|
|
|
| |
XVII. De Poëtenoorlog.
Nauwelijks was de tegen
Burman opgestoken storm gaan liggen, of er
ontbrandde in 1713 een nieuwe strijd, die bekend is onder den naam van
‘Poëtenoorlog’, waaraan meer dan vijf en twintig
letterkundigen deelnamen met ruim tachtig Kooldichten, Spreeuw-dichten en
andere schimpdichten en prozapamfletten. Aan het hoofd der partijen stonden
Jean le Clerc en
David van Hoogstraten, maar de eerste schijnt
zich persoonlijk niet met eenig geschrift in den strijd te hebben gemengd en de
tweede althans niet met een schimpdicht, tenzij zijn Latijnsch gedicht
‘Ad venerabilem magistrum D. Joannem Gorallum Genevensem’ uit den
tijd van dezen oorlog dagteekent. Zij lieten anderen voor zich den kamp
uitvechten, die al grooter en grooter afmetingen aannam en in een groven
persoonlijken strijd ontaardde.
Jean le Clerc
1) was een Zwitser, 31 Maart 1657 te Genève
geboren. Aanvankelijk Calvinistisch theoloog, werd hij door de geschriften van
Episcopius tot de gevoelens der Remonstranten bekeerd, wat hem aanleiding gaf,
in Nederland een werkkring te zoeken. Na een paar jaar in ons land doorgebracht
te hebben gelukte hem dat ook. Aan het Remonstrantsch Seminarie te
Amsterdam werd hij in 1684 benoemd tot hoogleeraar in de
wijsbegeerte en in 1712 ook in de kerkgeschiedenis, wat hij tot 1731 gebleven
is. In 1736 overleed hij. Door de aan grondigheid gepaarde veelzijdigheid
zijner studiën, niet het minst op letterkundig gebied, maakte hij zich
wereldberoemd, ofschoon de besliste, niemand ontziende toon zijner geschriften
hem ook vele vijanden bezorgde en hem in twist- | | | | geschrijf wikkelde,
niet alleen met vele Nederlandsche en buiten-landsche philologen, maar ook met
mannen als Boileau (over Longmus), Bayle en Leibnitz.
Eene opsomming zijner vele werken zou hier niet op hare plaats zijn,
maar wel moeten wij even zijne twee deelen
‘Parrhasiana’, noemen, in 1703 ook in het
Nederlandsch vertaald, waarin hij niet alleen allerlei ethische, historische,
politische en litterarische onderwerpen behandelde, maar ook zich tegen zijne
vele aanvallers krachtig verdedigde. Verder begon hij hier in 1683 het
maandschrift ‘Bibliothèque universelle’ uit
te geven, in 1693 gestaakt, maar van 1703 tot 1721 door hem vervolgd, eerst als
‘Bibliothèque choisie’ en sinds 1713 als
‘Bibliothèque ancienne et moderne’.
David Fransz. van Hoogstraten
1) was 14 Maart 1658 te Rotterdam
geboren, studeerde te Leiden in de medicijnen en vestigde zich na
zijne promotie in 1683 als praktiseerend geneesheer te Dordrecht,
waar zijne familie tehuis behoorde en zijn vader inmid- | | | | dels provoost
van de munt geworden was; maar zijne hartstochtelijke liefde voor de Classieke
en Nederlandsche letteren deed hem al spoedig eene benoeming als praeceptor
aannemen aan de Latijnsche school te Amsterdam, waar hij tot
conrector opklom en doceerde tot 1721, toen hij zich wegens doofheid verplicht
zag ontslag aan te vragen. Drie jaar later, 21 November 1724, overleed hij.
Reeds jong trad hij als dichter op. In 1678 toch gaf hij reeds samen
met zijn vriend
Pieter Rabus
‘Rymoeffeningen’ uit, waarin telkens hetzelfde
onderwerp door beiden behandeld werd, en waarmee hij, ofschoon zij nog zeer
middelmatig waren, de goedkeuring wegdroeg van
Oudaen, een oud vriend zijns vaders, en ook van
Antonides. Daaraan had hij het te danken, dat hij
al spoedig onder de Nederlandsche dichters als een der beste meetelde. De
bundel ‘Gedichten’, dien hij in 1697 uitgaf, vermeerderde zijn
aanzien, ook door lofdichten, waarmee de destijds meest gewaardeerde dichters
hem vereerden, ofschoon er maar weinig in voorkomt, wat hier uitdrukkelijk
vermelding zou verdienen. Zijn merkwaardigste gedicht schijnt mij de
‘Schetze der Geleertheid en Wetenschappen’, door hem
opgedragen aan zijn studievriend, den arts en leeraar der Doopsgezinden te
Haarlem,
Jakob van Zanten, die in 1728 in rijmlooze verzen
eene vertaling uitgaf van ‘'t Paradys verlooren, heldendicht van
Johan Milton’. In deze ‘Schetze’ toont hij zich
vooreerst Cartesiaan en vervolgens ook bewonderaar van de Oudheid en tevens van
de nieuwe Latijnsche poëzie en, wat de Nederlandsche dichters betreft, van
Antonides en
Oudaen, en vooral van
Vondel, ‘die de Vorst en Vader der poëten in
spyt der zwarte Nyd en Afgunst word geheten’, en, onder de levenden, van
Vollenhove,
Moonen en
Bake.
In 1703 vertaalde hij in verzen (met aanteekeningen) de
‘Esopische Fabelen van Fedrus’
1), waarvan hij twee jaar
vroeger reeds eene zeer verdienstelijke verklarende uitgave had bezorgd. Nog
een anderen Latijnschen fabelbundel vertaalde hij in 1718 in Nederlandsche
verzen, namelijk van den zestiende-eeuwschen Gabriele Faërno van Cremona.
Niet minder lof dan met zijne gedichten in de moedertaal oogstte hij in met
zijne Latijnsche ‘Poemata’, die hem zelfs de
vriendschap en achting verwierven van mannen als Broekhuizen, Francius en
Burmannus en in 1728, na zijn dood, het meest | | | | volledig uitgegeven en
van eene levensbeschrijving voorzien werden door Pieter Vlaming.
Gewoon door ieder geprezen te worden, behalve door den dwazen
Bolswardschen rector
Hilarides
1), wiens blaam hem
koud kon laten, moet hij het ongunstig oordeel wel dubbel onaangenaam gevonden
hebben, dat
Le Clerc in 1711 in zijne
‘Bibliothèque choisie’ over zijne
Phaedrusuitgave velde, al kon hij er zich mee troosten, dat drie jaar vroeger
ook Broekhuizen als Latijnsch dichter van denzelfden criticus een veeg had
gekregen, maar dat waren toch eigenlijk alleen de druppels, die den emmer deden
overloopen.
Reeds lang toch moet Van Hoogstraten zich geërgerd
hebben over de forsche manier waarop Le Clerc in zijne
‘Parrhasiana’ alle moderne Latijnsche poëzie
onvoorwaardelijk had afgekeurd als het tegendeel van ware poëzie, als
gewrocht van schoolmeesters-kunstvaardigheid en als eene uit den aard der zaak
gebrekkige, min of meer kinderachtige naäperij der classieke dichtwerken.
In den grond kan men Le Clerc zoo groot ongelijk niet geven: een
dichter kan alleen zijne moedertaal volkomen beheerschen, en wie verzen
schrijft in eene vreemde taal, vervalt vanzelf in nabootsen van vormen en
uitdrukkingen, zonder die ooit te kunnen evenaren. Een dwaas moet dus heeten,
wie in het Latijn dicht wanneer hij als moedertaal eene wereldtaal, zooals het
Fransch, tot zijne beschikking heeft.
Het Nederlandsch echter was ook destijds evenmin wereldtaal als nu,
en als Latijnsche dichters hadden de Nederlanders, zooals Grotius en Barlaeus,
de beide Heinsiussen en ook later nog Broekhuizen en Francius, de bewondering
van geheel Europa opgewekt. Niet wie bij ons Nederlandsche verzen hadden
gemaakt, maar zij, die Latijn schreven, waren het geweest, die de eer der
Nederlanders als dichters hadden opgehouden, en werden zij nu onvoorwaardelijk
als gebrekkige nabootsers der Ouden gebrandmerkt, dan was daarmee aan den
dichterroem van ons volk een onherstelbare slag toegebracht. Dat was het
ongetwijfeld, wat Van Hoogstraten, ook zelf niet onverdienstelijk
Latijnsch dichter, diep heeft gevoeld. Hier was niet, of althans niet bovenal,
gekwetste ijdelheid in het spel, maar gekrenkt nationaliteitsgevoel.
Dat kan worden aangevoerd als verontschuldiging, wanneer men door
Van Hoogstraten van Le Clerc hoort zeggen dat hij
‘alle | | | | geleerden uitmaekt voor Grammatici, dat is
lettervlegels, als die zoo dwaes zyn, dat ze hunnen tydt gaen hangen aen het
angstigh waernemen der spraekkunstige regelen’, en wanneer men zelfs door
hem Le Clerc hoort uitschelden voor een ‘armen wurm’, een
‘rottigen Fransman’, een ‘Gazettier Menteur, die geen druppel
eerlijk bloed in 't lijf heeft’, en een ‘Franschen kabouter, die,
hier op een stroowisch zynde komen aandryven, alle verhevene geesten van het
gewest, waerin hy gevoed wordt, durft in den schilt varen en uit schelden voor
spraekmeesters en neuswyze beuzelaers’. Begrijpen kunnen wij die woorden,
maar prijzen kunnen wij ze evenmin als den ophef, waarmee hij wijst op een paar
door Le Clerc gemaakte bokken, die alleen de kleingeestige of
kwaadaardige pleegt te verwijten aan menschen van zoo groote wetenschappelijke
beteekenis als Le Clerc. Daarmee nu had
David van Hoogstraten zich als man van
wetenschap te buiten gegaan in een ‘Berecht’, dat hij in 1713
voegde bij zijne uitgave van ‘J. Oudaens Aanmerkingen over Q.
Horatius Flaccus Dichtkunst door A. Pels’.
Geen wonder, dat Le Clerc's vrienden en
leerlingen terstond naar de pen grepen om diens eer te handhaven. Drie
Remonstrantsche predikanten, van Haarlem, van Amsterdam en van Noordwijk,
traden voor hem tegen Van Hoogstraten in 't krijt, namelijk Lambertus
Drost,
Johannes de Goede en
Johannes Drieberge. De eerste gaf een
‘Brief van Philalethes’ uit, gericht ‘aen
zynen vrient wegens de beschuldigingen des Heeren Dr. David van Hoogstraten ten
laste van den Heere Professor Jan de Klerk’. De tweede antwoordde daarop
met een ‘Brief aan Philalethes van zynen vriend en werd
daarom later door de tegenstanders met den naam van ‘de Goede
nakrabbelaar’ bestempeld. Het zou hier veel te veel plaats eischen,
wanneer wij zelfs maar de hoofdzaken van die verweerschriften wilden meedeelen:
mij komt de verdediging afdoende voor, ook in dit opzicht, dat tegenover de
overdreven voorstelling, die Van Hoogstraten gegeven had van Le Clerc's
meeningen, diens juiste, vrij gematigde, bedoeling in het licht wordt
gesteld.
Wat de hoofdzaak aangaat, het gebruik van de Latijnsche taal door
vele begaafde Nederlandsche dichters, zegt Drost met recht: hadden zij
hunne moedertaal gebruikt, dan zouden ze die met ‘een schat van spreuken,
fraje vindingen en kragtige en cierlijke uitdrukkingen verrykt hebben’,
en daarom acht hij het ‘een groot geluk, dat Vader Vondel zoo veel Latyn
niet gekent heeft, om in die taal | | | | verzen te kunnen maken’.
Ongetwijfeld sloeg hij den spijker op den kop, toen hij de voorkeur voor het
maken van Latijnsche verzen aldus verklaarde: ‘In 't Nederduyts verzen te
schryven, dat's te gering voor onze voorname Poëeten: dat mogen zy doen,
die geen Latyn kennen’. De afkeuring, in deze woorden vervat, bewijst
duidelijk, dat de periode der Renaissance was afgesloten.
De genoemde brieven bleven niet onbeantwoord. Uit den vriendenkring
van David van Hoogstraten verscheen eene ‘Heusche
vermaning van Gisbertus Hortensius aan den Lasteraar van den Heere Dr. David
van Hoogstraten’, onmiddellijk gevolgd door een
‘Brief aan Gisbertus Hortensius van zynen vriend wegens den
lasteraar van den Heer Dr. David van Hoogstraten’. Ook deze
proza-geschriften kwamen anoniem uit, maar toch weten wij, wie er de schrijvers
van waren. De ‘Heusche vermaning’ is het werk van
Abraham Bogaert, die al sinds lang een
bewonderaar van David van Hoogstraten was geweest, daar hij hem reeds
in 1693 zijne vertaling van
Racine's ‘Alexandre’ had
opgedragen, drie jaar te voren ‘aan den Ganges en Hydaspes’ door
hem gemaakt. Toen reeds had hij in hem, ‘die’, zooals hij zegt,
‘de Dichtkunst recht waar-deert en kent haar luister in zooveel talen als
ooit Dichter heeft gedaan’, den meester gezien, die hem ‘best het
spoor van de Fransche dichtmaat’ kon aanwijzen.
Na vele jaren-als chirurgijn en als koopman in Voor-Indië en op
de Oostindische eilanden te hebben doorgebracht, had Bogaert zich in
1706 als apotheker gevestigd te Amsterdam, waar hij in 1727
overleed. Als tooneeldichter hebben wij hem reeds ontmoet, als reisbeschrijver
en ook als vertaler in proza en in verzen (o.a. van de achtste satira van
Juvenalis, in 1693) is het voldoende hem even te
vermelden, als hofdichter zal hij later nog ter sprake komen. De beschrijving
in verzen, die hij 1695 gaf van ‘Simon Schijnvoets Muntkabinet der
Roomsche keizers en keizerinnen’, is kenmerkend, zoowel voor den
verzamelijver zijns tijds, als ook voor de eigenaardige onderwerpen, die de
didactische dichtkunst dier dagen zich ter behandeling koos, want een leerdicht
als dit van Bogaert staat in dezen tijd geenszins alleen.
De ‘Brief aan Gisbertus Hortensius’ werd
geschreven door
Joan de Haes, bij wien de dichtliefde in het
bloed zat, daar zijn vader
Frans de Haes zich reeds als dichter had
onderscheiden, en zijne moeder eene dochter van
Geeraardt Brandt en kleindochter van | | | | Barlaeus was. Overigens was hij een welgesteld koopman te
Rotterdam, waar hij in 1685 geboren was en in 1723 nog vrij jong
overleed. Zijne eerste gedichten komen voor in de
‘Mengeldichten’ van zijn vader, die hij in 1711 kort
na diens dood uitgaf, zijne latere werden eerst in 1724 na zijn dood uitgegeven
door
Poot. Afzonderlijk waren intusschen een paar grootere
gedichten van hem in 't licht verschenen: ‘Judas de
Verrader’ (in 1714) en ‘Jonas de
Boetgezant’ (in 1723)
1). Even vóór de Poëtenoorlog uitbrak, in
1712, had Joan de Haes eene vertaling uitgegeven van Sir
Philip Sidney's ‘Apologie for
Poetry’, voorafgegaan door een ‘Brief aan den
vertaler’ van
David van Hoogstraten.
Bij hunne brieven in proza lieten Van Hoogstraten's vrienden het
niet. Zij gaven ook schimpdichten uit, ten deele verzameld in een bundel
aangekondigd als ‘Gulden Legende van den Geneefschen St.
Jan’, en vier ‘Eerkransen voor de Klerikaansche
voor-vechteren’, beantwoord door een ‘Lofdicht op
het Hoogstratiaensche driemanschap’ en een ‘Echo op
de eerkransen, uitgegeven van het Hoogstratiaensche
driemanschap’. De poëet van het laatste was Dr.
Gysbertus Ostens, Remonstrantsch predikant te
Amsterdam, die daarop in Vondeliaanschen hekeltoon gediend werd door
Bogaert met het ‘Sprookje van Gysje
den Os’ en zich wreekte met het grof persoonlijke
‘Sprookje van het buffeltje’, van beide zij den nog
gevolgd door andere, ten deele ook in nagemaakt Vlaamsch.
Onder het pseudoniem ‘Aristoteles Stagyrites’ was het
vermoedelijk
Joan de Haes, die een schimpdicht schreef
‘Aan Philalethes’, waarin aan Le Clerc verweten
werd, dat hij Aristoteles niet als dichter had gekend; maar inmiddels groeide
het aantal partijgangers voor Le Clerc aan. Bij de vier, die wij nu reeds
leerden kennen, vinden wij er nog drie aangeduid in het gedichtje
‘Gesprek tusschen een Boer en een Harmiaensch
Student’, namelijk de Remonstrantsche predikanten van Berkel en
van Brielle (later van Rotterdam), Kornelis de Wit en Kornelis
Westerbaen, en den rechtsgeleerden Abraham van der Enden of
‘Finalis’, ook spottend ‘Vinalis’ genoemd. Daarbij
sluit zich nog aan het gedicht ‘Op het Arminiaansch Hanekot te
Amsterdam’ en de fabel ‘De Vos’,
waaronder Le Clerc verstaan wordt, die zich onder toejuiching van den mageren
Os, den Isegrim van den Haarlemmerhout (Lambert Drost) en de grijze Sim van 't
groene Berkenwout (Kornelis de Wit) mees- | | | | ter tracht te maken van de
heerschappij, maar te vergeefs, daar de raad der dieren deze opdraagt aan den
leeuw, d.i. David van Hoogstraten.
In hetzelfde jaar 1713 gaf
Joan de Haes ‘R. Ansloos
Poezy’ uit met eene lofbazuinende voorrede, die aanleiding werd
om aan den strijd nog grootere afmetingen te geven. De Haes was die
voorrede begonnen met te spreken van den ‘Fenix-Dichter Joost van den
Vondel’, die ‘in de voorledene eeuwe als een heldre zon aen den
Parnas hemel uitblonk, en als een andere Virgyl zyne voorgangers voorby
streefde’, en had vervolgens ook de ‘yver en bedrevenheid’
van den geleerden heer David van Hoogstraten te bekent’ genoemd ‘om
van den eenen of anderen gewaenden Philalethes, dat is een' zoon der
duisternis, benadeelt te worden’.
Deze uitgaaf nu werd in de Juni-aflevering van het
tweemaan-delijksch tijdschrift ‘Journal Litéraire’
aangekondigd, en niet alleen werden daarin zoowel De Haes als
Ansloo beticht van eene ‘affectation de grands mots, assez
ordinaire aux Poètes Hollandais’, tegenover de eenvoudigheid der
Fransche dichters, althans uit de school van Boileau, maar bovendien werd
Vondel er, in plaats van ‘een andere Virgyl’, een Ennius genoemd,
d.i. een dichter met veel natuurlijken aanleg, maar zonder kunstbeschaving.
Geen wonder, dat men in die woorden de hooghartige uitspraak van den
zich zelf alleen beschaafd achtenden Franschman en wel bepaaldelijk van
Jean le Clerc zag en dan ook van verschillende
kanten hem te lijf ging: het eerst met een vlugschrift ‘Aenmerkingen over
het uittreksel van R. Ansloos' Poëzy in zekeren Boekzaal, genaemt Journal
Litéraire’, en als brief te Rotterdam nog in 1713 uitgegeven door
een ongenoemden ‘voorstander van de Nederduitsche Tael- en
Dichtkunde’. Taal en stijl van
De Haes werden daarin verdedigd, maar vooral
werden er allerlei getuigenissen aangehaald van bevoegde mannen, die Vondel den
grootsten Nederlandschen dichter hadden genoemd. Uit den toon bleek bovendien,
hoe boos de schrijver was. In het antwoord op die ‘Aenmerkingen’,
in het Februari-nummer van het Journal Litéraire van 1714, werd Vondel's
gebrek aan kunstbeschaving hieraan toegeschreven, dat hij zoo laat begonnen was
Latijn en (wat zeker onwaar was) Fransch te leeren, en werden, evenals vroeger
door Pels gedaan was, zijne treurspelen afgekeurd wegens de bijbelsche
onderwerpen, de geringe handeling en het vervelende der reizangen. | | | |
David van Hoogstraten, die in het begin van
1714 een derden druk bezorgde van ‘Alle de
Gedichten’ van
Antonides, uitte zijne verontwaardiging over de
geringschatting van
Vondel in zijne voorrede o.a. door te zeggen:
‘De tydt zeker is dan gekomen, dat die Vorst der dichteren, die nogh noit
van iemant veracht is, in onze dagen ook heeft moeten veragt en beschempt
worden van ik weet niet wat Fransche beuzelaers, die op den voorgang van onzen
helt-haftigen Geneefschen Wyzeman, in ons lant aangedreven om de domme
Hollanders te hervormen, zich de keure over alle boeken aenmatigen en ons
aenwyzen de bedervinge van onze smaek, waer-door wy zoo elendig misleidt zyn,
dat wy Vondel voor onzen Virgilius aenzien; daer immers ons gezicht zoo helder
had moeten zijn, dat wij den eenen of anderen Franschen Wintbreker voor den
eenigen Virgyl of Homeer hadden moeten nemen en ons ter navol-ginge
voorstellen’.
Blijkbaar wilde de criticus van het ‘Journal
Litéraire’ den strijd niet voortzetten, want in zijn
April-nummer werd deze uitgaaf, althans de
‘Ystroom’, geprezen en werd zelfs Van
Hoogstraten een bekwaam man genoemd. Wie de schrijver dezer aankondigingen
was, bleef onbekend, maar dat men zich vergiste door er Jean le Clerc
voor te houden, weten wij nu, want de schrijver was een der beide Hollandsche
leden van een in 1711 te 's-Gravenhage gevormden vriendenkring, die
aanvankelijk op zijne bijeenkomsten ter onderlinge oefening verschillende
voordrachten had gehouden, maar in 1713 begonnen was het ‘Journal
Litéraire’ uit te geven, dat minstens tot 1723 toe verschenen is.
Deze kring bestond uit Prosper Marchand, Hyacinthe Cordonnier of
Thémiseul de Saint-Hyacinthe, Alexandre, De Sallengre en twee
Nederlanders, namelijk den later zoo beroemd geworden wis- en natuurkundige
Willem Jacob 's Gravesande en
Justin van Effen, die gebleken is de schrijver
geweest te zijn van deze geruchtmakende aankondigingen. Eigenlijk kan ons dat
ook wel niet verwonderen, want wenschte men deze periode onzer letteren, die
met recht ‘het tijdperk der ver-fransching’ wordt genoemd, te
karakteriseeren door één enkel persoon, die van deze periode de
meest typische vertegenwoordiger zou kunnen heeten, dan komt Justus van
Effen daarvoor zeer zeker in aanmerking.
Hij werd 21 Februari 1684 geboren te
Utrecht, waar hij eerstde Latijnsche school en
vervolgens de Academie bezocht; maar geld- | | | | gebrek dwong hem, zijne
studie onvoltooid te laten en in zijn onderhoud te voorzien als goeverneur bij
de zoons eener aanzienlijke Fransche dame, die als réfugiée zich
te 's-Gravenhage gevestigd had, en vervolgens bij den zoon van den baron van
Wassenaar-Duivenvoorde. Deze betrekking liet hem tijd genoeg om zich ook aan
letterkundigen arbeid te kunnen wijden, en zoo begon hij dan in Mei 1711
anoniem het weekblad ‘Le Misantrope’ uit te geven,
wat hij tot het eind van 1712 volhield. Dat reeds bij dit weekblad Addison's
Spectator, die, in 1709 door Steele's ‘Tatler’ voorafgegaan, een
paar maanden te voren voor het eerst uitkwam, zijn voorbeeld zou geweest zijn,
blijkt uit niets. Wel zien wij er duidelijk navolging in van Fransche
schrijvers en met name van La Bruyère
1); maar als een Fransch geschrift en ook meer voor
Franschen dan voor Nederlanders bestemd, kan het hier verder onbesproken
blijven. Alleen merken wij even op, dat het later nog een paar maal herdrukt is
en bovendien in het Nederlandsch vertaald werd door
Pieter le Clercq, ook vertaler van
Boileau's achtste satire (in 1712) en dichter van een niet
kwaad geschreven, maar vooral wegens den inhoud zeer merkwaardig leerdicht,
getiteld ‘Huwlyks Mintafereel’ (1722), dat in drie
boeken eene vrije navolging was van Claudius Quilletus' ‘Callipaedia seu
de pulchrae prolis habendae ratione’ en ons ook een gedeelte van Cats'
‘Houwelyck’ in de herinnering brengt.
In denzelfden tijd, waarin Van Effen medewerker van het
‘Journal Litéraire’ was, gaf hij (in 1714)
ook nog eene geestige ‘Dissertation sur Homère et sur
Chapelain’ uit, waarin hij op ironische wijze ‘La
Pucelle’ van den door Boileau zoo bespotten Chapelain ophemelt in
denzelfden trant, waarin anderen dat de Homerische gedichten deden, om daarmee
de overdrijving van die ophemeling der classieken belachelijk te maken.
Blijkbaar vond hij de verheerlijking van Vondel even overdreven; maar toen hij
dat in enkele woorden te kennen gaf, bracht hij een groot deel van den
Nederlandschen Parnas in opstand.
Het eene schimpdicht althans volgde het andere op. Reeds in een
lofdicht op de uitgaaf der gedichten van Antonides had Joan de Haes
tot Antonides gezegd: ‘Geen Fransche Nachtuil kan het flonkeren van uwe
glanssen nu verdonkeren: Gy zyt naast d'Agrip- | | | | pynsche zon de roem
van onzen Helikon’, maar bovendien wierp hij ook nog met een ander
gedicht een ‘Kneppel onder de Hoenders’.
Jan van Hoogstraten, David's broeder,
kwam voor den dag met een ‘Eerspore voor den Duitschen Helikon
over de aengeschonden glorie van den Fenixdichter Vondel’, waarin
wraak geroepen wordt over de verwaandheid der ‘Boekzaals
letterhelden’ en der ‘Dagschryvers om den broode’, bij wie
‘Frans moet zyn wat gelden zal’; maar dien ‘Haagse
konstverbyters’, dien ‘Vondelsvlegels’ moet men nu ‘de
pluymen van den hoed rukken’. Een ander schreef een hekeldicht ‘Aen
de Haegsche en Amsterdamsche valsche nieuwskramers’, om te toonen, dat
het ‘ons Neerlant niet ontbrak aan wel versnede pennen, die d'eer van
Vondel en
Antonides, zyn zoon, ter harte gaet’, en richtte
zich daarin verder nog weer in 't bijzonder tegen
Jean le Clerc en diens minachting van onze
Latijnsche poëten, om te eindigen met deze woorden: ‘Zoo lang
verhevenheit in 't Neerduitsch wordt betracht, zal niemant lyden, dat een
Fransman haer veracht’.
Een grappenmaker schreef nu ook, onder den titel ‘Bonae Menti
S. Aan alle rechtzinnige poëten’, eene prijsvraag uit met dezelfde
rijmwoorden als Vondel's prijsvraag van de Duytsche Akademie, waarop minstens
acht antwoorden inkwamen. Alle vrienden van
De Haes:
Kornelis van Arkel,
J. Suderman, Mr.
François van Bockhoven,
Jan van Braam, de geheele Maasparnas, kwam
onder de wapenen, maar zag zich nu bespot in een gedicht ‘Voor de
nydige Poëten van den Maesparnas’, anoniem uitgegeven door
Jakob Zeeus, die wel de grootste bewondering had
voor Vondel en dus in den strijd partij koos tegen het ‘Journal
Litéraire’, maar vrij wat minachting koesterde voor diens
verdedigers, met name voor Joan de Haes, op wien hij persoonlijk zeer
gebeten was. Dat toonde hij in zijne gedichten ‘Het misbruik der
Nederduitsche Dichtkunst’ en ‘Het verval der
Nederduitsche Dichtkunst’, waarin hij met weemoed terugdenkt aan
den gouden tijd, toen door Antonides, Brandt en Oudaen, door Hooft en Vondel
‘de Dichtkunst met eene diamante kroon aen Maes en Amstel plagt te
pralen’, terwijl zij in dezen tijd, nu er ‘geen Mecenen zyn te
vinden’, zich vernedert door slempers te prijzen in ‘verzen zonder
ziel of leven’, door ‘vuil en dartel straatgeraas’ te doen
hooren of tot vervelens toe te rijmen ‘op bruilofsfeest- of jaergety,
daer Jochimbuur met Aeltje paert, daer Aegt of Albertoom verjaert’.
Geheel ongelijk had Zeeus
| | | | niet, en ook reeds door een
ander was met zijne instemming ‘De wegh naar den Zangberg onveilig’
genoemd en
David van Hoogstraten als
‘d'Amstel-Herkules’ opgeroepen om ‘Pindus weg te
beveiligen’; maar De Haes kon op die beschimping niet zwijgen en
gaf een antwoord uit ‘Aan den Maaker van het Dicht, genaamt het
verval der Nederduitsche Dichtkunst’.
Intusschen werd David van Hoogstraten ook aangevallen van
een kant, waarvan men dat nauwelijks kon verwachten, namelijk door zijn eenigen
broeder
Jan. Deze ‘Maes- en
Ysselpoëet’ was 26 Januari 1662 te Rotterdam geboren en
was later, evenals zijn vader Frans, boekverkooper te
Dordrecht. Een gunstig teeken was het zeker niet, dat hij in 1700
naar Breda en niet lang daarna naar Gouda verhuisd
was, waar hij lang gewoond heeft en op hoogen leeftijd, in 1756, overleden is.
Aan dichterlijken aanleg ontbrak het hem niet en zijne tijdgenooten zouden hem
zeker onder de beste poëten hebben meegeteld, indien zij even ingenomen
hadden kunnen zijn met zijn karakter als met zijne verzen, en indien zijne
gedichten niet even ongelijkmatig van kunstwaarde als van inhoud geweest
waren.
Naar het voorbeeld van zijn vader en zijn oom maakte hij niet zelden
stichtelijke verzen, ja in 1712 volvoerde hij zelfs het plan, dat onuitgevoerd
gelaten was door Antonides, den trots der Maasdichters en ook zijn vereerden
leermeester, om den ‘Kruisheid of het leven van den Apostel
Paulus’ in een uitvoerig gedicht te behandelen. Vrome stemming
echter had hem dat gedicht niet ingegeven, zooals ons later zal blijken. De
welluidende ‘Minnezangen, kusjes, drinkliederen’, enz. zijner
jeugd, die zeer in den smaak vielen en meer dan eens herdrukt zijn, getuigen
van zijne hartstochtelijke, levenslustige natuur, en blijkbaar heeft hij die
natuur tot zelfs in zijn ouderdom behouden. Althans hij was de vijftig al
voorbij, toen hij in zijne liederen en gedichten een zeer wereldschen toon
bleef aanslaan en openhartig uitkwam voor zijne ingenomenheid met Wijntje en
Trijntje. Zelf waarschijnlijk slecht bij kas, zoodat zijne vijanden hem gaarne
voor bankroetier uitmaakten, wist hij zich de genietingen van Bacchus en Venus
te bezorgen door zich aan te sluiten bij gelijkgezinde rijke en aanzienlijke
Maecenassen, die hij in tal van lofdichten buitensporig als kunstbeschermers,
ten deele ook als kunstenaars, prees en met wier zwakheden hij zijn voordeel
schijnt gedaan te hebben. Waarschijnlijk is dan ook in 1712 zijn beeld
geteekend in het zeer persoonlijk en niet in alle opzichten vol- | | | | komen duidelijk schimpdicht van
Jakob Zeeus, ‘Fabel van den Jagthont
en Leewrik’, aan
David van Hoogstraten opgedragen en beantwoord
met een ander schimpdicht ‘'t Keffertje by de
Jagthont’.
Tal van gedichten, door hem tot
Dirck Buysero gericht, wekken het vermoeden,
dat hij dezen hartstochtelijken vereerder van wijn en vrouwen, zang en dans
meermalen een eindweegs vergezeld heeft op de hellende baan, die ten slotte tot
zijn ondergang leidde, en opmerkelijk is daarom ook het gedicht, dat hij aan
Elisabeth Buysero wijdde om haar te troosten over den dood van haar broeder,
die in zijn drieënzestigste jaar (dus in 1707) overleed.
Ofschoon dus een gevaarlijk vriend voor de patriciërs, wier
huisdichter hij was, kan hij moeielijk van huichelarij beschuldigd worden, want
meermalen sprak hij het onomwonden uit, dat bij eene kunstenaarsnatuur eene
Anacreontische levensopvatting past en dat men den dichters dus eenige
ongebondenheid in het maatschappelijk leven niet mag verwijten. Aan practische
toepassing van deze stelling had het zeker ook al vroeger bij ons niet
ontbroken, maar als theoretisch verdediger er van trad
Jan van Hoogstraten bij ons wel voor het eerst
op, en wel in 't bijzonder in zijne vele gedichten tot Licidas en vooral in
zijn zeer merkwaardig gedicht ‘Gunst en tydverzuim of Licidas
gehekelt en geholpen’. Men vindt het in het tweede der vijf
deelen ‘Mengel-poëzy of verscheyde gedigten’,
die hij van 1714 tot 1720 uitgaf.
Vermoedelijk heeft zijn oudere broeder David gemeend hem te
mogen kapittelen over zijn al te lichtzinnig levensgedrag en de vrijmoedigheid,
waarmee hij daarvoor in zijne gedichten uitkwam
1), en zal Jan van Hoogstraten daarover
baloorig geworden zijn, blijkens een uitval tegen hem in de voorrede van zijn
uitvoerig dichtwerk ‘Afzetsel van de Republyk of Vrye Staat van
Venetië, begrepen in drie boeken’, in 1715 door hem uit het
Italiaansch van
Trajano Boccalini vertaald. In die voorrede toch smaalde
hij op ‘de al te strenge berispers, de makers of opdelvers der
geslagtwoorden, welke de Nederduitsche letterkunde gelooven in haar gewelt
te | | | | hebben of (gelyk de Heer Smits zegt) de lapis van onze
taalregelen alleenig te bezitten’; en dat daarmee op
David van Hoogstraten gedoeld werd, begreep
ieder, die wist, dat deze niet alleen door verschillende werken en
verhandelingen groote belangstelling voor Nederlandsche spraak- en redekunst
had betoond, maar ook eene meermalen herdrukte ‘Lyst der
gebruikelykste zelfstandige naemwoorden, betekent door hunne
geslachten’ in 't licht had gezonden, het eerst in 1700 onder
eenigszins anderen titel.
In dezelfde voorrede werd ook aan
Abraham Bogaert eene zóó getrouwe
navolging van Vondel en Antonides verweten, dat het bijna letterdieverij kon
genoemd worden; en die aanval had vermoedelijk hierin zijn grond, dat in het
midden van 1715 David van Hoogstraten tegenover de
‘Bibliothèque choisie’ eene nieuwe reeks was
begonnen uit te geven van de ‘Maendelyke Uittreksels of de
Boekzaal der Geleerde Werrelt’, en dat, behalve de predikant en
taalbeoefenaar
Pieter Poeraat en anderen, ook Abraham
Bogaert tot de medewerkers aan dat tijdschrift behoorde. Op Van
Hoogstraten's uitval volgde niet alleen een gedicht, getiteld
‘Noodwekker voor den digter van Venedig’, maar ook
eene ongunstige beoordeeling in de ‘Boekzaal’ van zijn dichtwerk en
tevens van het tweede, in 1714 verschenen, deel zijner
‘Mengel-poëzy’
Een verdediger en lofdichter daarentegen vond Jan van
Hoogstraten in
Pieter Langendijk, die zich ook reeds gemengd
had in den door
Petrus Antonius de Huybert begonnen strijd
tegen het kunstgenootschap ‘Constantia et Labore’
1) of ‘de weêrgalooze Dichters van het
Schaafje’, het vignet gekozen door dat genootschap, dat vooral zijn steun
vond in den tooneeldichter
Jan Haverkamp of ‘haverschoft’,
zooals De Huybert hem noemde.
De gedichten, die op dezen strijd betrekking hebben en waarvan wij
reeds melding maakten, toen wij het uiteinde van Nil Volentibus Arduum
verhaalden, zijn te zamen onder den titel
‘Kooldichten’ uitgegeven, en werden gevolgd door
eene menigte andere, ten deele als ‘Spreeuwdichten voor en tegen
Fedrus’ verzamelde, schimp- | | | | dichten, toen
De Huybert in 1715 zich gedeeltelijk aansloot bij
het ‘Journal Litéraire’.
Hij schreef toen namelijk in de voorrede voor den tweeden druk van
zijn blijspel ‘De gewaande Astrologist’, dat er wel
‘goede eigene vindingen of vertalingen in 't Neerduitsch zyn’,
zooals van N. V. A., van Droste, Boon, Bernagie, Lingelbach en anderen, en dat
de ‘Journalisten’ hier dus ‘vonnis gevelt hebben zonder de
zaaken onderzocht te hebben’, maar dat van den anderen kant ‘eenige
hunner Aanmerkingen op sommige van Vondels Spelen niet te mispryzen zyn’.
Hij zegt zelfs, dat zij nog te weinig hebben aangetoond, hoe
Vondel ‘geduurig tegens de Tooneelwetten zondigt, zo
dat het blykt, dat hy niets geweeten heeft van de eenheid van tyd, plaats en
geschiedenis, nevens andere regels, die voornaamelyk in een Treurspel moeten
waargenomen worden’. Volgens hem ‘moeten we bekennen de kunst meest
geleert te hebben van de Franschen, die zekerlyk beter rymen als wy’, en
hij gelooft, dat ‘geen Hollander, die eenig verstand of kennis van het
Tooneel en de Dichtkunst heeft, ooit zou staande houden, dat Vondels Spelen
tegen die van Corneille en Racine te stellen zyn’.
Zulke stellingen konden niet ongestraft gedrukt worden.
Jakob Zeeus was onmiddellijk met zijn
strafdicht gereed, dat uitkwam onder den titel ‘De Zangberg in
gevaer’. Daarin wordt de spot gedreven met dien ‘duitschen
Faëton’, die zoo vermetel was, den zonnewagen te willen mennen, op
den Schouwburg heer en meester trachtte te worden, met Grieken en Latijnen
lachte en, ‘benevelt van de Fransche lucht’, zelfs ‘de schim
van Vondel durfde uitdagen’. Bespottelijk vond Zeeus het vooral
ook, dat, terwijl ons land ‘in vroeger dagen juichte op 's Drossaerts
toon’, dezen dichter ‘een andre Drostelyke trant’ meer kon
behagen, ‘hoe lam, hoe kreupel, hoe gewrongen’ die ook wezen mocht
1).
Daarmee meende hij den dichttrant van
Coenraet Droste, van wien De Huybert in
zijne voorrede ettelijke versregels met volle instemming aanhaalde, en dien
hij, samen met
Kornelis Boon, noemde om te bewijzen, dat er
onder onze nog levende dichters waardiger evenknieën van de
voortreffelijke Fransche dichters waren, dan Vondel, met wien Droste
het gewaagd had te wedijveren door ook een | | | | reurspel
Adonias te schrijven, naar hij meende volgens
nieuwere en betere kunstregels. Dat komt niet alleen ons onzinnig belachelijk
voor, maar werd zelfs door tijdgenooten al te dwaas gevonden, zooals bijv. door
Feitama, die, en met recht, juist deze beide model-dichters van De
Huybert als typen van pruldichters bespotte.
Zeeus had zijn hekeldicht opgedragen aan zijn Haagschen
vriend Mr.
Pieter de Bye (geb. 1687 † 1749), en
deze gaf er terstond een weerklank op met zijn aan Zeeus opgedragen
gedicht ‘De Zangberg buiten gevaer’. Van anderen
verschenen ‘De Zangberg in oproer’ en
‘De Zangberg ontzet’
1), terwijl de
Amsterdamsche (later Haagsche) schoolmeester
Arnold Nachtegael
2) aan zijn vriend Zeeus een vers toewijdde
‘wegens het gedicht De Zangberg in gevaer’. Deze weerde zich met
zijn vader
Arnold Clemens Nachtegael (schoolmeester te
Noordwijk en Leiden en graveur) ook tegen
‘Goudentula’ of
Jan van Hoogstraten, wien hij o.a. ‘een
zootje stekelbaars’ schijnt aangeboden te hebben, want daarop slaat het
uitvoerig gedicht van
Pieter Langendijk: ‘Een snuifje voor
de ontstelde harssenen van de Stekelbaersventers, ontwyders van Hiperions
heyligdom, ter eere van den Jongen, toebereid aan den Ouden Nachtegael, Koning
aller Schoolpedanten’. In dit niet ongeestig, maar ruw
schimpdicht wordt Nachtegael ook als ‘Liciaensche Work’,
d.i. boerennachtegaal of kikvorsch, aangeduid, evenals in een ander hekeldicht
van Langendijk, ‘Een Liciaensche weergalm’,
en in het spotdicht ‘Een groen zootje voor den Liciaenschen
nachtegael’.
Aan
David van Hoogstraten, op wien eene
‘Fabel van den gewaanden leeuw van Fedrus’ werd
gemaakt, schreef men eene, blijkbaar tegen Jan van Hoogstraten
gerichte, ‘Fabel van den schelen aep’ toe, want van
‘een doove quartel, pas afgevogten in het Klerikaansche Koor’,
wordt gezegd, dat hij ‘op een Langendyk een scheelen aap by 't oor
greep’; doch het is onnoodig over al die zeer persoonlijke schimpdichten
vol woord- en andere toespelingen nog in nadere bijzonderheden te treden.
Tot nog in 1716 duurde de strijd voort. Toen gaf
Joan de Haes
| | | | weer nieuwe stof aan
zijne vijanden door zijne ‘Eerkroon voor myn Geboortestat
Rotterdam’, een verdienstelijk gedicht, waaraan eigenlijk niemand
met recht aanstoot kon nemen, behalve misschien de Amsterdammers, die reeds met
leede oogen den toenemenden handelsbloei van Rotterdam hadden
aangezien en hier moesten hooren, dat Rotterdam ‘naest Amsterdam voor
alle steden, gelyk de schoonste diamant, verheerlykt wierdt en
aangebeden’, en dat ‘in hachelyke oorlogstyden zelfs Amsterdam, die
keizerin van 't zeegezagh’, somtijds wel voor de Rotterdamsche
admiraliteit had moeten onderdoen.
Toch verbruide hij het met dit gedicht bij eenige van zijne eigene
stadgenooten, die hem voor een vleier uitmaakten, omdat hij voor zijn gedicht
eene belooning had ontvangen van de vier burgemeesters aan wie hij het
opgedragen had, zooals in dien tijd zeker niets vreemds was en vroeger ook door
Vondel telkens was gedaan. Onder die burgemeesters echter was er een, Jan
Steenlak, een bij velen om zijne praalzucht en ijdelheid gehate parvenu, dien
men bij deze gelegenheid nog veel scherper dan De Haes aanviel in een
groot aantal schimpdichten, zooals ‘De Maesgod in den
rouw’ en ‘Dankzegging der Waternimfen aan den
klagenden Maasgodt’, waarop De Haes met eene
‘Heusche vermaning’ antwoordde, die weer door een
‘Weergalm’ en andere schimpdichten werd gevolgd.
Waren deze hekeldichten meer van persoonlijken, hoogstens van
politieken aard en houden zij met den Poëtenoorlog alleen in zooverre
verband, dat zij opkomen tegen de destijds zoo ergerlijk optredende vleierij in
versvorm van Regeeringspersonen en andere rijke Maecenassen, over het
eigenlijke onderwerp van den Poëtenoorlog kwam in 1716 nog
één dichtwerk uit, dat geestiger is dan de overige en daarom hier
niet onvermeld mag blijven, namelijk ‘De Zangberg gezuivert,
Muizen zang’. Het is gericht tegen
Jakob Zeeus (die eens bij vergissing
‘mures’ met ‘muren’ in plaats van met
‘muizen’ had vertaald) en voorzien van een caricatuurportret van
hem, dat aangeduid werd als ‘het Afbeeldzel van den grooten
Parnasbullebak Saccharius Klistorinus’, maar heeft voornamelijk ten doel
de overdaad van geleerde, dikwijls niets ter zake doende noten in de uitgaven
der classieke dichters belachelijk te maken. Eén vierde van het werk
wordt dan ook slechts door het gedicht ingenomen en drie vierden door
vermakelijke aanteekeningen. Aan den samen- | | | | steller ervan, hoogst
waarschijnlijk
P.A. de Huybert
1), komt echter alleen de eer der geestige
uitvoering, niet die der vernuftige vinding toe, maar hij maakte daarop ook
geene aanspraak, blijkens het pseudoniem van Dr. Chrysostomus Matanasius, dat
hij zich koos, want onder dienzelfden schuilnaam had Thémiseul de
Saint-Hyacinthe, Van Effen's vriend, in 1714 er het voorbeeld van gegeven met
‘Le chef-d' oeuvre d' un inconnu’.
Van andere schimpdichten kunnen wij te eerder zwijgen, omdat de
hatelijkheden en lasteringen, die er in voorkomen en dikwijls moeielijk in hare
juiste waarde te schatten zijn, meer van biografisch dan van historisch belang
zijn en allengs ook zelf ergernis begonnen te geven aan ieder, die de
waardigheid der kunst hoog wenschte te houden. In zijn gedicht
‘Poëtenstrijt’ stortte dan ook
Huibert Kornelisz. Poot zijne droefheid uit over
dat onwaardig en verbitterend getwist onzer dichters. Hij noemde het ‘der
jammren jammer’, al dat ‘steken, schieten, houwen en kerven met de
hekelpen ('t vervloektste moordtuig), alsof 'er lyf en ziel aen hing’,
dat uitmaken voor ‘kunstketter’ of ‘letterdief’,
waarvan de hooftoorzaek nydigheit’ was. Hij betreurde het, dat men met
recht kon zeggen: ‘Een dichter, die niet schermen kan, is thans een
ongelukkig man’, en dat het dwaasheid kon heeten als dichter te willen
‘leeren zingen’, daar het nu veel nuttiger was te ‘leeren
byten als een jagtmolos’. En bepaalden deze vechtersbazen zich maar tot
het ‘in rep en roer stellen van Parnas’, maar neen, zegt
Poot, ‘zy steuren zelf de rust der doôn en schenden hunne
lauwerkroon’. Met recht mocht hij wel uitroepen: ‘Zoo is de goude
tyt verloopen, de kunst beleeft eene yzere eeu’. Tot de
‘Grootmeesters in de vedelkunst’ richt hij zich ten slotte met de
bede om hem te helpen ‘de tweespalt te boeien’, om ‘de
Dichtkunst eeuwigh te doen bloeien’.
In denzelfden geest schreef een ander ons onbekend dichter eene
‘Aanradinge tot vrede aan het twistende Digterdom’,
waarin de beide elkaar bestrijdende partijen werden aangeduid als die, welke de
meeste waarde hecht aan ‘poëtisch vuur’, en die, welke
vooral | | | | ‘netheid van beschaaven’ verlangt, en waarin aan
elk van beide wordt aangeraden, zonder ‘op malkand'rens gaven te smalen,
't ingeeven der natuur te volgen’.
Aan dien raad schijnen de dichters ten slotte gehoor te hebben
gegeven: althans na 1716 houden de schimpschriften op en kan de
Poëtenoorlog als geëindigd worden beschouwd, en toen in 1717 aan
De Huybert de eer te beurt viel, benoemd te
worden tot ‘Satrapa Mudensis et Goilandiae ballivus’, kon men onder
de bij die gelegenheid uitgegeven ‘Amicorum plausus et fausta
omina’ naast een Nederlandsch gedicht van Mauricius ook
een Latijnsch eerdicht van David van Hoogstraten aantreffen.
Mogen nu de kleingeestige persoonlijkheden, de lompe scheldwoorden
en de lasterlijke aantijgingen, waarvan de meeste hekeldichten wemelden en die
aan den strijd veeleer het karakter van eene boerenruzie met dorschvlegels, dan
van een tornooi met speer en ridderzwaard gaven, ons aesthetisch en ethisch
gevoel onaangenaam aandoen, toch mogen zij ons niet blind maken voor de
historische beteekenis van dezen Poëtenoorlog. Belangrijk is hij zeker als
eene uiterste poging om het kleine vonkje, dat er van het dichtvuur der
zeventiende eeuw nog was achtergebleven, voor uitdooving te beschermen tegen de
koudwaterstralen der uiterlijke vormbeschaving. Belangrijk is hij eveneens als
de laatste wanhopige worsteling van de nationale kunst om het hoofd boven water
te houden bij de algeheele overstrooming door de elkaar telkens opvolgende
vloedgolven der verfransching.
David van Hoogstraten en de zijnen hebben den
tijdgeest in zijne vaart niet kunnen tegenhouden. Toch hebben zij en hunne
latere geestverwanten nog kunnen verhoeden, dat de poëzie van
Hooft en
Vondel als verouderd geheel aan de vergetelheid werd
prijsgegeven, maar machteloos bleven zij toch tegen de al meer en meer
veldwinnende meening in de republiek der letteren, dat Hooft en Vondel slechts
gebrekkige voorloopers van Racine en het Fransch-classicisme waren geweest en
dat eerst met deze nieuwe richting in Frankrijk en Nederland het ware
bloeitijdperk der letteren was aangebroken. Eerst aan later tijd zou het
voorbehouden zijn, Hooft en Vondel te herstellen op de eereplaats, die hun
toekomt.
|
1)Over Jean le Clerc zie men A. des Amorie
van der Hoeven, De Joanne Clerico et Phil. a Limborch, Amst. 1843, en
ook de ‘Oratio funebris in obitum J. Clerici’ door J.J. Wetstenius,
Amst. 1736.
1)Eene biographie van D. van Hoogstraten door
Pieter Vlaming vindt men in diens uitgave van Davidis Hoogstrateni Poemata.
Ed. ult. 1728; maar vooral zie men over hem Th. Nolen, Iets over David
van Hoogstraten en de letterkundige twisten van zijn tijd, Rott. 1886, waar
men tevens een uitstekend overzicht vindt van den poëtenoorlog, vooral van
het eerste gedeelte daarvan. Daardoor voorgelicht, heb ik getracht de
menigte pamfletten, waarmee hij gevoerd werd, chronologisch te rangschikken en
zooveel mogelijk de personen, waarop zij doelen en die ze opstelden te
ontdekken, doch ik meende er alleen van te moeten meedeelen, wat van iets meer
dan zuiver persoonlijk belang was. Die pamfletten zijn ten deele nog als
afzonderlijke blaadjes of kleine bundeltjes voorhanden. Vele zijn ook opgenomen
in het ‘Vervolg op de Nederd. en Latynsche Keurdigten’, Rott. 1717
bl. 78-112 en het ‘Tweede Vervolg’, Rott. 1724 bl. 43-65, 124-129.
Eenige kan men ook terugvinden in de later uitgegeven werken der
schrijvers. Daarna is nog een vollediger overzicht der pamfletten van den
poëtenoorlog gegeven door E.F. Kossmann, Nieuwe Bijdragen tot de
Geschiedenis van het Ned. Tooneel, 's-Grav. 1915 bl. 30-74, waar zij echter
niet chronologisch zijn gerangschikt, maar in rubrieken verdeeld, ofschoon
gedichten uit de eene rubriek niet zelden betrekking hebben op gedichten uit de
andere. Die rubrieken zijn le De Klerikaansche strijd, 2e Joan de Haes en J.
Zeeus, 3e Jan van Hoogstraten tegen Arn. Houbraken en J. Zeeus, 4e David van
Hoogstraten c. s. en Jan van Hoogstraten c. s., 5e De Huibert en Constantia et
Labore, 6e De strijd om Vondel, en 7e J. van Rijndorp in den
Poëtenstrijd. De rubriek ‘De Huibert en Constantia et
Labore’, waartoe de ‘Kooldichten’ behooren, is, omdat ook
Pieter Langendijk er aandeel aan nam, eveneens uitvoerig behandeld door C.H.Ph.
Meijer, Pieter Langendijk, Zijn leven en werken, Den Haag 1891 bl.
426-431, die overigens ook, bl. 432-443, andere hekeldichten van Langendijk,
‘Spreeuwdichten’, uit den poëtenoorlog bespreekt. Voor
het aandeel, dat Justus van Effen aan den poëtenoorlog nam, en over het
Haagsche gezelschap, dat ‘Le Journal litéraire’ uitgaf, zie
men W. Bisschop, Justus van Effen, geschetst in zijn leven en werken,
Utrecht 1859, bl. 44-70.
1)In 1739 werden zij voor de tweede maal
uitgegeven en in 1769 voor de derde maal, ‘met nieuwe
prentverbeeldingen’ van Simon Fokke.
1)Zie voor die beide dichtwerken beneden, op
Hoofdstuk XXV.
1)Over La Bruyère's invloed op Van Effen
zie men P. Valkhoff, Justus van Effen en de Franse letterkunde, in De
Gids, 1917, No. 11.
1)Ook is er (door E.F. Kossmann) vermoed, dat
bij dien broederstrijd eene oude liefdesgeschiedenis in het spel zou geweest
zijn, namelijk tot Sara Souborg, die in hare jeugd aan den jongsten der beide
op haar verliefde broeders de voorkeur zou gegeven hebben: doch zij was al
sinds 1685 met den schilder Arnold Houbraken gehuwd, dus dertig jaar voor de
broedertwist uitbrak.
1)Dit genootschap in 1692 of 1693 gesticht
door eenige vrienden met François de Kaarsgieter († 1706) aan 't
hoofd, wiens handschriften daarover bewaard worden als HS. 374 en 520 in de
Bibl. van de Maatsch. der Ned. Letterkunde, was gedurende den poëtenoorlog
reeds op zijne nadagen, en werd toen hoofdzakelijk in stand gehouden door den
uitgever Hendrik van de Gaete, die er 15 tooneelstukken van uitgaf en nog vele
andere in handschrift bezat. Ook De Huybert schijnt er korten tijd lid van
geweest te zijn.
1)Wisten wij niet, dat dit gedicht van 1715
dagteekent en De Huybert eerst in 1717 drost van Muiden werd, dan zouden wij de
uitdrukking ‘drostelyke trant’ als toespeling daarop kunnen
verklaren, doch nu meen ik aan Coenraet Droste te moeten denken.
1)Het heet op den titel ‘Versiert met
Zeeusche Lappen’ en kwam uit den koker van De Huybert.
2)Hij schreef vijf blijspelen en gaf in 1726
ook een bundel ‘Mengeldichten’ te Rotterdam uit, maar moest in
1730, beticht van aandeel aan de Sodomitery, het land uitvluchten.
Schimpdichten daarop komen voor in de Ned. en Latynsche Keurdichten,
Vervolg 5 en 6.
1)Het gedicht werd door De Huybert's gewonen
uitgever te 's-Gravenhage in 't licht gezonden en draagt ook alle kenmerken van
door hem vervaardigd te zijn. Toch hielden tijdgenooten het voor werk van J.J.
Mauricius, die daarom ook nog lang voor den dichter ervan gehouden is, ofschoon
hij zelf meer dan eens uitdrukkelijk verklaard heeft de dichter niet te zijn en
zich ook niet met den poëtenoorlog te hebben willen inlaten, al deed zijn
vriend De Huybert er aan mee.
|
|