|
|
|
| |
II. Onze eerste Latijnsche en Nederlandsche Renaissance-dichters.
Dat de Renaissance eerst zoo laat invloed heeft geoefend op de
Nederlandsche letteren, behoeft wel geene bevreemding te wekken: want al hadden
de vaders der Renaissance, Petrarca en Boccaccio, het ook niet geminacht door
hunne poëzie en hun proza in de volkstaal de ontwikkeling der toen nog
jeugdige Italiaansche letterkunde te bevorderen, de bewondering der latere
Renaissancemannen voor het classieke Latijn was te groot, om nog plaats te
laten voor eene evengroote liefde tot de volkstaal, zelfs tot die hunner eigene
landgenooten. Latijn en Grieksch waren in hun oog de volmaakte talen, de
eenige, die waard waren het voertuig van verheven, artistieke gedachten of
wetenschappelijke redeneering te zijn. De taal der classieken was voor hen de
eenige ware taal: elke andere was onbeholpen en onbeschaafd, alleen geschikt
voor het lagere volk en den dagelijkschen omgang. Gedichten in andere talen dan
Grieksch en Latijn waren, naar hunne schatting, geene echte voortbrengselen der
kunst, want ieder kon ze maken; voor het schrijven van Latijnsche gedichten
daarentegen was studie en beschaving eene onverbiddelijke voorwaarde, en eerst
wie aan die voorwaarde had voldaan, kwam in aanmerking om mee te mogen dingen
naar den lauwerkrans der kunst. Zelfs de beeldende kunstenaars konden het
zonder kennis van de classieke talen, zonder kennis van het Latijn althans,
niet meer stellen. Alle groote Italiaansche schil- | | | | ders waren destijds
dan ook te gelijk in meerdere of mindere mate geleerden, zooals de geleerden
alle in meerdere of mindere mate kunstenaars waren.
De kunst der Renaissance is in haar wezen eene aristocratische
kunst, gekweekt aan de hoogescholen, maar vooral aan de hoven der vorsten en in
de paleizen der geldkoningen, die zelf met hunne vrouwen en dochters als
dilettanten mede op het gebied van kunst en wetenschap hunne krachten
beproefden. De minachting voor de volkstaal in Italië (doch
dáár nog het minst), maar vooral in Frankrijk, Engeland,
Duitschland en de Nederlanden, maakte dus scheiding tusschen de kunstwereld en
het volk, terwijl daarentegen de algemeene bewondering voor de taal van Latium
aan de Renaissancekunst in kor ten tijd een internationaal karakter gaf. Voor
de kunst bestond geene nationaliteit meer. De kunstenaar vond in ieder land
zijne geestverwanten. Zoo werd hij wereldburger, althans in de wereldrepubliek
van letteren en kunst.
Evenals elders ging het ook in de Nederlanden. De geleerden, de
fijnbeschaafden en letterkundig ontwikkelden keerden zich hooghartig af van de
litteratuur in de volkstaal, om te wedijveren met geheel Europa of zij zich
roem konden verwerven tot ver buiten de enge grenzen van hun land. Velen onder
ons zijn daarin uitnemend geslaagd:
Agricola,
Hegius en
Erasmus, de groote zon te Rotterdam verrezen en te Bazel
ondergegaan, vooral; maar naast hen zijn in de zestiende eeuw ook nog vele
andere Nederlanders te noemen, die onder de woordkunstenaars hunner dagen eene
eervolle plaats innamen, zoodat men voor dien tijd en ook nog voor veel lateren
tijd zou kunnen spreken van eene dubbele Nederlandsche litteratuur:
ééne in het Latijn en ééne in de Volkstaal. Met de
eerste kunnen wij ons hier natuurlijk niet in bijzonderheden bezighouden, omdat
zij eigenlijk een onderdeel van de groote internationale letterkunde uitmaakt,
maar geheel mogen wij er toch niet van zwijgen, omdat zij ten deele ook het
voorbeeld is geworden voor de Nederlandsche letteren der zeventiende eeuw
1). | | | |
In de Zuidelijke Nederlanden, die te Leuven reeds lang
eene eigene hoogeschool bezaten
1), was des ondanks de Renaissance niet spoedig in
eere gekomen; maar toen op aandringen van
Erasmus en door de bemoeiïngen van mannen als
Martinus Dorpius vooral en door den geldelijken steun
van een ontwikkeld Maecenas als Gillis Busleyden in 1518 aan die hoogeschool
het ‘Collegium Trilingue’ was gesticht, won de Renaissance ook
dáár meer en meer veld, terwijl in de Noordelijke Nederlanden de
humanisten der fraterscholen reeds den weg voor haar hadden gebaand.
Ter zelfder tijd dat aan het hof van den geleerden en kunstlievenden
bisschop van Utrecht,
Philips van Bourgondië, de humanistische
oudheidkenner
Gerardus Noviomagus (Geldenhauer)
2) den toon aangaf, kon
Amsterdam bogen op Erasmus' vriend
Nicolaus Cannius, den bestierder van het
Ursulinenklooster, op den priester
Alardus, die zich o.a. naam maakte met zijn lofzang,
aangeheven ter eere van
Karel V, toen deze in 1531 de Heilige Stede had bezocht,
en op zijn rector
Johannes Sartorius, den leermeester van meer geleerden
dan er helden uit het Trojaansche paard te voorschijn kwamen. Te
Delft leefde
Cornelius Musius, geleerd beoefenaar der Aristotelische
wijsbegeerte en dichter van stichtelijke liederen en leerdichten, later
gevallen als slachtoffer der wreedheid van den geuzenadmiraal
Lumey, omstreeks denzelfden tijd, waarin de grijze
Naardensche rector
Lambertus Hortensius
3) van Montfoort bezweek onder
de ellende, die hij bij den moord van Naarden door de Spanjaarden had moeten
aanschouwen. 's-Gravenhage kon er zich op verheffen, den
beroemdste aller Latijnsche dichters hier te lande te hebben voortgebracht, den
jong gestorven
Janus Secundus
4), kunstenaar met graveerstift, beitel en penseel, maar vooral
geliefd als dichter | | | | en als zoodanig onsterfelijk door zijne keurig en
elegant gestijlde kleine minnedichtjes, zijne ‘
Basia’, die menigeen later tot navolging, velen
ook tot vertaling hebben uitgelokt. Alkmaar had in zijn rector
Petrus Nannius, die later te Leuven
hoogleeraar werd, zijn classieken dichter, zooals Hoorn in den
medicus
Hadrianus Junius
1), die zich niet alleen door een ‘
Philippeis’ op het huwelijk van
Philips II en
Maria Tudor en door zijne ‘
emblemata’ en ‘
aenigmata’ bekend maakte, maar vooral ook door
zijn archaeologisch prozawerk ‘
Batavia’. Als gewestgenoot van hem trad met twee
boeken elegieën, eclogen en epigrammen
Adrianus Schorelius op, de dorpsgenoot, misschien
broeder, van den bekenden schilder
Jan van Schoorl, die niet alleen een goed
schutter en musicus was, maar ook, naar het getuigenis van
Van Mander, een ‘poët of rethorisijn, die
veel fraey spelen van sinne, batementen, refereynen en liedekens heeft
gemaect’
2). Voor Zeeland
is opmerkzaam te maken op
Nicolaus de Conflita (of Kromvliet) van
Reimerswaal, die reeds in verzen van 1549 den ondergang zijner
stad voorspelde; en te Utrecht werd
Gulielmus Canterus geboren, die, eerst te
Leuven, daarna te Parijs ingewijd in de kennis der
Oudheid, zich als Latijnsch lierdichter ook buitenslands reeds een goeden naam
had verworven toen hij, nog geen drie-en-dertig jaar oud, te
Leuven overleed.
In de Zuidelijke Nederlanden maakten te Leuven zich als
dichters o.a. bekend
Nicolaus Grudius en
Cornelius Gemma, de zoon van een ook zelf als humanist
beroemden Fries. Mechelen had zijn Franciscaner prior
Levinus Brechtanus en den dichter van
liefdeselegieën, bijschriften en brieven
Hadrianus Marius. Antwerpen bracht den
geleerden graecus
Petrus Aegidius voort en den dichter der
‘Libri V Brabantiados’ (1562)
Melchior Barlaeus, oom van den later nog beroemder
Caspar van Baerle. Brussel mocht zich
verheffen op
Aegidius Periander en Gent
| | | | op den
geleerden
Laevinius Torrentius, die daar geboren werd, terwijl
Carolus Utenhovius, daar in 1536 geboren, vooral als
dichter van Latijnsche epigrammata, epitaphia en epithalamia geprezen werd en
bij zijn verblijf te Parijs de brug vormde waarmee
Johannes Auratus verbonden werd met zijn daar toen ook
vertoevenden stadgenoot
Lucas de Heere, den eersten Nederlandschen
dichter uit de nieuwere Fransche Renaissanceschool. Type van den geleerden
kunstenaar was ook de schilder
Dominicus Lampsonius van Brugge, die 23 door Hieronymus
Cock gegraveerde portretten van Nederlandsche schilders voorzag van hen
kenmerkende Latijnsche epigrammen
1), van welke
Karel van Mander er 19, in Nederlandsche verzen vertaald,
in zijn ‘Schilderboeck’ opnam. Verder kon
Brugge zich nog beroemen op den theoloog-humanist Georgius
Cassander of van Cadsand
2), Nieuwpoort op
Jacobus Marchantius, Aalst op
Cornelius Scribonius, Belle op
Franciscus Thorius, enz. enz.
Op welk gebied van poëzie deze humanisten ook mochten werken,
op geen enkel hebben zij zooveel invloed geoefend als op dat der dramatische
dichtkunst, die ook in hunne scholen bloeien kon, omdat de leerlingen er toen
reeds, evenals ook nu nog, het grootste vermaak in vonden als tooneelspelers op
te treden
3). Meestal
hadden zij daartoe op het eind van ieder semester gelegenheid. De rectoren
namen bij die vertooning gewoonlijk de leiding op zich en de jeugdige acteurs
hadden het voorrecht te mogen spelen voor een uitgelezen geletterd publiek, dat
alleen in staat was van het spel te genieten, want uitsluitend Latijnsche
stukken werden vertoond. De Latijnsche litteratuur echter is arm aan drama's:
behalve tien (eigenlijk negen) tragedies van
Seneca en zes comedies van
Terentius heeft men alleen blijspelen van
Plautus, die voor een deel te weinig stichtelijk geacht
werden om door schoolknapen vertoond te mogen worden, vooral niet in scholen,
waar wel het zuiver Latijn der Renaissancemannen, maar niet | | | | hunne
wereldbeschouwing ingang gevonden had. Dat kleine repertoire kon nog worden
uitgebreid door vertalingen der Grieksche treurspelen van
Sophocles en
Euripides, zooals men er vele aan
Georgius Ratallerus van Leeuwarden en één
- de
Iphigenia van
Euripides - aan
Erasmus zelf te danken had; maar men wenschte er meer,
en vooral ook wenschte men stukken met minder heidenschen inhoud, stukken, die,
in classieken vorm, dezelfde bijbelsche onderwerpen behandelden als door de
rederijkers in de landstaal voor het volk werden vertoond.
Het eerste Latijnsche schooldrama, dat, op het voorbeeld van vroeger
in Italië en Duitschland geschrevene, hier te lande het licht zag, was de
‘Grisellis’ van den Gentenaar
Eligius Eucharius of
Eloy Houckaert (geb. 1474 † 1544), dat in 1511 te
Parijs werd gedrukt en het volgende jaar werd vertoond. Het behandelde de
bekende en ook reeds in het Nederlandsch vertoonde geschiedenis, die
Petrarca in het Latijn uit
Boccaccio's
Decamerone had vertaald. Latere schooldrama's
behandelden, indien zij niet van zuiver comischen aard waren, bij voorkeur
bijbelsche onderwerpen in de taal van Terentius en ook in diens trant, ofschoon
dikwijls met invoering van koren naar het voorbeeld van
Seneca.
Zoo werd dan in 1535 te Amsterdam met een (in 1538 te Antwerpen ook
gedrukt) Latijnsch treurspel de geschiedenis van Jozef vertoond, gedramatiseerd
door den Amsterdamschen rector
Cornelius Crocus
1) († 1550),
evenals, in 1544, ook door den rector der Hieronymusschool te Utrecht,
Georgius Macropedius of
George van Langveldt
2) (geb. 1475 † 1558) van Gemert, van wien wij twaalf
Latijnsche tooneelstukken over hebben, waaronder ook een spel van
‘Adamus’ (1552), een mysteriespel in classieken
vorm, dat met Adam's val aanvangt en met de aankondiging van Jezus' geboorte
door den engel Gabriël besloten wordt. Een derde
‘Josephus’ behoort tot de zes stukken, die van den
Haarlemschen | | | | rector
Cornelius Schonaeus
1) van Gouda (geb. 1540 † 1611) in 1595, lang nadat ze
door hem gedicht waren, gezamenlijk onder den door hem afgekeurden titel
‘Terentius Christianus’ het licht zagen. De vijf
andere heeten:
Naaman,
Tobaeus,
Nehemias,
Saulus en
Juditha; zij maken echter niet meer dan een derde
gedeelte uit van Schonaeus' dramatische werken. Naast den ‘Tobaeus’
van Schonaeus had men ook den ‘Tobias’ van
Cornelius Laurimannus (geb. 1520†1573), die
Macropedius in 1552 als rector der Hieronymusschool te Utrecht opvolgde en ook
de geschiedenis van Esther en Thamar dramatiseerde, evenals den
‘Exodus sive transitus Maris rubri’. Ruth was in
1533 tot heldin van een schooldrama gekozen door
Jacobus Zovitius (geb. 1511) van Dreischor in Zeeland, die
eerst te Hoogstraten, vervolgens te Breda rector der Latijnsche school was en
later (1539) in zijn ‘Ovis perdita’ eene der
gelijkenissen van Jezus dramatiseerde, zooals ook reeds in 1529 de Hagenaar
Guilielmus Gnapheus of
Willem Claesz de Volder (geb. 1493†1568) gedaan had
met zijn ‘Acolastus’ of Verloren Zoon, die in 1585
reeds een 47sten druk beleefde
2).
Hetzelfde onderwerp werd ook voor zijn ‘Asotus’ gekozen door
Macropedius, die eene andere parabel in zijn
‘Lazarus mendicus’ (1541) behandelde en in zijn
‘Jesus Scholasticus’ den twaalfjarigen Jezus als
leeraar in den tempel deed optreden. Maar Macropedius, die reeds in zijne
ernstige stukken korte vroolijke tooneeltjes inlaschte, maakte ook eigenlijke
blijspelen in den trant van
Plautus en
Terentius, van welke hij alleen afweek door ook in de
comedies, evenals in de ernstige stukken, ieder bedrijf, behalve het laatste,
met een koor in lyrische versmaat te besluiten. Zulke blijspelen zijn zijn
‘Aluta’, zijn
‘Petriscus’, zijn
‘Bassarus’, zijn
‘Andrisca’, van inhoud aan
‘Moorkensvel’ verwant, en zijn
‘Rebelles’, dat | | | | in de schoolwereld zelf
speelt. Met zijn ‘Hecastus’ gaf hij in 1539 een half
vermakelijken, half ernstigen spiegel van den mensch, die zich aan de
wereldsche genietingen overgeeft, zonder te denken aan het heil zijner ziel. De
‘Miles Christianus’ (1565) van Laurimannus is
eveneens eene stichtelijke moralisatie in dramatischen vorm. De Gentenaar
Laevinus Pontanus behandelde in zijn
‘Moscholatria’ in 1559 den dans om het gouden kalf
met dialogen in hexameters, waardoor hij dus van
Terentius afweek.
Wat inhoud en godsdienstige strekking betreft, wijken deze
schooldrama's nog wel niet zoover af van de rederijkersstukken, waarvan zij in
de classieke kringen de pendanten kunnen genoemd worden, maar door hunne taal
en dramatische samenstelling hielpen zij den schakel vormen tusschen het
rederijkerstooneel en het latere treur- en blijspel der Nederlandsche
Renaissance-dichters, die zich uit hunne jeugd deze stukken konden herinneren
en in hun verder leven nog vele dergelijke zagen verschijnen en vertoonen, ook
door onze eerste philologen, zooals
Daniel Heinsius en
Hugo Grotius, gedicht.
Zoo kozen de mannen der Renaissance dan voor hun poëtischen
arbeid de Latijnsche taal als de ware taal der poëzie. Het ‘odi
profanum vulgus et arceo’ van
Horatius was hunne lijfspreuk. Het was hun dan ook niet
altijd in dank afgenomen, wanneer zij het volk de voordeelen der classieke
beschaving deelachtig hadden willen maken. Van de heidensche mythen, zelfs in
den bekoorlijken vorm waarin
Ovidius ze gebracht had, was door dat ‘profanum
vulgus’ eenvoudig gezegd, ‘dat het al loghenen waren en niet weerdt
te lesen’, toen er onder de voorstanders der Renaissance iemand was
opgestaan, die het de moeite waard had geacht het volk er in vertaling mee
bekend te maken, namelijk de geleerde Brusselsche predikant
Johannes Florianus
1)
(geb. te Antwerpen 1522), wiens prozavertaling van de
‘Metamorphoses’ van
Ovidius in 1552 verscheen. Eerst vijf en twintig jaar
later, toen de vertaler zelf reeds (in 1585) na de bezetting van Brussel door
de Spanjaarden als ketter verdronken was, werd er eene | | | | nieuwe
uitgave van bezorgd; doch toen werd de afkeer allengs overwonnen en konden nog
zeven andere uitgaven, grootendeels in den loop der zeventiende eeuw, koopers
en lezers vinden.
Van minder beteekenis waren de ‘Excellente figueren
ghesneden uyten uppersten Poëte Ovidius’, of 174 houtsneden
met achtregelige bijschriften, in 1557 aan de Metamorphosen ontleend door den
Gentschen edelman
Guilliaume Borluyt
1), pensionaris van
Damme, maar als aanhanger van den Opstand eerst gevangen gezet en
daarna in 1582 uit Vlaanderen verbannen. Een anderen vertaler vond
Ovidius in
Cornelis van Ghistele
2), die wel rederijker en lid der Antwerpsche kamer ‘De
Goudsbloem’ was, maar toch met zijn uitvoerig gedicht in elegische
verzen, ‘Iphigeniae immolationis libri duo’ (van 1554), en zijn
gedicht in Latijnsche hexameters bij de troonsbeklimming van
Philips II in het volgende jaar er aanspraak op kon maken,
onder de geleerde dichters meegeteld te worden. Wilde men daaruit de
gevolgtrekking maken, dat zijne meermalen herdrukte vertaling der
‘Heroides’ van
Ovidius (in 1553) met enkele antwoorden van Aulus Sabinus,
en die van Ovidius' ‘Ars Amandi’, beide in strophen
van vijftien versregels, alle schoonheden der bevallig-geestige poëzie van
Ovidius wel voldoende in het Brabantsch zouden weergeven, dan zou de
kennismaking met die vertalingen op eene teleurstelling moeten uitloopen.
Eensdeels geeft de vertaler slechts den hoofdinhoud der zinnen weer, zonder
zich veel om de fijnheid van dictie of de geestigheid van het tusschen de
regels dóórschijnende te bekommeren, anderdeels heeft
strophenvorm en rijm tot verwatering door inlassching van verzwakkende
tusschen-voegsels geleid; maar des ondanks kan men van deze vertalingen zeggen,
dat zij de eerste waren, die het voor den Latijn-onkundige mogelijk maakten,
eenig begrip te krijgen van den inhoud der Ovidiaansche poëzie. Indien de
vertaling der ‘Ars Amandi’ ons nog minder voldoet, dan die van de
‘Heroides’, dan is het omdat de wulpsche toon, dien
Ovidius daarin aanslaat, den vertaler tot opzettelijke besnoeiïng dwong,
wilde hij over de classieken, die hij zoo gaarne wilde populariseeren, niet een
storm van verontwaardiging doen opgaan. Toch heeft hij door zijne uitlatingen
van de | | | | meest zedenkwetsende gedeelten niet kunnen verhoeden, dat in
1570 zijn werk op den Index werd geplaatst en dat wij er nu alleen een lateren
druk (van 1581) van kennen, die misschien ook nog onder de schaar der censoren
heeft geleden.
Voorzichtig moest de vertaler ook nu en dan zijn, toen hij later (in
1569) de ‘Satirae’ van
Horatius overbracht, lang nadat hij (in 1555) eene
volledige vertaling der ‘Comoediae’ van
Terentius, en (in 1556) der
‘Aeneis’ van
Virgilius had voltooid. Aan geestdrift voor de classieken,
werklust en vaardigheid met de pen ontbrak het
Van Ghistele dus geenszins; maar wie in staat was
zooveel te vertalen, kon natuurlijk niet altijd er naar streven, zoo nauwgezet
het oorspronkelijke weer te geven, als wij dat nu van den vertaler eischen, te
minder nog omdat hij het zich er niet gemakkelijker mee maakte door vast te
houden aan den rijmvorm der rederijkers, want ook weer zijne
‘Aeneis’ werd vertaald in zijne geliefkoosde strophen van vijftien
verzen (rijmschema: ababb-cbccdcddee). Aan de mogelijkheid om ook in het
Nederlandsch hexameters te maken werd toen misschien nog niet eens gedacht,
ofschoon het niet lang meer zou duren, of ook de voordeelen der invoering van
classieke versmaten werden overwogen, nadat (in 1573) in Frankrijk
Jacques de la Taille daarover een tractaat had geschreven
en
Jean Antoine de Baïf dat in zijne psalmvertaling had
beproefd; maar
Van Ghistele had toch ook toen wel reeds tot het
inzicht kunnen komen, dat aan den geweldigen stroom van statige hexameters
beter paar aan paar rijmende versregels beantwoordden, dan de strophenvorm van
het referein (zij het ook zonder stokregel), indien hij zich had willen
losmaken van den versvorm zijner dagen.
Van paar aan paar rijmende versregels bediende hij zich daarentegen
wèl bij zijne vertaling der tooneelwerken, waarmee hij zoowel de oude
tragedie als de oude comedie in het Nederlandsch bekend maakte, misschien zelfs
ten tooneele bracht. Zeer merkwaardig is het, dat hij op zijne
Terentiusvertaling eene, nu uiterst zeldzaam geworden, vertaling van
Sophocles' ‘Antigone’, maar
naar het Latijn bewerkt, liet volgen, die in 1556 bij Simon Cock te Antwerpen
werd gedrukt
1). In de
voorrede daarvan zegt hij: ‘Want U Eersame | | | | Lesere, in dit
voorleden jaer Terencius Comedien in onser duytscher talen ghejont zijn te
lesen, waerinne ghi mercken ende aenschouwen mocht, ghelijc in eenen spieghel,
het leven ende manieren van jonghers ende ouders aengaende den ghemeynen
persoonen, So wort u nu ooc geoffereert in onser ghemeynder spraken te lesen
den styl ende die manieren van der Tragedien, waerinne ghy sien ende bevroeden
mocht het leven, regement ende strafheyt van groote personagien, als van
Keysers, Coninghen, Princen ende Heeren ons leerende, hoe men een ghemeynte
regeren ende in vrede houden sal, ende die veranderinge haers rijcx door quade
ordinancien, statuyten ende rechten, sodat die fortuyne ooc so wel met groote
heeren, als met ghemeyne persoonen wonderlic draeyende ende veranderende is,
alsoot noch daghelycx in diveersche landen is ghebuerende’. Dat Sophocles
een heidensch poëet was, moge niemand, zegt hij, weerhouden dit werk te
lezen, want hij gelooft ‘niet, datter yemant soe hertneckich van natueren
zijn mach, hi en sal, als hi dit met indachticheyd leest, beruert ende beweecht
in zijn herte worden, voelende dat dye wreetheyt ende tyrannie int corte ende
in 't langhe altoos gestraft wort’.
Sophocles heeft met zijne
‘Antigone’, volgens hem, willen leeren, ‘dat
eyghen obstinatie ende groote hoocheyt der princen den landen ende der
ghemeynten een groote bederffenisse is, dwelc’, durft hij er bij voegen,
‘hedensdaechs noch blikelijc is’. De vertaler heeft dus blijkbaar
Sophocles' bedoeling met zijn stuk uitgedrukt gezien in de uiteenzetting van
Haemon (bl. 55-57 in Grietens' uitgave) en daarbij ook aan zijn eigen tijd
gedacht.
Van Ghistele's vertaling dezer tragedie houdt zich
niet angstvallig aan de woorden van het origineel en is ook dikwijls meer
omschrijving dan vertaling, maar eenvoudiger van taal en vrijer van rhetoricale
opsiersels, dan andere werken van hem. Ook de versvorm is dat en de
rederijkerskunst vertoont zich bij de paar aan paar rijmende versregels alleen
nu en dan door binnenrijm. Zelfs de koren zijn in paar aan paar rijmende
versregels overgebracht en de inhoud der strophen wordt verdeeld over
‘drie oude mannen van Thebe’, die ze ons in dialoogvorm doen
hooren, zoodat het lyrisch element geheel uit het stuk verdwenen is.
Wij mogen dat betreuren, zooals alles wat ook verder nog van onzen
hedendaagschen vertaaltrant der classieken afwijkt, toch zou het onbillijk, ja
zelfs belachelijk zijn, daarom met minachting | | | | neer te zien op een
dichter, die het eerst bij ons smaak en moed genoeg bezat om zijn landgenooten
het genieten van eene Grieksche tragedie, een meesterstuk van Sophocles, in
eigen taal mogelijk te maken, en die blijkens het groot aantal herdrukken, dat
de meeste zijner vertalingen, trots het verzet tegen het heidendom, in de
zestiende eeuw beleefden, aan de kunsteischen zijns tijds volkomen
beantwoordde. Jammer voor hem, dat die eischen in de zeventiende eeuw zich
dermate wijzigden, o.a. door het invoeren eener al te regelmatige rhythmiek en
het uitbannen van alle bastaardwoorden, dat zijne werken toen als verouderd
moesten beschouwd of gevoeld worden en het groote publiek, dat slechts bij den
dag leeft, ook toen reeds niets ergers vond, dan ‘uit den tijd’ te
zijn.
Van de Latijnsche geschiedschrijvers had
Livius reeds in 1541 een vertaler gevonden. De andere,
evenals de Grieksche geschiedschrijvers, moesten daarop nog wat langer wachten,
behalve
Flavius Josephus, die reeds in 1553 (uit het Latijn)
werd vertaald. Eerst in 1601 werden de Levens van Plutarchus (naar het Latijn
van
Darius Tibertus van Caesena) vertaald door
Marten Everaert, die eene fabelachtige massa
werken uit allerlei talen heeft overgebracht
1). De andere geschiedschrijvers volgden in het begin van de
zeventiende eeuw:
Justinus werd in 1610 vertaald door
F. van Wee,
Sallustius in 1613 door den Frieschen predikant
Sybrand Gerritsz. Vomelius,
Valerius Maximus in 1614 door
Conradus Mirkinius. De Zuidhollandsche
predikant
Jan van der Vennecool (
Fenacolius) vertaalde in 1614
Caesar, in 1616
Tacitus, in 1619
Suetonius en later (in 1640) ook
Polybius. Eene vertaling van
Herodianus'
Historiën uit den laat-Romeinschen keizertijd, naar
het Latijn van Politianus, verscheen in 1608 van de hand van
Coornhert, die toen echter reeds sedert achttien
jaar te Gouda in het graf de rust had gevonden, hem bij zijn leven
niet beschoren.
In
Dirck Volkertsz. Coornhert
2) begroeten wij eene der | | | | merkwaardigste figuren, die er in
de tweede helft der zestiende eeuw in de Noordelijke Nederlanden hebben
geleefd: eene krachtige, onafhankelijke persoonlijkheid, te hoog staande om
zich bij eenige partij te kunnen aansluiten en te gelijk te hartstochtelijk om
met hooghartige minachting op het woelen der partijen te kunnen neerzien, en
daarom de aanvallen uitlokkend, die van alle kanten op hem gedaan werden, maar
waaraan hij met reuzenkracht weerstand bood, zonder ook maar in 't minst zijne
overtuiging te plooien naar den zin zijner tegenstanders, die meermalen zijn
leven in gevaar brachten, maar te vergeefs trachtten, hem het zwijgen op te
leggen, terwijl de besten onder hen, zooals
Justus Lipsius, zelfs moesten eindigen met hem hunne
hoogachting te betuigen.
Reeds op twintigjarigen leeftijd (in 1542) had hij zijne
zelfstandigheid, onbaatzuchtigheid en minachting voor de openbare meening
getoond door zijn huwelijk met Neeltje Simonsdochter, de zuster der bijzit van
Reinoud van Brederode, hetgeen hem de genegenheid zijner ouders kostte, hem het
uitzicht op een aanzienlijk vermogen benam en hem dwong zijne geboortestad
Amsterdam te verlaten, om eerst in ondergeschikte betrekking bij
den heer van Brederode, wat later te Haarlem met ingespannen arbeid als graveur
een sober levensonderhoud te winnen. Later, toen hij door studie en
arbeidzaamheid tot notaris en stadssecretaris van Haarlem was
opgeklommen en zich alzoo eene geëerde positie in de maatschappij had
veroverd, begon zijn eigenlijke strijd voor de geloofsvrijheid. Zijn verzet
tegen de beeldstormerij te Haarlem kon niet verhinderen, dat hij voor ketter
aangezien en (in 1567) als geus naar Den Haag gevoerd werd, waar hij, met den
dood voor oogen, op de Gevangenpoort den ‘Lof van de
Ghevangenisse’ zong en zijne ‘Comedie van Lief en
Leedt’ schreef. Tegen alle verwachting weer losgelaten, achtte
hij het nu veiliger in vrijwillige ballingschap te gaan, eerst naar
Kleef, later naar | | | |
Xanten, en zich daar in
verbinding te stellen met de andere uitgewekenen, ook met
Willem van Oranje, met wien hij in 1572 weer in zijn land
terugkeerde en die hem toen het aanzienlijk ambt van griffier der Staten van
Holland bezorgde. Die eervolle betrekking echter moest hij nog in hetzelfde
jaar prijs geven, omdat hij den Prins had trachten te bewegen, paal en perk te
stellen aan de willekeur van den wreeden geuzenadmiraal
Lumey van der Marck, en zich in het land niet meer veilig
achtte, toen hem dat mislukt was en de wraak van dien woesteling hem vervolgde,
die gedreigd had, hem bij de eerste ontmoeting de beste overhoop te zullen
steken. Eerst in 1577, na Lumey's dood, kon hij terugkeeren, en van dien tijd
af tot hij, van Haarlem naar Delft en vandaar naar Gouda noodgedrongen
verhuisd, in die laatste stad 29 Oct. 1590 overleed, heeft hij tegen de
dwingelandij der al te dogmatische Calvinisten onafgebroken gestreden, zoowel
met een stortvloed van geleerde en krachtige vlugschriften, als door openlijke
disputen met de beste theologen zijns tijds, die hem reeds sinds 1561 als hun
gevaarlijksten tegenstander hadden leeren kennen, toen hij met zijn boekje
‘Verschooningh van de Roomsche Afgoderye’ zelfs een
tegenschrift van
Calvijn in persoon had uitgelokt
1). Toch was
hij der Hervorming toegedaan en bleef hij onwankelbaar staan aan de zijde van
den Opstand, godvruchtig van gemoed, streng zedelijk van leven, maar libertijn
in denken en spreken, als een man ‘wiens lust en vrueght was dueght en 't
waar hoe swaar 't oock viel’, zooals zijn vriend Spieghel van
hem zeide. In de godsdienstgeschiedenis van ons land treedt hij op den
voorgrond als zelfstandig denker, die grooten invloed op het nageslacht heeft
gehad; maar op het gebied der letteren toont hij zich als het type van den
Nederlandschen Renaissanceman.... van den Nederlandschen, die zich door de
Oudheid nooit heeft laten verleiden tot onverschilligheid ten opzichte van den
Christelijken godsdienst en - getuige zelfs
Erasmus - de studie der theologie meestal met die der
letteren heeft verbonden.
Zoo was dan ook
Coornhert op lateren leeftijd - want
aan- | | | | vankelijk was hij voor den handel opgeleid en daartoe zelfs
eenigen tijd in Spanje en Portugal geweest - begonnen Latijn te leeren om de
kerkvaders te kunnen lezen en zelfstandig over de dogma's der kerk te kunnen
oordeelen; maar die studie had hem tot de Oudheid gebracht, en van de classieke
schrijvers waren het de wijsgeeren, die hem het meest aantrokken, vooral de
Stoïcijnen, aan welke hij zich in zijn denken verwant gevoelde. Dat bracht
hem, toen hij in 1561 met Jan van Zuren te Haarlem eene drukkerij had
opgericht, ook tot het vertalen van de
Officia Ciceronis (in 1561) en van
Seneca van der Weldaden (1562), waaraan hij
later (in 1585) nog
Boëthius van de Vertroostingh der Wijsheit
toevoegde.
Zoo heeft hij in voortreffelijk Nederlandsch proza, door overmaat
van bastaardwoorden niet ontsierd, nauwkeurig en helder de wijsheid der
Romeinen onder de oogen van het algemeen gebracht, en door de studie, daaraan
gewijd, ook zijne eigene moreele overtuiging gevormd en bevestigd, zoodat hij
in 1586, tegen het eind van zijn leven, in staat was in zijn
Zedekunst, dat is Wellevenskunst een min of meer
systematisch handboek te geven van practische zedenleer, door enkele korte,
levendig vertelde verhalen opgeluisterd, dat onder zijne oorspronkelijke werken
bovenaan wordt gesteld en om den pittigen stijl ook in eene geschiedenis der
letteren niet onvermeld mag blijven.
In deze werken trad bij Coornhert de theoloog op den
achtergrond, de kenner der Oudheid op den voorgrond. Hij toonde zich humanist
ook door de veelzijdigheid zijner beoefening van kunsten en wetenschappen.
‘Hy conde seer meesterlijck spelen op de duytsche Fluyte, oock op de
Luyte ende Clavecimbal; van schermen is hy meester gheweest ende van alle
eerlijcke, loflijcke ende gheoorloofde consten ende oeffeninghen heeft hy
eenighe verstandt ghehadt’
1). Als plaatsnijder vervaardigde hij o.a. elf der twaalf
‘Historikens van den Keyser’ (in 1556 door Hieronymus Cock
uitgegeven) en bracht hij teekeningen van Marten Heemskerck in koper, zoodat
Van Mander van hem kon roemen, dat zijn ‘gheest,
verstandt en handen bequaem en veerdich waeren te begrijpen en uyt te voeren
alles wat den menschen moghelijck mach wesen te verstaen oft doen’.
Philips Galle behoorde tot zijne leerlingen. Ook gaf hij, omstreeks 1578, | | | | het eerste onderricht in het graveeren aan Henrick Goltzius, die, nadat
hij later ook in Italië en elders gestudeerd had, als geleerd teekenaar en
plaatsnijder de hoofdvertegenwoordiger der Renaissance in Noord-Nederland zou
worden. Ware zijne belangstelling in de theologie minder groot geweest, dan zou
Coornhert zich misschien nog verder op het gebied der ongewijde
litteratuur hebben bewogen en niet slechts eene keus van
Vyftich lustighe Historien Joannis Boccatii
(1564) op verdienstelijke wijze (naar het Fransch van Le Maçon) hebben
vertaald, maar de geheele ‘
Decamerone’, waarvan de andere vijftig novellen
later (in 1605) door den kluchtspeldichter
Gerrit Hendricx van Breugel in onze taal zijn
overgebracht.
Ook als dichter heeft
Coornhert zich in verscheidene werken doen
kennen. Ofschoon hij het Grieksch niet machtig schijnt geweest te zijn, was hij
toch bij ons de éérste, die de vertaling in verzen ondernam van
een uitvoerig Grieksch dichtwerk: in 1561 gaf hij ‘Deerste twaelf boecken
Odysseae uten Latijne in rijm verduytscht’ uit met het plan ook de
volgende twaalf boeken te vertalen; maar in het achttiende bleef hij steken en
eerst later werd zijn werk door een ons onbekende (D.B.) voltooid en in 1605 in
't licht gezonden. Van den Pisaanschen rechtsgeleerde
Pandulphus Collenutius vertaalde hij (1582) in verzen
het Latijnsche Renaissancedicht ‘Van 't looye en leckere leven’, en
evenzoo uit het Latijn van den Leeuwarder
Bernardus Furmerus den emblematabundel ‘Recht
Ghebruyck ende Misbruyck van tydlycke Have’ in 1585, tien jaar nadat het
oorspronkelijke het licht had gezien. In het laatstgenoemde werk doet
Coornhert zich als dichter van den voordeeligsten kant kennen,
misschien omdat het didactisch karakter van zijn origineel het meest
overeenkwam met zijne eigene natuur. Ook de liedjes, die in zijne vertaling van
Boëthius' Vertroostingh voorkomen, behooren tot zijne best geslaagde
verzen.
Eene vertaling van
Horatius' bekende ode ‘beatus ille qui procul
negotiis’ kan men vinden in zijn
Liedboeck van 56 liederen, meest in stichtelijken
trant, maar voor een klein deel ook minnezangen, waarvan eene tweede uitgaaf
(in 1575) vermeerderd werd met een bijvoegsel van 47 liederen, waaronder er 24
zijn, die in zoover een liederkrans vormen, dat de aan- | | | | vangsverzen dezer liederen met elkaar samen een nieuw lied uitmaken. Van den
invloed der classieken blijkt overigens in deze, soms niet onwelluidende,
liedjes al zeer weinig evenmin als in zijne andere oorspronkelijke dichtwerken,
zooals zijne vele tooneelstukken, die meerendeels bijbelsche onderwerpen
behandelen in den redeneer- en betoogtrant der rederijkers met allegorische
personen naast de bijbelsche figuren, soms het bijbelverhaal alleen als
uiterlijk kleed gebruikende, waaronder toespelingen op de tijdsomstandigheden
verscholen lagen, zooals bv.
Abrahams Uytgangh, waarbij men moet denken aan
Coornhert's eigen uittocht, toen hij in 1568 in vrijwillige
ballingschap ging
1).
Dragen de allegorische personen in deze stukken dikwijls Latijnsche
namen, over het algemeen is Coornhert's poëzie vrij van
mythologische sieraden, van ‘die namen der Poëteryen, waer met nu
meest elck Rymer soo pronckelyc pracht’, zooals hij zelf met ironische
nederigheid zegt, als hij in zijne berijmde toespraak tot den lezer
vóór zijne
Comedie van Lief en Leedt het zijn eenig doel
noemt, ‘op 't Neder-Hollantsch voor te brengen ware saken’ en
‘door scherpe waerheyt te beteren 't Volcx gemoet’. De eenige
invloed, dien het classieke drama op hem kan gehad hebben, is misschien hierin
te zien, dat hij zijne stukken in vier of vijf ‘deelen’ of
‘handelingen’ verdeelde en dat ieder van die bedrijven in de
Comedie van Israël (van 1575) en in de
Comedie van de Blinde voor Jericho (in 1582
uitgegeven), evenals in
Abrahams Uytgangh, besloten wordt met een
‘chorus’, meestal op eene psalmwijs gezongen.
Doch al mogen deze stukken nog zeer sterk aan het rederijkerstooneel
herinneren, rederijker wilde
Coornhert geenszins zijn, en als andere
dichters der Renaissance beroemde hij er zich op, dat hij ‘noyt camer en
had gehanteert, daer de const van redenrijck gepleecht wert, met veel wetten
verscheydelyck van woorden, cesuren en alreley maten’, want ‘des
ryms zoetheyt verzuyrt deur die dwase wetten’, zegt hij in een rijmbrief,
2 Juli 1570 geschreven aan zijn vriend
Hen-
| | | |
rick van Holten van
Harderwijk, sinds 1546 drost van Elburg, maar toen, blijkbaar als
uitwijkeling, te Emmerik verblijvende
1). Deze had eene ballade gezonden aan Coornhert, die
haar prijst om de ‘zuuvre tael’, want reeds lang was zulk eene taal
hem veel liever dan gedichten, ‘deurspect met veel talen ondereen
gedreeven, dat ons moederspraec doet sneeven’; en als bewijs, hoezeer
taaizuivering hem ter harte ging, zond hij aan zijn vriend het uittreksel uit
een rondeel toe, dat hij vroeger had geschreven, ‘aen een vermaert
brabantsch Rhetorycker’, aan wien hij zijne jammerlijke bastaardtaal
verweet. Ook daarom konden de rederijkers hem niet behagen. Liever, zegt hij
elders, dan te ‘dansen nae den pijp van haar wet’, wil hij
beschimpt worden als een ouderwetsch man, die in eenvoudigheid ronduit zegt wat
hij te zeggen heeft en 't ‘lelyck onschoon en 't schoon suverlick
uutbeelt’.
Zoo komt in
Coornhert ook eene nieuwe eigenaardigheid der
Renaissancedichters uit tegenover de rederijkers, namelijk het persoonlijk
karakter hunner poëtische werkzaamheid. De facteurs waren wel de leiders,
maar te gelijk ook de dienaars der kamers, wier gedichten den geest der
kamerleden moesten weergeven. Van hetgeen er in hun eigen gemoed omging moesten
de facteurs dus zwijgen; zelfs hunne liedjes waren objectief. Dat nu wordt met
de Renaissance anders. Zooals de classieke dichters hadden gedaan, deden ook
hunne moderne navolgers: ieder van hen sprak voor zich zelf. Bereikten zij ook
nog niet die diepte van subjectivisme, die wij sinds het eind van de achttiende
eeuw in onze letteren kunnen waarnemen, dan is het alleen omdat de Ouden en
hunne moderne vertegenwoordigers er meer prijs op stelden, door anderen gehoord
te worden, dan zich zelf uit te spreken, en voor het al te persoonlijke geene
belangstelling bij anderen verwachtten. De dichters der Renaissance teekenden
hunne werken niet meer met het devies eener kamer, maar vonden het toch nog
niet noodig, telkens hun eigen naam te vermelden: zij teekenden liever met eene
zinspreuk, die in de kunstwereld bekend genoeg en dus geen schuilnaam was, maar
die hen bij het groote pu- | | | | bliek dikwijls, en niet zelden ook voor het
nageslacht, tot anonymi maakte.
Coornhert koos zich ‘Verkiesen doet verliesen’
tot spreuk, maar voor iemand van zijne beginselen zou even passend geweest zijn
de spreuk ‘Houdt middelmate’ van den Brusselschen edelman
Jan Baptista Houwaert
1). In
vele opzichten was deze een geestverwant van Coornhert. Ook hij vond niets
afkeurenswaardiger dan de dwingelandij der uiterste partijen, dan gewetensdwang
en vervolging om het geloof. ‘Niemandt en can de conscientie
ghedwinghen’, zeide hij. Vandaar dat hij, zonder de oude Kerk te verlaten
en tot eenige hervormde gemeente toe te treden, den opstand tegen de Spaansche
tirannie hielp bevorderen. Zooals Coornhert op de Gevangenpoort in Den
Haag, zat hij (in 1568) eenigen tijd gevangen boven de St.-Goedelenpoort
te Brussel. Toen in 1576 Willem van Oranje beproefde de Zuidelijke
Nederlanden in hun verzet tegen den Spaanschen landvoogd met de Noordelijke
gemeene zaak te doen maken, koos Houwaert terstond zijne zijde.
Daaraan had hij dan ook zeker de vriendschap te danken van den bekenden
rederijker
Willem van Haecht
2) en den schilder
Peeter Balten, alias
Custodis, sinds 1540 lid van het Antwerpsche
St. Lucasgild en door Van Mander
3) ‘een goed Dichter oft Rethorisien en
Spel-personnagie’ genoemd en vriend van
Cornelis Ketel, die ‘malcander t'somtijts
met Ghedichten en Liedekens besochten’. Van zijne schilderijen is het
meest bekend de afbeelding van eene dorpskermis (nu in het Rijksmuseum te
Amsterdam), waarop ook eene tooneelvertooning voorkomt, die duidelijk te
herkennen is als eene vertooning van de ‘Cluyte van
Playerwater’
4), waarvan een nog bewaard handschrift eertijds in het bezit is
geweest van het | | | | St.-Lucasgild te Antwerpen, dat Custodis in
1569 tot zijn deken, in 1571 tot ouderman verkoos
1).
Peeter Custodis en Willem van Haecht nu geven om
strijd in hunne lofdichten aan
Houwaert de eer, dat hij in 1577
‘persoonlijck op d'Antwerps casteel lijf en goet heeft
gheavontuert’ en met een twintigtal soldaten dat kasteel aan de
Spanjaarden ontrukt heeft, zoodat toen ‘jouffrouwen, borgers en
heeren’ hem daar een echt Romeinschen zegetocht bereidden. Twee jaar
later was het ook voornamelijk aan hem te danken, dat het aan
Philips van Egmond mislukte, Brussel aan Parma in handen
te spelen. Zonder hem ‘hadde Brussel toen verloren gheweest’, zegt
Van Haecht; hij herstelde den vrede in de stad en bewerkte met gevaar
voor zijn leven, ‘dat de stadt niet en was ghestelt in bloet’; en
door ‘met soet vermaen veel seditien in menighe stede te
appayseeren’ heeft hij ‘den vaderlande groote diensten
ghedaen’, waarvoor hij ‘goet noch eere’ verlangde, ofschoon
deze hem van zelf kwamen toegevloeid. Ongetwijfeld had hij daaraan het ambt te
danken van ‘Conseillier ende Meester Ordinaris van de Rekeninghen des
Hertogdoms van Brabant’, waartoe hij in 1578 werd benoemd, zeker op
voordracht van den
Prins van Oranje.
Aan dezen droeg hij op het eind van 1576 zijn eerste (eerst in 1578
uitgegeven) dichtwerk,
Milenus Clachte, op, ‘waerinne de groote
tirannye der Romeynen verhaelt ende den handel van desen tegenwoordighen tyt
claerlijck ontdect wordt’: eene allegorische hekeling dus van de treurige
tijdsomstandigheden, vermeerderd ‘met ghelijcke clachte van den
Ambassadeur der Hebreen’ over de mishandelingen, die de Joden van den
‘tirannighen gouverneur’ Valerius Gracchus (het beeld van den
Spaanschen gouverneur) moesten ondergaan. De fabel van ‘Milenus
Clachte’ had Houwaert ontleend aan het beroemde boek van
Antonio de Guevara ‘Relox de principes o
Marco Aurelio’ (1529), waarvan
Cornelis van Beresteyn in 1563 eene vertaling
(‘'t Gulden Boeck van .... Marcus Aurelius’) had in 't licht
gezonden
2). | | | |
Toen Aartshertog Matthias 18 Jan. 1578 en Prins Willem 18 Sept. 1578
hunne ‘triumphante incomst binnen de princelycke stadt van
Brussele’ deden en te hunner eere ‘tanneelen, poincten, figuren
ende spectaculen verthoont’ werden, door Houwaert
‘gheïnventeert ende ghecomponeert’, gaf hij zelf daarvan in 't
volgende jaar eene ‘Sommare beschrijvinghe’ of
‘Declaratie’ uit; en in denzelfden tijd verscheen van hem ook in
156 strophen van elf versregels eene vertaling van de ‘Oratie der
Ambassadeurs (bepaaldelijk Philips van Marnix)
in den Rijckxdach ghehouden tot Wormes’, 7 Mei
1578. Zoo nam
Houwaert dan met pen en zwaard aan den Opstand
deel en was hij een trouw vriend van
Marnix en
Willem van Oranje. Vreemd is het dan ook niet, dat hij,
evenals zij, de komst van den hertog van Anjou met vreugde begroette en aan
dezen in Febr. 1582 een nieuw dichtwerk opdroeg:
Die Clachte ende Troost van Belgica, waarin hij
een overzicht gaf van de ellende, die in Nederland had geheerscht, en de hoop
op eindelijke vertroosting en verlossing uitsprak.
Te midden nu van deze beroerlijke tijden, waarin het ‘qualijck
moghelijck was, dat die divijn poëten haren gheest conden baren’, en
waarin hij, ‘als hy meynde wercken, dickwils subijt voor die penne die
wapen had moeten aenveirden en voor die boecken die briesschende
peirden’, vervaardigde hij die uitgebreide dichtwerken, die hem in de
oogen zijner tijdgenooten tot een Belgischen Homerus, Virgilius en Ovidius
maakten en o.a. den facteur
Peeter de Coker zijne verbazing deden
uitspreken, dat iemand, die ‘dach en nacht soo neerstich was om te
vorderen het ghemeyn proffijt’ en die ‘soo gheerne vrientschap deed
al die leven’, nog tijd overhield om ‘soo constich, soo veel en soo
subijt’ te schrijven ‘als noydt moderne Poëet heeft
ghesfchreven’. Evenals
Coornhert trok ook hem vooral
Cicero's ‘De officiis’ aan,
maar hij vertaalde het in versvorm in zijne eerst lang na zijn dood uitgegeven
Paraenesis Politica-Politijcke Onderwijsinghe.
Verder ver taalde hij
Die Remedie der Liefden van
Ovidius in hetzelfde jaar 1583, waarin hij zijn vijftigste
levensjaar bereikte en ook eene ‘schrifturelijcke’ strophische
bespiegeling over De vier Wterste in 't licht zond als bewijs dat ook
hij, evenals Coornhert, voor den Christelijken godsdienst niet onverschillig
was | | | | geworden, al ijverde hij ook niet voor eenige kerkleer en al had
ook zijne bekendheid en ingenomenheid met de classieken hem in nauwe aanraking
met het heidendom gebracht.
Waar hij wèl voor ijverde, evenals
Coornhert, dat was voor gestrenge zeden. Zijn hoofdwerk
in zestien boeken,
Pegasides Pleyn ende Den Lusthof der Maeghden
1) (van 1582), bewijst dat. Het is een leerdicht, met verhalen
doorweven, ten dienste van jonge meisjes en vrouwen, wel eens zeer te onrechte
vergeleken bij
Potter's ‘Minnenloep’, maar met
meer recht een voorlooper van
Cats' ‘Houwelyck’ genoemd. Het
dichtwerk begint met al te dartele meisjes te waarschuwen tegen de bedrieglijke
verlokselen van Venus en Cupido, tegen de gevaren van pronkzucht en ijdel
behagen in lichaamsschoon. Innerlijke schoonheid, versiering van hoofd en
hart.... daarom moet het den vrouwen te doen zijn en vooral ook om het bewaren
van de eer, den kostelijksten schat. Menige maagd is door het najagen van
ijdele vermaken ten val gebracht, terwijl overwinning in den strijd tegen
zinnelijke lusten altijd tot een gelukkig leven heeft geleid. Zedig en
ingetogen behooren de jonge meisjes in al haar doen en laten te zijn, en
kunsten en wetenschappen moeten zij beoefenen, waarin zij de mannen kunnen
overtreffen. Hoe jonge vrouwen in tegenspoed tevreden, te midden van de
verleiding standvastig kunnen blijven, en hoe zij in godsvrucht, gehoorzaamheid
aan hare ouders en ontvankelijkheid voor vriendenraad den besten steun hebben
om den booze te weerstaan, wordt dan vervolgens geleerd door den dichter, die
ook eenige jonge meisjes en vrouwen sprekende invoert, klagende over de diepe
ellende, waartoe zij door te groote lichtzinnigheid vervallen zijn. Vervolgens
geeft hij aanwijzingen aan de jonge dochters, hoe zij tot een gelukkig huwelijk
kunnen geraken, aan de getrouwde vrouwen, hoe zij haar huwelijksgeluk kunnen
bevestigen, en aan de weduwen, hoe zij in trouw aan den overleden echtgenoot
hare eer kunnen en moeten stellen. In een laatste boek worden dan nog aan den
man zijne huwelijksplichten voorgehouden. Alles wordt toegelicht met verhalen,
meest aan de Oudheid ontleend, en onstichtelijke ver- | | | | halen (in
kieschen vorm) worden met het voorbeeld van den Bijbel verontschuldigd.
In zes maanden - de dichter zelf is er prat op en zijne bewonderaars
stonden er versteld van - was dit dichtwerk voltooid, ofschoon het bijna dubbel
zoo lang is als Ilias en Odyssee samen en geschreven in kunstige elfregelige
strophen (rijmschema: ababbcbccdd). Dat het gehalte den omvang moeielijk
kon evenaren, spreekt wel van zelf, en de langdradigheid van bespiegeling en
verhaaltrant is wel in staat den modernen lezer tot wanhoop te brengen; doch
blijkbaar hadden Houwaert's tijdgenooten meer geduld of lazen zij het
gedicht slechts bij gedeelten. Ook is voor ons de ouderwetsche metriek, die de
lettergrepen telt zonder ze te wegen, hinderlijker dan voor hen, die er door de
rederijkers aan gewend waren. Zeker is het, dat zijne tijdgenooten er verrukt
over waren, zoodat zelfs de Brusselsche jonkvrouwen den dichter op feestelijke
wijze ‘een schoone groene lauriere-croone’ aanboden met een gedicht
van
Willem van Haecht: een verschijnsel, dat in
onze letterkunde eenig is en alleen in Italië zijne weerga vindt. In elk
geval bezat de dichter eene benijdenswaardige gemakkelijkheid in versificeeren
en beschikte hij over eene uitgebreide kennis, vooral van de Oudheid. Uit
allerlei classieke dichters heeft hij zijne voorbeelden bijeengezocht, en
daarom behoort
Houwaert's gedicht tot de eerste voortbrengselen
onzer letterkunde gerekend te worden, die den invloed der Renaissance hebben
ondergaan, te meer daar de dichter, in tegenstelling tot Coornhert, wèl
houdt van mythologische sieraden en heidensche godennamen, die hij gebruikt ter
vervanging van de middeleeuwsche personificaties van deugden, ondeugden en
eigenschappen. Overigens is het duidelijk te zien, dat Houwaert den
geest der Oude poëzie niet in zich heeft opgenomen: noch door vorm, noch
door inhoud gelijkt het gedicht op iets wat de Oudheid ons heeft overgeleverd.
De rederijker is in Houwaert nog niet door den humanist
verdrongen.
|
1)Levensberichten en beoordeeling van de
Noord- en Zuidnederlandsche Latijnsche dichters kan men vinden bij Paquot,
Mémoires pour servir à l'histoire littéraire,
Louvain 1765-70, III dln. en bij F. Hofman Peerlkamp, Liber de vita,
doctrina et facultate Nederlandorum, qui carmina latina composuerunt, Brux.
1822, 2 ed. Harlemi 1838.
1)Voor de Leuvensche hoogeschool zie men
Félix Nève, Mémoire historique et litt. sur le
collège, des Trois Langues à l'université de Louvain
(in Mémoires couronnés, publiés par l'Acad. royale de
Belgique, XXVIII 1856).
2)Voor Geldenhauer zie J. Prinsen J.Lz.,
Gerardus Geldenhauer Noviomagus, 's-Grav. 1898, die ook
Collectanea van hem uitgaf, Amst. 1901.
3)Voor Hortensius zie men G. Mees,
Lambertus Hortensius van Montfoort als geschiedschrijver, Utrecht 1836.
Zijn geschrift ‘Over de opkomst en den ondergang van Naarden’ is
uitg. door Peerlkamp en A. Perk, Amst. 1866.
4)De Basia van Janus Secundus, die
eerst na zijn dood gedrukt zijn in 1539 en later herhaaldelijk, werden te
Berlijn in 1899 door G. Ellinger nog eens weer herdrukt en zijn ook meermalen
in het Nederlandsch vertaald, o.a. door A.W. Engelen, Gron. 1830, en het laatst
door J.H. Scheltema, Het boek der kusjes van Janus Secundus, Leiden
1902.
1)Hadrianus maakte zich, behalve door zijne
dicht- en geschiedwerken ook nog verdienstelijk door zijn veelgebruikten
Nomenclator. Omnium rerum propria nomina variis linguis explicata
indicans, Antv. 1567: eene naar de woordbeteekenissen in rubrieken
gerangschikte lijst van Latijnsche woorden met hunne vertaling in Grieksch,
Hoogduitsch, Nederlandsch, Fransch, Italiaansch en Spaansch, en opgedragen aan
Philips Willem, den oudsten zoon van Willem van Oranje. Voor hem zie men verder
P. Scheltema, Diatribe in Hadriani Junii vitam, ingenium, familiam, merita
literaria, Amst. 1836.
2)Zie Karel van Mander, Schilderboeck
1604, fol. 234 a-236 b en verder ook G.J. Hoogewerff in ‘Onze
Eeuw’ 1915 en H.E. van Gelder, Nieuws over Jan van Scorel in
‘Oud Holland XXXVI (1918) bl. 177-182.
1)Gedrukt als Pictorum aliquot celebrium
Germaniae inferioris effigies cum Dom. Lampsonii elogiis, Antv.
1572.
2)Voor Cassander zie men: J.M. Assink Calkoen,
Georgii Cassandri vita, Amst. 1859.
3)Voor het schooldrama zie men Otto Francke,
Terenz und die lateinische Schulcomoedie in Deutschland, Weimar 1877, en
G.D.J. Schotel, Tilburgsche Avondstonden, Amst. 1850, bl. 217-232. Een
rijk materiaal leverde daarvoor ook J.A. Worp, Geschiedenis van het Drama en
van het Tooneel in Nederland I, Gron. 1904, bl. 193-232.
1)Voor Crocus zie men J.F.M. Sterck, Onder
Amsterdamsche Humanisten in ‘Het Boek’, Maart 1917, en ook J.H.
Rössing, Het Tooneel IV (1918), bl. 10-14.
2)Voor Macropedius zie men Daniël
Jacoby, Georg Macropedius, Ein Beitrag zur Literaturgeschichte des
sechszehnten Jahrhs., Berlin 1886 en J. Hartelust, De dictione Georgii
Macropedii, Utrecht 1902, waar ook zijn Petriscus is herdrukt. Zijne
Rebelles en Aluta werden herdrukt door Joh. Bolte, Latein.
Litteraturdenkmäler des XV und XVI Jahrhunderts, Berlin 1891. Voor de
Hecastus zie Karl Goedeke, Every-Man, Homulus und Hekastus, Hann.
1865.
1)Voor Schonaeus zie men A.H. Garrer,
Schonaeus. Bijdrage tot de geschiedenis der Latijnsche school te
Haarlem, Haarlem 1889. Zijn Vitulus is in 1616 als Hamburgsch
Vastenavondspel in Nederduitsche vertaling uitgegeven en herdrukt door Joh.
Bolte en W. Seelmann, Niederdeutsche Schauspiele älterer Zeit,
Norden-Leipzig 1895, p. 23-60, en ook in het Nederlandsch vertaald als
Cluchte van een Boer, die in een Calfsvel benaeyt was. Zijn
Dyscoli is in 1641 in vertaling van Pieter Godewyck uitg. als
Wittebroods-kinderen of bedorve jongelingen. Zijn Cunae, niet
vertaald, maar wat den inhoud betreft nagevolgd in de Klucht van de Qua
Grieten van 1644, is in 1907 nog eens bij J. Clausen te Amsterdam
uitgegeven.
2)Voor Gnapheus zie men H. Roodhuyzen Jr.,
Het leven van Guilhelmus Gnapheus, Amst. 1858 en Reusch, Gnapheus,
der erste Rector des Elbinger Gymnasiums, Elbing 1868 en 1877. Zijn
Acolastus werd herdrukt door Joh. Bolte in Latein.
Litteraturdenkmäler des XV und XVI Jahrhunderts, Berlin 1891.
1)Voor Florianus zie men Ph. Blommaert, De
Ned. Schrijvers van Gent, Gent 1861, bl. 158-161. Florianus heeft slechts
weinig oorspronkelijks geschreven, doch wel veel vertaald, niet alleen in het
Nederlandsch, maar ook in het Latijn en in het Fransch. Zoo gaf b.v. Plantijn
in 1566 van hem eene Fransche vertaling in het licht van het volksboek van
Reinaert. Zie daarover Leon. Willems, Reinaerdiana VII, in Versl. en
Mededeel, van de Kon. Vlaamsche Academie, Gent 1922, bl. 1211-1233.
1)Voor Borluyt zie men Ph. Blommaert, De
Ned. Schryvers van Gent, Gent 1861, bl. 30-39.
2)De bibliographie der vele dichtwerken van
Cornelis van Ghistele vindt men in Bibliotheca Belgica, C 10-33,
69.
1)‘Eene Tragedie, ghenaemt Antigone,
bescreven eerst in Griecxsche door den gheleerden Poeet Sophocles ende daerna
in t Latine overgheset ende nu in onser Duytscher talen Rhetorikelijck
ghetranslateert door Cornelis van Ghistele. (Antw. 1556)’ werd met eene
inleiding op nieuw uitg. door J. Grietens, Antw. -'s-Grav. 1922.
1)Men vindt ze vermeld in Bibliotheca
Belgica, E 46. Over Marten Everaert zelf zie men C.P. Serrure, Vaderl.
Museum, II, bl. 453-462, III bl. 130-138, IV bl. 363-368, V bl.
311-316.
2)Voor Coornhert zie men Jan ten Brink,
D.V. Coornhert en zijn Wellevenskunst, Amst. 1860; Carl Lorentzen,
Dierijck Volkertszoon Coornhert, der Vorläufer der Remonstranten,
Versuch einer Biographie, Jena 1886; F.D.J. Moorrees, D.V. Coornhert de
Libertijn, Levens en Karakterschets, Schoonhoven 1887 en Olga Rinck-Wagner,
Dirck Volkertszoon Coornhert, Berlin 1919. De eerste verzamelde uitgaaf
zijner ‘Werken’ verscheen ter Goude bij Jasp. Tournay 1612, II dln.
Vollediger verschenen daarna Dieryck Volkertsz. Coornherts Wercken te
Amst. bij Jacob Aertsz., Colom. 1630 III dln., met eene levensbeschrijving door
G. Boomgaart. Over de zinnebeeldige titelplaat voor dat werk zie men H.A.W.
Speckman in ‘Het Boek 1919’, bl. 19-28. Afzonderlijk zag nog het
licht D.V. Coornhert. Brievenboeck. Inhoudende hondert brieven. Eerste
deel, Amst. 1626. Eene zeer uitvoerige bibliographie van Coornhert's talrijke
werken vindt men in de Bibliotheca Belgica, C 35-125, 138-149, 270-274,
641.
1)Het geschrift, dat
Calvijn tegen hem uitgaf en dat door Theodorus Beza ook
in het Latijn is vertaald, is getiteld ‘Response à un certain
Hollandais, lequel, sous ombre de faire les Christiens tout spirituels, leur
permet de polluer leur corps en toutes idolatries. Escrite par M. Jean Calvin
aux fidèles du pays-bas.’ Chez Jean Crespin 1562.
1)Zie Van Mander, Schilderboeck, 1604,
fol. 246 b.
1)Van dit stuk is ook eene Hoogduitsche
vertaling verschenen, getiteld ‘Abrahams Auszgang durch Dittrich
Volckkert Corn-Hertz niederländisch beschrieben’. Z. p. en j. Zie
Joh. Bolte, Tijdschrift XVII (1898) bl. 85-87.
1)Zie dien rijm brief voor het eerst
uitgegeven door J.F.M. Sterck in ‘De Nieuwe taalgids’ van 1922, bl.
292-296.
1)Voor Houwaert zie men K. Ruelens,
Bibliophile Belge III (1868), p. 23-37; K. Stallaert, Jan Baptista Houwaert,
beschouwd als Dichter en Staatsburger in ‘Ned. Museum 2 R. II (1885)
I bl. 83 vlgg. en 351 vlgg.; F. van Veerdeghem en Oscar van den Daele, Drie
onuitgegeven werken van J.B. Houwaert in de Bull. de l'Acad. royale de
Belgique, 3 S. XXVI, Brux. 1893, p. 344-365 en F. van Veerdeghem, Houwaert
en Parma, onuitgegeven gedichten in Ned. Museum 1894, bl. 321-351. Over
zijn tooneelbundel Den Handel der Amoreusheyt zie men
Ontwikkelingsgang, II, bl. 394-396. Eene uitvoerige bibliographie zijner
werken vindt men in de Bibliotheca Belgica, H 13-34, 89, 189.
2)Zie Ontwikkelingsgang II, bl. 421
vlg., 461 vlg., 482 vlg. en 495.
3)Zie Van Mander, Schilderboeck 1604,
fol. 257 a.
4)Zie Ontwikkelingsgang, II, bl. 376
vlg.
1)Zie Ph. Rombouts en Th. Lerius, De
Liggeren en andere historische archieven der Antwerpsche St. Lucasgilde,
Amst. 1872, I, bl. 236, 243. Beschrijving en afbeelding der schilderij vindt
men bij Leo van Puyvelde, Schilderkunst en Tooneelvertooningen op het einde
van de middeleeuwen, Gent 1912, bl. 87-90.
2)Zie Tijdschrift, I, bl. 77 vlg. Cornelis van
Beresteyn vertaalde van Antonio de Guevara ook nog de Epistolas
familiares’ onder den titel Vrundtlicke ghemeene
Sendtbrieven.
1)Zie daarover A. de Jager. De vrouw
bezongen door Joan Baptist Houwaert, in De Tijdspiegel, 1877, bl.
229-239.
|
|