|
|
|
| | | | | |
Derde tijdvak. De bloei der letteren. 1580-1680.
| | | |
I. Het karakter van Protestantisme en Renaissance.
De derde periode onzer litteratuurgeschiedenis omvat de eerste
honderd jaar der geschiedenis van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, haar
bloeitijd, dien wij gewoon zijn onze gouden eeuw te noemen
1). Zij begint
dus met of omstreeks het jaar 1580. | | | | Reeds een jaar vroeger was,
vooral door de bemoeiingen van Jan van Nassau, bij de Unie van Utrecht het
tractaat aangenomen, dat, na de afscheiding der Zuidelijke gewesten door den
val van Antwerpen (in 1585), voor de zeven Noordelijke provinciën als een
soort van grondwet kon worden beschouwd; en daarop was in 1581 de afzwering van
Philips II als landsheer gevolgd. Enkele jaren van overgang, waarin de Hertog
van Anjou in naam als souverein werd erkend en de huldiging van Willem van
Oranje als graaf van Holland en Zeeland slechts door den op hem gepleegden
sluipmoord in 1584 was verijdeld, waarna de Graaf van Leicester zijne
kortstondige heerschappij had aanvaard, maar spoedig weer had moeten opgeven,
hadden de vestiging der Republiek nog kunnen uitstellen; maar in 1588 was deze
een feit geworden, waaraan de Spaansche koning niets meer kon veranderen, al
stelde hij de erkenning harer onafhankelijkheid nog uit tot 1609, toen hem die
bij het Bestand voorloopig werd afgedwongen, en tot 1648, toen de Munstersche
vrede hem verplichtte er ten volle in te berusten.
Het voorspel en het eerste bedrijf van den tachtigjarigen oorlog,
waarin Willem van Oranje de hoofdrol had vervuld, was nu met de vestiging der
Republiek afgespeeld. Maurits en Frederik Hendrik, zijne kloeke en bekwame
zoons, zouden als eerste staatsdienaren en veldheeren der Republiek den
tachtigjarigen krijg tot een goed einde helpen brengen, terwijl de
nieuwgevormde staat, nu niet meer gebukt onder monarchaal gezag, zich meer en
meer kon ontwikkelen tot eene aristocratisch bestuurde handelsrepubliek, die in
de tweede helft van dit tijdvak zelfs, na reeds den grondslag te hebben gelegd
van hare handelsmacht in de Indiën, met Engeland vermocht te wedijveren en
daardoor onder de Europeesche staten eene invloedrijke plaats kon gaan innemen.
De Nederlanders waren vrij geworden, zoo vrij als destijds geen ander volk in
Europa. Zij waren dat niet alleen door hunne onafhankelijkheid van vreemde
vorsten, maar ook als burgers, die binnen de grenzen der wet konden doen en
laten, en vooral ook denken, wat zij wilden, al beperkte de politieke macht
zich dan ook meer en meer tot de kringen der groothandelaars in devoornaamste
steden, die daar een, meestalvrijzinnig, gezaghebbend patriciaat waren gaan
vormen. | | | |
Die vrijheid hadden zij ‘dier gekocht met goed en bloed en
leven’ in de bloedige worsteling tegen de schijnbare overmacht der
Spaansche monarchie, die hunne ingeboren vrijheidszucht door ondragelijke
dwingelandij als het ware op de proef gesteld en daardoor nog aangewakkerd had.
De voorzichtige gematigdheid, waarmee een bedreven staatsman als Karel V op
politiek en materiëel gebied meestal te werk ging, zou zeker niet tot
opstand hebben kunnen leiden, indien deze keizer niet vergeten had, dat ook op
godsdienstig gebied, ja daarop wel vooral, geene tirannie kon worden geduld,
dat gewetensdwang onverdraaglijker is, dan iedere andere dwingelandij. Tot
zijne verontschuldiging mag misschien het onzinnig optreden van dweepzieke
Wederdoopers en andere geestdrijvers worden aangevoerd, die in hun dom
fantastisch geloof aanleiding of voorwendsel vonden om de geordende
maatschappij, zoo mogelijk, 't onderst boven te keeren. Zonder hun optreden zou
de Keizer misschien de gehate inquisitie niet zoo krachtig hebben bevorderd,
als hij deed, want zijne landvoogdes Maria van Hongarije althans was als
vriendin van Erasmus vrijzinnig van nature, zooals de meerderheid onder de
ontwikkelden, ook onder den adel, en als zelfs niet weinigen onder de
geestelijkheid. Maar dat ook na het bedwingen van de uitspattingen der
geestdrijverij de Keizer voortging met zijne kettervervolging, moest wel tot
den opstand leiden, vooral toen zijn dweepzieke en hier toch al zoo weinig
beminde zoon daarin onvermurwbaar zijn voorbeeld volgde en, om zijn wil door te
drijven, hierheen Spaansche soldaten deed overkomen onder aanvoering van een
man als Alva, met zijn bloedraad en tienden penning.
In de Zuidelijke Nederlanden heeft de Spaansche koning zijn doel
kunnen bereiken, al was het ook ten koste van de welvaart dier eenmaal zoo
bloeiende gewesten. De gehoorzaamheid aan den vorst werd er hersteld en de
ketterij uitgeroeid. Maar in de Noordelijke Nederlanden heeft hij juist
bevorderd wat hij wenschte tegen te gaan: de afhankelijkheid der katholieke
bevolking van eene protestantsche minderheid, wier energie haar, doch eerst
later, tot meerderheid zou maken.
Zoo was dan de Republiek der Vereenigde Nederlanden ten gevolge van
de vrijheidszucht harer burgerij, die geene vervolging in gewetenszaken duldde,
een protestantsche staat geworden, en dat protestantisme drukte, door het gezag
der protestantsche overhe- | | | | den, zijn stempel op de maatschappelijke
toestanden en ook op den spiegel daarvan, de litteratuur. Daarmee begint ook
voor onze letterkunde in het Noorden een nieuw, een schitterend tijdperk, in
kleur en karakter geheel verschillend van het weinige, wat er van letterkunde
nog overbleef in de uitgeputte en verkwezelde Zuidelijke gewesten, voor welke
het rederijkerstijdvak nog bleef voortduren, tot het langzaam en bijna
onmerkbaar onder nieuweren invloed eenigszins van karakter veranderde, zonder
nochtans vóór de negentiende eeuw in eenig opzicht karakteristiek
te worden. In vergelijking niet de Noordnederlandsche litteratuur is die van de
Zuidelijke Nederlanden in dit en het volgende tijdperk dan ook weinig
belangrijk en eigenlijk alleen van beteekenis als bewijs voor de
vasthoudendheid der Vlamingen en Brabanders aan hunne Ouddietsche taal, waarvan
in de kringen der ontwikkelden het bestaan door de bevordering van het fransch
der Regeering en der Waalsche gewesten ernstig werd bedreigd.
De protestantsche secte, die in de Noordelijke gewesten den
boventoon voerde, was het Calvinisme. De meer piëtistisch aangelegde
Doopsgezinden, en de daarbij allengs grootendeels aangesloten Sacramentisten,
trokken zich, als om boete te doen voor de buitensporigheden der Wederdoopers,
hunne voorgangers, in bescheiden kring en, door hun afkeer van eedzweren en
bloedvergieten, ook van het staatstooneel terug. De Lutheranen hadden,
voornamelijk wegens Luther's halsstarrig vasthouden aan de leer van het
avondmaal als mystiek sacrament, hier veel minder aanhang gevonden dan de
volgelingen van Calvijn, wiens leerstellingen tegenover het Catholicisme
consequenter en daarom in menig opzicht radicaler waren en bovendien, als van
een zelfden (Zwitsersch-) republikeinschen geest bezield, in overeenstemming
waren met den hier heerschenden geest.
Dat Calvinisme was, op zuiver bijbelschen grondslag, sober,
verstandelijk en practisch. Verfoeiend als afgoderij en bijgeloof al wat niet,
liefst letterlijk, in den Bijbel als de door God zelf geopenbaarde waarheid te
lezen was, hield het zich, wat zijne leer aangaat, bij voorkeur bij de
wijsgeerige theologie van den meest dogmatischen onder de bijbelschrijvers, van
Paulus, den prediker der rechtvaardiging uit het geloof en der
alleenzaligmakende genade Gods met de daaraan nauw verbonden leer der
praedestinatie en uitverkiezing, waarop allengs door den gestrengen Calvinist
meer na- | | | | druk werd gelegd dan vele zijner vrijzinnige (of, zooals zij
zich noemen, ‘rekkelijker’) geloofsgenooten konden verdragen.
Niettemin bleef het Calvinisme ook op gestrenge zedelijkheid
aandringen en bestreed daarbij alle uiterlijke werkheiligheid, alzoo trouw
blijvend aan wat allereerst en allermeest het verzet tegen de Kerk van Rome met
haar misbruik van de goede werken had veroorzaakt. Werktuiglijke vroomheid,
zooals het prevelen van een krans van Ave-Maria's en Pater-Nosters, achtte de
Calvinist geestelooze tijdverspilling, in zijn oog des te erger, omdat hij
onvermoeide, krachtige arbeidzaamheid als eene der meest prijzenswaardige
deugden beschouwde. Daarom hief hij dan ook alle kloosters op, waarin luiaards
en doodeters, naar zijne meening, den kostbaren tijd verkwistten met het lezen
van getijden en het prevelen van gebeden, in plaats van werk te verrichten, dat
aan de maatschappij ten nutte kon komen. Daarbij was ook alle piëtisme hem
vreemd, indien het hem al niet ergerde als schijnheilig vertoon, zooals b.v. de
uiterlijke vroomheid der Doopsgezinden door hem werd genoemd. Ook van alle
mystiek hield hij zich op een afstand, en juist het mystiek, ja zelfs magisch,
karakter van het getranssubstantiëerde misoffer was het, dat hem in de
‘paapsche mis’ eene ‘vervloekte afgoderij’ deed zien.
Zijne godsdienstoefening bestond alleen in gebed, gezang en bijbelverklaring of
prediking, waarbij de uiterlijke vorm vooral niet meer de aandacht mocht
trekken dan de inhoud. Wat hij van de oude liturgie nog behouden had, mocht
dien naam nauwelijks meer dragen.
Alleen de in den Bijbel vermelde wonderen nam de Calvinist geloovig
aan, maar het geloof aan andere mirakelen uit vroeger of later tijd noemde hij
bijgeloof en als zoodanig zooal niet verfoeielijk, dan toch voor het minst
bespottelijk. Wie de heiligen of de Moedermaagd vereerde, deed daarmee in zijn
oog te kort aan de Majesteit Gods, naast welke niets anders vereerenswaardig
was. Ook zag hij in iedere vermenschelijking van het goddelijke vergroving van
het geestelijke, zoo al niet laakbare heiligschennis. In overeenstemming met
het tweede van de tien geboden van Mozes verwijderde hij dan ook kruis,
crucifix en alle heiligenbeelden uit de kerken en liet hij alle
muurschilderingen daarin met witte kalk overdekken. Zijn godsdienst wilde er
een zijn ‘in geest en in waarheid’, niet een van uiterlijk vertoon
en oogverblindende praal. Al wat de zinnen kon streelen achtte hij gevaarlijk
en, in de kerken, onstichtelijk en | | | | verderfelijk, zoodat zelfs
orgelbegeleiding bij het kerkgezang voor velen uit den booze was.
Zooals van zelf spreekt, werden ook de naamdagen der heiligen door
hem niet meer gevierd. Alleen de vroolijke, half-heidensche feesten bleven als
volksfeesten zijns ondanks nog in zwang, zooals de vooravond van St. Jan (24
Juni), St. Maarten (11 Nov.) en St. Nicolaas (6 Dec.) en andere feesten als
Driekoningen, Palmpaschen en Pinkster-drie, maar de strenge Calvinisten, die er
een afkeer van hadden, moesten ze, als al te geliefd bij het volk, voor
kinderen en voor den minderen man toelaten. Alleen de Vastenavondviering
geraakte ten slotte bijna overal in de Republiek in onbruik met de Vasten
zelf.
Uit de korte schets, die ik hier van het Calvinisme gaf, kan men
opmaken, welk een invloed het Protestantisme moest hebben op onze kunst in het
algemeen en in 't bijzonder ook op onze poëzie, en hoe diep daardoor de
kloof moest worden, die de letterkunde van dit tijdvak scheidde van de daaraan
voorafgaande litteratuur. Voorzoover de laatste kerkelijk of godsdienstig was
geweest, was zij voor den protestant grootendeels onstichtelijk en daarom
ongenietbaar geworden, want het geloof was bij hem nog zoo diep en levendig,
dat van een objectief waardeeren zelfs geen sprake bij hem kon zijn.
Toch is dezelfde eeuw, waarin de beelden uit de kerken verbannen en
de muurschilderingen weggewit werden, de glanstijd onzer schilderkunst geweest
en heeft ook de beeldhouwkunst onze gebouwen versierd, ja zelfs in de kerken
grootsche grafmonumenten gesticht. Die schijnbare tegenstrijdigheid vindt hare
verklaring slechts voor een gering deel hierin, dat het strenge Calvinisme wel
overheerschend, maar niet alleenheerschend was, en steeds rekening moest houden
met de vele Libertijnen of Erasmianen, die hier destijds nog hun invloed konden
doen gelden. Maar grootendeels is die schijnbare tegenstrijdigheid wel hieruit
te verklaren, dat de Calvinist, als hij niet al te bekrompen van geest was,
veel meer dan de middeleeuwsche katholiek in de practijk had gedaan, het
geestelijke en het wereldlijke streng van elkaar onderscheidde, niet alles
verfoeide wat zuiver wereldsch was en er dan ook niet in slaagde zijne
rechtzinnige geloofsgenooten van buitensporige kleerenpracht en overdadige
feestmalen afkeerig te maken. Daarom was voor hem ook niet alle beeldende kunst
uit den booze; zij was dat alleen, als | | | | zij zich het goddelijke koos
tot stof voor hare werkzaamheid; en zelfs de bijbelsche geschiedenis mocht, als
zuivere geschiedenis opgevat, wel worden afgebeeld maar.... niet in de kerk.
Zoo mocht ook de poëzie wel andere dan gewijde onderwerpen kiezen, als dat
maar geene schade deed aan het godsdienstig geloof of de goede zeden.
Deze toegeeflijkheid voor wereldsche kunst, waarvan alleen de zeer
eenzijdige niet wilde weten, vond zeker haar oorsprong ook in nog een anderen
invloed, die aanvankelijk gemeenschappelijk met de kerkhervorming op de kunst
had gewerkt en aan deze een geheel ander, nieuw karakter had gegeven: den
invloed der Renaissance
1).
Ook de wetenschap ondervond dien invloed, evenals de kunst, omdat
beide zoo nauw aan elkaar verbonden waren in de kringen, waar de liefde voor de
Oudheid was herleefd. Vandaar dat de in 1575 gestichte Leidsche hoogeschool
tegelijk ten doel had de Kerk van protestantsche theologen te voorzien en de
maatschappij van wetenschappelijke mannen, door de studie der Classieken
gevormd. Aanvankelijk heeft men dan ook zeker den invloed van de herleving der
Oudheid niet gevaarlijk geacht voor den godsdienst, zooals sommige latere
Calvinisten wèl zouden doen, en voor den Nederlandschen republikein
moest de classieke kunst reeds op zich zelf eene zekere aantrekkelijkheid
hebben als tijdens haar bloeitijd beoefend in de min of meer democratisch
geregeerde Grieksche steden, zooals het Athene van Pericles in 't bijzonder, en
in de Romeinsche republiek vóór of ten tijde van Cicero. En was
ook niet in Italië de Renaissance gegroeid in de ‘comuni’
onder leiding der over vorstelijken rijkdom beschikkende groothandelaars?
Door dien republikeinschen geest treedt dan ook het indivi- | | | | dueele bij de classieke kunst in 't oog vallend op den voorgrond, tegenover
het conventioneel-gemeenschappelijke, waardoor de katholieke kunst der
rederijkers zich kenmerkte, en keerden de burgers der nieuwe republiek aan de
Noordzee te eerder den rug toe aan de oude rederijkerij, om de aanhangers der
Renaissance te volgen in hunne beoefening eener meer persoonlijke kunst.
Met het op den voorgrond treden der persoonlijkheid won, evenals bij
de protestanten het besef van eigengerechtigheid en uitverkorenschap, ook bij
de geleerden en kunstenaars der Renaissance het bewustzijn hunner eigene
voortreffelijkheid veld, waarvan zij den bij tijdgenoot en nageslacht verworven
roem als den besten toetssteen konden beschouwen. Naar zulk een roem, dien zij
zelf ook gaarne aan hunne vrienden en geestverwanten, zelfs onder den
zichtbaren vorm van een lauwerkrans, aanboden, en dien zij vooral luide
uitbazuinden, waar het de geleerden en dichters der Oudheid gold, streefden
daarom ook de dichters en geleerden der herboren Oudheid voor zichzelf, terwijl
de middeleeuwsche kunstenaars en, na hen, de rederijkers, aan wie de Kerk
ootmoed als de hoogste deugd had ingeprent en den hoogmoed als de hoofdzonde
aller hoofdzonden had voorgesteld, hun naam slechts zelden opzettelijk aan het
nageslacht overleverden en niet ongaarne zich verborgen in volstrekte
anonymiteit of schuil gingen onder eenig pseudoniem. Zoo verbond dus het fier
bewustzijn van eigen persoonlijkheid den protestantschen wedergeborene aan den
zelfstandig optredenden zoon der Renaissance.
Daarbij waren de groote classieke schrijvers, evenals de meeste
protestanten, vrij van mystiek, verstandelijk, realistisch, en, voor zoover zij
godsdienstig mochten wezen, ongevaarlijk voor het Christendom, omdat toch
niemand meer gevaar liep, aan de heidensche goden te gaan gelooven.
Door dat alles heeft de Renaissance althans op de wereldsche kunst
ten onzent zóó grooten invloed kunnen krijgen, dat men deze
periode in de geschiedenis onzer letteren wel het tijdvak der Renaissance zou
mogen noemen. Immers de schitterendste onzer kunstenaars, die deze periode tot
den bloeitijd van letteren en schilderkunst hebben gemaakt, zijn allen min of
meer bewonderaars van de classieke letterkunde en aanhangers van de Renaissance
geweest. | | | |
Toch was toen die Renaissance allerminst iets nieuws. Wat hare
aanhangers hier sinds het laatst van de zestiende eeuw weer met nieuwe kracht
voor haar hebben gedaan, was slechts het voortzetten in de Nederlandsche
kunstwereld van wat de geleerde kunstenaars te voren, eerst in Italië,
later in geheel West-Europa, hadden begonnen en wat bij den aanvang van de
zestiende eeuw reeds tot zijn hoogtepunt was geklommen.
De geestdrift, waarmee al in de veertiende eeuw in Italië
mannen als
Petrarca en
Boccaccio begonnen waren, de Oudheid te doen herleven,
eene geestdrift die in de vijftiende eeuw haar toppunt bereikte, was in de
zestiende te midden van de godsdiensttwisten wel verflauwd, maar in de kringen
der geleerden had de studie der Oudheid toch ook toen nog bij voortduring hare
vurige aanhangers gevonden, wier invloed zich langzamerhand, vooral in
Italië en Frankrijk, ook in ruimer kring had doen gevoelen; en sinds in de
Nederlanden de eerste bloedige en gevaarvolle jaren van den Opstand voorbij
waren en, vooral in Holland, Utrecht en Zeeland, rust en welvaart terugkeerden,
kon ook dáár weer de macht der Renaissance zich doen gelden, te
meer daar in de jeugdige Leidsche hoogeschool voor haar een middelpunt was
gesticht, vanwaar zij haar licht ook verder over het land kon doen
uitstralen.
Dood was de classieke wereld eigenlijk nooit geweest. Het Latijn was
altijd de taal van kerk en clergie gebleven, en ook nadat men was begonnen in
de volkstalen te schrijven, hadden de mannen der wetenschap zich bij
voortduring van het Latijn bediend. Zóó weinig was het
Latijn toen eene doode taal, dat het, als iedere levende taal, onderhevjg was
geweest aan wijzigingen, die aan de latere Ciceronianen aanleiding zouden geven
het Middellatijn voor eene barbaarsche brabbeltaal te verklaren. Ook waren de
meeste Latijnsche schrijvers wel altijd de gewone lectuur op de scholen
gebleven, al werd er ook geen onderscheid gemaakt tusschen de schrijvers uit
een gouden en een zilveren tijdvak, noch tusschen die van de zuivere en die van
eene ‘lagere en laagste’ latiniteit. Zelden echter genoot men van
die oude geschriften zooals men van kunstwerken geniet; liever beschouwde men
ze als bronnen van wijsheid, waaruit ‘bloemen’ te lezen waren,
gelijk
Vincentius deed in zijn
‘Speculum’ en
Maerlant in zijne vertaling daarvan, in die mate
zelfs dat ook blijspelen | | | | als van Terentius werden uitgeperst tot een
spreukenbundel. Alleen wat bij de Ouden in overeenstemming met het Christendom
was, werd er uit overgenomen, en de rest óf ter zijde gelaten óf
verchristelijkt door vervorming, verminking of allegorische opvatting. De
classieke litteratuur in één woord stond in dienst van de Kerk,
die, ware het mogelijk geweest, alle Oude schrijvers tot Christenen zou hebben
gemaakt, zooals inderdaad met de wijsgeeren
Seneca en
Boëthius geschiedde en, alle chronologie ten spijt,
bijna zelfs met
Virgilius. Maar al mochten de meeste Oude schrijvers dan
ook blinde heidenen zijn, uit hunne geschriften viel toch wel het een en ander
te leeren, meende men, omdat ook daarin eene gedeeltelijke, aan de bevatting
van bepaalde tijden evenredige openbaring der Godheid moest gezien worden,
zooals
Hugo van St. Victor zeide.
Het was echter alleen de Latijnsche Oudheid, waarmee men op die
wijze bekend was gebleven: ‘graeca non leguntur’, heette het
algemeen; en waren er ook enkelen, zooals
Anselmus,
Abaelardus (en zijne Heloïse),
Johannes van Salisbury en anderen, die Grieksch
verstonden, de meeste geleerden kenden de Grieksche geschriften, tot het Nieuwe
Testament toe, alleen in Latijnsche vertaling, en soms zelfs, zooals de werken
van Aristoteles, nagenoeg uitsluitend door bemiddeling van het Arabisch.
Weliswaar kwam daarin in de dertiende eeuw eene kleine verbetering door de
stichting van het Latijnsch keizerrijk te Byzantium, en deed toen ook een
minder vervalschte Aristoteles zijne intrede in de Westersche hoogescholen;
maar het Latijnsch keizerrijk had slechts een kortstondig bestaan en deze
bekendheid met het Grieksch ging dan ook nooit in vertrouwdheid er mee over.
Had
Thomas van Aquino het niet versmaad als leerling neer te
zitten aan de voeten van
Aristoteles - den wegbereider van Christus in de profane
wetenschap, zooals Johannes de Dooper dat in geestelijke dingen was geweest -,
wanneer de Kerk sprak had toch ook Aristoteles moeten zwijgen, terwijl de
poëzie der Grieken met hare fabelen van valsche goden eenige studie
nauwelijks waard was geacht. Niet uit
Homerus hadden de middeleeuwers den Trojaanschen oorlog
leeren kennen, maar uit Latijnsche prozawerkjes, op naam van
Dares Phrygius en
Dictys Cretensis. Ook de werken der antieke beeldende
kunst, hoeveel er nog van over mocht zijn, vonden bewondering noch
navol- | | | | ging. De Christelijk-Byzantijnsche kunst was de leermeesteres
van het Westen, vóór daar eene eigene Westersche kunst ontstond;
doch zelfs deze bleef zooal niet kerkelijk, dan toch Christelijk en in de
eerste plaats eene dienende kunst.
Door de Renaissance was dat alles anders geworden. De hoofdbedoeling
der Renaissancemannen was, de overblijfselen der classieke wereld zoo goed
mogelijk in onvervalschten toestand te leeren kennen, ze van alles te ontdoen
wat de middeleeuwen er in gemengd hadden, er het middeleeuwsch vernis af te
lichten. Met de taal van Rome waren zij begonnen: alleen het Latijn, dat de
Romeinen zelf geschreven hadden, werd door hen als echt erkend; later zelfs
kwam eene richting op, die uitsluitend vrede had met het Latijn uit het einde
van den Republiektijd en in 't bijzonder met het Latijn van
Cicero; doch zoo eng wilden anderen, bv.
Erasmus, zich in hunne goedkeuring niet beperken,
ofschoon allen het eens waren in hun afkeer van het middeleeuwsch
‘monnikenlatijn’, zooals zij het noemden. Om de Oude schrijvers zoo
goed mogelijk in den oorspronkelijken vorm te leeren kennen zochten zij van
overal de oudste handschriften bijeen, en daardoor werden tevens allerlei in
vergetelheid geraakte schrijvers uit de schuilhoeken der kloosterbibliotheken
van onder de stoflagen weer te voorschijn gebracht, dank zij vooral den
onvermoeiden speurzin van
Poggio Bracciolini en zijne vrienden. Zij brachten o.a.
de poëzie van
Lucretius, de meeste blijspelen van
Plautus, een groot deel van
Tacitus' geschiedboeken, de brieven van den jongeren
Plinius en het leerboek der welsprekendheid van
Quintilianus, die zoolang verloren waren geweest,
opnieuw aan het licht, en ook het werk van
Vitruvius, die voor de bouwmeesters der Renaissance
weldra de groote leermeester zou worden. Zoo leerde men de Oude litteratuur
vollediger kennen en zoo ontstond met de wetenschap der palaeographie - noodig
zelfs om de echte geschriften van opzettelijke vervalschingen te onderscheiden
- toen tegelijk ook de letterkundige en taalkundige critiek als belangrijk
onderdeel der classieke philologie.
Toen in den loop der vijftiende eeuw ook tal van Byzantijnsche
geleerden zich over Italië verspreid en daar aan de hoogescholen een
leerstoel verworven hadden, was ook de studie van het Grieksch begonnen en
daarmee de Oudheid in haar | | | | geheel tot het voorwerp van onderzoek
gemaakt. Van hoe groot belang dat voor de ontwikkeling en beschaving van het
Westen moest worden, kan ieder gevoelen, die weet, dat de Latijnsche kunst en
wetenschap slechts eene flauwe afschaduwing was van de Grieksche, en dat in het
wereldrijk van
Alexander den Groote de Grieksche wetenschap haar
toppunt had bereikt door Aristoteles, die haar niet alleen langs empirischen
weg den rijkst en inhoud had verschaft, zooals met name in zijne zedekundige en
zijne natuurhistorische werken, maar ook voor het eerst de ware methode had
geleerd, volgens welke zij voor het begrip vastgelegd moest worden, zooals
zonder zijne Logica niet mogelijk zou geweest zijn.
Maar toen die methode alom had moeten toegepast worden, spatte het
wereldrijk van Alexander uiteen en, misschien ook in verband daarmee, kwam er
voor de Aristotelische wetenschap een tijd, waarin slechts sprake kon zijn van
achteruitgang, ondanks het weinige, dat de begaafdste peripatetici er nog aan
konden toevoegen. Door haar verval, vooral onder invloed van Oostersche
fantasterij en mystiek, en later van de theologische haarklooverijen der
scholastiek en de toenemende mirakelzucht bij de kloosterlingen, geraakten de
vele inhoudrijke geschriften van dezen grootsten aller denkers en onderzoekers
ten slotte of meerendeels geheel verloren of in handen van fantasten, die ze
zoo jammerlijk vervalschten, dat zelfs hetgeen men er ook zóó nog
uit kon leeren, niet in staat bleek tot vruchtbare beoefening der wetenschap te
leiden.
Het eerste wat de Renaissance dus te doen kreeg, was de methode van
dezen wijsgeer terug te vinden, wat zeer bemoeilijkt werd door het gezag, dat
naast de zijne de beeldrijker en daarom voor velen aantrekkelijker geschriften
van Plato zich, vooral door den invloed der Byzantijnsche geleerden, op de
leden der Florentijnsche academie wisten te verwerven, zoodat zelfs de
aanhangers der Renaissance uiteengingen in twee, soms elkaar vijandig
bestrijdende, scholen van
Aristoteles en
Plato, waarin de middeleeuwsche strijd van nominalisten
en realisten in meer classieken vorm, maar met even weinig vrucht, werd
voortgezet.
Gelukkig evenwel werd die strijd een spoorslag om overal te
ijveriger naar de verloren gegane Aristotelische geschriften te zoe- | | | | ken, de vervalsching er van te ontdekken en echte en onechte te scheiden.
Veel er van moest, helaas, nog tot in onzen tijd toe verloren blijven, maar wat
er van allengs in den oorspronkelijken toestand voor den dag werd gebracht,
heeft het in elk geval mogelijk gemaakt, in de beoefening der wetenschap ten
slotte weer bij Aristoteles aan te sluiten en dus aanvankelijk de sinds zoovele
eeuwen verloren kennis te herwinnen en later (vooral door toedoen van den
Engelschen wijsgeer
Baco van Verulam) in zijn geest en volgens zijne
empirische methode die kennis uit te breiden, al kwam men daardoor niet zelden
tot geheel andere uitkomsten, dan Aristoteles zelf, zooals b.v. in de 17de eeuw
op astronomisch, gedurende de 18de eeuw op chemisch gebied.
Zoo was dan de Grieksche wetenschap weer herboren evenals de
Grieksche letterkunde in haar geheel. En niet alleen de classieke letteren
hadden in hooge mate de belangstelling gewekt, ook de beeldende kunst der
Ouden; en zoowel geschriften als kunstvoorwerpen en ruïnen van bouwwerken
waren het welkom materiaal geworden, waarmee men in zijne verbeelding de in
puin gevallen Oude wereld weer opbouwde, nog geïdealiseerd door de macht
der bewondering, die de Renaissancemannen in vervoering bracht.
Maar die Oude wereld was Heidensch geweest, en naarmate men haar
meer leerde kennen, naar die mate moest ook de tegenstelling tot het
Middeleeuwsch Christendom meer in het oog vallen, en moest het duidelijk
worden, welk eene geheel andere wereldbeschouwing de Christenleeraars hadden
gepredikt, in overeenstemming met den geest der Semietisch-Oostersche
Evangeliën. In den Italiaan herleefde, met het bewustzijn van de grootheid
zijner voorouders, die juist in den heidenschen tijd zoo heerlijk had
geschitterd en de wereld had veroverd, ook de liefde voor hetgeen aan dat
voorgeslacht dierbaar en heilig was geweest. Als goden konden de helden der
oude mythologie wel niet meer herleven, maar als symbolen van al wat in het
leven belangwekkend was verrezen zij weer als uit den doode.
En welk eene wereld was het geweest, waarover de Olympische goden
geheerscht hadden! Eene zonnige wereld van zinbegoochelende kleurenpracht, eene
wereld van zinnelijk schoon en onbezorgden levenslust, van menschelijke
fierheid en heroïsche levenskracht. Wat was daarbij vergeleken de
Christen- | | | | wereld, bevolkt met uitgeteerde, zich zelf kastijdende
monniken, met kloosterzusters, ‘zoo bleek en afgevast’ gebeden
prevelend met neergeslagen oog! Vreemd was het wel niet, dat de Heilige
Antonius een zoo geliefd motief voor de schilders werd: het Christendom, zich
zelfs met het crucifix maar ternauwernood beschermend tegen de verleidelijke
bekoorlijkheden der heidensche wereld. Voor de Ouden, dat begon men meer en
meer in te zien, was het leven op aarde het hoogste: de armste daglooner,
zoolang hij nog maar het levenslicht aanschouwde, was duizendmaal gelukkiger
dan de bloedelooze schimmen, die rondwaarden in het somber koninkrijk van
Hades, door de rivier der vergetelheid van de menschenwereld gescheiden. Voor
den Christen daarentegen was deze aarde een land der vreemdelingschap, een
tranendal en tegelijk een oord der verschrikking, waarin de duivel rondging als
een brullende leeuw, tot verslinden gereed. Het koninkrijk van Christus was
niet van deze wereld, het leven zijner getrouwen een pelgrimstocht naar de
eeuwigheid. Geen Lethestroom, maar een louterend Vagevuur scheidde de
onsterfelijke menschenziel van de zondige wereld des vleesches, en eerst na de
loutering zou zij in het ware vaderland aankomen, het huis des Vaders met zijn
vele woningen, het verblijf van rust en vrede, van heiligheid en eeuwige
zaligheid.
Zoo stonden Oudheid en Middeleeuwen tegen elkaar over als lach en
ernst, als levensblijheid en wereldverachting, als verlustiging in het
tegenwoordige en hoop op het toekomende, als vertrouwen op het zinnelijk
waarneembare en geloof in het onzienlijke, als bewondering van de realiteit en
dweperij met de idee. Werd door het Christendom kruisiging des vleesches,
minachting van het stoffelijke gepredikt, de Oudheid leerde de schoonheid van
het menschelijk lichaam bewonderen. Was voor den Middeleeuwschen Christen het
vergankelijke alleen symbool van het eeuwige, voor de Oudheid was niet het
zinnebeeld het hoogste, maar het concrete beeld, de vorm niet als belichaming
der gedachte, maar als vorm zonder meer. Was het vreemd, dat menig beeldend
kunstenaar, aan wien op eens de vormenweelde der Oudheid zich in de rijkste
verscheidenheid openbaarde, daartoe zich met al de macht zijner levenskrachtige
natuur aangetrokken gevoelde? Dáár vond hij de onomhulde
waarheid, zich gevend zooals zij was, en niet meer op te maken of te raden | | | | uit
de zinnebeeldige omkleeding. Dáár vond hij, zij het ook aan de
oppervlakte der dingen, een steunpunt voor zijn voet, zonder dat hij behoefde
af te dalen in den bodemloozen afgrond der mystiek. Dáár gaf hem
de schoone werkelijkheid wat zelfs de rijkste verbeelding der Middeleeuwen met
al hare fantastische schepselen nooit voldoende in beeld had kunnen
brengen.
Welk eene, ontdekking ook was het voor den man van wetenschap, toen
hij, zooals
Ludovicus Vives, het type van den geleerden humanist,
begreep, dat gedurende de Middeleeuwen geene enkele wetenschap, behalve de
theologie, het een stap verder had gebracht, dan zij reeds in de Oudheid
gekomen was; dat de Nieuwe Wereld van de Oudheid niet alleen alles had geleerd,
maar nog veel meer leeren kon; dat de wereldwijsheid der Ouden, reusachtig
vooral in
Aristoteles, den grootsten wijsgeer, die er ooit had
geleefd, aantrekkelijk-poëtisch in den goddelijken
Plato, een schitterend licht was bij de duisternis der
spitsvondige Middeleeuwsche scholastiek!
Bij studie en bewondering bleef het niet. Al spoedig kwam het tot
navolging zooals onstuimige vereering die steeds uitlokt, in tegenstelling tot
de opzettelijke moderniseering, waaraan de Middeleeuwen zich ten aanzien van de
toen bekende Oudheid hadden schuldig gemaakt. Daardoor openbaarde de
Renaissance zich eerder op het gebied van bouw- en beeldhouwkunst dan bij de
schilders, die hunne classieke voorbeelden niet voor het grijpen hadden en den
Renaissancegeest van de beeldhouwers moesten leeren. Gelukkig bepaalde men zich
niet tot copiëeren alleen. De Oudheid werd nog slechts bestudeerd, niet
ten volle gekend: in menig opzicht verstaan wij de classieken nu beter dan de
geleerdste Renaissancemannen. Zoo kon dan ook veel worden voortgebracht als
nabootsing der classieken, wat in ons oog sterk afwijkt van het wezenlijk
antieke, veel ook, waarin vermengd was wat wij nu als christelijk en heidensch
onderscheiden of wat alleen in vorm antiek, maar in wezen modern was; veel
eindelijk wat het bewijs leverde, hoe groote geleerden en kunstenaars de
schatten der Oudheid wel gretig in zich hadden opgenomen, maar ze ook
zelfstandig hadden verwerkt, zoodat er eene nieuwe kunst en wetenschap was
ontstaan, wel onder den invloed der Oudheid, maar toch nieuw.
Het was de geleerde kunst van
Filippo Brunelleschi en
Leon | | | | Battista Alberti, van
Donatello en
Luca della Robbia, die met zoovele andere kunstenaars en
geleerden het Florence van den kunstlievenden Cosimo de' Medici tot een
schitterend middelpunt der Renaissance hebben gemaakt; en wat later de niet
minder geleerde kunst van
Andrea del Verrocchio te Florence en Venetië en
Cosimo Tura, hofschilder van den ridderlijken hertog
Borso d'Este te Ferrara, van
Andrea Mantegna, te Padua leerling van Francesco
Squarzione en te Mantua gunsteling van hertog Giovan Francesco Gonzaga en diens
kunstlievende echtgenoote Isabella d'Este, van den penningsnijder
Emiliano Orfini en den beeldhouwer
Mino da Fiesole, beide te Rome, van de schilders
Sandro Botticelli en
Domenico Ghirlandaio en nog weer iets later van
Leonardo da Vinci en
Michel Angelo Buonarotti, van
Tiziano Vecelli en
Rafaello Santi, van
Andrea del Sarto en
Giulio Romano, van
Antonio da Correggio en
Benvenuto Cellini.
Het was de artistieke wetenschap van Leonardo Bruni van Arezzo en
Poggio Bracciolini, van Francesco Filelfo en Lorenzo Valla, van Aeneas Silvius
Piccolomini en Flavio Biondo, van Marsilio Ficino en zijn leerling Lorenzo il
Magnifico, van Angelo Poliziano en Ermolao Barbaro, van Jacopo Sannazaro en
Pico van Mirandola, van Pietro Bembo en Agostino Nifo en, ook buiten
Italië, van Johann Reuchlin en Johann von Dalberg, van Conradus Celtes en
Philippus Melanchthon, van Alexander Hegius en Rodolphus Agricola, van
Desiderius Erasmus en Thomas Morus, van Luiz Vives en Garcilasso de la Vega,
van Jacques Lefèvre (Faber) van Estaples en Julius Caesar Scaliger, van
Robert Estienne (Stephanus) en Jean Dorat (Auratus).
Zij waren het, die kunst en wetenschap van de kerk emancipeerden,
gedeeltelijk zelfs in de Kerk tot heerschappij brachten door den steun van
geleerde en vooral kunstlievende pausen, als Nicolaas V, den stichter der
Vaticaansche bibliotheek, Pius II (Aeneas Silvius) en Sixtus IV in de
vijftiende, Julius II en Leo X (Giovanni de' Medici) in de zestiende eeuw.
De Renaissance heeft eerst waarlijk kunst en wetenschap vrij
gemaakt. In zooverre gaan Hervorming en Renaissance hand aan hand. Aan haar
toch (aan Laurentius Valla) dankte de Hervorming het bewijs voor de onechtheid
der Pseudo-Isidorische decretalen, aan haar (aan
Erasmus) de eerste nauwkeurige Latijnsche vertaling van
het Grieksche Nieuwe Testament. | | | | Kenmerkend voor den geest der
protestantsche geleerden bij het begin der zeventiende eeuw was het, dat
Hugo de Groot den aanvang van den nieuwen tijd
dagteekende van het optreden van
Luther, als den grooten kerkhervormer, en van
Erasmus, als het groote licht der herboren kunst en
wetenschap. Wat daaraan voorafging, beschouwde hij, en zeer velen met hem, als
eene ‘barbarica aetas’, een barbaarsch en duister tijdvak, dat soms
minachtend als ‘medium aevum’ of, sedert het laatst van de
zeventiende en vooral in de achttiende eeuw, als ‘middeleeuwen’
werd aangeduid, om te kennen te geven, dat daarin de loop der beschaving door
meer dan tien eeuwen was afgebroken midden tusschen den met Luther en Erasmus
aangebroken tijd, dien men zelf zoo gelukkig was te beleven en den Romeinschen
keizertijd, waarin de classieke talen nog levende volkstalen waren en
onverbasterd werden geschreven, en het oorspronkelijke Christendom nog niet
door dat van Rome was vervalscht.
1)
Zoo hadden dan Renaissance en Kerkhervorming samengewerkt om het
oude verduisterde licht opnieuw op den kandelaar te plaatsen. Toch zou die
samenwerking van beide nooit innig worden, ja, zelfs heeft het niet lang kunnen
duren, of beide moesten hunne eigen wegen bewandelen, menigmaal zelfs met
elkaar in botsing geraken: want ook het Protestantisme, vooral in den vorm van
Calvinisme en Puritanisme, bleef tegen alles wat wereldsch was gekant. Het had
zich wel van Rome, maar niet van het Christendom, los gemaakt, en al mocht het
ook niet vervallen tot de uitersten eener monnikenaskese, het predikte toch ook
de ijdelheid van al het ondermaansche en het verderfelijke der heidensche
wereldsgezindheid, waardoor de Renaissance zich zoo dikwijls kenmerkte. Sinds
de Oudheid herleefd was, waren de grenslijnen tusschen het geestelijke en het
wereldsche scherper getrokken, en tot op onzen tijd toe zouden de mannen van
beide richtingen naast elkaar, vaak zelfs tegenover elkaar in kunst en
wetenschap optreden. Zelfs heeft zich het gestrenge Protestantisme soms nog
vijandiger aan het herleefde heidendom getoond dan de Katholieke kerk, die, tot
op het eind van de achttiende eeuw, ten minste de kunst der Renais- | | | | sance heeft toegelaten, ja zelfs in bescherming genomen, indien de
kunstenaars voor hun persoon slechts getrouwe zonen der Kerk bleven. En zij
waren daar zelfs geliefd en geëerd, wanneer zij, zooals sinds den aanvang
der zeventiende eeuw in de Zuidelijke Nederlanden
Rubens en zijne leerlingen deden, een deel van hunne
vruchtbare werkzaamheid wijdden aan het versieren van kerken met Madonna's,
heiligenbeelden en tafereelen uit de gewijde of kerkelijke historie, naar het
voorbeeld der groote Renaissance-schilders te Rome en elders in het aan de
Renaissance nog zoolang trouw gebleven Italië.
|
1)Zie over de geschiedenis dezer periode
vooreerst de standaardwerken van J. Wagenaar en P.J. Blok en van Robert Fruin
de Geschiedenis der staatsinstellingen in Nederland tot den val der
Republiek, 2e dr. 's-Grav. 1922 en Verspreide Geschriften, 's-Grav.
1900-1905, X dln. Verder raadplege men voor deze periode vooral nog P.L.
Muller, Onze gouden eeuw, Leiden 1896-98, III dln. en voor de periode
1584-1623 John. L. Motley, History of the United Netherlands, vertaald
als Geschiedenis van de Vereenigde Nederlanden, 's-Grav. 1880-81, V dln.
en The Life and Death of John of Barneveld, vertaald als Het Leven en
Sterven van Johan van Oldenbarneveldt, 's-Grav. 1881 II dln. Voor de
cultuurgeschiedenis is vooral van belang: Amsterdam in de zeventiende
eeuw, 's-Grav. 1897-1904, III dln., een rijk geïllustreerd prachtwerk,
bestaande uit verhandelingen van verschillende geleerden, n.l. van D.C. Meijer
Jr., ‘Groei en Bloei der stad’; van G.W. Kernkamp ‘Regeering
en Historie’; van G. Kalff, ‘Huiselijk en Maatschappelijk
leven’; van H. Brugmans, ‘Handel en Nijverheid’; van D.F.
Scheurleer, ‘Het Muziek-leven’; van H.C. Rogge, ‘Het
Kerkelijk en Godsdienstig Leven’; van A. Bredius, ‘De
Schilderkunst’; van A.W. Weissman, ‘De Bouw- en
Beeldhouwkunst’ en van G. Kalff, ‘De Letterkunde en het
Tooneel’. Verder zijn nog te raadplegen: Martinus Schoockius,
Beschrijving der Vereenigde Nederlanden. Belgium Foederatum, Amst. 1652
(ook 1664 en 1671); G.D.J. Schotel, Het oud-Hollandsch huisgezin der 17de
eeuw, Haarlem 1868 en Het Maatschappelijk leven onzer vaderen in de 17de
eeuw, Haarlem 1869; N. de Roever en G.J. Dozy, Het leven onzer
voorouders, Amst. VI dln.; en verschillende reisbeschrijvingen, zooals o.a.
van Gotfr. Hegenetius, Itinerarium Frisio-Hollandicum, Lugd.-Bat. 1630
en Balth. de Monconys, Journal des voyages, publ. par de Liergues, Lyon
1665-66; G. Kalff, Literatuur en Tooneel te Amsterdam in de zeventiende
eeuw, Haarlem 1895 en A.G. van Hamel Zeventiende-eeuwsche opvattingen en
theorieën over litteratuur in Nederland, 's-Grav. 1918, waarmee te
vgl. J.E. Spingarn, Critical Essays of the seventeenth Century, Oxford
1908. Voor de bibliographie van dit tijdvak is vooral te verwijzen naar
A.M. Ledeboer ‘Alfabetische lijst der boekdrukkers, boekverkoopers en
uitgevers in Noord-Nederland sedert de uitvinding van de boekdrukkunst tot den
aanvang der negentiende eeuw’, Utrecht 1876, en ook naar diens werk over
‘Het geslacht van Waesberghe’, 's-Grav. 1859; naar Max Rooses,
Christophe Plantin, imprimeur anversois, Anvers 1885, 2 éd. 1897;
E.W. Moes en C.P. Burger Jr., De Amsterdamsche boekdrukkers en uitgevers in
de 16de eeuw, 's-Grav. 1900-1915, IV dln. en M.M. Kleerkooper en Van
Stockum, De Boekhandel te Amsterdam in de 17e eeuw, 's-Grav. 1916. Voor
het proza zie men [F. Adama van Scheltema] Ned. Letterkunde. Populaire
prozaschrijvers der XVIIe en XVIIIe eeuw, Amst. 1893.
1)Litteratuur over de Renaissance op te geven
is een bijna onbegonnen werk, daar het aantal daarover geschreven boeken legio
is en wel moet zijn, omdat de Renaissance eenige eeuwen omvat, zich over geheel
Europa heeft verbreid en zich niet alleen op het gebied van wetenschap en kunst
openbaart, maar ook in nauw verband staat met kerk en godsdienst. Daarom
verwijs ik maar naar enkele werken, nl. Georg Voigt, Die Wiederbelebung des
Klass. Altertums oder das erste Jahrhundert des Humanismus, Berlin 1859, 3
Aufl. 1893; Jacob Burckhardt, Die Kultur der Renaissance in Italien,
Leipzig 1860, II dln. 11 Aufl. 1913; H.E. Moltzer, De invloed der
Renaissance op onze letterkunde in ‘Studiën en Schetsen van Ned.
Letterkunde, Haarlem 1881, bl. 1-52; L. Geiger, Renaissance und Humanismus
in Italien und Deutschland, Berlin 1882; Felix Nève, La
Renaissance des Lettres et l'essor de l'érudition ancienne en
Belgique, Louvain 1890; J.A. Symonds, The Renaissance in Italy,
London 1875-77, 3 ed. 1912, VII dln.; H.M.R. Leopold, De ontwikkeling van
het Heidendom in Rome. Rott. 1918, en G.J. Hoogewerff, De Ontwikkeling
der Italiaansche Renaissance, Zutphen 1922.
1)Zie daarover Herman Kampinga, De
opvattingen over onze vad. geschiedenis bij de Holl. historici der XVI en XVII
eeuw, 's-Grav. 1917, bl. 178-195.
|
|