|
|
|
| |
| |
| | | |
Van Sente Brandane
1
+Nu verneemt hoe over lanc +
Een heere was in Yerlant,
Die sach menich Gods teekijn. +
4
Wildi dies gheloevende zijn, +
So hoert wonder, ghi heeren!
Die Heleghe Gheest moet mi leeren, +
8
Wijlen dede sprekens beghinnen, +
- Dat was een heydin man -
Datso meinschelike sprac, +
12
Daer sij den inghel Gods sach +
Den wech hi haer wederstoet +
Met eenen zwerde vierijn. +
16
Si vloe van den inghel fijn +
Ende dede haren heere cont. +
Dese moete ontsluiten minen mont, +
Die ghene die haer gaf de macht
Een helich man was, sonder waen, +
Gheheeten so was hi Brandaen.
Abdt was hi ende regement +
24
Van III M moonken of daer omtrent; +
Dese vant int ondersoucken
28
Bescreven in houden boucken +
Van vele teekenen ons Heeren
- Hoert! Hier moghedi leeren +
Van den goeden Gods wijse - +
Doe las hi voert te waren +
Van vele wonders datmer in vant +
36
Ende menich groet eylant.
Hoe dat eene weerelt weere +
| |
| | | |
De reis van Sint Brandaan
1
Luister, het verhaal vangt aan:
in Ierland heeft een man bestaan
die menig wonder mocht aanschouwen.
4
Als u goed bent van vertrouwen,
hoor dan vele wonderen, heren!
De Heilige Geest moge mij inspireren:
het beest waarop Balaam reed, +
een heidens man, naar u wel weet,
zodat ze als een mens daar sprak,
12
toen ze de engel Godes zag,
die tegenover haar kwam staan,
zodat ze niet meer voort kon gaan.
De engel met zijn vurig zwaard
doordat hij het dier verstond.
Die Geest ontsluite ook mijn mond, +
die zelfs een ezelin eenmaal
20
macht gaf over de mensentaal.
Ongetwijfeld een heilig man
was de man, genaamd Brandaan. +
Abt was hij, tevens regent
24
van 3000 monniken of daaromtrent.
Van afkomst was Brandaan een Ier.
Hij diende God met zeer veel vuur.
Deze man, bij het onderzoeken
28
van oude en geleerde boeken,
las daar veel wonderen van Onze Here
- Hoor, mensen! Hier kunt u leren
uit de reis van die wijze! -
36
en van menig groot eiland.
Ook heeft de wijze heer gelezen
dat er een wereld zou wezen
| |
| | | |
40
+Ende alst hier dach werde,
Hi las dat hemele waren drie. +
Van visschen hi ghescreven vant +
44
Hoe dat een wout ende een lant +
Ghewassen stont up zine zwaerde. +
Om datso onghelovich was. +
Gheniette Gods ontfaermichede +
Ende hi ghenade hadde mede +
52
Hi en wilde no hi en mochte +
Dies emmer niet gheloven, +
Hi en saecht met zinen oghen. +
Van toerne verberrendi den bouc +
56
Ende gaf den scrivere eenen vlouc.
Dat becochti zint wel diere! +
Daer hi stont bi den viere +
Daer die bouc in bernende lach,
60
Die inghel Gods hem toe sprac:
‘O lieve vrient Brandaen,
Dat over mids dinen toren +
64
Die waerheit dus es verloren.
Nu laettene bernen daer inne; +
Di wert noch wel in inne +
Wat waer ofte loghene es.
Al omme ende omme IX jaer. +
72
Du sult bescauwen wat es waer +
Dat wart hem grote pijnlichede.
76
Ende leet omme dien vlouc
Wel meneghen groeten noot +
Ende voer daert God gheboot. +
Doe Brandaen, die heleghe man,
| |
| | | |
die onder deze aarde lag,
dan zou daar telkens het duister komen.
Van de drie hemelen heeft hij vernomen +
en dat er een soort van vis bestond
44
waarop een bos op vaste grond
gegroeid was, boven op zijn rug.
Maar dit ontkende Brandaan stug,
omdat het zo ongeloofwaardig was.
48
Ook las hij nog hoe Judas
deel had aan Gods barmhartigheid
en hoe hem troost werd toebereid
52
Brandaan, hij was niet bij machte
om zoiets ooit maar te geloven
als hij 't niet zag met eigen ogen.
Uit woede verbrandde hij het boek +
56
en hij heeft wie het schreef vervloekt.
Dat bekocht hij sindsdien duur,
want hij stond nog bij het vuur
waar het boek te branden lag,
60
toen Gods engel tot hem sprak:
‘O, lieve vriend Brandaan,
je hebt een zondige daad gedaan,
ten gevolge van jouw toorn
64
is de waarheid nu verloren.
Laat het vuur het boek nu maar vreten,
jij komt heus nog wel te weten
wat echt waar is en wat niet.
68
Het is Christus, die jou gebiedt
steeds maar door, over de baren
van hot naar her, negen jaar.
72
Jij zult nagaan: wat is waar
en wat kunnen slechts leugens zijn.’
Dit zou gaan met moeite en pijn,
en zo boette hij het boek
76
en dat hij de schrijver had vervloekt
en kwam in zorgen zonder tal,
reizende waar God het beval.
Toen Brandaan, de heilige man,
| |
| | | |
Wat hem God selve ontboet, +
+Doe was sijn zorghe al te groot +
Dat hi behilde zine siele +
Ende hi hem wilde bewaren +
88
Ende tsiere ghenaden doen varen. +
¶Doe ghinc Brandaen te hant +
Ende dede eenen kiel tauwen, +
Die mast was vuerijn hout. +
Dat zeil dede hi menichfout +
Besnijden ende bewinden. +
100
Doe hi die dylovie vruchte. +
Den ancker maecte hi stalijn, +
Daers hem van noede soude zijn +
Dat hi behilde dat lant. +
104
Doe dedi al zijn ghewant +
Ende LXXX manne ghingher in doe.
Si waren daer in IX jaer.
108
Oec dede hi, dat was waer,
Een cappelle met wijsen zinne
Ende daer in clocken ende helichdom, +
112
Dies hi mochte houden rom. +
Smessen ende ander ghemac, +
116
Als die legende mi vertrac; +
Dus voer hi wech met sinne. +
Wel verghinct hem in den kiel,
120
Dat hem niet en mesviel. +
Met hem nam hi twee capellane; +
| |
| | | |
80
op die manier ter ore kwam
waren zijn zorgen wel heel groot.
welke dingen ook komen zouden,
toch zijn ziel maar mocht behouden, +
dat, wat hem ook mocht overkomen,
88
de hemel hem niet werd ontnomen.
en liet zich een schip bouwen
92
waar hij op kon vertrouwen:
een zeil dat goed gesneden was
96
Rondom de romp, zoals het hoort,
klinknagels van sterk ijzer,
als de ark die Noach maakte
100
toen de zondvloed hem genaakte.
Het anker maakte hij van staal,
dan ging het schip niet aan de haal
als het moest blijven waar het lag.
104
Veel uitrusting werd dag na dag
naar het nieuwe schip gesleept
en tachtig man werd ingescheept.
Zij voeren daarop negen jaar.
108
Ook liet hij, het is echt waar,
met verstand en Godsvertrouwen
in 't schip een kapel nog bouwen
met reliek en klok compleet,
112
iets wat hem veel genoegen deed.
Ook voerde hij uit Ierland nog
een handmolen, een baktrog
en een kist met smidsgerei,
116
zoals de biografie me zei. +
Toen deze dingen aan boord waren,
is hij bedachtzaam weggevaren.
Het verging hem goed op zee,
120
maar hij nam nog twee mensen mee,
die waren allebei kapelaan
| |
| | | |
Van den eenen quam hem zint ane +
Dat hine om eenen roef verloes. +
124
+Dies wart hem God so vriendeloes, +
So datten hem nam die viant +
Omme eens breydels ghewant +
Dien hi nam s onder orlof. +
128
Omme dat die duvele dien roef +
- Ay, hoe zeere hi dat ontgout, +
Dat hijt ye ghedochte! - +
Die duvele ter hellen viere,
Daer hijt becochte wel diere,
Tote dattene die heleghe man +
136
Met zijnre beden weder ghewan. weder ghewan: terugwon
Doe hi te scepe gaen began
Vant hi thoeft van eenen doden man
Voer hem ligghende up tsant;
140
Die vloet dreeft an tlant.
Dat hoeft was arde groet, +
Nye en sach hi des ghenoet. +
Dat voer hoeft was hem breet
144
Wel vijf voete, God weet!
Doe bemaendijt wel diere +
148
Hoe zijn leven was ghedaen. +
Thoeft jeghen Brandane sprac +
Ende seide: ‘Al doet mi onghemac, +
152
Hoe mijn leven was ghedaen.
Om mijn ghewin quam ic daer an +
Dat ic arde dicwile woet +
Ic was groet ende stranc +
Ende ic was wel C voete lanc.
Dus woedic in die diepe zee
160
Ende dede den ghenen wee +
Die hier up die zee baren +
| |
| | | |
en met een van hen is het misgegaan:
om een diefstal moest hij hem laten gaan,
124
daardoor keerde zich God tegen die kapelaan,
kreeg de duivel de gelegenheid,
die met een teugel hem had verleid,
die hij wegnam, terwijl het niet mocht.
128
Zo heeft de duivel hem bezocht,
kreeg macht over de kapelaan.
Ach, wat die al niet moest doorstaan
om die streek, zo ondoordacht!
132
De duivel sleepte, lang niet zacht,
de zondaar naar het hellevuur
en daar bekocht hij het wel duur,
tot hij eindelijk werd ontzet
136
door de heilige man met diens gebed.
Men zou gaan varen, maar alsdan +
vond hij het hoofd van een dode man
voor hem liggend op het zand: overgeleverd.
140
de vloed dreef het aan land.
Het hoofd was echt geweldig groot:
iets vergelijkbaars zag hij nooit.
Het voorhoofd was, God weet,
144
minstens vijf voet breed.
Brandaan bezwoer het hoofd bij de Here
om zich terstond tot hem te keren,
zodat het hem zou doen verstaan
148
hoe 't in zijn leven was gegaan.
Waarop het grote hoofd dan zei:
‘Heel wat moeite kost het mij
om u thans te doen verstaan
152
hoe het met mij is gegaan.
Ik was altijd een heiden.
Om geen gebrek te hoeven lijden,
waadde ik dikwijls heel alleen
156
door de hoge golven heen.
Ik was sterk en was niet bang
en ik was wel honderd voet lang.
Dus waadde ik ver uit de kust
160
en liet geen enkel schip met rust.
Al wie op de woeste baren
| |
| | | |
Hem nam ic have ende goet. +
164
Eens so wies zeere die vloet +
Met eenen storme die was stranc. +
+Al haddic ghesijn noch so lanc, +
Ic en hadde niet vonden gront +
168
Daer ic teerst toter borst in stont. +
Doe en conste ics niet ghenesen. +
Dus moeste mijn sterfdach wesen, +
Also van allen dinghen moet, +
Sonder die pine der hellen, +
Daer die zielen in quellen +
Ende daer si sonder eenich hende +
176
Doeghen wee ende allende, +
Dat den saleghen es wijs, +
Doe sprac sente Brandaenv
‘Of ic Gode verbidden can +
184
Dat hi hu weder hu slives jan,’ +
‘Soutstu doepzel willen ontfaen
Ende pinen om die Go ds hulde? +
188
Ic verghave di dine sculde.
Doe sprac die heydin man:
192
‘Moestic weder sterven dan?’
‘Ja ghi,’ sprac sente Brandaen,
‘Dies en mochti niet ontgaen.’ +
Doe sprac die heydin man:
196
‘Of ic mi doepte ende ic dan +
Niet en conste wederstaen +
Ic en worde den viant onderdaen? +
Hi pijnt hem nacht ende dach +
200
Hoe hi den meinsche bedrieghen mach.
Den scat dat ic ware een dief
Ende ic dade al sulke werke
204
Die onse sceppere verbiedet sterke? +
| |
| | | |
ontroofde ik al zijn have en goed.
164
Toen kwam er een geweldige vloed,
met zo'n enorm tempeest -
al was ik nog eens zo lang geweest,
nooit had ik gevonden vaste grond
168
waar ik eerst tot de borst in het water stond.
Ik was opeens een stuk te klein
en zo moest het mijn sterfdag zijn,
zoals er een eind komen moet
172
aan alles wat kwaad is of goed,
waar de zielen worden gekweld,
176
zonder hoop op ooit een einde.
Niets ontkomt er aan de tijd,
behalve de hel en het paradijs,
180
in eeuwige vreugde mogen wonen.’
Toen sprak Sinte Brandaan
getroffen, zeer spontaan:
184
dat Hij weer leven gaf aan jou,’
‘nam jij dan het doopsel van me aan?
Wil jij voortaan Gods lof verkonden,
188
dan vergeef ik je je zonden
en dan word jij ook waarachtig
het paradijs nog wel deelachtig.’
192
‘Moet ik dan ook weer van 't leven scheiden?’
‘Jawel,’ sprak Sinte Brandaan,
‘daar is geen ontkomen aan.’
Toen zei de heidense man:
196
‘Als ik gedoopt was en dan
de verleiding niet kon weerstaan,
dan werd ik des duivels onderdaan.
Hij maakt steeds weer een ander plan
200
waarmee hij ons bedriegen kan.
Van rijkdom krijg ik nooit genoeg.
Wellicht dat ik weer aan 't roven sloeg
en mij tot alles weer liet noden
204
wat de Schepper ons heeft verboden.
| |
| | | |
Mine ziele vele mee quellen +
Dan so nu ghequellet es, +
208
+Dies bem ic wel ghewes. +
Want die doepzel hebben ontfaen
Enter Go ds wet af staen, +
Also scriftuere leert hier, +
212
Die ziele wert int helsche vier
Vele meer ghepinet al te fel +
Dan wi zijn, dat weet ic wel,
Want ons niemen en leert +
216
No te zijnre wet en keert. +
Dus vreesic, waert dat ic doepsel ontfinghe +
Ende mijnre wet dan af ghinghe, +
220
Bi des viants quade rade,
Also menich meinsche doet,
Dat men mi dan ter hellen
Want mine ghelike pijntmen min
Dan die doepsel hebben ontfaen
228
Ende harer wet af zijn ghegaen.
Nochtan so vreesic mee die noet +
Die mi weder soude doen die doot,
Wanneer so weder tote mi quame +
236
Ende spreken ende ghedincken, +
Ende mine aderen souden breken +
Ende mine ziele soude varen
240
Weder ter aermer scaren. +
Al ware al de weerelt dijn +
Ende soe oec ware roet ghuldijn +
Ende ghise mi mocht gheven +
244
Ende daer toe met blischepen soude leven +
Ic en naemse niet te waren, +
| |
| | | |
Dan zou men toch ter helle
mijn ziel wel veel meer kwellen
208
heus, dit ontgaat me niet.
Wie 't doopsel christen heeft gemaakt
en die dan Gods gebod verzaakt,
de Bijbel leert het hier, +
212
zijn ziel wordt in 't helse vuur
veel meer gekweld en gepest
dan wij. Dat weet ik best.
Omdat ons namelijk niemand leert
216
en naar Gods wetten keert.
Dus vrees ik, als ik het doopsel ontving
en toch mijn eigen gang weer ging,
of het nu vroeg was of laat,
zoals menig mens toch doet,
dat men mij dan ter helle
224
heel wat meer zou kwellen
Want mijns gelijken kwelt men zo niet
als wie de doop ontvangen heeft
228
en desondanks in zonde leeft.
Maar minstens zoveel vrees ik de nood
bij nog weer opnieuw: de dood,
als die weer net zo bij me kwam
en dat mijn aderen zouden breken
en dat mijn ziel weer lijden ging
Als de hele wereld van u zou zijn
en helemaal van rood goud zou zijn
244
en ik daarbij in vreugde zou leven
u kon u de moeite besparen,
| |
| | | |
Dies gheloeft, dor den noet; dor den noet: noodgedwongen
248
So sterc es die pijne der doot.
Daert di God jonne, saen,’ +
Sprac de goede sente Brandaen.
Ter stede daer God woude. +
Sente Brandaen keerde houde +
260
Also hem God selve gheboet.
An vrienden ende maghen mede, +
264
Gode bevalen sise ter stede. +
Tseyl si an den mast keerden +
Also hem die winde leerden, +
Haer riemers si hute stoten; +
268
Met ghemake datsi vloten. +
Ay, hoe scone dat tscip vloot!
Cort quamen si in groter noot, +
Want een dier al te wonderlijc, +
272
Eenen lind drake ghelijc, +
Wilde verzwelghen haren kiel. +
Hem was sine mule ende sijn giel +
En quamen si in meerren noet. +
Een wolke boven hem ontsloet +
Daer hute quam een dier wonderlijc, +
280
Vlieghende, eenen hert ghelijc,
Den groten zee lind drake
284
Datsi ne wisten waer hi bleef. +
Doe hi dat hadde ghedaen,
In die wolken danen hi quam. +
| |
| | | |
geloof me, wat ik ook zou verwerven,
248
ik wees het af, als ik weer moest sterven.
Ik moet nu weer gaan reizen
naar de plaats, zo vol afgrijzen,
252
‘Ga. God laat je zelf beslissen
waar je naar toe wilt gaan,’
sprak de goede Sinte Brandaan.
256
naar hij van God mocht doen,
teruggekeerd naar die plaats.
Sint Brandaan ging met zijn maats
naar het schip, daar aan de wal,
260
zoals God zelf hem beval.
Toen ze bij het schip aankwamen,
van hun verwanten afscheid namen
en ook van hun kameraden,
264
bevalen die hen in Gods genade.
Het zeil, bevestigd aan de mast,
werd naar de wind gebrast,
de riemen werden uitgelegd.
268
Nu begon de reis pas echt.
O, hoe mooi voer hun boot!
Maar spoedig was er grote nood
door een dier, ontzettend lang,
272
een wonderlijke draak of slang.
Daar zwom het op hun scheepje aan,
zijn muil had het al openstaan
en die was vele vadems wijd.
276
Dit was meteen hun ergste tijd:
nooit kwamen ze in grotere nood.
Er was een wolk die zich ontsloot
waaruit een vreemd dier zichtbaar werd.
280
Het vloog, en leek wel op een hert. +
Het achtervolgde vliegensvlug
die draak, en dreef hem ver terug,
tot het hem zo geheel verdreef
284
dat ze niet wisten waar hij bleef.
in de wolk waaruit het kwam.
| |
| | | |
288
Doe sente Brandaen dat vernam, +
Ende danckets onsen Heere also. +
Doe hi van den drake was verloost,
292
+Te Gode meerderde sijn troost. +
Doe versach sente Brandaen +
296
Eenen sconen werf staen, +
Hi dochte den wijsen heere +
Wel VI milen lanc of meere,
Die stont up den rugghe van eenen vissche.
300
Die bouc maect ons ghewisse +
Dat daer een soete water ant meere gaet. +
Daer hadde die visch sinen haet +
Ghenomen wel menich jaer,
304
So die bouc seit over waer. +
Daer up dien werf stont een wout.
Trocken haer scip in een havene +
308
Ende ghinghen alle doe ave +
Ghenen sconen werf scauwen. +
Si ghinghen oec hout houwen
Omme te ziedene haer heten; +
312
Die hongher liets hem niet vergheten. +
Haren ketel si up hinghen,
Eenen droeghen boem si vonden.
316
Doe sine te houwene begonden, +
Doe so scoet al dat eylant +
Onder twater al te hant, +
320
Te tijde cume sijn scip ghewan. +
Met haesten si int scip spronghen,
Den lof Gods datsi zonghen,
Dat hise bi der ghenaden zine +
324
Verloest hadde van dier pine. +
Die werf die ghinc al onder.
328
Die wint die ghincse jaghen
| |
| | | |
288
Toen Brandaan dit in ogenschouw nam,
was hij heel vrolijk en blij.
De redding uit de drakeklauwen
292
vermeerderde zijn Godsvertrouwen.
296
een kust, zeer aangenaam,
wel zes mijl breed, of meer.
De kust lag op de rug van een vis.
300
't Boek zegt dat daar zoet water is +
dat op die plek in zee komt stromen.
Daar kon die vis aan eten komen,
en hij lag daar, jaar in jaar uit,
304
naar het in het boek verluidt.
Een bos was langs de kust gelegen,
de monniken hadden weer moed gekregen
en trokken het schip aan de kant,
door iedereen werd aanschouwd.
Ze gingen ook uit op hout
voor het koken van hun eten:
312
de honger liet hun dat niet vergeten.
Waar ze hun ketel ophingen
was een boom met droge takken.
316
Toen ze begonnen te hakken,
schoot het eiland met alles erop en eraan
plotseling diep in de oceaan,
320
maar net op tijd het schip opkwam. +
Haastig zijn ze in 't schip gesprongen
en hebben Godes lof gezongen
omdat Zijn goedertierenheid
324
hen van dit onheil had bevrijd.
De kust ging helemaal onder.
328
De wind ging hen opjagen,
| |
| | | |
Doe leden si meneghe onraste +
332
Die heleghe abdt doe sprac:
‘Dit mochte wel een visch zijn, +
+Die desen werf dus trac in. +
Up sinen rugghe braden.’ +
Tote eenen ghestadeghen lande. +
Doe si den vissche ontvaren +
Saghen si een eyselic commer +
348
Het wilde haer scip vaen +
‘Wij en dorvent niet ontsien,’ +
352
‘Wij en hebben hem niet mesdaen. +
Laet ons scip in Gods hant varen,
God sal ons van hem bewaren.’ +
Half waest visch ende half wijf, +
356
Al ru so was hem dat lijf. +
Dicken omme ghinct den kiel.
Sente Brandaen neder viel
360
Ende bat Gode om zijn ontflien. +
Sine moonke baden alle gader. +
Dus verbaden si Gode onsen Vader +
Dat dat vreeselike wonder +
364
Bezijden haren scepe ghinc onder,
Dat zijt hoerden borlen ende wallen +
Dien langhen dach al met allen +
In dier dieper zee gronde. +
368
Doe voeren si voert langhe stonde.
| |
| | | |
het zeil rukte aan de schoot.
zeer slecht op hun gemak.
332
De heilige abt, hij sprak:
‘Die kust, die verzonken is,
lag mijns inziens op een vis.
336
want er groeide een heel woud
op de rug die wij betraden.’
uit het diepst van hun gemoed
340
dat God, zo wijs en goed,
hen voeren zou naar het strand
344
en snel aan het zeilen waren
op weg naar een volgend wonder,
zagen ze een ijselijk monster
voor hen uit de golven rijzen.
348
Het wilde hun schip al grijpen
en vernielen in de vloed.
‘Mannen, hou goede moed,’
352
‘wij hebben hem niets misdaan.
Laat ons schip in Gods hand varen,
God zal ons voor hem bewaren.’
Half vrouw was het en half staart, +
356
zijn lichaam was raigbehaard.
Het ging rond het schip heen en weer.
360
en bad om hulp in de nood.
baden tot God Onze Vader,
en daar ging het vreselijke monster
364
vlak naast hun schip onder,
zodat ze 't geborrel en gebruis
die hele dag, uur in uur uit,
van diep beneden moesten verduren.
368
Toen voeren ze verder, vele uren.
| |
| | | |
Doe quamen si zeylende an een eylant
372
Sielen als in meinschen ghelike +
Ghinghen ende liepen daer up die zee; +
Van couden ende van groter hitte.
376
+‘O wy, wat mach wesen ditte,’ +
Sprac die goede sente Brandaen,
‘Dat dus up die zee can gaen?’ +
Si spraken: ‘Wij zijn aerme zielen;
380
Dus moeten wij hier gaen ende zwielen +
Ende aldus eewelike leven.
Hadden wi om Go de ghegheven +
Den aermen drincken water scone, +
384
So waren wi van betren lone. +
Wij waren drossaten ende scijncten; +
Om dat wij dat heten ende drincken +
Dat ons onse heeren hieten gheven +
388
Den aermen, doe wi hadden ons leven, +
Ende dat wi dat onthilden den aermen, +
So en wil God onser niet ontfaermen.
Van couden zijn wi in groeter noot
392
Ende van hitten in pijnen groot.
Van dorste lijden wi bitter wee
Al es ons so na die zee. +
Wij segghen hu te waren: +
396
Wij en moghen in C jaren +
Een dropel niet ghewinnen. +
Helpt ons bi dijnre minnen, +
Brandaen, wel lieve heere,
400
Bidt Gode voer ons zeere.’
Bat Gode met herten reene, +
Dat hi hem lavenesse wilde senden. +
404
Doe wart dien zielen in haerre allenden
Van Gode een drincken gheorlooft +
Ende datsi metten watre haer hooft
Netten mochten metter hant. +
408
Doe neghen si alle den zant, +
Den heleghen sente Brandane,
| |
| | | |
Toen kwamen ze bij een eiland aan
een straf, zeer wonderbaar:
372
in mensengedaante liepen daar +
veel zielen langs de oceaan.
Ze moesten een bittere kou doorstaan
en tegelijk een grote hitte. +
376
‘O wee! Maar wat is dit,’
sprak de goede Sint Brandaan,
‘dat aldus langs de zee moet gaan?’
Ze zeiden: ‘Wij zijn arme zielen
380
die tot honger en dorst vervielen
en aldus eeuwig moeten leven.
Hadden wij maar fris water gegeven
aan de armen, zo God ons zegt,
384
dan ging het ons nu niet zo slecht.
Wij waren schenkers, moet u weten.
Omdat we het drinken en het eten
dat we aan de armen moesten geven
388
van onze heren, bij ons leven,
onthouden hebben aan de armen,
kent God voor ons nu geen erbarmen.
De kou geeft ons ondraaglijk leed
392
en tevens hebben we 't gloeiend heet.
Van dorst moeten wij haast vergaan, +
terwijl we vlak bij 't water staan.
Wij zeggen u, en het is waar:
396
wij kunnen in geen honderd jaar
een druppel daarvan smaken.
Laat toch uw goedheid maken
dat er hulp komt, lieve heer Brandaan,
400
roep God innig voor ons aan.’
Brandaan bad aan één stuk door
met een rein hart om gehoor,
dat Hij hun lafenis zou zenden.
404
Toen werd de zielen in hun ellende +
door God een dronk veroorloofd.
Ook mochten ze eventjes hun hoofd
408
Toen knielden ze allen voor die sint,
voor de heilige Brandaan.
| |
| | | |
412
Ende screef dat Gods vertoghen. +
416
Die aerme zielen in hare allenden,
Die daer liepen up die zee,
+Riepen ‘wach’ ende ‘wee’
Doe de kiel danen vloot, +
420
Want si bleven in groter noot.
Doe voeren si met ghemake
Up die wilde zeewes vlake. +
Doe horden si saen booten +
Noort waert an dat Lever meere, +
428
Daer dat cleene Gods heere +
Wel na verzeylt was in groter noot. +
Si waerre wel na bleven doot. +
Dit verzach sente Brandaen: +
432
Menich scip al daer staen
Ende meneghen mast boom waghen, +
Huter Lever zee daer raghen. +
Het dochte hem zijnde een wout.
436
Hoe dicke hem God sine doghet gout! +
Daer sprac van Gods weghen ane +
Eene stemme aldus Brandane:
‘Vare oest waert metten baren,
440
Hier moghedi niet voerder varen. +
Daer ligghen steene in die zee,
Die meneghen scepe doen wee. +
Wat scepe met ysere bi hem quame, +
444
Tote hem hijt trocke ende name
Ende het moeste daer al bliven.’ +
Doe begonstese een wint driven
Eenen sconen monster staen. +
| |
| | | |
en wat God hem liet beleven,
412
heeft hij in het boek geschreven.
Toen beval Sinte Brandaan
dat het goede schip hiervandaan
416
De arme zielen in hun ellende,
die daar liepen langs de zee,
want nu het schip verdween,
420
waren ze in hun nood weer alleen.
Ze voeren in rust en vree
Maar toen kwamen er grote,
424
hevig brullende windstoten.
noordwaarts naar de Leverzee. +
428
Gods kleine leger was daarmee
bijna verzeild in grote nood:
ze waren op een haar na dood.
432
veel gezonken schepen aan,
heen en weer ging menige mast
die daaruit naar boven stak:
het deed hem denken aan een woud.
436
Weer was zijn vroomheid zijn behoud. +
Daar sprak een stem Sinte Brandaan
‘Zet koers naar 't oosten met de baren,
440
hier kun je niet verder varen.
In zee liggen daar vele stenen,
die trekken de schepen naar beneden:
elk schip met ijzer dat daar kwam,
444
de steen trok het onweerstaanbaar aan,
zodat het er voortaan moest blijven.’
Een wind begon hen voort te drijven
en nam ze naar het oosten mee,
448
naar een rots die opstak uit zee.
een prachtig klooster staan.
| |
| | | |
Daer woenden moonken inne
452
Die Gode dienden met zinne +
Ende hadden ghedaen menich jaer.
Snachts so bleef sijn kiel daer +
Onder dien hoghen steene. +
Ghinc boven up dien hoghen berch.
Daer vant hi een eerlic werc +
460
+Niet en conste hi ondervinden +
Sonder alleene die Gods cracht. +
Haer leven was claer ende reene. +
464
Sulke moonken hebben wi gheene!
‘Sijt willecome, heere Brandaen!’
Deser rijcker Gods deghene +
468
Diere en was maer zevene. +
Hem quam daghelike hare spijse +
Van den eerdschen paradijse.
Te middaghe brocht hem ghedraghen +
Drie broede ende een half ende eenen visch
Up der goeder lieder disch. +
Die visch quam al ghebraden. +
Dat hi met hem wilde heten gaen. +
‘Mijn Heere God es so rijke, +
Wiste hi dat ics werdich ware.
Hoe gherne ic sine ghenaden doghe! +
488
Ende dat es mine ghelove, +
Mi aermen ende allenden, +
Die hu bi ziere ghenaden versach +
492
Ende tfierde broet ontwee brac, +
| |
| | | |
452
die God dienden met toewijding
en dat al sinds zo menig jaar.
Die nacht bleef zijn schip daar
onder die hoge wand van steen.
klom boven op de hoge rots.
Daar vond hij die kinderen Gods
bezig met hun heilig streven.
460
Hij begreep niet hoe hun leven
op die rotskust werd volbracht:
dat kon alleen maar door Gods kracht.
Hun leven was helder en rein.
464
Monniken als er bij ons niet zijn!
Ze spraken hem dadelijk aan:
“Wees welkom, heer Brandaan!”
Die voorvechters van het vrome leven,
468
daarvan waren er maar zeven.
Dagelijks kregen ze hun spijs
uit het aardse paradijs: +
472
door een duif en een raaf gebracht.
Drieënhalf brood en een vis
kregen die vromen op hun dis,
de vis kwam zelfs gebraden. +
476
Ze kwamen hem daar vragen,
480
Hij wilde daar niet van weten,
maar hij zei, weldoordacht:
“Mijn Here God heeft zo'n macht,
484
had mijn portie brood en vis
met het andere meegezonden,
als Hij 't me waardig had bevonden.
Steeds zal ik Zijn genade loven,
488
maar nu moet ik wel geloven:
Die u van 't nodige voorzag
492
en 't vierde brood in tweeën brak,
| |
| | | |
Dat hu sijn bode hevet bracht.
Doe haddi mijns wel ghedacht +
Met zijnre lijfneere, God de Vader. +
Dat ict late sonder nijt. +
+Ic hebbe van Gode te leene
Van visschen, vruchten ende brode,
504
Alles dies ic bem van noode +
508
Dat hi haer gheve sijn rike.” +
Doe quam die hemelsche bode
Ende brochte hem sine spijse
Doe de heeren hadden gheten, +
So laet ons die bouc weten
Dat Brandaen, die heleghe man,
Ghinc weder te scepe saen.
Daer quam een zuut westen wint,
520
Die dreef hem, also hi kint, +
Weder noort oest te dale +
Daer leden si menich wee, +
Sinen consten niet verhoeghen. +
Up dien selven hoghen steene
Die ru was als een beere. +
Hi en sach niet dan lucht ende meere.
532
Hoe dat hi daer commen ware,
Vraechde hem sente Brandaen.
| |
| | | |
dat u Zijn bode heeft gebracht,
zou ook aan mij hebben gedacht
en aan mijn voedsel, God de Vader.
en u zult ook allen weten
dat ik kan vasten zonder spijt.
Ook ik krijg mijn gaven Gods:
van vissen, fruit en broden
't is in mijn schip geborgen.
Wilt u voor mijn ziel zorgen,
bidt dan tot God in 't hemelrijk
508
dat Hij mij toelaat in Zijn rijk.’
Toen kwam de hemelse bode eraan
en die bracht hem zijn spijs
512
uit Gods heerlijk paradijs.
en het boek laat ons weten
dat Brandaan, de heilige man,
516
van die monniken afscheid nam.
is toen weer aan boord gegaan.
Er kwam een zuidwestenwind
naar het noordoosten weer. +
De zee ging flink tekeer,
een rots, die was zo hoog
dat hij zich onttrok aan het oog.
En op die puntige klomp steen
528
daar zat een man, alleen,
die ruig was als een beer.
Lucht en zee zag hij. Niets meer.
532
Hoe hij daar kwam en vanwaar,
vroeg hem Sinte Brandaan.
| |
| | | |
‘Ic bem den moonken onderdaen,’ +
Seide hi weder, ‘glieloves mi, +
536
Daer du dese weke waers bi.
Ic hebbe gheseten alleene
Daghelics sine spijse ghegheven.
Bi sinen troeste moetic leven, +
544
+Dat ic sint anders niet ontbeet +
Van dat ic eerst hier quam, +
Ende ic nye zint en vernam +
Levenden meinsche nemmermeere
548
Dan hu, wel lieve heere.’
¶ Doe vraechde hem sente Brandaen
Hoe sijn leven was ghedaen +
‘Ic secht di ghewaerlike, +
Pantifilia hiet mijn lant.
556
In Capidocia, een ander ghenamt, +
Daer nam ic een scone wijf,
Dies lijdet groete pijne mijn lijf, +
Want het was de suster mine.
560
Dies doeghic groete pine. +
Daer bi so haddic sonen twee, +
Doe dhoudste te sinen scilde quam, +
564
Sijn lijf dat ic hem nam +
Daer dandre bi eenen scepe stoet,
Nam hem een donder slach sijn lijf.
568
Oec versloughic mijn scone wijf. +
Doe alle die zonden up mi laghen,
Doe vreesdic die Gods plaghen +
Beede vrienden ende maghen, +
Ende ghinc te scepe in dien daghe
Ende wilde mine groete zonden
| |
| | | |
Hij antwoord.de: “Neem van mij aan
dat ik bij het klooster hoor,
536
dat u bezocht hebt, kort hiervoor.
Ik heb gezeten heel alleen
een jaar minder dan honderd jaar.
540
Tot nu toe heeft God me daar
elke dag Zijn spijs gegeven.
bij Zijn hulp moet ik leven.
544
dat ik niets anders heb gegeten
sinds de dag dat ik hier kwam.
Zo lang is het ook dat ik niets vernam
van levende mensen, nimmermeer,
548
tot u bij mij kwam, heer.”
Toen vroeg Sinte Brandaan
hoe 't hem in zijn leven was vergaan
voor zijn lang verblijf aldaar.
552
Toen sprak de kluizenaar:
“Ik zeg het u heel eerlijk:
ik was een koning en schatrijk.
Eén land van mij was Pantifilia, +
Daar nam ik een mooie vrouw,
er kwam pijn van en berouw:
het was mijn zuster die ik heb bemind.
560
Daarom zit ik hier in weer en wind.
Dat ik twee zoons van haar kreeg,
bracht veel verdriet teweeg.
Zodra de oudste een schild mocht dragen, +
De ander stond bij een schip,
een bliksemschicht heeft hem doorboord.
568
Ook heb ik mijn vrouw vermoord.
Toen al die zonden op me lagen
kwam de angst voor Gods straf me plagen.
Haastig ging ik daarom scheep.
572
liet mijn rijk toen in de steek.
en ook mijn vrienden en verwanten,
en ging op reis naar verre landen,
want ik wou mijn grote zonden
| |
| | | |
576
Varen den paeus orconden. +
Doe rees een storem up die zee,
Also ic hu mach vertellen: +
580
Daer bedorven alle mijn ghesellen, +
Ende claechde mine mesdaet +
584
Hem die mi ghescepen haet. +
Hier wachte ic zijnre ghenaden
+Van minen groeten mesdaden.
Den sanc van hemelrike.” +
¶ Doe seide sente Brandaen:
592
“Secht mi, lieve heere, saen,
Als hu dat coude ane gheet, +
Hoe moghedi sonder cleet +
Van couden hier ghewesen? +
596
Van lieden hebbic ghelesen,
Ende dienden Gode den edelen, +
Die alles ghemacx vergaten, +
600
Niet dan tcruut si en haten. +
Maer in bosschen ende in velde,
Daer hem elc te sine stelde, +
Of in duwieren of in riede +
604
Behilden hem die goede liede, +
Dat hem tcoude niet mochte deeren.”
“Mach ic die siele gheneeren,” +
Sprac die ruwe clusenare,
Wat noede dat mijn vleesch heeft +
Die wijle dat hier leeft. +
Als ic hier sitte, sonder waen,
612
Ende mi die coude te seere bestaen, +
Slupe ic in eenen hole sciere +
Onder eenen tempel hiere, +
Daer verbeide ic dat ghestille. +
616
Ic wane het es Gods wille +
Dat mijn lichame ende mijn beene +
| |
| | | |
576
in een biecht aan de paus verkonden.
Toen kwam er zware storm op zee,
die sleepte het schip mee,
580
Toen verdronken al mijn metgezellen,
op deze hoge top van steen
en ging over mijn misdaden klagen
584
bij Hem, die mij had geschapen.
Hier wacht ik op Zijn genade
voor mijn grote misdaden.
588
Ik hoor hier helder en klaar
592
“Heer, hoe moet dit gaan:
in de kou hier overleven?
596
Van mensen heb ik gelezen,
kluizenaars, die God eerden +
Maar die hadden nog hutten
die hen konden beschutten
604
dat hun een schuilplaats liet,
daar was 't wat minder koud.”
“Als ik mijn ziel maar behoud,”
608
“dan maak ik mij niet naar
om de nood die mijn lichaam heeft,
zolang het hier op aarde leeft.
Als ik hier zit, gebeurt het wel
612
dat er een kou komt, al te fel,
dan kan ik naar dat rotsblok sluipen
en in een kleine holte kruipen, +
tot het noodweer gaat bedaren.
616
Het is Gods wil, kan ik verklaren,
dat mijn lichaam en gebeente
| |
| | | |
Den domsdach moeten verbeiden. +
Ic en spreke jeghen hu nemmeere.
Die gheve hier na eewelike
624
Ons allen zijn hemelrike.”
Sente Brandaen voer van dannen +
628
+Daer worden si arde moede
Vanden winde metten baren
Daer si in moesten varen.
Daer dreven si metten winde
An eene vreeselike stat. +
Die bouc die seit ons dat,
Dat hi eere hellen pit verzach +
636
Daermen in riep “o wy, o wach!”
An eenen donckeren berghe. +
Daer waren in zwaren erghe +
640
Die daer branden ende wielen. +
Dien berch bernet emmermeere. +
Daer es meneghe ziele in zeere. +
Daer en hordi anders niet mee +
644
Dan “o wy” ende “wach” ende “wee”.
Daer hoerdi crijsel tanden. +
Daer sach hi vlieghen die branden +
In die wolken hoeghe up waert.
648
¶ Sente Brandaen sprac ter vaert +
Ten proofst die der hellen plach: +
“Segghe mi, oft wesen mach, +
Wat es die grote onminne +
652
Die ic nu daer hore inne?”
¶ Doe seide een der pijn heeren: +
“Hier zijn vooghde ende onrechte heeren, +
656
Ende oec ongherechte vrauwen, +
Loese meyeren ende loese schepenen, +
Die moetent nu hier berekenen. +
| |
| | | |
de oordeelsdag moeten verbeiden.
ik praat met u niet langer meer.
Dat God, Onze Lieve Heer,
na wat men hier ontberen moet
624
ons in Zijn hemelrijk begroet!”
Samen met Sint Brandaan gingen
weer zijn vrome schepelingen
verder met hun grote tocht.
628
Daar werden ze, al zo moe, bezocht
door stormen, met een kracht
632
naar nieuwe eenzaamheden,
naar weer een vreselijke plek.
dat hij een helleput zag.
636
Daarin riep men “o wee!” en “ach!”,
't Was op een donkere berg.
Daar leden de zielen zo erg,
waar ze in het vuur dat loeide,
640
kookten en brandden en gloeiden.
De berg brandt immermeer,
daar lijden de zielen zeer,
daar hoorde hij niets dan geklaag
644
van “ach!” en “o wee!” en “achaach!”, +
daar hoorde hij knarsetanden
en zag hij brokstukken branden
dat het in de wolken sloeg.
648
Sinte Brandaan, hij vroeg
aan de opzichter van de hel:
“Zeg mij, heerschap, en vertel,
Een beul kwam hem toen leren:
“Hier zijn corrupte grote heren
en, u kunt me daarin vertrouwen,
656
ook onrechtvaardige vrouwen.
Oneerlijke meiers en schepenen
die komen hier nu afrekenen.
| |
| | | |
Ic sechdi noch meerre wonder:
660
Die wroughers sijn hier onder +
Die moeten wi hier vergaderen
Dat van hem quam ghegaen +
668
Dits haer loen in waerliker dinghe, +
Om datsi dies ghedochten, +
+Datsi hare heeren brochten +
672
Mesvoerden die aerme lieden. +
Daer omme so moeten si hier
Bernen in dit heete vier.
Oec zijn hier ander zielen
In overden, in ghiericheit, +
Entie met boeser scalchede +
Dicken hebben verordeelt. +
Dies werden si eewelic hier verzeelt, +
Om datsi niet wilden afstaen +
684
No rechte boete ontfaen.”
Doe riepen die aerme zielen:
“Brandaen, heere, wi zwielen +
Brandaen, wel lieve heere,
Bidt Gode voer ons zeere.”
Die duvel hieten wech varen. +
692
“Ic segghe hu,” sprac hi te waren,
“Ghi en wert niet zijnre hulpen vro; +
Hi en mach hu helpen niet een stro. +
Ghi roupt al jeghen spoet. +
696
Ghi en hadt nye wille no moet +
Dus en hebdi nemmermeer zoene.” +
¶ Een evel stanc hem ane viel. +
| |
| | | |
En nog iets waar je van op zult zien:
660
lasteraars zijn hier en bovendien
mensen die verraders waren.
664
waar we zondaars met de mond +
668
vandaar deze pijnigingen. +
En dan Wie Uit boze gedachten
hun meester ertoe brachten
om tot hun eigen gering profijt
672
af te zien van liefdadigheid.
branden in dit hete vuur.
Ook zijn hier andere zielen
tot hoogmoed en inhaligheid,
tot allerlei boosaardigheid,
en die met lagen en listen
680
hun naaste en mede-christen
dikwijls hebben bedrogen.
Nooit zullen ze hier uit mogen,
daar ze hun zonde niet beleden
Toen riepen de zielen door elkaar:
‘Brandaan, ons lot is gruwelijk zwaar,
Brandaan, ach, lieve man,
bid voor ons zoveel u kan!’
De duivel beval hem weg te gaan
692
en riep tot hen: ‘Neem dit van me aan,
dat Brandaan, de heilige man,
u geen bijstand bieden kan.
Vergeefs is 't roepen dat u doet,
696
want nooit kwam het op in uw gemoed
Gods wil te doen tijdens uw leven.
Daarom wordt niets u meer vergeven.’
Een vieze stank vulde de lucht.
| |
| | | |
700
Doe keerdi danen sinen kiel
Ende si quamen an een eylant.
Daer ghinc die zorghe in hant, +
Want arde doncker waest daer.
704
Daer en waest niewers claer, +
Maer die gront der zee was goudijn
Daer dat slijc soude zijn.
Oec waren daer edele steene
708
Om dien kiel al ghemeene. +
Wel menich edel carbonckel, +
Al waest daer arde doncker,
Hadde daer God verborghen.
712
+Daer laghen si in groter zorghen
Drie nachte ende drie daghen,
Sonne, mane no sterren licht;
716
Des saghen si twint nicht, +
Maer al donckernesse sonder dach.
Die kiel daer al stille lach.
Daer in spronghen die recken +
¶ Doe voeren si in een eylant +
Daer ghinghen si up te hant. +
Ende doe si quamen up dat sant, +
Waren si blijde ende vroe. +
732
Met sente Brandane ghinghen si doe
Tote eene der scoenster zale +
Die nye kerstin man sach, +
736
Alsic hu mach doen ghewach. +
Die zale was buten ghuldijn.
Dat die stijle souden zijn, +
740
Daer en was gheen so doncker,
Hi en lichte alse tsonne scijn.
| |
| | | |
700
Ze zijn die atmosfeer ontvlucht
en aangekomen bij een eiland.
Ze waren nog niet uit de brand:
de duisternis was daar heel dicht
704
en nergens was een sprankje licht,
maar de zeebodem in dit vreemde rijk
bestond uit goud in plaats van slijk.
Ook lag daar menige edelsteen
708
overal om het schip heen:
stralende karbonkels van grote pracht
had daar in 't duister van de nacht
712
Daar lagen ze in grote zorgen
drie nachten en drie dagen
zodat ze niets meer zagen
van zon of maan of sterrelicht.
716
De duisternis was potdicht
en er was geen spoor van de dag,
waar het schip doodstil lag.
Toen besloot Sinte Brandaan
720
er met een sloep op uit te gaan.
Die werd uit het schip getrokken
en daarin zijn ze vertrokken
724
op zoek naar een haven gegaan.
waar Gods held en afgezant
met zijn schip niet had kunnen komen,
728
naar wij hebben vernomen. +
waren ze vrolijk en blij.
732
Met Sinte Brandaan gingen zij
naar een kasteel, zo fier
als nog nooit een christen zag.
736
Graag maak ik daarvan gewag.
De slotmuur was geheel verguld
en al het houtwerk werd verhuld
door een dikke laag robijnen.
740
De donkerste zelfs kon schijnen
met een licht als van de zon.
| |
| | | |
Voer die zale spranc een water fijn. +
Daer was so vele goets in,
744
Dat vulprijsen mochte gheen zin. +
Dies was daer goeden coep. +
Olyve, honich ende zeem, +
748
Dat vloyde daer over een: +
In IIII aderen het vloot. +
Dat dochte hem wonder groot.
Om dien s elven borne scone +
Daer stonden vele bome scone
Daer stonden menich cedrus
Ende furijn ende wijngaerde +
Ende bome van meneghen aerde.
Specien stonden daer so vele, +
760
Dat dar ic hu segghen wele, +
Haddict ghescreven al te male +
Dat daer stont voer die zale,
Het soude eer lijden een jaer +
764
Eer ict ghescreve over waer +
In hoe menegher manieren +
Daer bome stonden ende crude diere +
Ende meneghe wonderlike dinc.
768
Ay, hoe in twifele ghinc +
Dwesen dochte hem daer so goet +
Datsi noede keerden wedere. +
772
Het schenen scone paeus vederen +
Van der zalen boven dat dac.
Daer was alle dat ghemac +
Dat een keyser hebben soude
776
Ende hi feeste houden woude. +
¶ Den moonken quam in haren zin +
Om te siene die scone zale.
780
Een der moonken stal daer tien male +
Eenen breydel wel ghedaen. +
Dat sal hi becoepen saen +
| |
| | | |
Voor 't kasteel ontsprong een bron +
en wat daarin was aan te wijzen,
744
was niet genoeg te prijzen.
Olijfolie, honing zowaar,
748
vloeiden er naast elkaar:
in vier stromen vloeide het voort,
Er was een wondermooie bron
752
met eromheen een groot gazon
met rondom bomen, wonderschone,
om het schouwspel te bekronen.
Menige ceder zag men er staan
menige pijnboom en wijngaard
en bomen van velerlei aard.
Daar waren kruiden, zoveel,
760
als ik dat alles mededeel,
als ik alles beschrijven zou
wat er stond voor dat gebouw,
764
met beschrijven nog niet klaar,
zoveel kostbare kruiden en bomen
als daar werden waargenomen
768
Ach, welk een twijfel beving
de monniken in hun gemoed!
Het verblijf beviel zo goed
dat ze niet graag terug wilden keren.
leek daarboven het prachtige dak.
dat een keizer zou verlangen
776
om zijn feestgangers te ontvangen. +
De monniken konden het niet weerstaan
om allemaal naar binnen te gaan
en de mooie zaal te bekijken.
780
Een monnik werd dief en ging strijken
met een paardeteugel en bit.
Maar weldra bekoopt hij dit:
dat lijdt geen enkele twijfel!
| |
| | | |
Ic wane hijs niet en wiste
Waer omme dat hine hem boot. +
788
Dies leet hi pijne groot.
Hi riet hem dat hine name,
Want hi hem wel ware betame +
Met te rijdene in zine lande. +
792
Dies leet hi groete scande.
Hi roerdene dat hi waghede. +
Hoe wel dien moonc behaghede
Dat hine claer sach scinen!
Pijndene doe hi daer quam +
800
Om datti daer den breidel nam
Ende baerchen onder zijn ghewant. +
Doe sijt besien hadden wale,
804
Te hant ruumden si die zale +
Ende ghinghen wech te zamen.
Doe si een lettel bet voert quamen, +
Doe so sach sente Brandaen
808
Al te scone eene borch daer staen +
Die scoenre was dan die zale al
Daer die moonc den breydel stal.
Doe saghen si tien tijden +
Dat lant in allen zijden claer. +
Ne gheenen nacht en was daer,
Daer en was no rijm no snee, +
816
Daer en dede hem de wint niet wee,
Van reghene en waest daer niet nat.
Een houd man al daer zat +
Ende wel ghehaert, en had mooi haar
Graeu was hem zijn baert. +
Enter selver borch doren +
824
Ghinghen jonghelinghen dore
| |
| | | |
784
Dicht bij hem stond een duivel
die 't hem inblies met lage list.
Ik denk dat de monnik niet wist
waarom hem de duivel dit bood.
788
Haast bekocht hij 't met de dood.
Hij ried hem de daad te begaan
daar de teugel hem goed zou staan
als hij er thuis mee uit zou rijden.
792
Wat zou de monnik nog lijden!
De duivel beroerde de teugel uitdagend,
daarmee de monnik zozeer behagend, +
die de teugel zo helder zag blinken!
796
Vandaar dat hij erge martelingen
in de hel zou moeten ervaren,
alwaar de duivelse schare
hem pijnigde, toen hij daar kwam,
800
omdat hij het hoofdstel nam
in die mooie zaal, eigenhandig, en hij
het verstopt had onder zijn pij.
Toen ze alles in ogenschouw hadden genomen,
804
zijn ze uit dat kasteel gekomen
en gingen weg, altezamen.
Toen ze wat verder kwamen,
808
een bijzonder mooie burcht staan,
mooier nog dan het kasteel met die zaal
waar de monnik de teugel stal.
Ze zagen terzelfder tijd +
812
hoe het landschap wijd en zijd
straalde in heldere pracht.
Daar werd het nooit nacht.
Sneeuw en rijp konden daar niet zijn,
816
daar deed hun de wind geen pijn.
Het was daar van regen niet nat.
Een krachtige oude man zat +
en een volle grijze baard.
Door de poort heen gingen
| |
| | | |
Arde vele ende ghenouch, +
In die poerte stont een jonghelinc
Die maecte eenen wijden rinc +
Met eenen zwerde vierijn. +
832
Dat mochte wel die inghel zijn +
Die daer niemen liet commen in,
+- Die moet ons gheleeden wel - +
Metten anderen jonghelinghen.
840
Aldaer die moonken ghinghen
Nam hi eenen moonc bi den rocke, +
Bi den aerme ende bi den toppe +
Ende leeddene in die borch dore, +
844
Daer doe die inghel stont vore
Met sinen zwerde vierijn.
‘Hier mochten wi wel te langhe zijn,’
848
Tote sinen ghesellen toe,
‘Hier hebben wi ghenomen +
852
Ghemindert in sijn rike. +
Onsen moonc moeten wi hier laten,
Weder dat ons mach scaden of baten. +
Dese muere sijn so hoghe,
856
Onser ne gheen canse verhoghen +
No die lanchede verkiesen. +
Hier en willic niet meer verliesen,’
Sprac die heleghe Brandaen,
860
‘Ic wille weder te scepe gaen.’
Als ons die bouc maect wijs, +
So was dit deertsche paradijs. +
Van dier doncker zee ende lande,
| |
| | | |
dat ons ook duidelijk weten laat
828
dat het hier om engelen gaat.
In de poort stond een jongeling, +
die maakte een wijde kring
met een zwaard vol vurig licht.
832
Het was die engel wellicht
die als naam heeft Cherubin.
Hij liet daar niemand in,
't zij verborgen of openbaar,
Daar kwam toen Sint Michiel +
- hij geleide onze ziel -
met de andere jongelingen.
greep hij een monnik bij de pij,
arm en hoofd omknelde hij,
en de burchtpoort trok hij hem door.
844
Niemand kon er toen meer door,
daarvoor zorgde Cherubin.
‘We steken ons hier niet verder in,’
‘want tot nu toe hadden we hier
meer narigheid dan plezier.
God doet ons op wondere wijze
852
met minder mensen reizen,
we moeten onze monnik hier laten,
of ons dat nu mag schaden of baten.
Deze muren zijn zo hoog, +
856
hun hoogte onttrekt zich aan het oog,
en hun lengte overzien we niet.
Meer verliezen wil ik hier niet,’
sprak de heilige Brandaan,
860
‘laten wij naar het schip toe gaan.’
Uit het boek worden we wijs:
dit was het aardse paradijs.
Toen ze aan boord weer kwamen
van die zeekust die geen licht ontving,
| |
| | | |
Een der moonken doe verkande +
Dat die gront goudin was.
868
Ay, hoe blide waren si das! +
Doe ghinghen si hute met spele +
Ende droughens in den scepe vele, +
Elkerlijc in sine hande, +
872
Daer si zint mede in haren lande +
Mettien so hoerden si een gheruusch
876
Ende een weder also craken +
Ende een vier also blecken, +
Dat die goede Gods recken +
Ontsaghen des hemels vallen. +
880
+Doe quamen die duvele met allen
Ende heesscheden met rechte +
Den breydel dief die si zochten.
Om dat hi den breydel stal
884
Voerden sine in den afgront al, +
Daer moeste hi in der pinen dooten +
Met anderen sine ghenooten. +
Doene begreep die viant, +
888
Metten breydele hine bant: +
Diefs recht maecte hi hem cont. +
Hi voerdene wers dan een hont: +
Hi sleepten met vleesch ende met been +
892
Over struuc ende over steene
Te zijns heeren aensichte. +
Daer was een groet gheruchte +
Daer hine voerde te zijnre scolen. +
896
Die sint meer hebben verstolen +
Willent al voer niet slaen, +
Maer en sal also niet gaen
900
Ende daer af penitencie ontfaen, +
Anders sullen si moeten quellen +
Metten duvelen in der hellen.
¶ Sente Brandaen hads toren +
904
Dat hi zondelike verloren +
Met tranen hi aldus claghende zeecht:
| |
| | | |
merkte een monnik plotseling
dat de bodem van puur goud was.
Ze zijn overboord gedoken
en beladen met schatten teruggekomen.
Daarmee brachten ze in hun land
872
nadien heel veel goeds tot stand
voor menig klooster en hospitaal.
Meteen hoorden ze een kabaal, +
de stormwind ging leven maken
876
en de donder begon te kraken,
er kwam vuur van alle kanten,
dat de helden en Godsgezanten
de hemel al haast zagen vallen.
880
Toen kwamen de duivels met hun allen
en ze eisten met goed recht
Brandaans diefachtige knecht.
884
sleurden ze hem naar de hel.
Daar zou hij met veel andere dieven
van de pijn haast zijn verstand verliezen.
Toen de duivel hem had gevonden,
888
werd hij met de teugel vastgebonden
en leerde hoe diefstal wordt berecht:
geen hond behandelt men zó slecht.
De duivel liet zijn botten krakken
tot voor de tronie van zijn heer.
Daar was veel gejeremieer
van de verdoemden die daar dolen.
896
Wie sedertdien hebben gestolen,
hoeven werkelijk niet te hopen
dat het met hen wel los zal lopen:
wie aan 't oude leven hangt
900
en geen penitentie ontvangt,
kwellingen zal hij verduren
met de duivels in de helse vuren.
Brandaan had er hartzeer van
904
dat door de zonde van de man
hij deze monnik verloren heeft,
zodat zijn stem van tranen beeft:
| |
| | | |
‘Waric niet een droghenare, +
908
God en hadde mi niet so zware
912
So es mine vaert ghelinghet. +
Ic en sceede henen nemmermeere, +
Mi en doe hebben onse Heere +
Soucken ons Heeren oemoet, +
920
Hute der zwaerre allenden.’ +
¶ Doe saghen si een sittijn +
928
Daer sprac een stemme hute van binnen:
‘Wat wijtstu mi, Brandaen? +
Des en hebbic niet ghedaen. +
Die duvel voerdene te zijnre scolen +
932
Omme dat hi heeft ghestolen.
Waer omme belghestu up mi? +
Onsculdich bem ic jeghen di.
936
Om eenen appel dien hi nam
Also eist huwen moonc vergaen, +
940
Met diefs rechte es hi ghevaen +
Ende es der hellen ghegheven.’ +
‘Ne scende, Heere, niet zijn leven!’ +
Sprac weder sente Brandaen,
944
‘Heeft mijn moonc hiet mesdaen, +
Dies willicken voert bringhen +
Voor hu in allen ghedinghen.’ +
¶ In cruce si hem strecten, +
948
Biddende met tranen si wecten +
| |
| | | |
‘Was ik zelf niet vol bedrog,
908
dan had Onze Heer me toch
bij alles wat ik moest beleven
niet ook nog deze ramp gegeven.
Mijn reis, daar komt geen einde aan,
912
als God dit alles toe blijft staan.
Van hier vertrek ik nu nooit meer
mij mijn monnik terug zal geven.
916
Nederig zal ik blijven smeken
om 't erbarmen van de Heer
tot de duivel eindelijk weer
mij mijn monnik terug zal zenden
920
uit de vreselijke ellende.’
ze smeekten innig en baden
924
ter wille van Maria om genade.
een troon met twee horens van vuur,
928
Daaruit weerklonk een stemgeluid:
‘Wat verwijt je me, Brandaan?
de duivel voerde hem naar zijn holen
932
omdat hij heeft gestolen.
Waarom ben je kwaad op mij?
Dat ik onschuldig ben, weet jij,
Zo is het jouw monnik vergaan,
940
dat hij voor diefstal terecht moest staan
en aan de hel werd uitgeleverd.’
‘Beneem, o Heer, hem niet zijn leven,’
sprak daarop Sinte Brandaan,
944
‘heeft mijn monnik iets misdaan,
ik zou maken dat hij ging
en voor U verscheen in elk geding.’
Ze Wierpen zich neer met gestrekte armen +
948
en smeekten in tranen om erbarmen
| |
| | | |
Ter herten wart hem zware. +
Haer bede wilden si niet begheven, +
952
Altoes si daer an bleven +
Tote die almachteghe God +
Den duvele gaf een ghebod
Dat hi Brandane tsinen ghevoughe +
956
Sinen moonc weder droughe
Toten kiele in der vloeden. +
Onlanghe si daer mede stoeden, +
Hi en ghincker omme loepen. +
960
Den breydel moesti becoepen! +
Dat hi up sulc een ors zat, +
Quam om dat hi Gods vergat,
Daer hi dien breydel tien male +
964
+Hier voren stal in die zale.
¶Der heetter hellen heere +
Dat hi dien moonc moeste draghen
968
Toten kiele up sine craghen. +
Doe hine brochte up dat boort, +
Doe sprac hi lude, zeere ghestoort: +
‘Weetstu niet,’ sprac hi, ‘Brandaen,
972
Dattu mi leede hebs ghedaen? +
Du en laets mi niet behouden
Dat wi met rechte hebben souden!
Du mesdoet jeghen ons, dats waer.’ +
976
Die moonc dochte hem arde zwaer
Daer hi die letaniere zanc, +
Sittende up sinen hals beene. +
980
Over stoc ende over steene
Daer hi den moenc drouch,
Drouchine ten kiele ende louch +
Ende warpene in de stevene weder. +
984
Onsachte sette hine neder. +
Daer was hem sine verwe van eere +
Dat sine cume verkanden. +
988
Pec hadden hem die helsche vianden +
Ghewreven an lijf ende an baert,
Die huut was hem ter vaert +
| |
| | | |
bij God, die ons heeft gemaakt.
Diep in het hart geraakt.
Brandaan zijn zin te geven
956
door de monnik terug te slepen
naar het schip daar in de zee.
De duivels treuzelden er niet mee: +
een duivel ging met hem galopperen
960
om hem zijn streken af te leren:
dat hij op zo'n paard zat
kwam doordat hij God vergat,
toen hij uit onbedachtzaamheid
964
tot zijn diefstal werd verleid.
De meester van de hete hel,
zijn wrok was uitermate fel:
vloog hij immers niet voor gek
968
met die monnik op zijn nek?
Toen kwam hij met hem aan boord
en sprak luid en zeer verstoord:
‘Weet je niet,’ sprak hij, ‘Brandaan,
972
dat je me kwaad hebt gedaan?
Want jij hebt me afgenomen
wat ons rechtens toe moet komen,
je doet ons onrecht, dat is waar.’
976
De monnik woog hem heel erg zwaar
en de tocht duurde zo lang
van die kwezel op zijn nek,
980
over stenen, door de drek,
tot hij 't schip tenslotte zag.
Hij bracht hem daar, en met een lach
smeet hij hem hardhandig neer
984
op de plecht, en dat deed zeer.
Door alles wat er was gebeurd,
was de monnik zo verkleurd
dat ze hem nauwelijks herkenden:
988
pek hadden de helse benden
gewreven op zijn lijf en baard.
Zijn huid was op de hellevaart
| |
| | | |
Swart bemasschert ende berompen, +
992
Van stocken ende van tsompen +
Haddi ghehadt meneghen stoot.
Die duvel scree daer hi wech scoot +
Ende vloe van den goeden lieden saen +
996
Ende die goede sente Brandaen
Weende van groeten lieve +
Ende sprac toten breydel dieve:
‘Haddi des breydels vermeden
1000
Ende met eere aelteren ghereden, +
So en ware hu crune met huwen baerde
Ende huwen hals niet so aerde +
Swart bepeket no bezinghet. +
1004
Nu hebdi arde zeere ghelinghet +
+‘Mi es leet dat hi ye ghesmeet wart,’ +
Sprac die bezijnchde capelaen. +
1008
louch zeere sente Brandaen.
1012
So mach ic hu voert tellen
Up die zee ende meneghe mile.
Doe vernam sente Brandaen, +
Een dier dat hiet Cyrene,
Die slapen doet die ghene
Diet horen zinghen ofte sien.
1020
Van zijnre bliscap moet ghescien +
Ter zee groet ongheweder, +
Sente Brandaen up sine knien
1024
Ende bat Gode dat hi moeste ontvlien +
Dien diere so hi best can. +
In slape wart die stierman. +
Haer selves si al vergaten,
1028
Datsi en wisten waer si saten. +
Elc moonc wel vaste sliep.
Die kiel sonder stierman liep
Tote eenen bernenden berghe dan, +
| |
| | | |
vuil geworden en samengetrokken.
992
De blutsen van de knotsen en stokken
bezorgden hem onnoemelijk leed.
De duivel vluchtte met een kreet
bij deze goede lieden vandaan.
996
En de goede Sint Brandaan
weende van vreugde, en hij sprak
tot wie de teugel bij zich stak:
‘Had je die teugel gemeden
1000
en gewoon met een halster gereden,
dan waren je baard en ook je kruin
en je hals nu niet zo bruin
en zwart van pek, en niet verzengd.
1004
Nu heb je mijn reis verlengd
met heel wat dagen en heel wat leed.’
‘Was dat ding maar nooit gesmeed,’
zei de verzengde kapelaan.
1008
Toen schaterde Sinte Brandaan.
Toen aldus Sinte Brandaan
weer bevrijd had uit de hel,
1012
bleef hij, naar ik hier vertel,
verder varend, mijl na mijl.
Toen hoorde Sinte Brandaan
een dier, dat heet Sirene, +
die 't ziet of zingen hoort.
1020
Als hij met blij gezang bekoort,
krijgt men te kampen met zwaar weer.
Sinte Brandaan viel haastig neer
en op zijn knieën bad hij God
1024
om een wending van het lot
die hem zou sparen voor dit dier.
Vast in slaap lag reeds de stuur,
terwijl zich allen zo vergaten
1028
dat ze niet wisten waar ze zaten.
Er was geen monnik of hij sliep.
Het schip zonder stuurman liep
een brandende berg tegemoet. +
| |
| | | |
1032
Daer hute quam loepende een lanc zwart man.
Hute zinen groeten ghiele +
1036
Ende wecketse arde onsochte. +
Hi hietse tote hem keeren, +
Hi seide, hi soude hem leeren,
Den meester stierman boude, +
1040
Waer hi best henen soude.
1044
Omme dat hi hem soude leeren. +
Doe seide des duvels bode:
1048
+‘Mochte ic wel, dor Gode, +
Dinen kiel, heere Brandaen,
Die soude eene quade vaert angaen. +
Du soudes ontghelden metter spoet +
1052
Dattu ons so leede doet. +
In can jeghen hu niet ghehebben. +
God en wille hu niet ontsegghen: +
So wat dat dijn wille es +
1056
- Want dine bede so moghende es - +
Du souts dat wel ghenieten. +
Lietstu di dat verdrieten +
Dat hu mijn vemoy niet ware lief! +
1060
Du naems mi den breydel dief,
Die achter di sit al daer:
Hi zweet van anxte, dat es waer,
Ende van zorghen die hi heeft ontfaen.’
1064
Doe sprac sente Brandaen:
Dat hi hem wasschen moete, +
Mi ne dinct niet so goet. +
1068
Hier es so scone eene vloet
Dat hi hem wel ghewasschen mach.’ +
Die moonc scamelike lach. +
| |
| | | |
1032
Een kerel, lang en beroet, +
kwam de hoge bergwand uit.
Uit zijn grote strot kwam geluid,
1036
en wekte ze zeer onzacht.
Ze moesten zijn kant opvaren,
dan zou hij wel verklaren
aan de dappere meester-stuur
1040
waar ze heen moesten op dit uur.
het schip naar de berg toe gaan
om van die man te vernemen
1048
welke koers ze moesten nemen,
maar het duivelse verhaal
Toen zei die duivelse bode:
1048
‘Vermocht ik het, bij Gode,
je schip, o heer Brandaan,
zou een kwade reis aangaan.
Al gauw zou je weten, en goed,
1052
welk onrecht je ons doet.
Ja, je mindere ben ik, man,
omdat God je niets weigeren kan:
wat je wilt en om welke reden
1056
- zo machtig zijn je gebeden -
dat mag je steeds genieten.
Het zou je toch moeten verdrieten.
Was mijn leed je maar niet zo lief.
1060
Je ontnam me de teugeldief,
die nu achter je zit. Ja, daar:
hij zweet van angst, echt waar,
en van al wat hij heeft doorstaan.’
‘Ik weet voor hem wel een boete:
hij zou zich eens wassen moeten,
niets zou toch beter zijn.
1068
Het water is hier heel rein,
als hij eens ging baden in zee?’
De monnik, vol schaamte, hij zat ermee:
diep en diep in de zorgen
1072
had de man zich verborgen
| |
| | | |
Die tijt doch te hem arde lanc.
Die duvel louch zeere omme das,
1076
Dat hi so zeere vervaert was. +
Doe hi sijn spot hadde ghedreven,
Bat hi hem dat hi hem wilde gheven
1080
Hi soudene arde scone dwaen; +
Doe seide die milde heere,
Die goede sente Brandaen:
1084
‘n gheve hu niet den capelaen! +
Dijns sprekens bem ic zat.’
Dat hi weder keerde upt meere.
+Doe quam des duvels heere +
Huten berghe ende daden hem wee +
1092
Ende volchden up die zee +
Ende droughen in haer hande
Ende groete gloyende schichten, +
1096
Als of si wilden vechten.
Si worpen neder ende scooten
Up die in den kiel vlooten +
1100
Maar God onse Heere, die goede
Behoedese jeghen al mesweghen. +
Ic wane van boven die reghen
1104
Alse daer omtrent den kiel +
Die brandere entie schichte vloghen.
Die moonken met riemers toghen +
Omme saen te sine huter noot;
1108
Dus jaghetse thelsche conroot. +
Si zeylden watsi mochten. +
Die duvele worpen onsochte +
Datsi bi Gods hulpe waren
Der vreesen al ontvaren. +
| |
| | | |
De tijd viel hem erg lang.
De duivel schaterde omdat
1076
de monnik het zo te pakken had.
Toen hij de spot met.hem had gedreven,
verzocht hij hem terug te geven,
want het was zijn kapelaan.
1080
Hij zou hem eens flink wassen gaan,
want hij verdroeg z'n stank niet meer.
1084
‘Nooit krijg jij de kapelaan.
Al je praatjes, die zijn voos
en schandelijk en nutteloos.
Ik ben je woorden meer dan zat.’
1088
Hij beval de stuurman dat
hij naar volle zee terug zou varen.
Toen kwamen de duivelse scharen
uit de berg om hun-kwaad te doen.
1092
Ze achtervolgden de monniken toen
boven het water, met in hun handen
dingen die gloeiden en brandden
en grote gloeiende schichten,
Onophoudelijk werd gemikt
op de vluchtenden in het schip,
1100
Maar Onze Heer, de Goede,
beschermde hen daartegen.
Ik denk dat van boven de regen
nog nooit zo dicht is gevallen
1104
als daar de vurige ballen
en fakkels en pijlen vlogen.
Diep over de riemen gebogen
vluchtten ze, in zware .ellende,
1108
achtervolgd door die helse bende.
Ze zeilden uit alle macht,
nog steeds in het nauw gebracht
door de duivelse scharen.
1112
Toen merkten ze tijdens het varen
dat God te hulp was gekomen:
ze waren 't gevaar ontkomen.
| |
| | | |
Brandaen voer voert met trauwen. +
1116
Doe liet hem God bescauwen
Die boven hem quamen ghevaren,
Die voerden meneghe ziele
Den lof Gods si daer boven zonghen
Datmen de lucht mochte horen clonghen. +
Dat dede hem God te minnen, +
1124
Dat hi hem liet verkinnen +
Ende waer si henen souden. +
1128
Eenen sconen tempel staen
Die nye man conste testoren +
Sonder God, diet vermochte. +
1132
+Die chierheit te segghene en vermochte +
Doe screef sente Brandaen +
Alle dwonder. dat hi sach
1136
Daer hi in zinen kiele lach.
¶ Doe Brandaen, die Gods deghen, +
Te rechte hadde al bescreven +
1140
Doe waende die goede wise,
Van des waters aerme scaren +
1144
Ende hi te lande soude varen.
Met eenen neerensten moede +
1148
Diene dicken hadde verloest,
¶ Doe quam een vreeselic wint anschijne +
1152
Die hem verdreef entie zine
Die storem wart arde groet,
| |
| | | |
Brandaan voer voort, voorwaar, +
die al gauw recht boven hen waren.
terwijl allen Gods lof daar zongen
dat de luchten ervan weerklonken.
God deed dit uit liefde voor Brandaan:
1124
Hij gaf hem daar te verstaan
waarom de geesten op deze wijze
naar een zalige plaats mochten reizen.
1128
een zeer mooie tempel staan
met tien koren, sterk en stralend
en door niemand neer te halen,
alleen God had daartoe de macht.
1132
Zoveel sierlijkheid en pracht,
daar is geen vertellen aan.
Toen beschreef Sinte Brandaan,
nu hij met zijn schip daar lag,
1136
al het wondere dat hij zag.
Toen Brandaan, Gods eigen held, +
alles nauwkeurig op schrift had gesteld,
van de twee schone paradijzen,
1140
toen meende de goede wijze,
dat hij nu zou zijn verlost
van de zee met zijn gevaren
1144
en dat hij naar huis kon varen.
Toen bad hij, zo vroom en goed,
Onze Heer en Eeuwige Troost
1148
die hem redde uit menige nood,
dat Hij 't niet langer meer liet duren
en hem naar huis zou sturen.
Maar een storm, die vreselijk was,
1152
stak op en joeg hen alras
Dit bracht groot gevaar met zich mee:
wat brulde de zee in die orkaan,
| |
| | | |
1156
Die zee borlende ende scoot +
Mids dat hem so verhief die wint. +
So vele visschen daer in die zee,
1160
Dat hem die zorghen daden wee. +
Si sagher van so vele manieren +
Ghelijc beesten ende wilde stieren +
So vele onder dat water gaen.
1164
Doe seide sente Brandaen:
‘Dit es seker de Lever zee,
1168
Dat es dat ghelove mijn. +
Maer ic hebbe groot wonder
Van den gronde hier onder, +
Hoe hise wel ghevoeden moghe +
1172
Dat hem allen ghenouch doghe! +
Maer God onse Heere es so rike +
Haer voetsel gheven mach.’
1176
Tote eenen capelaen hi sprac
Dat hi sochte paerkement.
Die waerheit hi scriven began
1180
Ende hi beval den stierman
Dat hi den kiel hilde stille
Tote hi die waerheit hadde ghescreven
1184
Van den visschen die daer dreven. +
Die moonken hadden groten vaer +
Van den visschen die waren daer,
Datsi haer scip bederven mochten. +
1188
Brandaen troestese dat hi mochte +
Ende seide: ‘Lieve broeders mijn,
Wilt in Gode betrauwende zijn.
Dor hem sijn wi hute ghevaren, +
Hi heeft alles dinc ghebod +
Ende es die almachteghe God.
Ende sente Marie, die goede,
1196
Die si hier in onser hoede +
Jeghen dat ons evele zij; +
| |
| | | |
1156
en wat een golven kwamen eraan
door die storm met zijn vreselijke vlagen.
zoveel vissen in 't water krioelen,
1160
dat ze zich doodsbang gingen voelen.
Daar waren vissen in de zee
als wilde stieren, als kuddes vee, +
zagen ze die onder water gaan.
‘Dit moet de Leverzee wel wezen,
waar ik veel over heb gelezen.
We zijn, naar ik haast, zeker weet,
1168
nu bij de plek die aldus heet.
Maar waar ik me over verwonder,
dat die zoveel voedsel geeft
1172
dat alles er genoeg aan heeft. +
Maar zo machtig is Onze Heer
dat Hij alles alle dagen weer
voedsel kan geven om te bestaan.’
1176
Hij verzocht een kapelaan
perkament voor hem te zoeken,
want hij wilde alles boeken,
zonder ook maar iets te vergeten.
1180
De stuurman liet hij weten
dat omwille van Gods genade
het schip daar niet weg mocht varen
totdat de waarheid was beschreven
1184
van de vissen die daar verbleven.
De monniken vreesden voorwaar
het schip vernielen gingen.
1188
Brandaan troostte zijn schepelingen
en hij zei: ‘Lieve broeders mijn,
in God moet uw vertrouwen zijn.
Omwille van Hem zijn we uitgevaren,
alles gaat naar Zijn gebod,
en Hij is de almachtige God.
tegen al wat kwaad wil, wat het zij:
| |
| | | |
Dies jonne ons Films Dei +
Ende alle dat hemelsche heere +
1200
Helpe ons huut desen meere! +
Ende vleeuwet den hemelschen Vader’ +
¶ Doe quam hem an een sachte wint.
1204
Doe saghen si waer een Gods kint +
Up die zee voer hem zwevede. +
Het sceen dat onsachte levede. +
Het vlotede up eenen rusch eerden. +
1208
Wat mochte zijns gheweerden +
Als verstoremden der zee vloeden,
Maer dat God zijns nam hoede? +
Van den kiele vloe hi doe. +
1212
Sente Brandaen sprac hem toe,
Dat hi van God weghe jeghen hem sprake. +
Die rusch verbeidde met ghemake +
Ende wart gheorsam saen. +
1216
+Ende doe hi bi hem quam, Brandaen,
Toter creatueren hi dus sprac: +
‘Doghedi om Gode dit onghemac +
Dor dijns selves mesdaet? +
So mach dijns werden raet. +
1224
Ende metter stolen ghevryhet, +
Die ic van Gode hebbe ontfaen,
Dat ic mach in baten staen +
Ende haer pine hem corten mach +
Hebdi al sulke dinc ghedaen,
Dor God so willic di ontfaen.’ +
Doe sprac die eenzedele: +
1232
‘Met mi so wart di evele +
Dien du verlores, Brandaen,
Vore den sconen paradise.
| |
| | | |
dit vergunne ons Filius Dei!
en bid tot de hemelse Vader.’
Plotseling kwam er een zachte bries +
1204
en ze zagen een monnik in het verschiet,
die over zee kwam aangedreven.
Hij had blijkbaar een hard leven:
op een aardkluit moest hij drijven
1208
en waar kon die man toch blijven
als op zee een storm zou woeden,
tenzij God hem zou behoeden?
Hij vluchtte bij 't schip vandaan,
1212
maar Sint Brandaan sprak hem aan
om uit Gods naam iets te zeggen,
waarop de kluit stil ging liggen
alsof die het had verstaan.
1216
Toen was het Sinte Brandaan
die de man aldus toesprak:
‘Lijdt u om. God dit ongemak
om een misdaad, door u begaan?
Dan kan het u beter vergaan:
ik heb de abtswijding ontvangen,
1224
ik kreeg de stola omgehangen. +
Het was God die mij dit gaf,
dat mijn bijstand 's mensen straf
en zijn leed bekorten mag,
1228
altijd weer, jaar en dag.
Als u zoiets hebt gedaan,
neem ik u in genade aan.’
1232
‘Ach, met mij had je toch maar
een schrale troost voor de kapelaan
die je verloren hebt, Brandaan,
1236
God heeft mij al mijn spijs
en wat ik nodig heb, sinds maar
een jaar minder dan honderd jaar
| |
| | | |
1240
Bi zijnre ghenaden moetic leven
Ende wachten na zine leere. +
Mijnre broeders es noch meere. +
God onse Vader es so goet
1244
Dat sine ghenade ons voedt
Hi halp ons te onser node
Daer dijn moonc weder quam, +
Daer hi stal den breydel so wale.
Si wachten oec haren hende +
1252
Up die hoghe steenwende. +
Dien ghi saecht sitten up den steene,
Dattu vercreghes dinen capellaen.’ +
+¶ Doe seide sente Brandaen:
Van dien heeren, hoe si leven
Ende hoe si daer verdreven. +
1264
Ende verdienen Gods rike.’ +
¶ Doe sprac die heere goede
‘Een stat was, hiet Vaserijn,
1268
Danen dat wij gheboren zijn.
Daermen Gode niet en kande.
Dor des volcs grote zonden
1272
So zanct al in afgronden,
Ende alle dat boze volc te hant +
Dat nam daer quaden hende. +
1276
Maer up die hoghe steenwende
So heefter God een deel gheset +
Van onsen broeders, dat wet. +
Daer voetse die Gods cracht,
1280
Die mi hare hevet bracht, +
| |
| | | |
1240
Bij Zijn genade moet ik leven
en mij gedragen naar Zijn leer.
Broeders als ik zijn er nog meer:
God Onze Vader is zo goed
1244
dat Zijn genade ons voedt
Hij hielp ons in onze nood
omdat hij in die rijke hal
die teugel zo behendig stal.
In 't hoge klooster dat u zag,
1252
wachten mijn broeders op de oordeelsdag.
De ruigbehaarde koning, zeer alleen,
u zag hem zitten op zijn steen,
heeft u geholpen met zijn bede:
1256
aan zijn voorspraak dankt u mede
de terugkeer van uw kapelaan.’
van uw broeders, hoe ze leven,
wat hen daarheen heeft gedreven.
Hun levenswijze is zo vroom
1264
dat Gods rijk hun toe zal komen.’
Toen sprak die heer tot hem,
deemoedig en met zachte stem:
‘Er was een stad, 't was Vaserijn, +
1268
dat is waar wij geboren zijn.
In een land lag deze stad
waar men aan God geen boodschap had,
en leefde in zo grote zonden
1272
dat alles tenslotte is verzonken,
heel dat land zo rijk en groot.
Geen booswicht daar ontkwam de dood,
zo wilde de beschikking Gods,
1276
behalve wie God op die rots
een onderkomen heeft gegeven:
onze broeders, die daar leven.
En daar voedt ze Gods almacht,
1280
die mij hierheen heeft gebracht:
| |
| | | |
Onse broeders es noch meere
1284
Ende up dese russche zweven +
Boven der zeewes gronden. +
Dat quam van minen zonden,
1288
Dus moetic alleene varen. +
Ende meneghe borch versanc, +
Also Sodoma dede ende Gomorre,
1292
Die groete stercke torre, +
Daer scorde alle die eerde +
Ende alle die groene zweerde +
1296
Desen rusch houdic vastelike +
Tote minen hutersten hende. +
God moete ons allen zenden +
1300
+Noort waert saltu keeren,
Daer saltu sien groet wonder.’
Een wint hief daer van onder, +
Diese sonder orlof dede sceeden. +
1304
Elc voer daerne God wilde gheleeden. +
Daer voer die kiel in corter wijle
Dat quam van eenen bedruussche +
1308
Ende van eens wints gheruussche +
Dat die kyel also verspranc, +
So meneghe dachvaerde lanc. +
1312
Dat hi den bouc ontgalt dare, +
Dien hi bernede in den viere.
Dat becochte hi wel diere
Daer die kiel so verre spranc,
In groeter ongheweltheit. +
En hadde ghedaen Gods ghenadicheit, +
Hi en hads niet moghen ghenesen. +
1320
Daer voer hi voert, so wi lesen.
| |
| | | |
de kracht van Onze Lieve Heer.
Van onze broeders zijn er meer
die net als ik op zee verblijven
1284
en op een aardkluit moeten drijven
boven de diepe, donkere gronden.
Het kwam alles door mijn zonden,
dat wij zo werden gescheiden
1288
en ik eenzaam voort moet reizen.
Toen dat hele land verdronk
gelijk Sodom en Gomorre, +
1292
die grote sterke borchten -
scheurde de aardkorst vaneen
en al het groene land verdween,
1296
Ik hou me vast aan deze kluit
tot aan mijn uiterste einde.
Moge God dan, met ons zijnde,
ons met het hemelrijk vereren.
en zult bij een groot wonder komen.’
Een felle storm is opgestoken:
zonder vaarwel moesten ze scheiden
1304
en elk moest gaan waar God hem leidde.
Het schip legde in korte wijl
een afstand af van menige mijl.
Het kwam door een orkaan:
1308
een felle storm die tekeer bleef gaan
en het schip met razende gang
voortjoeg, menige dagreis lang.
Daar bezuurde hij het zeer
1312
dat hij het boek die keer
liet verbranden in het vuur.
Dat bekocht hij wel duur,
toen het schip in snelle gang
1316
meer dan duizend mijl lang
stuurloos over de golven vloog.
Zonder de genade van omhoog
had hij het niet kunnen overleven.
1320
Zo voer hij voort, naar wij lezen.
| |
| | | |
¶Doe versach sente Brandaen +
Hi leet wel groete nozen: +
An deen zijde was hi vervrosen +
1328
Up dander zijde van den steene
Verbrande hi van hitten dan.
Na sine werken hi loen ghewan. +
Voer hem hinc blayende een dwale, +
Die slouch die hitte dane; +
Dies quam hem baten vele ane. +
Beede van hitten ende van couden
1336
Sine pine was menichfoude. +
Des zondaeghs stont hem also, +
1340
Dat hi in werschepen ware. +
¶Des maendaeghs arde vroe
+Quam hem groete pijne toe: +
Doe voerdene in der hellen
1344
Die duvele met sinen ghesellen.
Datsi sine pine vernamen, +
1348
Doe vraeghde Brandaen dien aermen
Van wat volcke dat hi ware.
1352
Om dat ic so onghetrauwe was +
Dat ic vercochte sonder noot +
Die mi ghesciep ende gheboot, +
Dat hebbic zwaer ontgouden. +
Doe quam die leede duvel +
Ende riet dat ic mi hinc +
1360
Ende ne gheene boete ontfinc.
Dies moetic lijden desen noot. +
| |
| | | |
in de verte een naakte man.
Totaal behaard zat die alleen
1324
op een gloeiend hete steen.
Grote kwelling moest hij lijden:
vrieskou kwam aan de ene zijde
door zijn vlees en botten heen,
1328
aan de andere kant liet de steen
hem de vuurgloed pijnlijk merken,
en zo kreeg hij loon naar werken.
Vlak voor hem wapperde een doek
1332
die nog heel wat voor hem kon doen.
Die sloeg de hitte daarvandaan
die hij altijd moest doorstaan,
net als de kou aan de andere zijde,
1336
in zijn menigvuldig lijden.
't Was 's zondags dat hij dit verdroeg,
hij was daarmee nog blij genoeg,
't was hem of hij vrijaf had,
1340
of dat hij aan een feestmaal zat.
Maar heel vroeg elke maandagmorgen
raakte hij diep in de zorgen,
want de duivel en zijn gezellen
1344
voerden hem dan weer ter helle.
Toen de monniken zo dicht bij hem kwamen
dat ze zijn straf goed zagen,
kregen ze erg met hem te doen.
1348
Brandaan vroeg de arme man toen,
van wie hij kwam en van waar.
dat ik uit eigen wil verkocht
wie mij schiep en het leven schonk,
dat heeft mijn bestaan verwoest.
1356
Toen het mij berouwen moest,
en in mij zaaide hij twijfel,
ried me aan me te verhangen
1360
in plaats van boete te ontvangen.
Aldus heb ik voor de dood gekozen
en moet deze kwellingen nu gedogen.
| |
| | | |
Haddic ghenade begheert met rauwen +
1364
- God es also ghetrauwe -
Also hi den jode ontfinc,
1368
Die hem, daer hi an tcruce hinc,
Metten speere stac therte ontwee. +
Noch dede God ghenaden mee: +
Hi ontfinc den scaker dan +
1372
Om dat hi berauwen ghewan +
Daer hi an den cruce hinc +
Entie bitter doot ontfinc.
Also hadde hi mi ontfaen,
1376
Waers mi berauwen, saen. +
Mijns en wert nemmermeer raet. +
Maer mi dinct dat mi nu wel staet,
Maer over morghin vele vroe +
1380
Sal mi den noot gaen toe. +
Dan werdet mi al benomen +
Tgoet daer ic nu in bem comen. +
1384
+Hebbic dese remedye, heere. +
Stont mi dus tallen daghen, +
So en soudic niet claghen.
Nochtan en hebbict borgoet, +
1388
Maer dat mi vele wers doet +
Daer ic altoes in quelle +
Ende eeweliken in walle. +
1392
Die duvele met haren ghescalle +
Doen mi wel meneghen noot. +
1396
So en soudic niet bederven +
Die ic lij de in eewicheit
Van rauwen ende van leede. +
Van couden ende van hitten
Daer ic hier in moet sitten,
En houdic voer gheen verdriet. +
1404
Ter hellen hebbic licht niet,
| |
| | | |
Had ik genade begeerd, vol berouw,
1364
God is immers zo getrouw,
dan was het me goed vergaan:
als met de jood, die Hij ontving, +
1368
die Hem, toen Hij aan 't kruishout hing,
in Zijn hart stak met een speer.
Nog meer genade schonk de Heer:
ook de rover werd verschoond, +
1372
want die had berouw getoond
toen hij aan het kruishout hing
en de bittere dood ontving.
Zo was het ook mij terstond gebeurd
1376
als ik mijn zonde had betreurd.
Voor mij zal er nooit uitkomst dagen.
Nu kan ik alles nog wel verdragen,
tot overmorgen bij dageraad
1380
het martelen weer beginnen gaat.
Al het goeds dat men mij gaf,
pakt men mij dan weer af.
Want, heer, 't is om de zondag +
1384
dat ik deze verlichting genieten mag.
Was het zo op alle dagen,
dan zou ik me niet beklagen.
'k Heb het wel niet bijzonder goed,
1388
maar wat veel meer pijn doet,
dat is de grondeloze hel:
en het branden, eeuwig door,
1392
het krijsen van het duivelenkoor,
dat maakt mijn ellende groot.
Ach, o heer, was ik maar dood,
of als ik nog maar dood kon gaan,
1396
dan zou ik niet ten onder gaan
in zoveel smart en spijt,
van bitter lijden en berouw.
terwijl ik hier moet zitten
1404
In de hel komt het daglicht niet,
| |
| | | |
Daer eist doncker emmermeere,
Daer es dat eewelike zeer. +
Ter quader tijt wert hi gheboren
1408
Die daer toe wert vercoren. +
Eer ghi ghetastet wel een haer, +
Daer smolte wel een berch stalijn +
Mochte ic hier langhe wesen, +
Mi dochte ic ware ghenesen. +
Mi doen mee wee die zorghen +
Dan die pijne die ic hier moet ontfaen.’
Doe sprac sente Brandaen:
1420
Soude hu God doen eeneghe ghenade?’
‘Neen hi,’ sprac Judaes, die aerme,
‘Want ic up Gode hadde gheen ontfaermen. +
Alle hulpe hebbic verloren.
1424
Maer dit dwaelkin hier voren, +
Voer mi hanghende namelike,
+Dat maect mi seere rike rike: gelukkig
1428
Nochtan so stal ict onsen Heere
- Het weert mi groete dinc +
1432
Maer mi berauwes weder sciere. +
Eenen zinen crancken bode, +
Al en mach het also vele niet sijn +
1440
Als oft met rechte mijn hadde ghezijn, +
Nochtan helpet mi, heere,
Jeghen desen heeten brant,
1444
Om dat ict selve gaf metter hant, +
Dan mi nu holpe alle die have, +
Al waert dat mense over mi gave, +
| |
| | | |
daar moet het altijd donker zijn,
daar is eeuwig, eeuwig pijn.
Op een boos uur zijn zij geboren
1408
die bij de verdoemden horen.
Zo'n hitte moet ik daar edogen,
eer je knipperde met je ogen
was daarin een berg van staal
Mocht ik hier blijven, nog enige tijd,
dan voelde ik me al bevrijd.
Meer pijn doen mij de zorgen
1416
voor de dag van overmorgen,
dan wat ik hier moet ondergaan.’
Toen sprak Sinte Brandaan:
1420
denkt u dat God genade had?’
‘Nee,’ zei Judas, de arme,
‘want ik had met God geen erbarmen.
Kans op hulp, die is er niet.
1424
Maar het doekje dat u vóór mij ziet,
dat daar wappert in de wind,
daar ben ik zo blij mee als een kind,
1428
Toch ontstal ik 't Onze Heer,
toen ik Zijn volgeling nog was.
Nu komt het me goed van pas
bij dit vuur, zo gloeiend heet.
1432
Omdat de diefstal me al gauw speet,
gaf ik toen het doekje maar
aan een arme Godsdienaar,
die sindsdien om deze reden
1436
steeds maar voor me heeft gebeden.
Het doekje helpt me op dit uur
tegen dit verzengende vuur.
Al komt er niet zoveel goeds uit voort
1440
als wanneer het mij had toebehoord,
toch helpt het mij, o heer,
zonder twijfel heel wat meer
1444
omdat ik het gaf met eigen hand,
dan wat de mensen die nu leven
aan offers voor me zouden geven,
| |
| | | |
Die nu in die weerelt es.
1448
Dies moghedi sijn ghewes. +
Dat die meinsche selve doet
Ende dat hi selve gheeft, +
1452
Al die wijle dat hi leeft. +
Ende datmen naer dleven doet, +
Te helpene die selve niet en gheeft
Dor Gode, die wijle dat hi leeft.’
Doe Judas dit hadde gheseit,
1460
Began hi driven groten aerbeit. +
Des maendaeghs metten daghe +
Maecte Judaes grote claghe
Ende jammerlikén rauwe groot,
1464
Dat dbloet van sinen hoghen scoot. +
Hem naecte groet onghemac. +
‘O wy, onsalich ende arem man,
1468
+Dat ic ye eerdsch lijf ghewan! +
Dies en wert nemmermeer boete, +
Want bi verdienten hebbict ontfaen.’
Sijn helichdom bringhen voort +
Ende settet up des kiels boort,
1476
Ende dat helichdom vernamen, +
Dat hise soude vervaren. +
Hi sach an sine ghebaren +
¶Doe quamen die duvele met eenen heere. +
Hem dochte lucht ende meere,
Dat al was bernende vierijn.
1484
‘Hier soudic ghevaren zijn!’
Sprac die bezijnghede capelaen, +
Die met zorghen was bevaen. +
Si vloghen boven den kiele.
1488
Hem scoot huut haren ghiele +
| |
| | | |
al was het al het aardse bezit.
1448
Dit is zo waar als ik hier zit.
dat de mens zelf nog doet,
en wat hij uit zichzelve geeft,
Wat men daarna doet in zijn naam,
daar heeft hij vaak maar weinig aan.
Wat men na iemands leven doet,
1456
daarmee lukt het vaak niet goed
om hen te helpen, die niet geven,
om Gods wil, als ze nog leven.'
Judas sprak daarna niet meer,
1460
maar jammerde en weende zeer.
De maandag kwam. Bij de dageraad
wist hij zich in zijn smart geen raad,
ja, zijn ellende was zo groot,
1464
dat het bloed hem uit de ogen schoot.
Grote kwelling wachtte hem,
huilend zei hij, met doffe stem:
‘Wee mij, onzalige, die 't berouwt
1468
dat hij ooit het levenslicht heeft aanschouwd...
De toekomst die mij is bereid,
die scheldt niemand me meer kwijt,
want ik heb het ernaar gemaakt.’
dat als de duivels kwamen
1476
en de relieken daar zagen,
dit hen wel af zou schrikken.
Hij zag aan Judas' blikken
1480
dat ze in aantocht waren.
Het duivelsleger, met groot gerucht,
maakte dat de zee en de lucht
hevig in brand leken te staan.
1484
‘Daarheen zou ik zijn gegaan,’
zei de verzengde teugeldief,
die het van angst zowat bestierf.
Ze vlogen vlak over het dek
1488
en daar spoten uit hun bek
| |
| | | |
Pec ende vlamme onghiere +
Mefsulfer achteghen viere +
Berrende twater alse stroe.
1496
Daer sine souden quellen.
Den vianden gheboet sente Brandaen +
Datsi een wijle souden staen +
Ende Judaes souden vermijden. +
1500
Gode bat hi in dien tijden
Dat dien nacht moeste ghenesen +
Judaes ende quijte wesen +
Van dien helschen zeere. +
1504
Dies bat hi onsen Heere. +
Weenende hi so langhe bat
Dat hem God consenteerde dat. +
Die duvele doe luude screyden,
1508
Sij borlenden ende si neyden +
Dat si sonder hem moesten varen.
Keerden si weder ter hellen.
1512
Doe dreeghden sine te quellen +
Of sine hadden moghen behouden. +
Dat dreeghen dede hem wee
1516
Daer hi vlotede up die zee. +
Die duvele quamen weder doe
1520
Crauwels brochten si alle, +
Die gloyden ende sneden. +
Onlanghe dat zijs vermeden, +
Maer in hem dat sise sloughen. +
1524
Onscone dat sine droughen +
1528
Ende een lettel danen quamen, +
| |
| | | |
pek en vlammen, zo onguur,
en een zwavelachtig vuur,
dat kookte en vonken braakte.
1492
Waar het de zee maar raakte,
brandde het water als stro.
Brandaan gebood de duivelse schare
Judas nog een tijdje te sparen,
hem nog even niets te doen.
dat Judas nog één nacht lang
verschoond bleef van de droeve gang
naar de hel met al zijn zeer,
Wenend hield hij zo lang aan
dat God het hem heeft toegestaan.
De duivels schreeuwden overluid,
1508
ze bliezen en hinnikten het uit
omdat ze hun prooi kwijt waren.
In geweldig grote scharen.
keerden ze terug naar de hel.
dat ze hem erger kwellen zouden
dan als ze hem hadden mogen behouden.
En Brandaan, op volle zee,
1516
had het daar heel moeilijk mee.
Ze kwamen de volgende morgen vroeg
om Judas overstuur te maken.
gloeiend, en met punten die sneden,
waar ze hem veel pijn mee deden
toen ze die in hem sloegen
1524
terwijl ze hem. wegdroegen,
tot zijn schande, met steen en al,
en zijn botten kneusden, overal.
Toen ze hem hadden opgenomen
1528
en een eindweegs waren gekomen,
met hun gekrijs op Brandaan wraak:
| |
| | | |
‘Daer omme sullen wlne pinen meer +
1532
Dan hi was ghepijnt eer.’
Doe seide sente Brandaen:
Niet te meer en sal ghepijnt sijn hi +
1536
Om dat hi te nacht was bi mi.
Al moghedi up mi scelden, +
Hi en saels niet ontghelden.
Hu scelden hebbic onmare.’ +
Gheboet hi dien verhoorden +
Datsi hem en daden niet meer
1544
Dan also si te voren eer +
Des ander daghes hadden ghedaen.
Ende also voerden sine wech saen,
Doe hiet die heere goede +
Maer die duvele ontvoerdense saen. +
Doe sach hi voer hem up slaen +
Eenen rooc wel gruwelijc:
1556
Dat was een pijne vreeselijc. +
¶Doe voer die goede sente Brandaen
Metten Gods zeghe bevaen +
Daer saghen si alse bernende voghele varen +
Huut eenen bernenden berghe te waren
Van menegherande tonghen +
Dan ‘o wy’ ende ‘wach’ ende ‘wee’.
Slouch daer up die west zijde ane,
Saghen si huut eenen berghe slaen
| |
| | | |
‘We zullen hem veel erger kwellen
1532
dan eerst, dat kan ik je wèl vertellen!’
Niet meer te lijden krijgt hij
1536
vanwege die ene nacht bij mij.
Hoe jullie op mij ook schelden,
hij zal het niet ontgelden.
Ik heb aan u geen boodschap meer,
1540
bij God Onze Schepper en Heer.’
En met woorden van veel gezag
1544
Judas niet méér te kwellen
dan ze tevoren hadden gedaan.
En toen zijn ze weggegaan,
met Judas vertrok de bende
1548
en hij jammerde in zijn ellende.
Toen beval de goede Brandaan
de arme ziel achterna te gaan
zo ver ze konden over zee,
1552
maar de duivels voerden hem mee
en gingen er razendsnel vandoor. +
Een rook uit zee, gruwelijk en goor,
kolkte daar toen op Brandaan af:
1556
zo vreselijk was Judas' straf.
Toen voer de goede Sint Brandaan
met Gods zegen daarvandaan
1560
naar waar een rots bleek te zijn.
Ze zagen wat brandende vogels leken +
uit de berg zich een uitweg breken,
in veel talen klonk hun geluid,
1564
maar ze brachten niets anders uit
dan ‘o wee’ en ‘ach’ en ‘wee’.
sloeg daar tegen de westkust aan,
1568
zodat men die daarvandaan
vele mijlen ver kon horen.
Met dat geluid nog in hun oren
zagen ze hoe van een berg uitschoot
| |
| | | |
Daer die gleinstren hute vloghen +
Also groet als een hoven +
Ende colen also groot als maste.
1576
Daer was pijne ende onraste. +
Huut dien selven berghe ran +
Een water, sulc en sach noint man:
Het was zwart ende het wiel. +
1580
Bander zijde daer hute viel +
Een water ende een wint ghereede +
Die also cout waren beede
Dat nye couder dinc ghewart. +
1584
Daer hadden si moylike vaert:
Up deen zijde was hitte menichfout,
Up dander zijde waest so cout
Dat den bomen in dien tijden
1588
Die scorse scoolden van den zijden. +
¶Doe so hiet sente Brandaen
Hem allen ten riemen gaen.
Beede moonken ende scipman, +
1592
Alle vinghen si daer an. +
Daer en wilden si niet letten meer. +
+Daer si waren commen eer
Binnen eenen daghe ghevaren,
1596
Ghekeerden si cume in II jaren. +
Van der heetter aermer scaren, +
1600
Doe quamen si saen ghevaren
Up eene der bester eerden +
Die oyt mochte gheweerden. +
1604
Daer wiessen up die velden +
Beede coren, vruchten ende wijn +
Ende alle vruchten die moghen zijn,
Sonder ackeren ende graven. +
1608
Daer was lettel noot van haven: +
Die daer dat water drouch, +
Ende vleesch, wilt ende tam,
1612
Al dat nye herte bequam. +
| |
| | | |
1572
een vlam, zo gruwelijk groot
en kolen als masten zo groot.
1576
Daar was gemartel en bittere nood.
Uit die berg kwam een water stromen
zoals niemand ooit heeft waargenomen:
pikzwart en draaiend als een wiel.
1580
Van de andere kant nu, viel
een water daaruit, en een wind daarbij
die zo koud waren allebei,
dat niets ooit kouder was op aard.
1584
Daar hadden ze een moeilijke vaart:
aan de ene kant zo heet en benauwd,
aan de andere kant was het zo koud
dat ze zagen hoe het vaak gebeurde
1588
dat de schors van de bomen scheurde.
Toen gelastte Sinte Brandaan
allen aan de riemen te gaan,
monnik zo goed als schepeling:
1592
geen die er niet aan 't roeien ging.
Treuzelen wilde niemand nog.
En van dat oord, waarheen ze toch
binnen één dag gekomen waren,
1596
duurde de terugtocht twee volle jaren.
Toen ze tenslotte, doodvermoeid,
steeds verder weg waren geroeid
van de kwellingen van de hel,
1600
toen bereikten ze al snel
de schitterendste landouwen
die mensen kunnen aanschouwen.
Zoiets zag iemand zelden:
1604
daar groeiden op de velden
zowel koren als vruchten, en wijn
en alle gewassen die er maar zijn,
het land bewerken hoefde daar niet,
1608
waar niets te wensen overliet.
die zich door het water sloeg,
1612
en alles wat je maar wilt.
| |
| | | |
Dat es Mul turn Bona Terre +
1616
Ende es gheleghen arde verre
Van alre meinschen conden. +
En hadde God tien stonden
Dat scip daer niet ghesent,
1620
So waert ons bleven ombekent.
Doe daer quam sente Brandaen
Entie hem waren onderdaen, +
Hare moethede ende pijne al
1624
Verghinc hem, groet ende smal, +
Mids der zoetheit menegherande +
Die si ontfinghen in dien lande. +
Alse sente Brandaen entie zine
1628
Waren in desen lande fine, +
Saghen si eenen berch so hoghe,
Sine consten niet verhoghen +
1632
Hem dochte in der waerheide
Dat die wolken daer up zweveden.
Ne gheene dinghen die leveden
Ne quamen daer up, si en vloghen. +
1636
+Maer teenen hanghenden woghe +
Met zorghen si ane vinghen +
Die berch was boven scone
Daer slouch an der zee vloet. +
Nye en was berch so goet.
Daer si dien berch up gaen,
1644
Saghen si an den berch staen +
Noint en sach meinsche der ghelike.
Daer saghen si vreeselike draken
1648
Ende lindwormen die gapen, +
Ende hem voer tallen stonden +
Dese wachten die poerten daer. +
1652
Maer metten woerden Gods vorwaer
| |
| | | |
Deze streek was in elk seizoen
Zij heet Multum Bona Terre +
616
en ligt enorm veel verder
dan enig land, ooit door mensen gevonden.
Had God hen daar niet heen gezonden
en het schip daarheen gedreven,
1620
't was ons onbekend gebleven.
Toen de reizigers met Brandaan
daar aan land waren gegaan,
toen verging groot en klein
door al wat zij van alle kant
aan zoetheid smaakten in dat land.
Toen Brandaan en zijn schepelingen
1628
dit wonderschone land ingingen,
zagen ze een berg, zo hoog,
dat hem nooit een menselijk oog
tot het eind toe kon bekijken.
1632
En daar moest het hun wel lijken
dat de wolken daarop zweefden,
en geen schepsel dat ooit leefde,
kwam zonder vleugels bij de top.
1636
Behoedzaam, een heel steil pad op,
was het dat ze hun tocht aanvingen
Op de berg was het wonderschoon,
en daartegen sloeg de vloed.
Op de berg leek alles goed.
Toen ze de berg op zijn gegaan,
1644
zagen ze op de helling staan
een burcht, zo mooi en rijk,
nooit zag men zijns gelijk.
Daar zagen ze vreselijke draken
uit hun muilen rook en vuur.
Ze bewaakten de poorten daar,
1652
maar met Gods woord zowaar
zijn mannen binnen te laten gaan,
| |
| | | |
1656
Die bouc seit dat die muere
Daer waren letteren steenijn +
So vele daer up ghenomen, +
1660
Sine consten ten hende comen. +
Van copere ende van eere, +
In dien rinc muer al omme, +
Som recht ende some cromme. +
Diese eerst ghinc besien, +
1668
Hi mochte van vreesen vlien, +
Want si hem hute dien muer ghebaren +
Als of si alle levende waren
Daer stonden alle die dieren
1672
Die ic noint horde nomen hiere: +
Leeuwen, panteeren, tygheren met, +
1676
Ende beesten van meneghen aerde, +
Olifanten, herten ende hinden,
+Mochtemen daer al vinden.
Oec stonden daer vele vormen +
In midden dien borghe vloot
Die al dwilt dede omme gaen,
1684
Dat niet stille mochte staen. +
Dat die beelden bi wilen spronghen +
Ende huten muere varen souden. +
Daer stonden meneghe vorme.
Noint sach man des ghenoot. +
| |
| | | |
1656
Naar het boek ons toevertrouwt,
waren alle muren van kristal.
Stenen letters zonder tal +
zagen ze in de wanden prijken
1660
zover het oog kon reiken.
aan een meesterbrein ontsproten,
van koper en brons allebei,
in de ringmuur daar rondom,
sommige rechtop, sommige krom.
Wie voor 't eerst ze ging bekijken,
1668
zou zowat van schrik bezwijken,
want ze stonden te gebaren
of ze echt springlevend waren.
1672
waar ik ooit van hoorde, stond wel hier.
Leeuwen, tijgers en ook panters
en nog vele, vele andere:
1676
alle diersoorten van heel de aarde,
olifanten, herten, hinden,
men kon ze allemaal daar vinden.
Ook zag men in allerlei vormen
1680
salamanders, draken en wormen.
Midden door de burcht heen vloot +
een rivier, geweldig groot,
die de dieren rond liet gaan
1684
zonder dat er een stil ging staan.
toen ze daar gekomen waren,
dat de beelden soms sprongen
en de muur uitkomen zouden.
Daar zag men de vreemdste zaken
1692
en soorten dieren, zoals draken,
half harig en half bloot,
1696
menig in brons gegoten wonder:
| |
| | | |
Daer stont die stercke liebaert - +
Ic wane nye dier ghewaert, +
1700
Visschen daer oec vloten +
Hoert wat dede die riviere:
1704
Vloen daer voer die hasewinden. +
Wilde zwijnen liepen daer;
Die jaghere reet hem naer, +
In caent ghesegghen niet wele. +
Daer speelden oec in den mueren +
Rudders als of si leveden. +
1716
Vanen dat daer zweveden. +
Daer toe mochtemen daer scauwen +
Daer bliesen die wachtaren. +
1720
+Die ghene dies onwijs waren +
Waenden datsi leefden daer.
Ic mach hu segghen over waer, +
Daer verlichten die tinnen +
Ghelijc dat doet die dach sterre, +
VI M torren stonden tien male +
Up den muere omme die zale.
Die torren die blecten al +
1732
Ende muere ende zale, groet ende smal, +
Alse yser doet in den viere.
Gheen dinc en was daer diere +
Dan onghemac ende aermoede.
| |
| | | |
een leeuw met wijd open kaken,
geen dier werd ooit geschapen
of het stond daar wel bij.
zwommen van daar naar hier.
liet herten en liet hinden +
1704
vluchten voor hazewinden.
Wilde zwijnen zag men gaan
met de jager achter ze aan
die zijn jachthoorn liet schallen,
wonderen waren er te genieten,
dat woorden te kort moeten schieten.
In de muren een komen en gaan
1712
van paarden met sjabrakken aan,
die draafden in een wijde kring.
Een keur van ridders ging
daarnaast, alsof ze leefden.
Voorts kon men daar aanschouwen
Op hun hoorns bliezen de wachters.
1720
Wie niet beter wisten, dachten
dat alles levend was, aldaar.
in de burchtzaal en de bijgebouwen:
1724
was nog veel meer moois te aanschouwen:
daar verspreidden de tinnen
hun licht zowel buiten als binnen
wel even ver als de morgenster
1728
als ze oprijst van heel ver.
Zesduizend torens ofwel meer
verhieven zich hoog boven de muur,
terwijl een felle schittering
1732
om burcht en torens en muren hing,
als van ijzer in een hete gloed.
Alles was daar in overvloed,
men wist van geen armoede of ongemak,
1736
omdat het daar aan niets ontbrak.
Kostbare kussens zagen zij
en vliegennetten van fijne zij,
| |
| | | |
Die daer hinghen te dien male
1740
Boven die bedden in die zale.
Die vloer van der zalen was
Daer dore blecten die goud male. +
1744
Dus rikelic was die zale. +
Schijnen mochte ter eerden. +
Daer en mochte niet nat werden. +
Dies namen si alle gome. +
Ende tallen steden groene. +
Daer hinc menich guldin vat.
Verchiert met dieren dinghen. +
Daer mochtemen horen zinghen
Die voghele in allen tijde.
Daer stont midden in een palas -
+Ic wane noint gheen en was
1764
Ghimmen was daer so vele, +
Met dierbaren ghesteenten +
Gheset in helps ghebeenten. +
Die vloer was saphier ende glas -
1768
Ic wane noint dinc en was
Ghemaect boven der eerden +
Dat beter mochte weerden +
1772
Over waer segghic hu dat. +
Ghegoten was het van eere. +
1776
No so vaste, no so steerc +
Die moonke besaghen besonder +
1780
Dat menichfoudeghe wonder.
| |
| | | |
hangend als een mooie sjaal.
1740
boven de bedden in de zaal.
De vloer van de zaal, die was
helemaal van sneeuwwit glas,
daar schemerden gouden vlekken doorheen.
1744
Maar over de zaal zwijg ik nu meteen.
Naar het mooie binnenhof gegaan,
zagen ze daar ceders staan
en andere bomen, zo dicht opeen,
1748
dat de zon er nauwelijks doorheen
kon schijnen tot op de grond
en dat niets er nat worden kon.
Allen hebben dit in zich opgenomen.
was het veld wonderschoon
en op alle plaatsen groen.
Daar hing menig gouden vat.
1756
Geen mens heeft ooit een huis gehad,
versierd met zoveel dure dingen.
Men kon de vogels horen zingen
in elk seizoen, op elke tijd,
1760
in deze burcht, zo ruim en wijd.
't Paleis dat in het midden stond:
ik denk dat men er nooit een vond
dat versierd was met zovele
1764
gemmen en kostbare juwelen,
met zo menige dure steen,
fraai gezet in elpenbeen.
De vloer was van saffier en glas.
1768
Ik meen dat er nooit iets mooiers was
of ooit nog gemaakt wordt op de aarde,
van een nog grotere waarde
1772
neem dat maar aan van mij.
Gegoten was het van brons
De monniken keken hun ogen uit
1780
naar de wonderen, menigvoud.
| |
| | | |
In die borch so spronghen +
Diere watre, daer zonghen +
Molenen of si hadden tonghen,
Ende dat daer bi was, over al. +
Visschen die daer speelden.
Waren der borch onderdaen - +
1792
Dat scrijft ons sente Brandaen.
Doe sprac die besijngde capelaen: +
‘Hets goet dat wi henen gaen
Eer wi hier scade ghewinnen. +
1796
Mi dincke in minen zinne, +
Het en es sonder meester niet,
Dit wonder dat ghi hier siet.
Werden si onser gheware, +
1800
Wine moghen hem niet ontfaren, +
Sine doen ons sulken aerbeit +
Dat ons die vaert wert leit +
1804
+Dit weerc hevet ghetauwet +
Dat hem an Gode en keert niet. +
Hets van wonderliken zeden.
1808
Si moghen ons bringhen tonvreden, +
Die ons so hadden verladen +
Ten berghe die berrende dan.’ +
Sente Brandane ende dien heeren
Datsi wilden te scepe keeren.
¶ Doe si te scepe waren ghegaen,
1816
So quam hem ghevolcht saen
Een volc van wonderliker ghedane, +
Als ons de bouc doet te verstane.
1820
Ende hieten Walscherande. +
Seere si verbolghen waren
Datsi hem dus zijn ontvaren. +
| |
| | | |
In de burcht ontsprongen +
kostelijke stromen, daar zongen
molens, als hadden ze tongen,
1784
met tonen, die weerklonken,
Men zag slechts overvloed en weelde,
waar men vrij mee om kon gaan,
1792
dat schrijft ons Sinte Brandaan.
Toen zei de verzengde kapelaan:
‘We kunnen hier beter maar vandaan,
voor ons nieuwe ellende wacht.
1796
Ik heb bij mijzelf overdacht:
het is zonder meester niet,
al 't wonderbaarlijks dat je hier ziet.
Treffen die lieden ons hier aan,
1800
hoe komen we heelhuids hiervandaan?
Ik vrees dat het ons slecht vergaat,
ze doen ons misschien zoveel kwaad
dat we liever nooit geboren waren.
1804
Dit werd gemaakt, durf ik te verklaren,
door een wonderlijk soort wezens
die God in het minst niet vrezen.
Ze hebben een hele vreemde moraal,
1808
als ze willen, worden ze ons fataal,
net als die eigenaardige mannen
die ons een valstrik wilden spannen
bij die berg in vuur en vlam.’
Sinte Brandaan en de heren
naar het schip terug te keren.
Toen ze aan boord waren gegaan,
1816
kwamen daar opeens rieden aan
die wonderlijk van uiterlijk waren,
zoals het boek ons zal verklaren.
1820
en ze heetten Walseranden. +
Ze konden het schip net niet meer bereiken
en stonden daarom woedend te kijken.
| |
| | | |
Hoefde hadden si alse zwijn -
1824
Hoe mochten, si wonderliker zijn! +
Mans handen ende honden been, +
Cranen hals, mans buuc vorware, +
1828
Onder die voete ru van hare. +
Sijdin was al haer ghewant. +
Boghen droughen si in die hant
Ende pijle daer in gheset,
1832
Wel gheslepen ende ghewet. +
Huut haerre borch was ontgaen.
Doe sprac sente Brandaen:
1840
‘Latet tscip al sachte gaen
1844
Nu heeft mi groet wonder +
Up die stavene ghinc hi staen. +
Bi Gode ende bi zijnre cracht
Ende bi al dat hi heeft ghewracht +
Ende noint liet gheweerden +
1852
In hemele ende in der eerden,
Dat sine met vreden lieten +
Tote bi den lande vlieten, +
Dat hi hem spreken mochte. +
Die boghen hute haerre hant
Ende zweghen alle te hant. +
¶ Doe vraechde sente Brandaen:
1860
‘Kendi Gode? Doet mi verstaen.’ +
Doe sprac een daer onder:
Brandaen, du heves wonder +
Dore varen in menich lant. +
1864
Nu heeft hu God hier ghesant, +
| |
| | | |
Elk had het hoofd als van een zwijn, +
1824
ze konden niet vreemder zijn.
Handen van mensen en poten van honden.
Ze schreeuwden aanhoudend en opgewonden.
Een mensenromp en de hals van een kraan
1828
en harige voeten om op te staan.
Geheel van zijde was hun gewaad.
Ze hielden hun grote bogen paraat
met de pijlen erin gezet,
en ze rochelden vervaarlijk,
op de wijze van wilde beren.
1836
Ze konden het slecht verteren
dat Sint Brandaan hun was ontkomen:
dat hebben ze hoog opgenomen.
Toen sprak Sinte Brandaan:
1840
‘Laat het schip zachtjes gaan
en met het tij meedrijven
om buiten schot te blijven
als dat griezelvolk aan gaat leggen.
1844
Ik ben benieuwd wat ze zeggen,
of ze van God hebben vernomen:
dat wil ik te weten komen.’
Op de steven ging hij staan
1848
en beval de monsters daarvandaan
bij God en wat Hij schiep
1852
in de hemel zowel als op aarde,
dat ze niet gingen schieten,
en hielden meteen hun mond.
Toen vroeg hun Sinte Brandaan:
1860
‘Kent u God? Doe mij dit verstaan.’
Toen sprak er een uit die schare:
‘Brandaan, jij bent gevaren
langs wonderen, alom verspreid.
1864
Nu heeft God je naar hier geleid,
| |
| | | |
Dien du voer ons minnet. +
Wij kenden eer, verstaet dat, +
1868
Daer hi in sinen trone sat, +
Doe sprac sente Brandaen:
1872
‘Dit soudic weder segghen saen, +
Maer dat mi bestaet niet. +
Een wijs man bescreven liet, +
Dinghele dorsten niet beghyen +
1876
Datsi Gode hadden ghesien
Du wils di domphede pinen. +
1880
Du en moghes mi niet verdoren +
Dine woerde sijn ongheware +
Wat hebstu di toe ghetoghen? +
Nye en saghen hoeghen, dats waer; +
1888
+God es so wonderlike claer. +
Waer mochten si commen zijn
Datsi Gode saghen, den hoghen,
1892
Dien die ingle niet sien en moghen
Ja in vullen aenghesichte? +
Waer saechdine dan te rechte? +
Doe hi in erderike was Zone,
1896
Drouch hi in hemelrike crone.
Hier was hi Sone ende daer Vader.
Nochtan was hi daer algader
Vader, Sone, Helich Gheest,
1900
Eenich Heere ende alre meest. +
In hemele ende in diepe afgronde,
1904
Ja, ter hellen mense vonde,
| |
| | | |
die jij meer dan ons bemint.
Maar hoe goed je Hem ook kent,
wij kenden Hem eerder, besef dat.
1868
En hoe Hij op Zijn troon zat,
dat aanschouwden wij allen,
voor Lucifer was gevallen.’ +
Toen sprak Sinte Brandaan:
1872
‘Was het mij maar toegestaan,
dan ontkende ik, wat jullie zeggen.
Een wijs man heeft eens vast laten leggen +
dat zelfs geen engel durft staande houden
1876
dat hij ooit God aanschouwde
en Hem zag in Zijn gelaat.
Wat jij beweert, is gekkenpraat.
Dus zeg ik je kort en goed
1880
dat je me niet misleiden moet
met verzinsels van dit soort.
Leugenachtig is je woord,
1884
God is namelijk onzichtbaar.
Je woorden zijn zelfbedrog.
Wat verbeeld je je dan toch?
Nooit zagen ogen Zijn gezicht,
1888
God is zo stralend licht.
Waar zijn jullie heen gevlogen
dat je met je varkensogen
God aanschouwde, zo verheven
1892
dat geen engel 't mag beleven
in Zijn aangezicht te zien?
Mag ik weten waar, misschien?
Toen Hij op aarde was als Zoon,
1896
droeg Hij in de hemel een koningskroon.
Hier was Hij Zoon, daar was Hij Vader.
Toch was Hij daar altegader
Vader, Zoon en Heilige Geest.
1900
Enige en Hoogste is Hij altijd geweest.
Je hebt niet goed nagedacht
over God en Zijn almacht:
in de hoogste hemel, de diepste afgronden,
1904
ja, in de hel zelfs wordt gevonden
Gods macht in alles wat bestaat,
als men die daar zoeken gaat.
| |
| | | |
1908
Dattu Gode souts hebben ghesien?’
Doe sprac die wonderlike gheest: +
‘Brandaen, dattu niet ne weets,
Des en wiltu niet betrauwen.
1912
Dat sal di noch berauwen!
Oec suldijs ghewinnen scade. +
Den bouc verberrenstu bi onrade, +
Daer die waerheit in ghescreven was.
1916
Hoe leede es di worden om das! +
Nu hebben ghesien dine oghen
Dattu doe niet wils gheloven. +
Daer omme so doen si wijselike
Die an Gods woorde gheloven,
Al en saghen zijs noint met oghen. +
Ja en scrijft ons sente Jan +
1924
Hoe in Thomase, den heleghen man,
Tgheloeve was te broken? +
Al hadt hem God vorsproken, +
Hi en wildes niet gheloven, +
+Hi en saecht metten hoghen +
Dat God ware up verstanden. +
1932
Hi moest tasten metten handen +
Ende sine wonden also bevaen. +
Daer na quam God tote hem saen
Ende seide: “Thomaes, com, tast mijn wonden
1936
Ende zijt ghelovich tallen stonden.” +
Doe seide die twifeleere:
“Nu so ghelovics, Heere, +
1940
“Vele te salegher so bestu,” +
Sprac doe die Heleghe Kerst,
“Dattu ghelovende worden best.
Maer wel salich so sijn die,
1944
Die mi nochtan en saghen nye +
Hoe hout dat die Heleghe Kerst +
1948
Den wel gheloevenden es.’
| |
| | | |
Aan jou is zijn gelaat bekend?
1908
Wie denk je wel dat je bent?
Toen sprak de wonderlijke geest:
‘Brandaan, wat jij niet zeker weet,
daar wil je ook niet op vertrouwen.
en je nog heel wat schade brengen.
Het boek liet jij in drift verzengen
waar de waarheid in geschreven stond,
1916
zoals je nadien wel ondervond!
Nu zag je met je eigen ogen
wat je niet wilde geloven.
Daarom doen zij wijs en goed
1920
en leven met een vroom gemoed,
die in Gods woorden geloven
zonder te zien met eigen ogen.
Beschrijft ons immers niet Sint Jan +
1924
hoe Thomas, de heilige man,
door ongeloof werd gekweld?
Al had God het hem voorspeld,
toen 't verhaal hem werd gedaan
1928
dat God echt was opgestaan,
wilde hij het niet geloven
tenzij hij 't zag met eigen ogen
dat God echt verrezen was,
1932
en dan nog geloofde hij het pas
als hij de wonden mocht voelen bij Hem.
Toen hoorde hij Gods stem:
“Kom, Thomas, betast mijn wonden dan.
1936
Wees van nu af een gelovig man.”
“Nu geloof ik het voorwaar,
dat U bent verrezen, Heer.”
1940
“Zalig ben je des te meer,”
zo sprak Christus hem toen aan,
“nu je weer gelooft, voortaan.
Maar wel zalig toch zijn zij
1944
die van ver noch van dichtbij
mij zagen, en toch geloven aan mij.”
Brandaan, nu bedenk daarbij
hoezeer Christus hem liefheeft
1948
die oprecht gelovend leeft.’
| |
| | | |
¶Noch sprac die zwijninen mont:
‘Brandaen, ic make di cont +
Waer wi Gode so na ghyen +
1952
Dat wine wel mochten sien.
Dat was doe Lucifer ghedachte +
Dat hi met overdegher crachte +
Up den hemele wesen woude +
1956
Anders dan hi wesen soude. +
Dat en was ons lief no leet mede.
Inghelen waren wi van suiker claerhede +
Dat wi Gode saghen daer -
1960
Dit segghe ic di vorwaer.
So moesten wi vallen alle.
Om dat wi hadden zwijnen moet, +
Dat dor doghet niet en doet, +
Het heeft eenen bozen list, +
1968
Het leit in des goors mist, +
Int slijc of yewers onreins hel, +
Alst ware in een reine stede. +
1972
+Wij verzwijmden ons, dats waerhede, +
Recht alse dat onwijse zwijn,
Dies moeten wi hem ghelijc zijn.
Half zijn wi ru ende hondijn - +
1976
Hoe mochten wi wonderliker sijn?
Dat verdienden wi daer mede,
Om dat wi des honts zede +
1980
Want van ne gheenen dinghen
En wrought hi den bekenden man +
Sint dat hine nomen can, +
Maer hi staet hem zwijghende bi
1984
- Hoe hout hi sinen meester zi - +
Dat hi hem eenich scade ghedoet. +
Dies gaf ons God dit lant goet +
Te zoenen ende te mieden, +
1988
Omme dat wi sine scade niet berieden. +
Omme dat wi dus stonden stille
So hebben wi dus onsen wille: +
| |
| | | |
Toen zei nog de zwijnesnuit:
‘Brandaan, nu leg ik je alles uit,
hoe wij God kwamen zo nabij.
1952
Zijn aangezicht zagen wij.
Dat was, toen Lucifer heeft gedacht, +
in zijn hoogmoed, dat hij met zijn macht
naar een hogere plaats kon streven
1956
dan zijn bestemming hem had gegeven.
Dat was ons lief noch leed.
Engelen waren wij, zo stralend, God weet, +
dat wij Hem daar zagen, zonneklaar,
Maar toen Lucifer is gevallen,
gold zijn ondergang ons allen.
God nam ons terstond onder handen,
1964
Hij vond ons, Walseranden,
behept met een verzwijnd gemoed,
omdat een zwijn niets deugdzaams doet
en de kwalijke neiging heeft
1968
dat het maar 't liefst in de smurrie leeft.
In al wat vies is en onrein
voelt het zich minstens net zo fijn
als in reinheid en zuiverheid.
1972
Wij verzwijnden, dat is een feit,
wij handelden al net zo gek.
Vandaar nu onze zwijnebek.
Voor de helft behaard zoals een hond,
1976
zijn wij het raarste dat ooit bestond,
en dat heeft ook een goede reden,
omdat wij als de honden deden
bij de opstand in het hemelrijk:
1980
een hond geeft van geen waaksheid blijk
en doet geen vreemde kwaad, die weet
De hond staat er dan zwijgend bij,
1984
hoe lief zijn meester hem ook zij,
wanneer die aangevallen wordt.
als zoengeschenk dit goede land.
1988
Wij waren immers geen kwaad van plan.
Wij bleven afzijdig, stonden stil
en daarom gewerd ons door Gods wil
| |
| | | |
Verlaten so es ons der hellen,
Verlaten: kwijtgescholden
1992
Men sal ons daer niet quellen
Die daer die zielen quellen.
Doe seide sente Brandaen:
‘Wij waren in huwe borch ghegaen.
Daer saghen wi grote chierheit +
2000
Ende arde groete rijcheit
Diet daer al te gader drouch, +
Hi was vroet ende wel bedacht. +
2004
God heeft ons met zijnre cracht
Van danen so wel gheleet,
So dat ict alre best weet,
Dat wi daer niet en namen +
2008
Dies wi ons dorven scamen +
Of in pinen dorven comen. +
Wi en hebben hu niet ghenomen,
Dies weet God die waerheit.
2012
Waers oec yet, dat ware mi leit. +
En hadde God met zijnre cracht,
+Die ons hier hevet bracht,
Die draken niet ghebonden,
Daer wi ter poorten ghinghen in. +
Nu wondert mi in minen zin +
2020
Doe wi in huwe borch waren.’
¶Doe sprac een Walscherant:
‘Wij waren in een ander lant
So hebben wi alle daer ghedaen, +
1028
Wi waren daer wel naer ghevaen. +
Si daden ons meneghen toren, +
Met spotte namen si ons coren. +
2032
Dies waren wi daer ghevaren
| |
| | | |
veel goeds. Bespaard werd ons de hel
1992
en we ontlopen 't wrede spel
van Lucifer en zijn gezellen
die aldaar de zielen kwellen.
We stellen nederig onze hoop
1996
op God die in de hemel woont.’
‘Wij waren in uw burcht gegaan
en zagen rijkdom daar en pracht
2000
en veel dat kunstig was bedacht.
Van alles was daar genoeg.
Wie dat heeft samengevoegd,
was wijs en heeft goed nagedacht.
2004
God heeft ons met Zijn kracht
weer zo goed weggeleid van daar,
dat ik met een gerust hart verklaar
dat wij daar niets wegnamen
2008
waarvoor we ons moesten schamen
of waar narigheid van kon komen.
Wij hebben u niets afgenomen.
2012
dat mij dat dan danig speet.
Had ook God met Zijn kracht,
die ons hier heeft gebracht,
toen wij de poort zijn ingegaan.
Nu vraag ik me af, dus geef mij te verstaan,
waarheen had u zich begeven
2020
toen wij in uw burcht verbleven?’
‘Wij waren in een ander land.
Zestig legerscharen trokken hiervandaan
2024
om dwars door een dicht woud te gaan
naar het land van de draken. +
Met heel wat lastige zaken
hebben wij daar kennis gemaakt,
2032
we waren bijna gevangen geraakt.
Ze kwamen allang onze vrede verstoren,
honend stalen ze ons koren.
Echt waar, alleen om ons te wreken
2032
zijn wij in hun land neergestreken
| |
| | | |
Ende hebben met hem ghevochten
Wi hadden groot volcheere. +
2036
Si brochten oec ter weere +
Hadden si alle beleghet. +
2040
Si en waren nye so ontweghet +
Sint dat hem God, die goede,
2044
Dat si moesten metten duvel. +
Wij en segghen hu nemmeere, +
Of du en wils weder keeren +
Tote onser borch van prijse, +
2048
Daer willen wi eere bewijsen.’
‘Neen, wi niet, wi willen varen
Daer ons God moet bewaren,’ +
Sprac die goede sente Brandaen,
2052
‘Ende Gode volen so moetti gaen.’ +
Doe Brandaen orlof ghenam, +
Die bouc seit dat hi quam
Na den heleghen Brandane,
Ende boden hem scat ende spijse.
Doe sprac die Gods wijse:
‘Huwe spijse no huwen scat
Ende wi en willens niet ontfaen.’ +
Doe liet hi sinen kiel gaen
Ende sciet van dien lande +
2068
Ende voer up die zee te hande.
¶Do versach sente Brandaen +
2072
Dat hi vlootte up een blat. +
| |
| | | |
en raakten met hen in gevecht
waar we ze hadden opgezocht.
Ons leger was heel machtig,
2036
maar zij hadden een krachtig,
welbemand verweer daartegen:
2040
Zij waren nooit meer zo ontzet,
zo woedend en op wraak verzot,
sinds het uur dat de goede God
hen aan de wanhoop had prijsgegeven,
2044
daar ze onder de duivel moesten leven.
En 't vervolg, dat hoort u, heren,
als u met ons terug wilt keren
naar onze burcht, die allen prijzen.
2048
Daar willen wij u eer bewijzen.’
‘Dat doen we niet! We willen varen
waar God ons moge bewaren,’
sprak de goede Sint Brandaan,
2052
‘moge God ook u bijstaan.’
Toen Brandaan afscheid nam,
het boek zegt dat hij toen kwam,
De wezens riepen allemaal,
natuurlijk in hun eigen taal,
en boden schatten en spijzen.
2064
daar willen wij niets van weten,
Toen liet hij het schip gaan
en is van dat land vandaan
2068
meteen de zee weer opgegaan.
2072
het ronddreef op een blad.
| |
| | | |
Also groet als een dume. +
In die luchter hant zijn +
2076
So voerde hi een napkijn, +
In dandre een greffeel bloot +
Dat ne was no bore groot. +
Daer mede was hem vele wee: +
2080
Hi stac tgreffeel in die zee
Ende liet drupen int napkijn +
Dien hi hadde in de hant zijn.
Ende doe hijt vol hadde ghedaen,
2084
Goet hijt weder hute saen; +
Aldus hi mat ende hute ghoet.
¶Doe vraechde hem sente Brandaen
2088
Waer omme dat hijt heeft ghedaen.
Hi sprac: ‘Ic mete dese zee,
Hets mi vorscepen emmermee, +
Ofte icse vul meten mach +
2092
Tote voer den domsdach.’ +
Doe sprac Brandaen, die heere:
‘Du en vulmeetse nemmermeere!’
Die cleene man andwoerde up dat,
2096
Daer hi up dien blade zat:
‘Niet te meer dan ic vulmeten mach +
+Die zee voer den domsdach, +
Niet te meer moghedi bescauwen
2100
Al dat wonder en trauwen +
Dat God heeft laten gheweerden +
Int water ende up der eerden,
Entie di noch verholen zijn. +
2104
Dine gheestelike kindre fijn, +
Die zijn thuus sonder troost. +
God die di dicken heeft verloost +
Bidden si dor sine ghenaden
2108
Dat hi hu behoede van scaden.
Gods inghel moete behoeden di! +
Niet langher willic hu zijn bi.’
2112
Hier na, dats gheene zaghe, +
Quamen si, des seker zijt,
| |
| | | |
Daarop zat het ventje ruim:
hij was niet groter dan een duim.
Zijn linkerhandje hield hij om
De griffel in zijn rechterhand
en heel druk had hij 't ermee:
2080
hij stak de griffel in de zee
en liet het druppen in die kom
met zijn kleine hand erom.
Als hij de kom daar vol mee kreeg,
2084
gooide hij die meteen weer leeg.
Zo mat hij almaar door en goot.
Hoor hier nu een wonder groot!
Toen vroeg hem Sinte Brandaan
2088
waarom dat moest worden gedaan.
De man zei: ‘Ik meet deze zee,
daar vervul ik mijn bestemming mee,
met te zien of 't klaar zal zijn
2092
als de doemdag daar zal zijn.’
Toen zei de goede Sint Brandaan:
‘Jong, daar komt nooit een einde aan!’
Waarna het ventje op het blad
2096
het volgende rake antwoord had:
‘Net zo min als 't meten klaar is +
als de dag des oordeels daar is,
net zo min lukt het jou en de jouwen
2100
alle wonderen te aanschouwen
die God schiep met eigen hand
in het water en op het land
en die jou nog verborgen zijn.
2104
Je geestelijke kinderen zijn
zonder vertroosting thuisgebleven
en bidden God, die vaak jouw leven
gered heeft, om door Zijn genade
2108
jou te behoeden voor leed en schade.
Gods engel sta je altijd bij
en ga nu verder, zonder mij.’
2112
wil dit niet als leugen zien,
kregen ze na tertstijd, 's morgens vroeg, +
| |
| | | |
In groter zorghen up die zee,
2116
Daer hem af quam vele wee. +
Haer anxt was vele groot.
Daer brochtse in groeter noot
Een visch die was vreesam, +
2120
Die jeghen hem zwemmende quam. +
Hi wilde verzwelghen haren kiel.
Hem was zijn mont ende zijn ghiel +
2124
No weder eer no na der tijt +
En was haren anxt so groot.
Drie daghe hi voer hem vloot, +
Doe spyen hi hem teenen boghe, +
2128
En si dat ons die bouc loghe. +
Den stert stac hi in den monde
Dat scip hi al omme bevinc. +
2132
XIIII daghe voeren si in den rinc,
Al daerse die visch verroerde, +
Die den kiel in de zee voerde
Alse ofte hi in de wolken soude +
2136
Ende achter waert weder woude +
Dus voeren si langhe stonde.
Doe vielen si in eene baerke, +
2140
+Daer mede wilden si sterke +
Die visch dede hem grote hande. +
Si weenden, moonken ende scipman.
2144
Brandaen die troestese dan
Ende seide: ‘En wilt hu niet vreesen.
God heeft ons dicwile voer desen +
Wonderlike dinc gheopenbaert.
2148
Als dese visch wech vaert,
So wert die zee al stille,
Dan hebben wi onsen wille.’
Doe quam een scone weder,
2152
Die kiel stond stille, hi en ghinc weder. +
Hi en wilde niet gaen een twint. +
Viere hueren lach hi te dier stede, +
| |
| | | |
weer iets gevaarlijks voor hun boeg. +
Opnieuw bracht hun de reis op zee
en hun angst was wel heel groot.
Ditmaal raakten ze in de nood
door een vis, heel angstaanjagend,
2120
die ze het schip naderen zagen
en die het verzwelgen wilde. +
De bek waarmee hij zijn honger stilde,
2124
Noch eerder, noch ook na die tijd
waren ze zo vreselijk bang.
Hij zwom voor hen uit, drie dagen lang,
toen spande hij zich tot een boog, +
2128
of het moest zijn dat het boek loog,
de staart stak hij in de mond,
zo diep als hij maar kon,
zodat zijn lijf om 't schip heen ging.
2132
Veertien dagen voeren ze in die ring.
En als zich de vis bewoog,
schoot het schip zo ver omhoog
of het de wolken in zou gaan
2136
en stortte dan weer daarvandaan
als in een diepe afgrond.
Zo voeren ze dagen in het rond.
Toen zijn ze in een sloep gegaan
2140
waarmee ze uit de ring vandaan
al roeiend land wilden bereiken.
Het monster deed hen vreselijk lijden.
Monnik en zeeman weenden zeer,
2144
maar Brandaan troostte hen alweer
en zei: ‘Jullie hoeven niet te vrezen:
God heeft ons dikwijls voor dezen
wonderlijke dingen geopenbaard.
2148
Zijn we van deze vis gevrijwaard,
dan wordt de zee volkomen stil,
zoals elk van ons dat wil.’
2152
Het schip bewoog in 't geheel niet meer.
Vergeefs werd op een zuchtje wind gewacht
dat hun schip ook maar een stukje verder bracht.
Vier uren lag het schip daar
| |
| | | |
2156
Die hitte hem dicken wee dede.
Doe quam een windes stoot,
Die kiel doe henen vloot,
Die visch hi zanc te gronde. +
2160
Daer verledichtse God tier stonde. +
Si voeren voert een lettel bat. +
Doe quamen si teenre stat +
Daer twater was so dinne +
2164
Datsi onder hoerden daer inne
Clocken luden ende clinghen
Si hoerden paerden neyen +
2168
Ende oec voghelen screyen. +
Si hoerden die honde bijlen +
Ende met hoernen ghijlen +
2172
Ende dansen ende springhen
Van mannen ende van wiven;
So horden si onlede driven. +
Doe si dit hoerden daer onder,
2176
So hadden zijs groet wonder +
Ende si niet en saghen das.
Die heeren, bi rade ghemeene, +
2180
Worpen hute zinckel steene, +
Hoe diepe dat twater ware.
Den ancker worpen si hute daer naer.
Dies wart hem te moede zwaer: +
2188
Die ancker wart met allen +
Onder ghevaen ende ghebonden. +
Daer hilden si langhe stonden +
Ende hadden wel groet wonder
Die meester stierman seide doe:
‘Ic en weet wat ik best doe,
Snijdic den ancker reep ontwee, +
| |
| | | |
2156
en de hitte drukte hen zwaar.
Toen kwam plotseling een windstoot,
waarop het schip wegschoot.
God verloste hen terstond,
2160
want de vis zonk naar de grond.
Ze voeren een stukje voort, +
toen kwamen ze bij een oord,
daar was het water zo onzwaar,
2164
van de zeebodem hoorden ze daar
klokken luiden en klingelen
2168
vogels riepen door elkaar,
hondegeblaf konden ze horen
en ergens een jachthoorn.
Een luid en vrolijk zingen
2172
en dansen ook, en springen
van vrouwen en mannen, allemaal
maakten ze een groot kabaal.
Toen ze dat hoorden daaronder,
2176
leek het hun een groot wonder
dat ze er zo vlakbij lagen
en er toch niets van zagen.
De heren, bij algemeen besluit,
2180
wierpen stenen om te peilen uit:
hoe diep was het water daar?
Ze wierpen het anker erachter aan -
dat hadden ze beter maar niet gedaan:
2188
werd het anker daarbeneden al
en ze vroegen zich af, verwonderd,
2192
wie het vasthield daaronder.
De meesterstuurman zei toen:
‘Ik weet niet wat ik 't beste kan doen,
2196
dan zijn we voor altijd los,
| |
| | | |
Den gront der zee ghewinnen sciere. +
Helpt ons, Drochtijn, van hiere, +
2200
Nu en moghen wi nemmermeere +
Dat zeil si neder lieten.
¶ Doe vraeghde sente Brandaen
Of hi te scrivene hadde mee +
Des wonders dat hi hadde ghesien.
‘Vader, ic hebs langhe begheven. +
God danc, die bouc es vulscreven.’
Doe sprac sente Brandaen:
Ende voer sente Marien draghen, +
Onse peelgrimage es vuldaen,
Dat hopic an Gode, saen.’
2220
Ghinghen si ten zeyle saen
Ende trockent an den maste +
Ende bondent vele vaste. +
Den ancker cabel sneden si ontwee
2224
+Ende voeren vroylic up die zee
Ende quamen saen te hant +
Ghesont tote in haer lant.
Den bouc nam sente Brandaen
2228
Ende alle die moonken saen
Ende ghinghen met hem scone +
Alsose God hadde ghescapen, +
Ende ontfinghen die heeren +
Dien bouc heeft hi up gheheven
| |
| | | |
vinden we op geen zeebodem houvast meer.
Help ons hieruit, o Heer,
2200
of we liggen voor altijd stil
en moeten de reis onvoleindigd laten.
Ze streken het zeil, gelaten.
Toen vroeg Sinte Brandaan
of er nog meer te schrijven was
over wonderen waarvan ze getuige waren,
2208
waarop Noë kon verklaren:
‘k Heb er, vader, allang de brui aan gegeven,
Goddank, het boek is volgeschreven.’
2212
‘Dan wil ik dat wij van hier gaan
om het boek van wat wij zagen
2216
terug naar ons eigen land.
Onze pelgrimstocht is nu volbracht,
dat hoop ik, bij Gods almacht.’
Toen dit alles was gedaan,
2220
grepen ze het zeil weer aan,
hesen het heel hoog in de mast
en zetten de schoten strak.
De ankerkabel kapten ze in twee
2224
en vrolijk voeren ze over zee
Het boek, gedragen door Sinte Brandaan
2228
met een stoet monniken achter zich aan
werd als een kostbare vracht
naar het klooster gebracht.
2232
veel kloosterlingen met vroom gemoed.
grote geleerden, èn simpele zielen, +
die God evengoed bevielen
Brandaan heeft ter verering het boek opgeheven
| |
| | | |
Daer dat wonder in was bescreven.
Doe quam een inghel van Gode
2240
Ende dede zijns Heeren ghebode: +
‘Sijt willecomme, Brandaen,
2244
Also langhe als hu ghelike, +
Ende alstu hier niet mee wils zijn, +
So vaert ten hemele int sitten dijn.’ +
¶ Doe ghereeddi hem ghewesse, +
2248
Brandaen, ende zanc een messe.
Ende doe die messe was vuldaen,
So en lettet niet lanc saen +
Hi en staerf, die heleghe heere.
Den inghel sente Michiele.
Men grouf met eeren den lichame. +
2256
Daer maectemen in sinen name
Die beteekenden die IX jaer
2260
- Dat seit die bouc over waer -
Daer hem God wilde zenden.
¶ Nu biddic elken ende rade
+Die hem dicke wart te zuere, +
No en segghe no daer over houde +
2268
Dat loghene wesen soude, +
Want het leecht bescreven in lattijne +
In meneghen cloester fine +
Ende in menegher goeder stede, +
2272
Daer ment hout in werdicheden. +
Want God toechde hem besondere +
Van sinen heymeliken wondre. +
Die Spieghele houdes oec orconden. +
Den goeden sente Brandane,
| |
| | | |
waarin de wonderen waren beschreven.
Een engel Gods daalde toen neer
2240
en bracht een boodschap van zijn Heer:
‘Wees heel welkom, Brandaan.
2244
zolang je daarom blijft geven
en wil je niet langer, weet:
in de hemel staat je stoel gereed.’
Brandaan maakte zich voor alles klaar,
2248
een laatste mis zong hij daar
en toen dat was volbracht,
heeft hij niet langer gewacht
en stierf, de heilige heer.
Met eer begroef men zijn lichaam,
2256
men bouwde een kerk in zijn naam
die symboliseerden de negen jaar,
2260
dat zegt het boek voorwaar,
dat hij voer in ballingschap,
waarin hem God gezonden had.
Met nadruk geef ik nu de raad
2264
dat niemand ze minacht of versmaadt,
en wat hij daarbij moest verduren,
en dat niemand zegt of 't ervoor zal houden
2268
dat het leugens wezen zouden,
want het ligt beschreven in 't Latijn +
in kloosters groot en klein
en op menige vrome plek op aard,
2272
waar 't met eerbied wordt bewaard.
Want God toonde hem in 't bijzonder
iets van Zijn verborgen wonderen.
Ook de Spiegel getuigt ervan. +
2276
Elk kome met zijn zonden dan
naar Brandaan, Gods goede vriend,
die Hem altijd heeft gediend,
| |
| | | |
2280
Voer ons allen moete beden. +
Dies en moet hi niet vergheten,
Want hi tparadijs heeft bezeten. +
Dies moeten; hoeren Christus onse Heere, +
2284
Dor siere liever moeder eere. +
| |
| | | |
opdat Brandaan vanaf heden +
2280
ons gedenke in zijn gebeden.
Moge hij dit niet vergeten!
Nu hij in de hemel is verheven,
2284
hem verhoren, om Zijn Lieve Moeders eer.
|
+in haer ghemoet: haar tegemoet
+dede ... cont: bracht op de hoogte
+moete ontsluten: onsluite
+redene acht: in staat om te spreken
+sonder waen: ongetwijfeld
+hute Yberne: uit Ierland
+houden boucken: oude borken
+moghedi leerren: kunt u vernemen
+Gods wijse: wijse man Gods
+Boven der eerden: op aarde
+Doe: toen; te waren: waarlijk
+De profeet Bileam (Balaam) moest op bevel van de Moabitische koning Balak de Israëlieten vervloeken. Hij zadelde zijn ezelin en ging op weg; God zond een engel die hem de weg versperde. De ezelin week opzij. Bileam, die in zijn verblinding de engel niet kon zien, ranselde het dier om zijn weg te vervolgen. Hierop verleende God de ezelin het vermogen tot spreken en Bileam kwam tot inkeer (Numeri 22:21-35).
+Dit vers is een citaat uit psalm 51 (50 in de Vulgata), vers 17: ‘Heere! open mijne lippen, zo zal mijn mond Uwen lof verkondigen’ (Statenvertaling).
+De historische Brandaan stichtte een aantal kloosters in West-Ierland, o.a. in Clonfert. Hij stierf omstreeks 580.
+Vermoedelijk zijn hier het aardse en het hemelse paradijs bedoeld. Het eerste is het paradijs waaruit Adam en Eva verstoten werden; in het hemelse paradijs worden de gelouterde zielen van gestorvenen opgenomen.
+hoe er een bosrijke kust
+Ghewassen: gegroeid; zwaerde: huid
+wederseidi aerde: sprak hij fel tegen
+omdat het zo ongeloofwaardig was
+Gods barmhartigheid ondervond
+de nacht voor elke zondag
+dit volstrekt niet geloven
+Hi en saecht: tenzij hij het zag
+verberrendi: verbrandde hij
+dat kwam hem vervolgens duur te staan
+je hebt ernstig gezondigd
+laettene: laat het (boek)
+jou wordt nog wel duidelijk
+Al omme ende omme: almaar voort
+In middeleeuwse kosmologische geschriften is vaak sprake van drie hemelen; de bijbelse bron voor deze driedeling is de Tweede brief van Paulus aan de Korinthiërs (2 Kor. 12: 1-4), waarin Paulus spreekt over een derde hemel en een zich daar bevindend paradijs.
+Een bijbelse boekverbranding is te vinden in Jeremia 36: Jojakim, de koning van Juda, weigert geloof te hechten aan de waarschuwingen en voorspellingen van de profeet Jeremia; hij verbrandt een boekrol waarin Jeremia, in een laatste poging om het volk tot inkeer te brengen, deze voorspellingen Gods had laten opschrijven. God draagt Jeremia op om de inhoud van de verbrande boekrol opnieuw te boek te stellen.
+op deze wijze precies te horen kreeg
+uit eerbied voor Zijn Moeder
+kiel: schip; tauwen: gereed maken
+vuerijn hout: van vurehout
+menichfout: bijzonder goed
+ysere: klinknagels; arde: zeer
+Na: naar het voorbeeld van
+dylovie: zondvloed; vruchte: vreesde
+waarop hij trots kon zijn
+Smessen: smidsgereedschap; ghemac: gerief
+Als: zoals; vertrac: verhaalde
+Dus: aldus; met sinne: met overleg
+zodat hem niets kwaads overkwam
+Een ziel die in de hel terechtkomt geldt als voor eeuwig verloren.
+Toen God wegens de verdorvenheid der mensheid de zondvloed over de aarde bracht, werd Noach als enige rechtschapene gespaard. Op Gods bevel en volgens Zijn richtlijnen bouwde hij de ark, waarin hij van alle dieren op aarde telkens een paar onderbracht; met deze dieren en zijn gezin overleefde hij de zondvloed (Genesis 6, 7 en 8).
+Wat voor legende of levensbeschrijving van de heilige hier bedoeld wordt, is niet bekend. In de Navigatio komen de in v. 108-115 genoemde details niet voor.
+hine: hij hem; verloes: verloor
+Dies: daarom; vriendeloes: vijandig
+datten: dat hem; viant: duivel
+ontgout: moest ontgelden
+dat hij er ooit aan gedacht had
+Dies: daarom; deden: bracht hem
+hij had nog nooit zoiets gezien
+toen bezwoer hij het plechtig
+Hoe ... ghedaen: hoedanig
+arde: zeer; woet: waadde
+berokkende diegenen schade
+De episode van de sprekende reuzenschedel is uitsluitend in het Comburgse handschrift De herkomst van het motief is onzeker. Zowel in de legende van de Ierse heilige Malo (Machutius of Maclovius) als in die van de woestijnvader St.-Macarius wordt iets dergelijks verhaald.
+toen kon ik het er niet levend afbrengen
+Sonder: behalve; pine: straf
+indien ik God kan afsmeken
+hu slives jan: uw leven gunt
+pinen: je inspannen; hulde: genade
+werden wijs: deelachtig worden
+daaraan zou je niet kunnen ontkomen
+niet zou kunnen verhinderen
+pijnt hem: spant zich in
+Of: als; lief: begeerlijk
+Dies: daarvan; ghewes: zeker
+ghepinet: gemarteld; fel: wreed
+No: noch; keert: bekeert
+Beede ... ende: zowel ... als
+mijn lichaam teniet zou gaan
+terug naar de helse folteringen
+roet ghuldijn: van rood goud
+Dat christenen in het hiernamaals zwaarder voor hun zonden moeten boeten dan ongedoopte heidenen, kan worden afgeleid uit de Tweede brief van Petrus (2 Petrus 2: 20-22).
+Te mijnre aermer scaren naar mijn helse folteringen
+deemsternesse: duisternis
+daar waar God wilde dat hij heen ging
+om sinen noet: vanwege zijn verplichting
+bevalen ze hen daar in Gods hoede aan
+datten: dat het hem; al: geheel
+In de middeleeuwse symboliek gold het hert als de vijand van de slang of de draak, hetgeen gezien werd als een beeld van Christus' strijd tegen de duivel.
+ant meere gaet: in zee stroomt
+ziedene: koken; heten: eten
+al te hant: onmiddellijk
+maar net op tijd zijn schip bereikte
+Verloest: gered; pine: nood
+In de Physiologus, een moraliserend natuurkundig werk uit de 2de eeuw na Christus, is de eilandvis een beeld van de duivel: hij verspreidt een zoete geur uit zijn muil en lokt daarmee scholen vissen tot zich. In het Bestiarium, een dierenencyclopedie uit de 12de eeuw, wordt een vis beschreven die de gewoonte heeft langdurig op één plaats in de golven te blijven liggen om zijn rug te zonnen. Na verloop van tijd groeien gras en struiken in het zand dat op zijn flanken aanspoelt; zeelieden die de vis zien, denken een eiland gevonden te hebben.
+dus: zo; trac in: naar beneden trok
+rugghe braden: rugspieren
+Dor: omwille van; goede: goedheid
+saen: spoedig; ghesande: zou zenden
+eyselic commer: vreselijk monster
+wij hoeven het niet te vrezen
+van: tegen; bewaren: beschermen
+Dus: zo; verbaden: kregen gedaan van
+borlen: brullen; wallen: bruisen
+In het handschrift-Van Hulthem (v. 339) wordt dit monster met een meerminne vergeleken, waarbij men overigens niet moet denken aan een verleidelijke sirene of ondine, maar eerder aan een soort zeetrol, een angstaanjagend wezen uit het Germaanse volksgeloof.
+zielen in menselijke gedaante
+up die zee: op (of langs) de zee
+zij hadden helaas zeer te lijden
+zo moeten wij hier lopen te versmachten
+wij waren tafeldienaars en schenkers
+hadden ons leven: leefden
+hu: u; te waren: voorwaar
+bi dijnre minnen: door uw liefde
+hem: hun; lavenesse: lafenis
+toen bogen zij allen voor de heilige
+Volgens de kerkelijke leer werden de zielen van gestorvenen lichamelijk gestraft. Men nam aan dat zij hiertoe na de dood opnieuw een lichaam kregen.
+Zowel in het Comburgse handschrift als in het handschrift-Van Hulthem is sprake van zielen die up (‘op’ of ‘langs’) de zee lopen. In de Duitse proza-versie lopen deze zielen-inmensengedaante rondom een meer. Het Middelnederlandse zee berust wellicht op een vertaalfout: het Duitse woord see (‘meer’) kan abusievelijk als ‘zee’ zijn opgevat.
+Volgens middeleeuwse theologen konden helse straffen niet worden kwijtgescholden; zij duurden eeuwig. Wel was volgens sommigen een tijdelijke verlichting van de straf denkbaar.
+saen: spoedig; booten: loeien
+verdreef: deed afdrijven
+doghet: vroomheid; gout: beloonde
+moghedi: kunt u; voerder: verder
+bi hem: nl bij zo'n steen
+int oest hende: oostwaarts
+Middeleeuwse geografen namen aan dat de Leverzee, die ook als Gestolde Zee werd aangeduid, ergens in het Noorden moest liggen. De onderzeese magneetsteen, die het ijzer van schepen aantrok, werd soms (zoals hier) in de Leverzee gesitueerd.
+met zinne: met toewijding
+aan de voet van die hoge rots
+eerlic werc: vrome bedrijvigheid
+ondervinden: te weten komen
+van deze sterke Godshelden
+(daarvan) waren er maar zeven
+'s middags kwamen hun brengen
+hoe graag schik ik mij naar Zijn genade
+daarvan ben ik overtuigd
+Men nam aan dat het aardse paradijs waaruit Adam en Eva waren verdreven nog ergens op aarde moest liggen. Het zou omgeven zijn door een hoge muur, of gelegen zijn op een hoge berg, waardoor het voor mensen niet toegankelijk was.
+In de bijbeltraditie zijn duif en raaf geen onbekenden: zie het verhaal van Noach (Genesis 8: 6-11). en dat van Elia (1 Koningen 17:6).
+ze konden de top niet zien
+onderdoen: ondergeschikt aan
+gheloves mi: neem dat van me aan
+hoedanig zijn leven was geweest
+ghewaerlike: naar waarheid
+in een ander, genaamd Capidocia
+toen de oudste de wapenen kon dragen
+Pamfilië en Cappadocië in Klein-Azië behoorden tot het missiegebied van de apostelen.
+De leeftijd waarop een jongeman geacht werd wapens te kunnen dragen, lag rond de vijftien jaar.
+aan de paus gaan bekendmaken
+ontclam: ontkwam door te klimmen
+claechde: betreurde luid
+vergaten: afstand deden van
+tcruut: planten; haten: aten
+waarheen elk van hen zich ook begaf
+duwieren: holen; riede: riet
+Behilden hem: hielden zich in leven
+als ik mijn ziel kan redden
+dan maakt het me helemaal niets uit
+noede: behoefte; vleesch: lichaam
+tempel: godshuis (wsch. corrupt)
+daar wacht ik tot het over is
+Volgens middeleeuwse theologen zingen koren van engelen permanent Gods lof.
+In de vroege Middeleeuwen bestond er onder Ierse kloosterlingen een bijzondere vorm van ascese: men verliet Ierland en koos zee in een klein bootje om in vrijwillige ballingschap de rest van zijn leven te slijten ( peregrinatio pro Deo). Sommige monniken trokken naar Brittannië en naar het Continent, maar velen leefden ook als kluizenaars op de onherbergzame eilanden voor de Ierse en Schotse kust.
+Het woord tempel in Cornburg moet wel een corruptie zijn; een godshuis op zo'n kale rots kan men zich moeilijk voorstellen en nog minder voorstelbaar is het dat de kluizenaar
+weer naar afgelegen streken
+eere hellen pit: een helleput
+crijsel tanden: knarsetanden
+branden: gloeiende brokken
+proofst: overste; plach: toezicht had over
+oft wesen mach: als het kan
+ongherechte: onrechtvaardige
+meyeren: opzieners; schepenen: rechters
+zich dan onder dat godshuis zou verschuilen, en niet erin. Andere betekenissen van het woord leveren ook geen aanvaardbare lezing. Vandaar dat bij de vertaling is gekozen voor de lezing van Hulthem: Hier onder enen ghespletenen stene.
+In beschrijvingen van de hel is traditioneel sprake van het geween en tandengeknars van gestrafte zondaars (zie bijv. Matteus 8:12).
+alle weghe: op alle manieren
+wat zij voortbrachten (met hun mond)
+aan alle (mogelijke) kwaad
+in waerliker dinghe: naar waarheid
+brochten: ertoe brachten
+scalchede: verdorvenheid
+evenkerstin: medechristen
+Dies: daarom; verzeelt: vastgehouden
+hij kan u helemaal niet helpen
+al jeghen spoet: geheel tevergeefs
+zoene: verzoening (met God)
+evel: kwade; ane viel: overviel
+Volgens middeleeuwse theologen krijgen zondaars een straf die past bij de aard van hun zonden.
+“Velen zullen hun losbandigheid navolgen en de weg van de waarheid zal door hun toedoen in diskredeit raken. In hun hebzucht zullen zij u met verzonnen verhalen geld uit de zak kloppen. Maar hun vonnis is al lang geveld, hun ondergang zal niet op zich laten wachten” (2 Petrus 2: 2,3).
+daar overviel hen de angst
+niewers: nergens; claer: licht
+daarvan zagen ze hoegenaamd niets
+up: aan land; te hant: meteen
+nye: ooit; kerstin man: christen
+dat was een en al robijn
+men zou het nooit genoeg kunnen prijzen
+dat was daar in overvloed
+meneghe wonne: veel heerlijks
+ghescreve: beschreven zou hebben
+in hoe grote verscheidenheid
+gemaakt van pauweveren leek
+quam in haren zin: bedachten
+Voor de beschrijving van paradijselijke oorden staat traditioneel de beschrijving van het paradijs in Genesis model (Genesis 2: 8-14). De vier paradijsrivieren vindt men in zulke beschrijvingen vaak terug als vier verschillende stromen kostelijk vocht, die uit één bron opwellen.
+waarom hij hem die aanbood
+want hij zou hem heel goed passen
+hij raakte hem aan zodat hij bewoog
+metter hant: eigenhandig
+en hem verstopte onder zijn kleed
+Te hant: snel; ruumden: verlieten
+tien tijden: op dat moment
+rijm: rijp; snee: sneeuw
+Deze verleidingsscene doet denken aan de wijze waarop in Genesis de slang de vrouw verleidt tot het eten van de boom van de kennis van goed en kwaad: ‘Toen zag de vrouw dat het goed eten was van die boom, en dat hij een lust was voor het oog, en hoe aantrekkelijk het was er inzicht door te krijgen’ (Genesis 3: 6).
+De hoge muur, het licht alom en de afwezigheid van koude, wind en regen zijn traditionele paradijselijke trekjes, ten dele ontleend aan de beschrijving van het nieuwe Jeruzalem in de Openbaring van Johannes (Apokalyps 21 en 22).
+In de Duitse teksten is sprake van twee grijsaards, Henoch en Elia. Van deze beide profeten werd aangenomen dat zij na hun hemelvaart in (of voor de poort van) het aardse paradijs de dag des oordeels afwachtten.
+en het zegt heel duidelijk
+die beschreef een wijde cirkel
+zwerde vierijn: vlammend zwaard
+stille: in het verborgene
+in getal verminderd in Zijn almacht
+geen van ons kan de bovenkant zien
+verkiesen: met het oog meten
+‘Hij verjoeg dus de mens uit de tuin, en aan de oostkant van de tuin van Eden plaatste Hij de kerubs en de vlam van het wentelend zwaard, om de weg naar de boom van het leven te bewaken’ (Genesis 3: 24). Cherubim nemen in de hiërarchie der engelen (vgl. de aant. bij v.1958) de tweede plaats in, na de seraphim.
+Uit de bijbel is de aartsengel Michael vooral bekend als degene die de duivel zal verslaan (Apokalyps 12: 7-12), maar in de traditie krijgt deze engel veel meer functies, onder andere die van begeleider van de zielen der gestorvenen.
+toen sprongen ze vrolijk overboord
+droughens: brachten ervan
+dooten: krankzinnig worden (van pijn)
+Doene: toen hem; begreep: greep
+hine bant: bond hij hem vast
+hij leerde hem hoe diefstal wordt berecht
+voerdene wers: behandelde hem slechter
+wie sindsdien wel meer gestolen hebben
+voer niet slaen: bagatelliseren
+tenzij ze ermee ophouden
+daer af: daarvoor; penitencie: straf
+hads toren: had er verdriet over
+zondelike: door diens zonde
+dat het schitterde daarin
+Des: daarvan; niet: niets
+daarvoor wil ik hem voorleiden
+in allen ghedinghen: in elk rechtsgeding
+wecten: wekten op (tot genade)
| |