet van d'eene tael in d'ander, door eenen hals te gieten, gaet zonder plengen
niet te werck: een zaeck die ghy, wyze en vernuftige Ioffrou, maghtigh zijt te
oordeelen, door ondervindingen in 't vertaelen van uwen Tuscaenschen Tasso, zoo
menigmhael ghy voor Ierusalem, met zynen dapperen Buljon, dien Christen oorlogh
voert…’
Vondel spreekt hier ongetwijfeld vrijer over het
vertalen dan hij voorheen deed. Het is duidelijk dat hij nog steeds zeer
nauwkeurig vertalen als eerste eis stelt, maar het Grieks wijkt zozeer in
structuur af van het Nederlands, dat hij zich zekere vrijheden wel moet
veroorloven. Men kan niet, metrisch en rijmend, een griekse tragedie letterlijk
vertalen; de nederlandse dichter moet het oorspronkelijk
‘omdichten’.
Maria Tesselscha zal, meent Vondel, ook wel ondervonden
hebben dat vertalen geen sinecure is, nu ze bezig is Tasso voor het nederlandse
publiek gereed te maken. De ‘loos vos’ Isaak Vossius heeft de
dichter terzijde gestaan bij de enorme moeilijkheden | | | | die het Grieks
opleveren. In dit voorwoord staan nog talrijke belangrijke zaken, o.a. over de
betekenis van de Electra, die we nu maar buiten beschouwing laten.
In de ‘Aenleidinge ter Nederduitsche
Dichtkunste’
1 wijdt
Vondel samenvattend tweemaal aandacht aan de betekenis van
het vertalen. Tot de aankomende dichter zegt hij: ‘Hierom waer het
geraden eerst eenige heilige of weereltsche historien, oock verzieringen, uit
Virgilius, Ovidius, Amadis, en Bokatius te rijmen, om zich van de rijmkunste
meester te maecken, en op de baen te geraken’. En even verder lezen we:
‘… en het overzetten uit vermaerde Poëten helpt den
aenkomende Poeet, gelijck het kopieeren van kunstige meesterstucken den
Schilders leerling’. Iets dergelijks ontmoeten we ook in het proza dat de
Vergilius-vertalingen voorafgaat
2: ‘Aldus kopieert men
aeloude marmere en metale stambeelden, gedenckpenningen, schilderyen, en
tekeningen van uitsteeckende meesteren, om hunnen dapperen voortredt in de
kunste, zoo veel het mogelijck zy, al hygende in te volgen, en te leeren, hoe
veel weghs den nakomelingen, die steil naer den top der volkomenheit opklimmen,
noch af te leggen staet’.
Ook de Ovidiusvertaling brengt ons een, ditmaal rijmende,
beschouwing over de vertaalkunst en weer gebruikt Vondel de schilderkunst als
parallel
3:
Wie zich genegen vint de schilderkunst te leeren
Moet d'allergeestighsten naeukeurigh naerbootseeren,
Het voorbeelt gadeslaen, opvatten wat hem dien',
En zulk een meester scherp naer zyne handen zien.
Een leerling, wakker en leerzuchtigh, eigent schrander
Aldus de handelinge en trekken van een ander,'
En mengt de verf, en legt en bezightze op haer maet
Natuurlyk naer den eisch van 't beelt dat voor hem staet,
Zoo net, tot dat het oogh des kenners geen' van beiden,
Den meester en schoolier van een kan onderscheiden.
Ik wenschte Ovidius, van dichtlust aengeport,
Dus t'achterhaelen, schoot de maght hierin te kort,
't Vernoeght my echter, zoo myn starreboogh van verre
Beschiet de hooghte van dees flonkerende starre,
Verscheenen in haer kracht ten tyde van August,
Die Mavors ketende, en den aertboôm holp aen rust.
Het vertalen als leerschool voor de beginnende dichter, maar
evenzeer voor de tot rijpheid gekomen dichter is een nooit te onderschatten
oefening en een verrijking van de artistieke kunstvaardigheid, ziedaar de
uitermate belangrijke functie van deze literaire arbeid, reeds door
Cicero en
Quintilianus in hun handboeken voor de aankomende
redenaar enthousiast verdedigd
4. Cicero vertelt hoe hij ook na zijn leerjaren een
fragment placht te kiezen uit een geschrift van een groot grieks redenaar en
dit vrij vertaalde. Het resultaat was dat hij zich steeds gemakkelijker in
eigen taal leerde uitdrukken, en naar analogie van het Grieks het Latijn
verrijkte. Quintilianus zegt ongeveer hetzelfde: geen beter oefening voor de
redenaar dan vertalen, zoals Cicero o.a. deed toen hij
Plato en
Xenophon vertaalde. De Grieken toch, zegt Quintilianus
verder, hebben zulk een rijkdom aan ideeën gehad, dat elk vertaler daar
zijn voordeel mee kan doen. De techniek van vertalen eist | | | | een
uiterst nauwkeurig weergeven en voortreffelijke woordkeus. Het kan ook dienstig
zijn geschriften in de eigen taal geschreven te parafraseren, een werkwijze die
Cicero afkeurde.
Vondel doelt op deze laatste leermethode als hij in zijn
‘Aenleidinge’ schrijft: ‘Het scherpt de
zinnen, en maeckt een goede pen zich te gewennen een zelve zaeck en zin op
verscheide manieren te bewoorden, en zierlijck uit te drucken.’
1.
Naast de ons nu bekende argumenten, die Cicero en Quintilianus
aanvoeren om het nut van vertalen duidelijk te maken, heeft Quintilianus
bovendien nog onder woorden gebracht wat zeker niet minder belangrijk is: het
vertalen uit het Grieks brengt de vertaler in kontakt met de zo belangrijke
ideeënwereld der Grieken. Natuurlijk heeft Vondel dit aspekt ook
overwogen, zoals impliciet uit meerdere citaten blijkt. We willen bij deze
belangrijke zaak nog even nader stil staan.
Bij
Brandt lezen we:
‘Het vertaalen zelf vond hy dienstig, om de gedachten van de
grootste geesten tot in het merg te doorgronden, hunnen kunst en aardigheit hun
af te zien, en zyne snaaren te leeren stellen op hunne toonen. Met dit ooghmerk
heeft hy verscheide stukken van d'ouden in prose overgezet: onder andere den
dollen Herkules van Seneka: het groot klaagh- en smeekdicht van Naso uit Pontus
aan Augustus, jaa ook de Herscheppping; verscheide boeken van Lukanus en
Papinius Statius, met Horatius Flakkus Lierzangen, en meer andere wercken: van
welke alleen Horatius Lierzangen en zyne Dichtkunst (daar hy desgelyks de hulpe
van Mostert en Victoryn toe hadt gebruikt) sedert in 't licht quamen
2.’
Een enkel voorbeeld moge laten zien hoezeer
Vondel de inhoud der vertaalde werken op prijs stelde,
hoe hij opzag tegen de wijsheid van de oorspronkelijke tekst: ‘Men hoort
hier klaere vertellingen, gewightige beraedslaegingen, gezonde, gezoute
leeringen, en goude spreucken. Dit vervat inzonderheid het geen den
sterflijcken menschen ten allerhooghsten oirbaer is, naemelijck, dat Gods
uitgestelde straf endelijck schelmen en booswichten rechtvaerdighlijck
achterhaelt; welck leerstuck het zout, en een van de zenuwen der
godvruchtigheid strekt’, schrijft de dichter in zijn Opdracht van
‘Electra’
3.
J.D.P. Warners
|
4Cicero, De Oratore I, 155. Quintilianus, I.
O., X, V, 2 vv.
|
|