|
|
|
| |
III. De invloed van Ronsard en zijne Pleiade.
Had de Renaissance in onze taal geene andere woordvoer- | | | | ders gehad dan
Van Ghistele,
Coornhert en
Houwaert, het zou dan zeer de vraag geweest
zijn, of er bij ons wel ooit van een schitterenden nabloei der classieken
sprake had kunnen zijn, en of niet in Noord-Nederland eene Protestantsche
poëzie had overheerscht, zooals eene Katholieke poëzie in de
Middeleeuwen. Langs anderen dan den rechten weg, die onmiddellijk van de
classieken uitging, moest de Renaissance hier worden ingevoerd: langs den door
ons maar al te vaak en al te onzelfstandig betreden weg, die van Rome uit over
Parijs naar de Nederlanden voerde.
In de Fransche litteratuur had juist in het midden der zestiende
eeuw de Renaissance eene ware omwenteling veroorzaakt, voortgekomen uit de
school van den humanist
Jean Dorat of
Auratus en bewerkt door diens geestdriftigen leerling
Pierre de Ronsard
1). In 1550 was deze met vier boeken
‘Odes’ en met zijn ‘Bocage’ opgetreden, twee jaar later
met het vijfde boek der ‘Odes’, te gelijk met zijn
‘Amours’ verschenen, in 1555 gevolgd door zijne
‘Hymnes’. Ronsard was in de eerste plaats dichter, maar daarom niet
minder geleerde, zelfs philoloog, zooals zijn leermeester Dorat, en daarom ook
volkomen te huis in den renaissancekring van Jean Morel, waar diens echtgenoote
Antoinette de Loynes en zijne drie dochters, Camille, Lucrèce en Diane,
in staat waren, niet alleen de Latijnsche, maar zelfs de Grieksche dichters in
het oorspronkelijke te genieten. Daar vooral had Ronsard gelegenheid zijne
poëzie ingang te doen vinden. Een kleine kring van jonge mannen, die
spoedig en voortdurend in omvang toenam, bevorderde zijn streven en,
aanvankelijk als ‘la Brigade’ bekend, trad deze dichterschaar
weldra onder den naam der schitterende zevenster, de ‘Pleiade’, op.
Tegelijk met Ronsard had
Joachim du Bellay
2) met zijne verhandeling
‘Deffence et illustration de la langue
françoyse’ de banier der nieuwe richting ontplooid en was
door hem ook in Frankrijk op welsprekende wijze de in Italië reeds lang in
practijk ge- | | | | brachte stelling bepleit, dat de dichter bij voorkeur in
zijne eigene moedertaal met de classieken moest wedijveren en dat ook zeer goed
kon, indien hij maar niet, zooals de ouderwetsche rijmelaars, de studie der
classieken verwaarloosde. Met zijn gedicht ‘Combat des Muses
contre l'ignorance’ had
Du Bellay, in aansluiting aan Malespini en andere
Italianen, ook voor Frankrijk den strijd aangebonden tegen hen, die nog altijd
de beoefening der fraaie letteren uitsluitend naar het studeervertrek van den
geleerde verwezen en haar voor den edelman, die vóór alles in den
wapenhandel moest uitmunten, nutteloos achtten, ja zelfs nadeelig, als zou zij
hem voor het krijgsleven ongeschikt maken. Neen, zeide hij, hare beoefening was
onontbeerlijk voor ieder, die den naam van beschaafd man wilde dragen, en dat
moest de edelman in de eerste plaats verlangen. Eindelijk was hij met
‘Le poète courtisan’, het eerste Fransche
gedicht, dat den classieken naam ‘satire’ droeg, geestig en in
jeugdigen overmoed te velde getrokken tegen de toen meest gevierde Fransche
dichters, met Clément Marot aan het hoofd.
Zoo was dan in Frankrijk met schetterend bazuingeschal het aanbreken
van een nieuwen dageraad aangekondigd
1). ‘Alleen hem erken ik als den waren
dichter’, zeide Du Bellay, die ‘in staat is mijne verontwaardiging
op te wekken en weer tot bedaren te brengen, mij verheugd en bedroefd te maken,
mij te doen liefhebben en haten, bewonderen en ontstellen, kortom, die mijne
aandoeningen weet te besturen, mij leidend waarheen het hem goeddunkt’.
Niet tot het verstand moest dus de nieuwe dichter zich richten, maar tot het
gemoed, dat hij in beroering moest brengen door een hooger en edeler taal,
dan | | | | tot dusverre in de poëzie was gehoord. De dichter was geen
verzenmaker, maar een profeet, geïnspireerd door de toovermacht der Muzen.
‘In ons, dichters, woont een God’, zoo sprak hij Horatius na,
‘en wanneer die ons aanvuurt, ontgloeien wij’.
Ronsard en de zijnen hebben inderdaad van dichtvuur
gegloeid als weinigen; maar waarvoor ontgloeiden zij? Niet voor de onderwerpen
hunner poëzie, niet voor de personen, die zij bezongen. Aandoeningen
opwekken, het gemoed meesleepen kan slechts hij, die zelf aandoeningen gevoelt
en daardoor wordt geïnspireerd. Zijn het de Muzen, die in gloed zetten,
dan is het ook alleen de kunst, waarvoor zij geestdrift wekken. Het
eigenaardige van de dichters uit de school van Ronsard is, dat zij slechts
ééne aandoening kennen, de aandoening, die kunst en schoonheid
bij hen wekt. Voor al het andere blijven zij koud, veel kouder dan hunne
voorgangers.
Maar juist door hunne geweldige geestdrift voor artistieke
schoonheid waren zij bij machte de kunst der Renaissance in eere te brengen,
omdat zij deze bovenal bewonderden, en wel in vollen omvang, zoodat zij zich
niet tot de Latijnsche litteratuur bepaalden, maar ook - en Ronsard zelf gaf
daartoe het voorbeeld - de Grieksche ijverig bestudeerden, al trok dan ook de
geleerde Alexandrijnsche poëzie en de hoogdravende Pindarische ode hen
meer aan dan de verheven eenvoud der epische en tragische dichters. Ook de
Italiaansche Renaissancedichters vereerden zij en met
Petrarca vooral dweepten zij daarom, zonder recht te
gevoelen, dat Petrarca nog slechts op den drempel van het tijdvak der
Renaissance stond en juist in zijne Italiaansche poëzie en met zijne
onzinnelijke liefde eer bij den Provençaalschen vrouwendienst aansloot
dan bij den Venusdienst der classieken. Vandaar dat zij hunne, 't zij dan
gedroomde, 't zij dan wezenlijke, liefde voor levende vrouwen uitspraken in
soortgelijke bewoordingen als waarin Petrarca zijne hemelsche Laura had
bezongen, en dat zij hem ook in den versvorm navolgden: in de canzone
maar vooral in het sonnet, dat nu, al had ook reeds vóór
hen Marot het beoefend, met hen zijne intrede in de wereldlitteratuur deed.
Deze versvorm der ingehouden kracht en fijn gevoelde harmonie verbindt twee
quattrinen (rijmschema: abba-abba) tot een afgerond geheel met twee
terzinen, bij Pe- | | | | trarca cde-cde of cde-dce, bij de
Franschen meestal ccd-eed of cdd-cee
1).
Andere verssoorten en versnamen ontleenden zij aan de Ouden, zooals
odes (soms verdeeld in strophe, antistrophe en epode), dithyrambes,
élégies, épîtres, satires, épigrammes. Met
mascarades en bergeries volgde Ronsard, evenals Rémy Belleau, weer de
Italianen en op lateren leeftijd, in 1572, trachtte hij met zijne
‘Franciade’ de ‘Aeneis’ van Virgilius te evenaren. Aan
oorspronkelijke dramatische poëzie heeft hij zich evenmin gewaagd als Du
Bellay, maar anderen onder zijne volgelingen schreven ook tragédies en
comédies, zooals Estienne Jodelle, Jacques en Jean de la Taille, Robert
Garnier en Nicolas Filleul, die voor het eerst onderwerpen uit de mythologie of
de oude geschiedenis voor Frankrijk dramatisch bewerkten naar het voorbeeld van
Seneca en de nieuwere Italianen, met Trissino aan het hoofd.
Van meer beteekenis echter dan het invoeren van nieuwe dichtvormen
was het scheppen van eene dichterlijke taal, geheel afwijkend van het oudere
Fransch en van de moderne omgangstaal. De kunstmatige vrijheid der Latijnsche,
de opzettelijke gewrongenheid der latere Grieksche dichters in het vormen van
zinnen, die gewilde of ongewilde duisterheid veroorzaakte, maar ook grootere
beknoptheid en kernachtigheid, meer bevalligheid of nadruk aan een vers kon
geven, zij het ook ten koste van den natuurlijken eenvoud, bracht Ronsard in de
Fransche poëzie over. Het Fransch behoefde immers, volgens hem en de
zijnen, voor de classieke talen in niets onder te doen. Was het Fransch armer
dan het Grieksch, geen nood: dialectisch Fransch was ook Fransch en daaruit was
menig eigenaardig woord in de schrijftaal in te voeren: verwante talen mochten
geplunderd worden: 't was immers reeds mode geworden zijne taal met
Italiaansche woorden en spreekwijzen op te sieren, te Italianiseeren of te
Petrarquiseeren, zooals Henry Estienne het noemt, die, ofschoon zelf humanist
van beteekenis, krachtig daartegen (en ook tegen de Pleiade in het algemeen) te
velde trok met zijne beide | | | | ‘Dialogues du nouveau langage
françois italianizé’ (van 1578). Een deel van die
Italiaansche of ook wel onmiddellijk aan het Latijn ontleende woorden is
voorgoed in het Fransch opgenomen en vormt daar nu de klasse der zoogenaamde
‘doubletten’ naast de eigenlijke Fransche woorden, die zich reeds
in veel ouderen tijd uit dezelfde Latijnsche woorden ontwikkeld hadden; maar de
groote meerderheid bleef toch vreemd klinken in de ooren van het Fransche volk,
dat ze weer uitbande met menigen door de Pleiade gebezigden Italiaanschen
stijlvorm.
Ronsard ging echter nog verder in zijne taalverrijking.
Hadden de Romeinen zelf allerlei Grieksche woorden gebruikt, waarom zou de
Fransche Renaissancedichter dan aarzelen, de artistieke schoonheid van het
Grieksch idioom zich te nutte te maken, waarom zou ook hij zich niet bedienen
van die heerlijke Grieksche samenstellingen, zoo veelzeggend en zoo welluidend
te gelijk?
Dat de poëzie der Pleiade daarmee voor het groote publiek
onverstaanbaar werd, was geen bezwaar. De tempel der kunst toch kon maar niet
voor ieder toegankelijk zijn. Alleen hare ijverige dienaars en gelijkgezinde
vereerders mochten er voor het altaar der Muzen nederknielen en het wierookvat
zwaaien voor deze goddelijke maagden of hare kunstrijke hoogepriesters. Aan die
wierook ontbrak het niet. Goddelijk is de Poëzie en Ronsard is haar
profeet! klonk het van alle kanten; en in den dienst van het schoone, waaraan
de dichter zich wijdde, diende hij ook zich zelf en zijne vrienden, de
uitverkorenen des geestes, die in staat waren geweest aan Frankrijk eene
litteratuur te schenken, zooals Petrarca dat aan Italië had gedaan, eene
litteratuur die kon wedijveren met de heerlijke kunst van Griekenland en
Rome.
De klank van eene loftrompet, met zoo bolle wangen voor de Pleiade
door haar zelf gestoken, deed zich natuurlijk ook over Frankrijks grenzen heen
hooren en moest ook bij ons wel tot bewondering en navolging opwekken; maar
Lucas de Heere
1),
bij wien men het eerst daarvan iets bespeurt, is in | | | | Frankrijk zelf
met de nieuwe dichtkunst bekend geworden, toen hij als jong man te
Fontainebleau voor de Koningin-moeder tapijtpatronen teekende. Hij was van
geboorte, aanleg en opvoeding kunstenaar. Zijn vader, Jan de Heere, was een
voortreffelijk beeldhouwer, zijne moeder, Anna Smijters, die hem in 1534 het
leven schonk, eene ‘verlichtster die seltsaem constighe dinghen met verwe
en pinceel te weghe heeft gebracht van wonderlijcke netheydt en
scherpheydt’. Zijn vader zelf onderwees hem in de teekenkunst; in de
schilderkunst genoot hij met vele anderen het destijds zoo hoog geschatte
onderricht van Frans Floris, den hoofdvertegenwoordiger van de Italiaansche
Renaissance in Vlaanderen, wat hem nochtans niet verhinderde eene geestdriftige
‘Ode op den Agnus Dei van de gebroeders van Eyck’ te schrijven,
waarin hij vooral de groote verscheidenheid in de gelaatsuitdrukking der daarop
voorgestelde personen prees: ‘Ay, siet noch op dit werck: hoe
gantschlijck afghesondert is aensicht van aensicht in wesen overal! Wat tronie
men hier siet van meer als drymael hondert, geen d'ander is ghelijck in sulck
een groot ghetal’. Zelf maakte De Heere zich vooral naam als
portretschilder, maar dat zijne werkkracht niet geëvenredigd was aan zijne
veelzijdigheid, heeft hem als schilder geschaad: want hij was ook een
liefhebber-verzamelaar van oudheden, een vriend van studie en een ijverig lid
van de Gentsche kamer ‘Jesus metter Balsembloeme’.
Met zijn hoofdwerk,
Den Hof en Boomgaerd der Poësien, waarin hij
in 1565 al zijne tot dien tijd toe vervaardigde gedichten bijeenbracht, trad
hij op tegen ‘den ouden Vlaemschen treyn van dichten’, dien hij
‘in veel zaken te ruut, ongheschickt en rouw’ vond, en gaf hij
proeven van oden, sonnetten en elegieën, en ook van minnebrieven aan zijne
Zeeuwsche geliefde, de dochter van den burgemeester van Veere, Eleonora
Carbonier, met wie hij in 't huwelijk trad. Wèl maakte hij nog
ouderwetsche refereinen (o.a. een tot lof der schilderkunst), maar hij zorgde
er toch voor, dat daarin de verschillende versregels het- | | | | zelfde zelfde aantal lettergrepen inhielden. Hij telde dus zijne versmaten als
de Franschen zonder juist de latere rhythmiek in acht te nemen. Met Ronsard en
de Pleiade was hij persoonlijk bekend, maar partijganger voor die richting was
hij nog niet, zooals blijkt uit zijne bijzondere ingenomenheid met
Clément Marot, van wien hij niet alleen ‘Le temple de
Cupidon’ vertaalde, maar ook verschillende andere gedichten: epigrammen,
sonnetten en een epistel. Dat hij in 1565 ook een gedeelte van Marot's
psalmberijming overbracht, hebben wij reeds gezien
1).
Daarmede toonde hij zich een aanhanger van de Hervorming, ofschoon
hij - en van den kunstenaar mogen wij het verwachten - de beeldstormerij
gestreng afkeurde. Gedurende het schrikbewind van den Bloedraad bevond hij zich
met zijne vrouw in Engeland, dat hij ook vroeger reeds had bezocht en waar hij
nu o.a. Koningin Elisabeth afbeeldde, bij het verlaten van haar paleis door
Juno, Minerva en Venus met geschenken begroet. Dat was niet het eenige
vorstelijke portret door hem geschilderd, want hij was een lievelingsschilder
der aanzienlijken en heeft zich dan ook met zijne kunst een groot vermogen
verworven. In hoopvoller tijden naar zijne geboortestad teruggekeerd, regelde
hij in Dec. 1577 de rhetoricale feesten bij de blijde inkomst te Gent van
Willem van Oranje, die hem tot Griffier van de
Rekenkamer aanstelde. Sinds dien tijd diende hij de zaak van Opstand en
Hervorming door verschillende vertalingen uit het Fransch, en overleed op
vijftigjarigen leeftijd in 1584, weinige dagen vóór de overgave
van het door hem verlaten Gent aan den hertog van Parma en dus kort
vóór de algeheele onderwerping van de Zuidelijke Nederlanden aan
den koning van Spanje.
Zijne beminnelijkheid in den omgang wordt door zijn leerling Van
Mander uitdrukkelijk geprezen, en onder zijne tijdgenooten zijn er dan ook
maar weinig dichters, met wie hij niet in vriendschapsbetrekking stond, zooals
uit zijne en hunne gedichten blijkt. Tot deze behoorden onder meer anderen de
gelaurierde poëet
Francies Hieman
2) (geb. 1522, overl. 1585),
deken der kamer van St. Barbara te Gent,
Van Vaernewijck en
De Dene,
Jan Fruytiers en
Manilius,
Borluyt en
Marnix, en ook | | | | de groote bewonderaar en
navolger van Ronsard en de Pleiade, Jonkheer
Jan van der Noot, patricius van
Antwerpen, zooals hij zich gaarne noemde, en ‘poeta
laureatus’, als hoedanig hij ook op den titel zijner werken is afgebeeld
1).
Jong reeds in de schepenbank van Antwerpen opgenomen, nam Van
der Noot daar in 1567, in de hoop, naar men beweerde, er het markizaat van
Antwerpen mee te zullen verwerven, aan een geuzenoproer deel, dat door den
Prins van Oranje werd gedempt, zoodat hij genoodzaakt was, goederen en
echtgenoote in den steek te laten en naar Londen te vluchten. Elf
jaar bracht hij toen buitenslands door: in Engeland, Italië,
de Rijnlanden en Frankrijk. Te Parijs maakte hij in 1578
persoonlijk kennis met
Dorat en zelfs met
Ronsard, die toen voor hem de goddelijke dichter was
geworden, ofschoon ook hij aanvankelijk nog in
Marot zijn voorbeeld had gevonden. Dat blijkt uit zijn
eersten dichtbundel
Het Bosken (1567), eene verzameling, met aan
Ronsard's ‘Bocage’ ontleenden naam, van het meeste dat hij toen had
gedicht, te beginnen met een rondeel ‘van den peys van 1558’ en
eene ode op den slag bij Grevelingen. Vooral de epigrammen in den bundel
herinneren aan Marot, en de psalmen zijn zelfs vertalingen van de zijne, voor
zoover althans Datheen er niet voor geplunderd is. Toch komen er ook
reeds vertalingen in voor naar Ronsard en Baïf en zelfs van een sonnet van
Petrarca, waarin toon en kleur van het origineel met talent zijn
weergegeven.
Spoedig (in 1568) volgde een tweede bundel,
Het Theatre oft Toonneel, nog in hetzelfde jaar
in Fransche vertaling door den dichter aan Koningin Elisabeth van Engeland
aangeboden en in het volgend jaar door zijn toedoen ook in het Engelsch en in
het Hoogduitsch (door Balthasar Froe) vertaald. Daarin vindt men bij twintig
platen, die wel van
Lucas de Heere zouden kunnen zijn, omdat men er
van dezen ook eene ode ter inleiding in aantreft, zes canzonen van
Petrarca, door den dichter wel uit het Italiaansch, maar
met behulp van
Marot's vertaling, overgebracht, tien sonnetten, uit den
‘Songe’ van
Du Bellay vertaald, en vier sonnetten in alexandrijnen,
uit de Apocalupsis getrokken en van een uitvoerigen commentaar gevolgd. | | | |
Met den klemtoon is in deze en andere alexandrijnen door Van der
Noot nog niet voldoende rekening gehouden, maar toch verdient er hier even
de aandacht op gevestigd te worden, omdat deze iambische versregels van twaalf
lettergrepen bij staand rijm, met eene caesuur na de zesde lettergreep, een
lievelingsvorm der Pleiade was, door Du Bellay voor zijn ‘Poète
courtisan’ gebruikt en later vooral voor uitvoerige dichtwerken, in 't
bijzonder voor tooneelstukken, gebezigd. Ook bij ons treft men daarom in de
tweede helft der zestiende eeuw voor het eerst alexandrijnen aan, bij
Marnix (in zijne sonnetten aan De
Heere van 1576), bij
Jan van Hout, bij
Coornhert en
Van Mander, en in de zeventiende eeuw zou het
de meest gebruikelijke versmaat onzer eerste dichters worden.
Van der Noot onderscheidt ze, met
Ronsard in diens ‘Abrégé de
l'art poétique’ van 1565, als ‘heerlyke veerschen
schoon, hoogh van gheclanck’ (‘graves, hautains, altiloques’,
zegt Ronsard) van ‘ghemeyn veerschen suet’ (ook door Ronsard
‘vers communs’ genoemd), waaronder hij de vijfvoetige iambe
verstaat, met caesuur na de vierde lettergreep, en van ‘liricsche
veerschen licht’ (bij Ronsard: ‘vers lyriques’) van minder
lettergrepen.
Zooals van een aanhanger van Ronsard te begrijpen is, was ook bij
hem de versvorm eene zaak van gewicht; en het valt ons niet moeielijk te
erkennen, dat zijne verzen in regelmatigen bouw en welluidendheid die der
ouderwetsche dichters uit de rederijkersperiode merkbaar overtreffen. Ook door
zijn taalgebruik onderscheidt hij zich gunstig van hen, te meer daar hij,
zonder, zooals later Spieghel zou doen, woordkoppelingen naar Grieksch model te
smeden, toch voor zuivering van zijn zoet Brabantsch ijvert en bastaardwoorden
zooveel mogelijk vermijdt.
Van geleerdheidsvertoon daarentegen is hij niet vrij. Met zijne
kennis van het Grieksch pronkt hij opzettelijk in zijn derde, voor zijn persoon
meest karakteristieke, werk, namelijk zijn
Cort Begrijp der XII Boecken Olympiados, in 1579
te Antwerpen, waarheen hij juist had mogen terugkeeren, uitgegeven in het
Brabantsch en Fransch en versierd met platen, door Coornhert gesneden,
met wien hij te Kleef gedurende beider ballingschap kennis had
gemaakt. Zonderling is het, dat dit ‘Cort Begrijp’ slechts een stuk
is van een dichtwerk, dat onze dichter reeds te voren door een ander in het
Hoogduitsch had laten vertalen en toen onder den titel
Das Buch Extasis te Keulen schitterend had laten
drukken. Toch | | | | is ook dat nog maar eene schets van de groote
Olympiade, die Van der Noot zich voorstelde te maken, maar nooit
voltooid heeft. Hadde hij dat gekund, dan zou het een omvangrijk allegorisch
epos geworden zijn, waarvoor bij hem het denkbeeld misschien opkwam onder de
lezing van
Keizer Maximiliaan's ‘Tewerdannckh’. De inhoud
van hetgeen wij nu bezitten is eene denkbeeldige reis van den dichter door een
doolhof heen van verzoekingen, die Grieksche namen dragen, zooals Hedone en
Euclia, Chrysea en Argyrea. Mercurius echter had hem de idee getoond van
Olympia, en de gedachte aan haar maakt hem voor al het verdere ongevoelig. In
den hof van Cupido mag hij haar ontmoeten en Venus belooft hem hare liefde,
doch eerst moet hij nog met een lang adieu van haar afscheid nemen en verder
reizen naar Arete, het rijk der deugd, en naar den Helicon, waar Apollo met
alle Muzen hem verwelkomt en hem met den ‘enthusiasmus’, den
‘poëtixen Gheest’ bezielt. Door Theude, de Godsgave, wordt hem
dan de weg getoond naar Telosie of het Einddoel, waarheen Pistis, Elpis en
Agape (Geloof, Hoop en Liefde) met meer andere nimfen hem begeleiden. Eene
hellevaart volgt met al hare verschrikkingen. Tegen Kosmica moet hij bestand
blijken, met Ptochia moet hij strijden; Spoude en Ergasia zijn hem daarbij
behulpzaam; en zoo kan hij dan eindelijk in de Elizeesche velden aankomen, waar
de heerlijke Olympia schittert tusschen Goden en Godinnen, Naiaden en Faunen,
en waar met ambrosia en nectar onder het liefelijk snarenspel van Apollo en
‘sijn Susters’ ten slotte zijne verloving wordt gevierd.
Deze in haar geheelen samenhang niet zeer duidelijke allegorie
onderscheidt zich alleen door den versvorm van de middeleeuwsche
allegorieën en herinnert aan de Renaissance alleen door de Grieksche namen
der zinnebeeldige personen. Zijne verbeelding moge hem een grootsch en
dichterlijk onderwerp hebben voorgetooverd, zijne scheppende kracht bleek
daaraan in elk geval niet geëvenredigd; en toch schijnt het, dat hij met
dit gedicht zijne krachten had uitgeput, want de
Poeticsche Wercken
1), die hij
daarna van | | | | 1580 tot 1595 in groot formaat bleef uitgeven, zijn voor
een deel herdrukken van vroegere poëzie en voor een ander deel weliswaar
nieuwe gedichten, maar van geringe beteekenis en slechts eene enkele maal
getuigend van opflikkerend vuur, zooals in de welluidende Ode aan Olympia,
opgedragen aan Hans Ghoeserie (naar Ronsard) en in denzelfden toon, met vele
van dezelfde beelden, in de Oden aan Olympia, die hij opdroeg aan Adr. en
Balth. van Nispen (‘ic wil nu singhen een nieu liedt’), aan Luys
Suerio (‘nadat ghy syt o schoone, veel witter dan albast’) en aan
Peeter van den Berghe (‘Goddinne schoon’). Andere echter, zooals
het woordspelend bierdicht in 1593 vervaardigd voor Hans de Hoppenbrouwer, zijn
het werk van een tot armoede vervallen broodschrijver, die dikwijls de oude
lofdichten voor nieuwe Maecenassen omrijmde en die, om ook na 1585 in zijne
goede stad Antwerpen te kunnen blijven leven, als geloovig zoon
had moeten terugkeeren in den schoot der moederkerk en de landvoogden van den
Spaanschen koning door erbarmelijke vleidichten gunstig voor zich moest
stemmen, en ook hooge geestelijke heeren, zooals met zijne Ode aan den bisschop
van Gent, Peeter Damant, en aan Don Georgio d'Austria, proost van
Harlebeke.
Eén ding echter bleef dezen berooiden jonker tot zijn dood
toe over: het geloof in de goddelijkheid zijner kunst en de verhevenheid van
zijn eigen ‘poëticschen’ geest. In dat opzicht doet hij voor
den hoogmoedigsten Pleiadedichter niet onder, zooals men o.a. zien kan uit
zijne ‘Ode teghen d'onwetende vyanden der Poeteryen, aen Marcus
van Wonsel, schepen van Antwerpen’, in 1589 opgedragen, waarin
hij zelf zegt, dat hij zingt ‘bat dan men hier songh in veurtyden’,
‘want Citherea goedt en schoone heeft hem doen drincken neghen mael uut
den vloedt, dies hy draeght de crone van Myrtus en Laurier niet vael’,
‘soo dat hy, snydende syn eere diep in der Famen tempel sterck, bekendst
sal syn tot allen keere over 't gants eerdtrijck deur syn werck’, en dan
noemt hij al de landen op - en het zijn er niet minder dan achttien - , waarin
hij ‘deur syn schoon wercken hoogh gheacht’ zal zijn. Een genie
bleef hij zich steeds gevoelen, zij het helaas! ook een miskend genie. De
aalmoezen, die hij ontving, gebruikte hij daarom meerendeels om de, steeds met
gravures versierde, uitgaven zijner telkens onbeduidender wordende gedichten te
bekostigen. Zoo werd hij ook in zijn leven, wat zijne poëzie altijd min of
meer was geweest, het toonbeeld van schoon- | | | | schijnende armoede. Aan
omgang met kunstvrienden, muziekbeoefenaars vooral, schijnt het hem in zijne
laatste levensjaren niet ontbroken te hebben, maar de oude bewondering was bij
de meesten in medelijden overgegaan, en van de velen, die te voren hem zoo
luide als een Nederlandschen Ronsard hadden geprezen, bleven slechts enkelen
hem getrouw, zooals
Hendrick Ackerman, die echter gedwongen was, van
zijn bewonderaar zijn verdediger te worden. Zoo was hij dan in zijne nadagen
wel het schaduwbeeld van hetgeen hij geweest was, of liever, had schijnen te
zijn; maar ook te midden van zijne vernedering, en misschien toen zelfs het
meest, het schaduwbeeld van den echten Renaissancedichter.
Met zekere afgunst zal
Van der Noot in zijn later leven misschien
hebben opgezien tegen
Houwaert, wiens trouwe lofredenaar hij toen was
geworden en blijven kon, daar ook deze dichter na den moord van den Prins van
Oranje en de overgave van Brussel in 1585 aan Parma den moed tot verder verzet
verloren had en, vrede voor zijn geteisterd vaderland boven alles begeerende,
zich aan den Spaanschen koning had onderworpen, zooals hij ook duidelijk had
getoond door een prachthandschrift zijner gedichten aan den hertog van Parma
aan te bieden. Ook Ernst van Oostenrijk begroette hij in 1593 als landvoogd met
twee dichtwerken: een ‘Willecomme en Congratulatie’
en eene ‘Moralisatie’; en ter eere van Albertus van
Oostenrijk vervaardigde hij nog twee bijeenbehoorende feestspelen:
‘Een Tragedie van der Orloghe’ en ‘Die
Comedie van den Peys’ met een dialoog ‘Virtutem
dilige’. Daarmee kocht hij rust en aanzien in zijne laatste levensjaren,
die hij als welgesteld man doorbracht op zijn lustslot ‘Cleyn
Venegien’ in het bosch van Soniën bij Brussel. En
terwijl Van der Noot in vergetelheid geraakte, bleef
Houwaert de gevierde dichter der Brabanders, hun
trots en hun roem, zoodat nog in 1616 de Mechelsche dichter
Willem de Gortter (geb. 1585), lid van de
‘Peoene’, eene bedevaart deed naar Houwaert's
‘logys’ en zich gelukkig rekende, te mogen kouten met menschen, die
dien grooten man persoonlijk hadden gekend
1).
Onder de verzen, die van
De Gortter in handschrift over zijn, bevindt
zich ook eene ode aan Antwerpen, klagende over | | | | het droevig verval
dezer eertijds zoo bloeiende handelsstad. Sinds Parma met de inneming van
Antwerpen in 1585 het laatste bolwerk der vrijheid in de Zuidelijke Nederlanden
had bemachtigd, was het daar met den bloei der letteren gedaan; en zoo kunnen
wij dan met Van der Noot en Houwaert afscheid nemen van de
laatste der Zuidnederlandsche dichters van beteekenis. Niet dat op eenmaal alle
kunstliefde daar was verdwenen en de Renaissance daar na haar eerste ontluiken
plotseling weer was versmoord. Dan zouden wij den gunsteling der Aartshertogen
over het hoofd moeten zien, den grooten
Rubens, in wien de Renaissance haar
zelfstandig-Vlaamschen vertegenwoordiger had gevonden, die daar op het gebied
van de beeldende kunsten heeft gedaan, wat later in het Noorden
Vondel deed voor de poëzie: den geest der Oudheid
samensmelten met het Germaansch karakter van het Nederlandsche volk, en die
zóó de reus onder de Vlaamsche schilders werd, als Vondel het
onder de Hollandsche dichters worden zou.
Maar terwijl de beeldende kunsten in Zuid-Nederland nog eene
schitterende toekomst hadden, moest daar de woordkunst leeren zwijgen of
stamelen onder den speurenden of bestraffenden blik der geestelijke censoren.
Wie over geestelijke dingen zelfstandig dachten en onbeschroomd spreken wilden,
de dichters, wien het hart op de tong lag, de mannen van karakter en moed,
weken in dichte drommen naar de vrije Republiek der Vereenigde Nederlanden uit
en brachten daarheen den gloed hunner overtuiging en het vuur hunner
welsprekendheid over, dat bij den bedaarden Noord-Nederlander te dikwijls onder
de asch bleef smeulen. En met dien gloed brachten Vlamingen en Brabanders
daarheen ook hunne meerdere en vooral veelzijdiger beschaving over, die den
Hollander van zijne voorzichtige bekrompenheid moest genezen.
|
1)Over de Pleiade-poëzie zie men vooral
A. Darmesteter et A. Hatzfeld, Le seizième siècle en France.
Tableau de la littérature et de la langue, Paris 1878, II dln, en
verder Chalandon, Essai sur la vie et les oeuvres de Pierre de Ronsard,
Paris 1875; Piéri, Petrarque et Ronsard, Paris 1896; P.
Laumonier, Ronsard, Paris 1909 en Pierre de Nolhac, Ronsard et
l'Humanisme, Paris 1921.
2)Voor Du Bellay zie men H. Chamard,
Joachim du Bellay, Lille 1900. Bellay's ‘Deffence et illustration
de la langue françoyse’ is opnieuw uitg. door Léon
Séché, Paris 1905.
1)Dat daarbij veel humbug was, zooals bij
alle propaganda van nieuwlichters, die zoo vaak aan het oude slechts een
nieuwschijnenden vorm geven, beweert niet zonder grond Ferdinand Brunot, die
van de school van Ronsard zeide in zijne Histoire de la langue
française, II, Paris 1906, p. 84: ‘Du Bellay et les siens, en
particulier Ronsard, qui fut probablement son collaborateur, eurent
l'habilité de se poser, comme le font si souvent poètes et
artistes, en prophètes d'un l'art non encore vu, et, allant jusqu'au
bout de l'audace, de prétendre non seulement qu'ils renouvelaient, mais
qu'ils créaient de toutes pièces. Quoiqu'ils n'osassent au fond
qu'une demi- emancipation, substituant à l'esclavage de la traduction le
servage de l'imitation, ils présentèrent si bien leurs emprunts
comme des conquètes, cachèrent la simplicité de leur
dessein sous des phrases si enthousiastes et si sonores, que les contemporains
s'y trompèrent, que la postérité même s'y est
méprise et qu'aujourd'hui encore leur réclame rencontre
l'indulgence et même la faveur de juges cependant bien
informés.’
1)Voor het sonnet zie men S. Ferrari La
storia del sonetto italiano, Modena 1887; Towlinson, The sonnet, its
origin, structure, etc. London 1874 en A.S. Kok, Tijdschrift IV (1884), bl.
113-164.
1)Eene zeer uitvoerige biographie vindt men
van hem in het Schilderboeck, 1604, fol. 255 a-256 b van zijn
leerling Karel van Mander, die daarin o.a. van hem vertelt: ‘Hy hadde ooc
begost te beschrijven in Rym het Leven der schilders, dat welck begin ick noyt
hebbe connen becomen’. Ook nu nog heeft niemand het teruggevonden. Verder
zie men over hem Ph. Blommaert, De Ned. Schryvers van Gent, Gent 1861,
bl. 130-158; Lionel Cust, A notice of the life and works of Lucas d'Heere,
poet and painter, Westminster 1894 en Marten Rudelsheim, Oud Holland XXI,
bl. 85-110. In 't bijzonder wordt over hem ook gehandeld door S. Eringa, La
Renaissance et les Rhétoriqueurs néerlandais, Amst., 1920. De
bibliographie zijner werken vindt men in de Bibliotheca Belgica.
1)Zie Ontwikkelingsgang II, bl.
482.
2)Zie over hem Ph. Blommaert, De. Ned.
Schyvers van Gent, Gent 1861, bl. 162 vlg.
1)Voor Van der Noot zie men Aug. Vermeylen,
Leven en Werken van Jonker Jan van der Noot, Antw. 1899, waar men ook
eene, behalve van de ‘Poeticsche Wercken’, volledige bibliographie
kan vinden. Bloemlezingen uit zijne werken gaven K. Stallaert, Gent 1857 en
Albert Verwey, Amst. 1895.
1)De exemplaren der Poeticsche wercken
met titelbladen, die de jaartallen 1580-81, 1584-85 en 1588-94 dragen, zijn
ongelijk aan elkaar, daar elk van deze bestaat uit de samenvoeging van een
grooter of kleiner aantal grootendeels reeds vroeger afzonderlijk gedrukte
dichtwerken. Eene bijdrage tot de bibliographie er van gaf Leonard Willems in
de Verslagen en Mededeel. der Kon. Vlaamsche Acad. 1921, bl. 41-47, waar
wordt aangetoond, hoe het komt, dat gedichten van jonger datum gevonden worden
in bundels, waarvan het titelblad een ouder jaar vermeldt.
1)Voor Willem de Gortter zie men J.F. Willems,
Belgisch Museum I, bl. 370-378. In Den Nieuwen Lust-hof van 1602 komen
acht liederen van hem voor onder de spreuk ‘Na 'tsuer het
soet’.
|
|