|
|
|
| | | | | |
XIX. De Hofdichten.
Reeds in het midden der zeventiende eeuw vertoont zich onder de
patriciërs der groote steden de neiging om zich bij wijlen uit het
onrustig stadsgewoel terug te trekken in de eenzaamheid van het buitenleven.
Buitenplaatsen werden aangelegd of aangekocht, met bloemhoven en moestuinen,
vyvers en boomgaarden. Zucht naar rust en vrijheid was daartoe voor menigeen de
drijfveer. Voor anderen was het de lust om te wedijveren met den adel, die nog
altijd - in Gelderland vooral - de voorvaderlijke landgoederen en kasteelen
bezat; en kwam soms zulk een kasteel, waaraan heerlijke rechten verbonden
waren, of in Holland en Utrecht eene ridderhofstede onder den hamer, dan
zochten de rijke groothandelaars in het bezit daarvan te komen om bij hun
burgerlijken naam dien van ‘heer’ dezer goederen te kunnen voegen,
waarbij zij dan natuurlijk ook, als ieder edelman, een wapenschild begonnen te
voeren.
Meer en meer nam deze neiging, die welhaast mode werd, toe. In het
laatste gedeelte der zeventiende eeuw bezat schier ieder stedeling, die het
betalen kon, zulk een buitenverblijf, hetzij een modern kasteel, soms nog van
grooter afmeting dan de paleizen op de Amsterdamsche grachten, door bosschen en
weilanden omgeven, hetzij eene bescheidener landhoeve of hofstede, voor de
Amsterdammers meest in Kennemerland of Gooiland, aan Vecht of Amstel gelegen,
hetzij eindelijk, bij matiger inkomen, aan de stadssingels, aan vaart of
wetering een lapje grond met een bewoonbaren koepel (of speelhuis), of ook wel
een zoogenaamden theetuin met een kleinen koepel, waar de familie na school- en
werktijd ging theedrinken en buitentje spelen. ‘Een tuintje by de stad
kost juist zo veel niet en waar goed om somtijds wat te rusten en den geest bij
wijlen uit te spannen’, zoo voert Huydecoper zijn tijdgenoot
sprekende in
1), die daarmee den
eersten stap deed op den weg, die menigeen tot eene buitenplaats en daaraan
verbonden heerachtige leefwijze en zoo geleidelijk tot den ondergang
voerde.
Wie zulk een buitenverblijf bezat, was er even fier op, als de
edelman op zijn stamslot, en achtte de dichtkunst niet te verheven om | | | | te bezingen wat hij als een beerlijken lusthof beschouwde. Trouwens
Huygens en Westerbaen waren met hun ‘Hofwijck’ en
‘Ockenburgh’ reeds voorgegaan, en ook de dichtbundel van Cats
gewaagde telkens van zijn ‘Sorgvliet’. Vreemd is het dan ook niet,
dat
Pieter Florisz. Vlaming
1), te Amsterdam 29 Maart 1686
geboren, te Leiden in de rechten gepromoveerd en in 1719 tot
boekhouder der Oostindische Compagnie aangesteld, zijne ruime, reeds van verre
in het oog vallende, hofstede ‘Hogerwoert’, een
kwartier uurs ten Noorden van Haarlem bij de bouwvallen van het
huis ter Kleef gelegen, waar hij in 1706 Wynanda Calkoen als zijne vrouw
binnenleidde, in 1708 met een gedicht in twee boeken bezong.
Huygens en Westerbaen hadden, zegt hij, aan ‘de seissen van
den tyd hun Hofwyk en hun Ockenburg onttoogen en eeuwig aan de onsterflykheid
gewyd’, waarom zou hij dan, schoon er van bewust dat ‘zyn gering
vermoogen niets halen mocht by hunne poëzy’, dat voorbeeld niet
volgen en in dicht zijne dankbaarheid betuigen aan zijn Hogerwoert ‘voor
't zoet vermaak en zielenlekkerny, uit al zyn groen en schoon gezicht
geleezen?’ Zoo begon hij dan in zijn eerste boek met de beschrijving van
het huis, van bloemhof, boomgaard en ruimen moestuin; maar wij zouden er niets
aantreffen dan eene opsomming van allerlei bloemen, vruchten en moeskruiden,
indien de dichter daarin geene aanleiding had gevonden tot velerlei
bespiegelingen, die min of meer buiten het eigenlijke onderwerp omgaan. Zoo
geeft de nederigheid en eenvoudigheid van zijn buitenverblijf hem aanleiding om
tegen weelde en overdaad te velde te trekken. Zoo brengt onder de bloemen de
keizerskroon hem op Caesar, wiens kroon hij niet benijdt, en de passiebloem hem
op het lijden van Christus. Zoo gaat zijne lofspraak op de heerlijkheid der
inheemsche vruchten over in eene berisping zijner landgenooten, die, aan al wat
vreemd is de voorkeur gevend, het eigene te gering achten, ook hunne eigene
groote mannen, zooals b.v. Hugo de Groot, over wien hij dan verder uitweidt.
Zoo voert hem de perzik tot Adam en Eva, daar hij in dezen Perzischen appel de
verboden vrucht vermoedt.
Het tweede boek vangt aan met eene opsomming van alles wat men in
den omtrek van verre of meer van nabij van uit Hogerwoert kon aanschouwen, o.a.
het huis ter Kleef, Albrechtsberg, Kruitberg, Velzen en Haarlem, die alle
historische herinneringen bij hem | | | | oproepen. En wanneer hij zijne
aandacht heeft gewijd aan het duin, het Spaarne en de Kennemer lusthoven, komt
hij tot een meer algemeen onderwerp: de heerlijkheden van het buitenleven,
eerst in 't algemeen en dan verder in elk jaargetijde afzonderlijk behandeld,
doch veel meer bespiegelend dan schilderend. Wanneer hij ten slotte ‘zyn
pen veel te zwak en te licht’ noemt in vergelijking van die zijner beide
voorgangers, heeft hij de ware oorzaak aangewezen, waardoor Hofwijck en
Ockenburgh bekend zijn gebleven, maar Hogerwoert in vergetelheid is
geraakt.
Op dat buitengoed nochtans heeft hij, te midden van een talrijk
kroost, bij veel tegenspoed ook gelukkige dagen doorgebracht, ten deele aan de
dichtkunst gewijd. Het meest trok hem het herdersdicht aan, waarop wij nader
terugkomen; maar bovendien hebben wij van hem in dichtmaat verdienstelijke
beschrijvingen der vijf allegorische schilderwerken van Barent Graet, die in de
galerij ten huize van zijne behuwdmoeder Agnes Blok te zien waren,
‘Wellust, Hoogmoed, Begeerte, Reden en Dubbelhartigheid’
voorstellend. Wij kunnen ze ook zelf nog leeren kennen uit de gravures, die Jan
Goeree er van maakte voor de ‘Dichtlievende
Uitspanningen’, waarin
Vlaming in 1710 zijne gedichten (ook zijn
hofdicht ‘Hogerwoert’) uitgaf, vereenigd met
verschillende gedichten van zijn vriend
Wellekens.
Meer evenwel dan aan de dichtkunst wijdde Vlaming zich aan
de studie en de beoefening der letteren van vele tijden en volken, daar hij in
staat was niet alleen de Classieken in het oorspronkelijke te genieten, maar
ook de Fransche, Engelsche, Hoogduitsche dichters, en vooral de Italiaansche,
die bij hem de kroon spanden. Doch ook de Nederlandsche dichters verwaarloosde
hij niet: in 1711 gaf hij de gedichten van zijn jong gestorven vriend
Schermer uit, en in 1723 bezorgde hij eene verklarende
uitgaaf van den door hem zoozeer bewonderden
‘Hertspieghel’ van
Spieghel, waaraan hij ook een deel van diens overige
gedichten toevoegde met eene in keurig proza vervatte levensbeschrijving. Ook
de geschiedenis trok hem aan, en aan die van Amsterdam zou hij een doorwrocht
werk hebben gewijd, als de dood hem niet 2 Februari 1733 op zijn geliefd
Hogerwoert had verrast.
Veel later, namelijk in 1768, bezong een ander dichter zijn
buitenverblijf, namelijk de Rotterdamsche handelaar
Willem van der Pot, die eigenaar was geworden
van ‘Endeldijk’, het landgoed, | | | | dat
Oldenbarnevelt eens had bezeten in 't Westland, vlak bij het vorstelijk
Honselaarsdijk. In 1772 voegde hij aan zijn gedicht nog een vervolg toe; doch
veel belangstelling zou de dichter met dat werk zeker voor Endeldijk niet
hebben gewekt, indien het niet het landgoed van den grooten landsadvocaat was
geweest, dien hij bewonderde, zoodat hij breed over hem uitweidde, ook in
omvangrijke historische aanteekeningen achter zijn dichtstuk.
In 1774 werd in een, eerst in 1783 gedrukten, ‘Hof-,
bosch- en veldzang’ de buitenplaats ‘Heemse’ bij
Hardenberg in Overijsel in vier zangen bezongen door de eigenares,
de Leeuwardsche dichteres
Clara Feyoena van Sytzema
1),
die in 1750, toen reeds (in 1746) een kleine dichtbundel van haar te Groningen
gedrukt was, op eenentwintigjarigen leeftijd met J.S. van Raesfelt, heer van de
Heemse, in het huwelijk trad en die nog in 1794 een bundel van meest
stichtelijke ‘Gedichten’ uitgaf. Zij overleed 1
Sept. 1807.
Veel meer hofdichten van eigenaars der hofsteden zelf zouden wij
niet kunnen vermelden, want de gelukkige bezitters er van lieten zich met de
poëzie gewoonlijk niet verder in dan door uit vrije beweging of ook wel
huns ondanks als Maecenassen op te treden. Toch heeft menige hofstede haar
hofdichter gevonden, ware het slechts als blijk van erkentelijkheid voor het
gastvrij onthaal, dat er hem zoo vaak te beurt was gevallen, zooals o.a. blijkt
uit het meermalen in die gedichten in allegorischen vorm optreden der
‘Gastvryheid’. Dat de lof dan nog wat opgeschroefder was, dan
wanneer de eigenaar dien zelf aanhief, spreekt wel van zelf. Aan den
welvoorzienen disch van den landheer zag de dichtvriend of beschermeling zijne
omgeving met grooter geestverrukking aan, dan de nuchtere voorbijganger zou
gedaan hebben.
Onder de vele Maecenassen van dien tijd, die gaarne een aantal
vroolijke en vleiende lofdichters om zich heen zagen aan de op hunne
landgoederen aangerechte feestmalen, behoorde ook Anthony van Hoek, de jonge,
rijke en gulle gastheer van Ouderhoek aan de Vecht bij
Loenen. ‘Al wat het aardryk gaf verscheen daar op den disch:
het veld gaf wildbraad en de stroom de blanke visch’, zooals
Langendijk zeide, toen hij in zijn
‘Vechtstroomzang Silvander’ een verjaarwensch
toezong aan den heer van dat Ouderhoek, ‘dien | | | | pronk der
Stichtsche hoven’, dat, met zijne ‘schoone lindelaan, zyn vyvers
ryk van visch, zyn berg, waarop 't prieel der duitsche muzen is,’ zelfs
‘den grootsten vorsten heeft de zinnen kunnen streelen’, toen de
‘Ryksmonarch Czaar Peter’ daar (in 1717) met ‘zyn keizerin,
princessen, staatjuffrouwen en edelingen’ kwam om al die
‘heerlykheid te aanschouwen’.
Door
Jan Goeree nu is deze jonge man tot een type
gemaakt van den toenmaligen Maecenas met al zijne slempende huispoëten,
toen hij die dichters bij den vroegen dood van hun beschermer spottend opwekte
tot het aanheffen van een ‘rouwe rouw-klagt’. ‘Ach Dichters!
Dichters, sla aan 't klaagen’, riep hij uit, ‘herdenkende de goede
dagen, die gy aan zyne disch versleet. U, u treft allermeest dit leed. U past
het, Phebus Lievelingen, die hem als kraaijen plagt te omringen, verlekkerd op
zyn Rinsche vocht, 's mans eer te stellen in de locht, zyn graf te stichten aan
de boorden der zilv're Vecht daar hy u hoorde opzingen uwe hemel-taal, terwijl
de volgeschonken schaal, die uwe keelen nooyt verveelde, voor 't wandelende
zieltje speelde en vonken strooyde in uwen geest. Ach, Dichters! gy verliest
wel 't meest’.
Toch waren niet alle hofdichters alleen dankbare lofzangers bij
weelderige drinkgelagen en vindt men onder de vele hofdichten ook enkele, die
als dichtstukken verdienste hebben, bv. het hofdicht
‘Endenhout’, waarin
Jan Baptista Wellekens)
1) het landhuis van Jan Muyzer aan het eind van den
Haarlemmerhout tegenover de Spanjaardslaan in 1709 bezong. Dat
landhuis was dus gelegen in hetgeen later (in 1719) als ‘Het zegepralend
Kennemerland’ in een prachtwerk door H. de Leth afgebeeld en door Mr.
Mattheus Brouerius van Nidek beschreven zou worden en waarvan
Wellekens met recht kon zeggen: ‘Hier slyt ons Amsterdam de
beste zomerdagen: dat tuigen hoef by hoef, gezaait door 't gansche land, op 't
rykelykst gebouwt, op 't sierelykst beplant.’
In ‘Endenhout’ hebben wij niet, zooals in
‘Hogerwoert’, eene eenvoudige opsomming van alles
wat op dit buitengoed te zien was, en toch komen wij bij het lezen van het
gedicht veel meer onder den indruk van alle bekoorlijkheden van het
buitenleven, ten deele misschien ook doordat telkens de heerlijkheden dezer
hofstede in verband gebracht worden met den persoon van den bezitter, die er
leefde met zijn gezin. Ook hier ontbreekt het niet aan uitweidingen, zelfs | | | | van
didactischen aard, maar zij passen beter bij de behandelde stof. Daarbij komt
vooral de vrijheidszin van den dichter uit en zijne ingenomenheid met Holland,
waar gewetensvrijheid heerschte. Ook wekt de vrije natuur hem op tot
verheerlijking van God, den Schepper, die zich zoo oneindig groot toont in al
het geschapene. Zelfs geeft zijne bewondering van de natuur, als hij daarvan in
‘de stilte en eenzaamheid’ geniet, hem aanleiding tot het invoegen
van een lierzang, waarin zijn geest zich van de ijdelheden der kleine
menschenwereld verheft tot de onmetelijke grootschheid van het heelal.
Eene andere uitweiding, die bewijst, dat de dichter zich niet tot
‘Endenhout’ bepaalt, maar de geheele streek, waarin het gelegen is,
mee in zijne beschouwing opneemt, is aan de zee gewijd, die hij van Endenhout
uit te Zandvoort opzocht. Hoe geheel anders is de indruk, dien hij van die
groote zee ontvangt, dan die, welken zij tegenwoordig, nu Zandvoort eene
badplaats geworden is, op zoovele duizenden maakt, die van haar niet veel meer
zien dan hare laatste, tot dartel spel uitlokkende, uitgolvingen op het strand,
dat al het kleine en kinderachtige der menschenwereld durft uitstallen in de
nabijheid van dien machtigen Oceaan. En evenmin zit Wellekens, die
toch schilder was van beroep, op het duin half droomend zich te verlustigen in
die aanhoudende wisseling van golvende kleurschakeeringen, die nu uit artistiek
gevoel of uit mode zoo mooi gevonden worden door een droomerig nageslacht. Voor
Wellekens is die geweldige zee niet
‘mooi’: zij is angstwekkend, ontzettend. ‘Het ruischen van de
baaren’, zegt hij, ‘dat heesch geloei zou zelfs de stoutste ziel
vervaaren: de zee brult af en aan met schrikkelyk geluid. Ai my, wat naar
gezicht! ik zie myn oogen uit. Dit 's zeker d'aardgrens, dit is 't laatste punt
der aarde. 'k Heb nimmer iets gehoort, dat my zoozeer vervaarde, noch ergens
iets gezien, dat zo afgryslyk toont’. Die grauwe, dof loeiende Noordzee
was dan ook zoo geheel iets anders dan de kalme blauwe watervlakte, die hij in
Italië zoo vaak had gezien. Toch weet hij, dat de visscherij op die
groote, maar toch niet geheel ontembare, zee aan zijne landgenooten rijkdom en
daarmee verhooging van levensvreugd brengt. Hij weet het, zoolang Hollands
‘kielen om den ronden aardkloot dryven, duurt Hollands geluk en
waterheerschappy tot eer en voordeel van de braave burgery.’
Drie jaar vóór Wellekens zijn
‘Endenhout’ schreef, had hij ook reeds in een kleiner, strophisch,
gedicht ‘Voortwyk’ bezongen, | | | | den lusthof van Mr. Willem
Cornelisz. Bakker aan de Vecht, en zulke kleinere hofdichten kennen wij ook van
Lucas Rotgans, die er reeds veel vroeger een
had gewijd aan ‘Goudestein’, het luisterrijk
buitenpaleis aan de Vecht van
Joan Huydecoper, die het had laten bouwen, toen
hij heer van Maarseveen was geworden, en een ander aan de
Stichtsche ambachtsheerlijkheid Heemstede, ten Oosten van Jutfaas, door den
invloedrijken bezitter Diedrik van Veldhuizen tot een lustoord gemaakt, waar de
natuur zich gedwee in dienst had gesteld van de kunst.
In een strophisch gedicht van bescheiden omvang had reeds
Joan Pluimer het Geldersche kasteel Rozendaal
bezongen
1) met den daarbij behoorenden
beroemden lusthof, waarvan Johan van Arnhem toen heer was, toen daarvan ook
eene veel uitvoeriger beschrijving in verzen het licht zag. Deze werd in 1700
(en nog eens weer in 1712 en 1718) gedrukt onder den titel
Roosendaalsche Vermaaklykheden of Wegwyser door de
Heerlykheit Roosendaal en was het werk van Dr.
Johannes d'Outrein (geb. 17 Aug. 1662 † 24
Febr. 1722), die destijds predikant was te Arnhem, later te
Dordrecht en eindelijk te Amsterdam. Aan de talrijke,
ten deele ook nu nog aanwezige, kunstwerken, waarop dat adellijk landgoed bogen
kon, dankte dit dichtwerk zijne bekendheid meer dan aan het poëtisch
talent van den dichter, wiens andere gedichten en dichtbundels, (o.a. eene
Uitbreiding van het Hooglied, Leeuw. 1682) al spoedig in vergetelheid zijn
geraakt, terwijl hij daarentegen als theoloog door een verbazend groot aantal
godgeleerde en stichtelijke werken vrij lang een goeden naam behield.
Kortere hofdichten, zooals er zoovele zijn gedicht, zullen wij nu
verder onvermeld laten, want zelfs de grootere kunnen wij maar ternauwernood
vermelden, terwijl aan afzonderlijke bespreking er van geen denken is. Wij
hebben er twee van den tooneelspeler
Willem van der Hoeven: één
getiteld ‘Het Lusthof Rynneveen in vaerzen
beschreven’: het Kennemer landgoed van Benedictus van Ryneveld,
en een ander gewijd aan ‘Westermeer’, dat ook
Frans Rijk bezong onder den titel
‘Westermeer, Lusthof van den Heere Jacob Fruyt, by Heemstede
buyten Haarlem’. ‘Het Lustslot
Koldenhooven’, op De Veluwe onder Oldebroek, werd in
1722 door
Jan Arnold van Orsoy in verzen afgebeeld.
Claas Bruin gaf een jaar | | | | later
‘De lustplaats Soelen in dichtmaat uitgebreid’, waar
Christoffel Beudeker, koopman, verzamelaar en ook
zelf dichter, o.a. van ‘Psalmen, Lofzangen en Geestelyke Liederen
voor de Luthersche gemeente’, geschiedkundige aanteekeningen bij
schreef, en op welk buitengoed hij zich zoolang verlustigde, totdat in de
Haarlemmer trekvaart, waaraan zijn buiten gelegen was, zijn eenig zoontje
verdronk, door
Claas Bruin en ook door
Jan Goeree in een lijkdicht betreurd. In
alexandrijnen beschreef
Abraham Bogaert in 1724 niet onverdienstelijk
‘Geuzevelt of de lustplaats van A. Klok’, onder
Sloten, terwijl
Daniël Willink in 1734 ‘De
lustplaats Groot Heerema bij Franeker in vaarzen beschreef’. Zeer
bekend is ook het gedicht, dat
Arnold Hoogvliet in 1740 wijdde aan
‘Zydebalen’
1), het buitenverblijf, dat de toen
zeventigjarige David van Molhem met kunst had aangelegd in de nabijheid van de
groote door zijn vader Jacob in 1681 gestichte zijdeweverij, die hij dreef met
watermolens aan de Vecht even buiten Utrecht op den Oort aan den
Amsterdamschen straatweg.
Niet minder dan vier van zulke gedichten vinden wij in de
‘Hofen Mengeldichten’ van
Jan de Marre, die in 1746 werden uitgegeven, maar
ten deele reeds vroeger vervaardigd waren. Het eerste van deze bezingt
‘De Dageraad’ onder Bennebroek: ‘geen vorstelyk
gesticht’, maar een lustprieel der door de kunst verfraaide natuur. Alle
genietingen van het buitenleven waren, volgens den dichter, bij den bewoner van
‘De Dageraad’ bijeen te vinden. Men kon vandaar uit met het
speeljacht op het Haarlemmermeer laveeren of er ‘'t schubbig heir door
net of angel verrassen’; men kon er ‘het pluimgediert’
verschalken met jachtroer, ‘looze lysterstrikken of kunstig
vinkennet’; men kon er in 't nabijgelegen duin ‘met honden fret en
net’ op hazen en konijnen jacht maken. Men kon er ook ronddwalen door de
streek, waar overal ‘schoone lustgebouwen’ | | | | zich opdeden
aan het oog, en o.a. in het aangrenzende Heemstede op de Hartekamp
de ‘kruiswaranden’ van den Amsterdamschen burgemeester George
Cliffort bewonderen, waar ‘in 't kruidgebouw of groenende priëelen
geboomte en artseny van twee paar weerelddeelen’ te beschouwen vielen,
die juist in dezen tijd aan den beroemden Zweed Linnaeus de bouwstoffen
leverden voor zijne omvangrijke, geniale werken, waarmee hij eene nieuwe
periode opende in de geschiedenis der natuurbeoefening, maar wiens naam De
Marre hier niet noemt. Wèl wees hij ten slotte nog op hetgeen ook
in den winter op de landhoeve ‘De Dageraad’ te genieten viel,
wanneer de ‘Hofheer by den warmen haart’ den geest zijner gasten
vervroolijkte door het lezen zijner ‘harssenvruchten’, waaronder de
‘avonden slechts oogenblikken werden.’
De Marre's derde hofdicht was aan een veel
grootscher landhuis dan ‘De Dageraad’ gewijd, namelijk aan het nog
altijd luisterrijke ‘Groeneveld’ in 't Gooi bij Eemnes
buiten, toen bezitting van Pieter Cornelisz. Hasselaar en gebouwd naar het
voorbeeld van het vorstelijk huis te Voorst, waarvan het park, evenals dat van
het prinselijk Loo, vermoedelijk door Jacques Marot was aangelegd.
Het vierde hofdicht had het kunstmatig aangelegde
‘Boom-en-Bosch’ tot onderwerp, de bezitting van Willem ter Smitten
bij Breukelen aan de Vecht.
Zijn tweede hofdicht gold ‘de schoone buitenwoning’
‘Rustryk’ bij Muiderberg, waar ook de Zuiderzee bij de
hand was, om eenige afwisseling te brengen in de landschapschilderij, en waar
de eigenaar Barend Gerbrand Homoet prat kon zijn op een acoustisch wonderwerk,
de vermaarde Muiderbergsche echo, door De Marre genoemd ‘een
wondre wedergalm, die voor onze voeten uit den grond naar de ooren ryst en
baauwt den spreker na in alle omstandigheden’. De Marre, die
voor zijne voorgangers niet onderdeed in het geven van nuttige lessen naar
aanleiding van het natuurschoon, vindt in deze echo de verklaring van de
orakels der Ouden, als godsstemmen, die, zegt hij, - en dat is zeker eene
aardige opmerking - al evenmin de godsstemmen waren, waarvoor zij wilden
doorgaan, als de weergalm ‘van den geest, die door de harssens
zwiert’, zulk eene stem is, ofschoon menig Christen dien ‘waant 's
Hemels stem te wezen’. Inderdaad, de psychologisch verklaarbare waan van
den mensch om zijne eigene geestesuiting aan te zien voor eene Godsstem, zoodra
zij niet door eigen wil wordt voortgebracht, maar machinaal | | | | als
eene echo door den onbewusten achtergrond van den geest wordt teruggekaatst, is
ook tegenwoordig nog lang niet algemeen in zijn waar karakter begrepen.
Als zijn voorganger in het bezingen van ‘Rustryk’ noemt
De Marre den Middelburgschen dichter Mr.
Pieter de la Rue, die zich het meest bekend
heeft gemaakt door zijn nog altijd geraadpleegd prozawerk
‘Geletterd’ en ‘Staatkundig en
Heldhaftig Zeeland’ (van 1734-36). Ten slotte heb ik nog te
vermelden, dat hetzelfde ‘Scheibeek’ te Beverwijk, dat
aan de beek- en wijkzangen van Vondel en Barlaeus zijne beroemdheid dankte,
toen de familie Baeck het nog bewoonde, in 1759 een nieuwen lofdichter heeft
gevonden in
Philip Zweerts.
Eene geheele reeks van buitenplaatsen aan den Amstel kan men in het
plaatwerk ‘Hollands Arcadia’ (van 1730) door Abraham
Rademaker afgebeeld en met elkaar, dus beknopt, door
Gysbert Tysens in rijm beschreven vinden, zooals
wij reeds zagen, dat
Claas Bruin dat in 1719 deed met de
‘lustplaatsen en heerenhuysen’ aan ‘De zegepraalende
Vecht’.
Dat in deze periode de hofdichten niet minder talrijk waren dan de
gedichten op schilderijen en andere kunstwerken in het vorige tijdvak, is te
begrijpen. Nooit is de tuinbouw als edele, bij de architectuur aansluitende,
kunst zoozeer in eere geweest als toen.
1) De buitenplaatsen,
vooral die der groote heeren, werden beschouwd als verheven kunstwerken. Het
aanleggen van eene mooie buitenplaats werd niet lager geschat dan het bouwen
van een paleis. Ook die kunstopvatting had Frankrijk bij ons ingevoerd, waar
Lodewijk XIV vele jaren achtereen voor niets grooter belangstelling had gehad,
dan voor het aanleggen van alle paradijzen overtreffende lusthoven, zooals het
eens van de meest verfijnde kunst en de grootst denkbare weelde getuigende,
maar tijdens de Revolutie helaas! geheel vernielde kasteel van Marly en zijn
veel grootscher, waarlijk vorstelijk landgoed te Versailles. Dit heeft er toe
meegewerkt om zijne schatkist uit te putten, maar is dan ook een lustoord
geworden, | | | | waarmee hij aan alle vorsten van Europa den indruk zijner
overweldigende grootheid gaf, en dat zij allen in kleiner afmeting, maar in
denzelfden stijl, trachtten na te bootsen, allereerst Karel II van Engeland,
die zijn St.-Jamespark evenzoo liet aanleggen door denzelfden tuinbouwmeester,
die den reuzenhof van Versailles had ontworpen, André Lenôtre.
In den stijl van dezen kunstenaar, die wel veel sieraden van den
Italiaanschen Renaissancestijl behield, maar voor een vlak land zonder
terrassen toch ook in menig opzicht zijn eigen weg moest gaan, in een stijl,
die zoo volkomen paste niet slechts bij de allongepruik dier dagen, maar ook
bij het rococo der gebouwen en meubelen, bij de treurspelen van Racine en de
operamuziek van Lully, zijn meer dan eene eeuw lang alle lusthoven in Europa
aangelegd. Onze patriciërs nu wilden in kunstliefde en smaak voor den
vreemdeling niet onderdoen. Wie van hen zich wat ouderwets aan de regels der
vroegere, zoogenaamd Hollandsche, maar inderdaad toch ook uit Italië en
Frankrijk herkomstige, tuinbouwkunst hielden, volgden de modellen, die
Jan van der Groen in 1669 in ‘De
Nederlandsche hovenier’ gaf, waarin tot allerlei figuren
verknipte en geschoren palm- en taxishagen schering en inslag waren.
Wie daarentegen meer nieuwerwetsch waren volgden het voorbeeld van
Lenôtre's leerling Leblond, die echter in sommige opzichten toch weer tot
den stijl van het begin der zeventiende eeuw terugkeerde, en wiens ontwerpen
men kan leeren kennen uit D'Argenvillé's in 1709 gedrukt werk ‘La
théorie et la pratique du Jardinage’. In ons land trad in het
begin van de achttiende eeuw als de meest bewonderde tuinbouwkundige op den
voorgrond de ook als verzamelaar van kunstschatten en zeldzaamheden (munten,
mineralen en koralen of steengewassen
1) en zelfs als dichter bekende
Simon Schijnvoet, in 1652 te
's-Gravenhage geboren en in 1727 te Amsterdam
overleden. De lusthoven ‘Soelen’ en ‘Petersburg’ aan de
Vecht zijn o.a. door hem aangelegd, terwijl hij in zijn groot werk
‘Lusthofs-sieraden’, volgens Sybrand
Feitama, als een kunstenaar van den eersten rang ‘door menig
lustpaleis en bloemhof en fontein te schetsen op papier den kunstprys heeft
gestreken’.
Ongelukkig moesten onze patriciërs zich meestal bij den
aanleg | | | | hunner buitenplaatsen binnen enge grenzen beperken en konden
zij dus slechts in het klein nabootsen, wat alleen indruk kan maken, wanneer
het in grootschen vorm optreedt. Wat bij geheel veranderden smaak ons ook nu
nog treft, ja schier overweldigt in Lenôtre's, trouwens sedert 1775 vrij
wat vervormde, scheppingen te Versailles, doet zich bij den tuinbouw onzer
eigene voorvaderen, wanneer wij er hier en daar nog de overblijfselen van
aantreffen, als kinderachtig geknutsel voor. Trouwens ook reeds enkele
tijdgenooten zagen dat in, b.v. La Court, in wiens ‘Byzondere
Aenmerkingen over het aenleggen van pragtige en gemeene Landhuizen en
Lusthoven’ men deze juiste opmerking aantreft, dat alle kunstwerken,
waarmee men zoo gaarne zijne lusthoven wilde opsieren, ‘geene
kleinigheden moesten vertoonen, maar van groote partyen zyn’, daar het
‘anders het best was van zulke cieraeden in 't geheel af te zien en
daermede koninglyke en vorstelyke lusthoven te laten pronken’. In dien
tijd echter voldeden zij aan den meest gekuischten smaak, en dat moeten wij wel
bedenken, als wij de hofdichten lezen, die dat alles verheerlijken.
Aan de lusthuizen zelf schenken de hofdichters meestal weinig
aandacht. Wel zegt de dichter van ‘Boom-en-Bosch’,
dat men langs den ‘groenen zoom’ van de Vecht ‘paleizen,
hoven met bekoorlyke dreven, ja al de pracht van 't grootsch Itaalje in 't
needrig Sticht’ te zien krijgt, maar het landhuis
‘Boom-en-Bosch’ zelf beschrijft hij niet. Van
‘Zydebalen’ wordt niet veel meer gezegd, dan dat het een
‘vorstelyke zaal’ heeft, waar ‘'t kunstpenseel van Hoet niet
voor den beitel zwicht van Van de Mast’. Alleen het Stichtsche Heemstede
wordt wat uitvoeriger beschreven als een ‘landtkasteel’, welks
‘torens haren spits ten hemel heffen uit den vloedt’, uit het tegen
de muren kabbelende water, en waarbinnen de ‘oogen schemeren door zoo
veel kostlykheen’, waar ‘de kamers zyn bekleedt met
wandttapisseryen, de zolder, net gemaalt, daar 't gout door heene blaakt, als
door de vingers van Apelles aangeraakt’, en waar ‘het schilderwerk
alom op doeken en panneelen het leven nabootst’.
Al hunne kunst daarentegen besteden de dichters aan het beschrijven
van den hof, en in de eerste plaats van den bloemhof, waar men, zooals b.v. op
Goudestein, ‘een veldtapyt van roozen’ kon zien en ‘een geur
van meer dan duizent bloemen en kruideryen’ kon ruiken, ‘die den
hof bewierookten’. En al die bloemenpracht | | | | was meestal,
zooals
Pluimer van de Rozendaalsche zegt, vereenigd in
een ‘Bloempark, juist en net geleit, door wiskunst zelfs gemeten,
of’, zooals
Rotgans in ongeveer dezelfde woorden van
Heemstede zegt, ‘verdeelt in perken, naar de wiskunst net geleidt, in
bedden daar de Mai haar purpren tabberdt spreidt’, omdat de wiskunstige
figuren, als de eenvoudigste en regelmatigste, ook voor de schoonste gehouden
werden in een tijd, waarin eenvoud het kenmerk van het ware heette en regelmaat
het beginsel der schoonheid was.
Niet alleen in de open lucht bloeiden de planten, hetzij in de
regelmatig aangelegde loofbedden, de oudere ‘parterres
découpées’, hetzij in de nieuwere loofbedden
‘à broderies’; niet alleen buiten rijpten de vruchten van
den boomgaard, die bij geen enkel landhuis ontbrak. Ook in de ‘glaze
broeibakken’ te Heemstede werd de ‘geurige meloen gequeekt’,
in ‘kassen’ op Zydebalen ‘de wyngaart gestooft’, zoodat
men daar ‘den Herfst ten spyt reeds in den vroegen Zomertyt op druiven
genoodigt’ kon worden. En ook aan vreemde gewassen ontbrak het daar niet,
aan ‘aloë, pisang, koffiboon, ananas’, waarvoor zelfs
wintertuinen gebouwd waren, zoodat, zegt
Hoogvliet, ‘de lauwerier niet meer
behoefde te roemen op zyn nooit dorrend groen’, want daar was
‘overdoet van eeuwig groene blaaren’, daar bleef trots
‘Noordenwind en vorst en jachtsneeuw’ de hof al, ‘even groen
en pronkte zy voor 't oog als in een eeuwigh Maisaizoen’. Ook van
Heemstede wordt het ‘Oranjehuis’ geroemd, dat ‘by winter
heerlykst praalt’, en van Boom-en-Bosch ‘de schoone Oranjezaal, 't
Oranjelustprieel’ met ‘eeuwig groene dreven, balsemgeuren en gulden
vruchten’. Maar des zomers trof men die lanen van oranjeboomen buiten
aan: ‘dubbele ryen van riekende citroenen, van cederaten, van oranjen en
limoenen’, zooals op Zydebalen.
Bovendien echter kon men er de inheemsche boomen bewonderen, de
‘ypen, beuken, eiken’ van Goudestein, die met ‘hunne armen
aan den Hemel reiken, zich spieglende in het kristallyn’, of de
‘hooggetopte linden’ en de ‘beukengallery’ van
Boom-en-Bosch, ‘daar 't licht niet door kon dringen’, want dikwijls
vormde, zooals o.a. op Groeneveld, ‘'t geboomte, om 't weidend oog te
streelen, zich, naar den eisch gesnoeid, tot groenende priëelen en gangen,
dicht met loof begroeid’, en vond men, zooals op Rustryk,
‘schaduwryke boogen van verkwikkend loof’, die dan soms uitliepen
op ‘verheven lustpriëelen’, als op Boom-en-Bosch, of
hooggelegen | | | | ‘speelpriëelen’, als op Goudestein,
vanwaar men een heerlijk uitzicht had over de geheele streek, zooals men dat
elders ook had van kunstmatig gevormde verhoogingen, die men dan met den
weidschen naam van ‘terrassen’ bestempelde.
Soms bereikte men ze langs ‘groene muuren, door der kunsten
hand gesnoeid’, als op Boom-en-Bosch, langs ‘een groene heg van
taxis’, als op Goudestein, of van ‘sparreboomen, dooreen gewassen
en tot heggen net geschoren’, zooals op Heemstede en Zydebalen. Die
‘netgeschoren haagen’, waarvan ook op Ouderhoek sprake is, dienden
soms als achter- en zijschermen eener ‘komedie’, waarin
voorstellingen konden gegeven worden, of vormden, zooals te Groeneveld, een
doolhof zonder Minotaurus, en te Zydebalen ‘een labyrinth, waar 't zonder
volgdraat nauwlyks veilig was voort te stappen’.
Ook waren die heggen of andere lanen dikwijls zóó
aangelegd, dat zij ‘starrenbosschen’ vormden, als op Groeneveld,
Heemstede en Boom-en-Bosch, en ook op Zydebalen, waar men kwam te staan
‘in 't midden van acht gezichten’, want ‘door zooveel
wandelpaan’ zag men, in 't middelpunt van de ster geplaatst, ‘hier
beeldwerk, gints een grootsch tooneel, geschildert naar verzichtkennis’
en ‘daar weer andre zeldzaamheen’. Op den Sterrenberg midden in de
‘Diergaarde’ van den Pruisischen koning te Kleef vond men ‘'t
schoonste twaleftal van Doorzicht Laanen over 't dal, met hart verrukkende
verschieten’, zooals
Pieter Langendijk zegt in een dichtwerk, dat
wel geen eigenlijk hofdicht kan genoemd worden, maar toch ook bij
‘kunstprenten’ van J. de Beyer, door H. Spilman gegraveerd, menig
beeld van tuinbouwkunst voor oogen brengt, namelijk ‘De stad
Kleef, haar gezondheidsbron en de omliggende landsdouwen’, in
1747 te Haarlem uitgegeven.
Aan ‘speelhuizen’ of koepels ontbrak het nergens. Te
Heemstede had men er een ‘ront gebouw!;’ met Hercules als drager
van den hemelbol op den top. Daar vond men ook eene ‘wildtbaan met
herten’, evenals ook op Zydebalen ‘een kleine dieregaart’,
waar ‘West-indiaansche harten en hinden’ rondliepen. Van
Boom-en-Bosch worden de vogelhuizen met ‘veelkleurig pluimgedierte uit
vele uitheemsche landen’ geprezen; en behalve een
‘karpervijver’ had men op Zydebalen ook een ‘ronde waterkom
met vreemde vooglen, die er dartlen, duiken, zwemmen’. Zelfs
Amerikaansche flamingoos trof men daar aan. Allerlei kunstvormen had men
uitgedacht van | | | | die ‘natte’ kommen, zooals zij heetten
tegenover de ‘droge’ kommen met gras beplant. Te Ouderhoek had men
een ‘karperkom bezet met lustpriëelen’. Waren de vijvers wat
grooter, dan zag men in 't midden soms, zooals te Heemstede, ‘een
eilandt, net in 't rond gegraaven en verdeelt in twee paar perken, met
ligusters afgesloten’, waar ‘d'esdorens aan den zoom en waterkant
hun looten in 't kristal spiegelden’.
Het water speelde op die buitenplaatsen vooral ook eene groote rol,
en in niets verlustigde men zich meer dan in kunstige waterwerken, waardoor
Rozendaal nog altijd bekend is gebleven en waardoor ook het vorstelijk park van
het omstreeks 1690 onder Bentinck's leiding aangelegde koninklijk paleis het
Loo uitmuntte. Tal van fonteinen of sprongen vond men daar: de Konings-, Venus-
en Herculesfonteinen, de beide wereldsprongen, enz. Ook waren er verschillende
watervallen te bewonderen, zooals die van Galatea en die van Narcissus aan de
terrassen, die links en rechts den grooten tuin achter het paleis afsloten, en
die van een riviergod en van eene riviergodin aan beide zijden van het terras
achter het paleis. Daarvan gold ongeveer hetzelfde als wat Langendijk
in de Diergaarde te Kleef beschrijft als een ‘schoonen waterval, die over
achtien steene treeden het water, dat met zoet geluid van trap tot trap al
dartlend stuit, met kracht laat vallen na beneden’.
In Heemstede, waar eene hofpoort over eene beek gebouwd was,
‘stortte een waterval van die hofpoort af en bruiste in 't bronkristal;
twee draaken zwollen door het ingezwolgen water en braakten 't zilvernat ter
keele uit met geklater’. Op Boom-en-Bosch had men ‘waterkom,
zuilen, vazen en beelden, schelp en klipgewas, door 't schrander brein
ondereengemengeld en op 't levend groen tot prachtige kaskaden geschikt’.
Daar ‘sierde de kunst den hof door 't alverkwikkend water, al spelend met
het vocht, dat naar den hemel dringt of uit een hinderlaag den wandelaar
bespringt, of, schietende uit het loof der teedre klaverplanten, een regenvlaag
vertoont van zuivre diamanten’. Zooals men ziet, vond men daar dus,
zooals men ze nog op Rozendaal vindt, de zoogenaamde
‘bedriegertjes’, waarin ons voorgeslacht zooveel aardigheid had, en
waarmee ook
Rotgans zich zoo vermaakte, toen hij op
Heemstede zag, hoe ‘die springbron, opgeborsten uit den grondt, den
warmen schoot verkoelde van schoone Rozemondt’ en ‘de nimfjes
vluchtten op het springen van die stralen’. | | | |
Van fonteinen wordt overal melding gemaakt. ‘Wy wandlen
hier’, te Heemstede, zegt Rotgans, ‘gerust door
watergalleryen en laanen, gestoffeert van vloeiend kristallyn’. Ook in
‘Schielands Tempe, het bloemryk Blommersdyk’ wandelde men, volgens
Dirk Smits, in 1729 ‘door kristallen bogen’, waarvan
‘strael op strael in gesmolten diamanten’ of, door de zon
beschenen, als een ruischende regen van veelkleurige edelgesteenten neerviel.
Soms trof men de fonteinen aan in open ruimten, midden in een boschje, in de
zoogenaamde ‘zalen’ of ‘kabinetten’, waar zij als
‘buffet’ dienst deden. In de Kleefsche Diergaarde zag men, hoe
‘de Pruisisische Arend water dertig voet hoog opblies, zoo hoog als 't
hoofd van het op een pilaar van steen gestelde levensgroote beeld van den Ysren
Man’. Verder zag men daar ‘nog zes fonteinen springen en twee, die
in het Grotwerk zyn, dat weerschynt in het kristalyn om d'eersten hoofdstraal
half te omringen’. Ook uit eene ‘ronde kom vol water rees daar een
hooge waterstraal als uit een roemer van metaal en maakte een aangenaam
geklater’, terwijl nog wat hooger eene ‘derde kunstfontein
sprong’. ‘Om 't schoon fonteinwerk half te omvangen’ was daar
een ‘Amphitheater van acht en twintig boogen’ gebouwd,
‘waardoor’, zegt Langendijk, ‘men in een ruim
verschiet uit ieder boog verandring ziet’.
Grotwerk in Italiaanschen stijl, zooals hier genoemd wordt, vond men
ook elders, b.v. op Zydebalen. Daar zag men eene nis of ‘prieel van
schoone zeegewassen en horens, elk geplaatst in zynen schoonsten dagh, van
paarlemoeren en van velerleie schelpen’, zoodat, zegt Hoogvliet,
het wel een tempel van de uit zee geboren Venus geleek en menig minnend paar
uitlokte om zich daar in zoete koozerij af te zonderen. Zulk eene grot was de
trots van De Dageraad, versierd met ‘zeegewassen, die natuur in d'afgrond
baarde, met schelpen en horens, die met wondre verwen prykten, koralen,
saamgeweven tot een muurtapyt’, waarbij ‘kristallen stralen van
levend water uit lis en bloemen spatten’, zoodat de ‘druppen
dansten in volkunstig waterbad, gebarsten uit de opgesperde lippen eens Faunus
en vallend en spelend op puimsteenklippen, of vloeiend op een effen grond van
schoongekleurde keitjes’. Een mozaiekvloer, zooals wij hier vermeld
vinden, kunnen wij ook elders verwachten. Te Rozendaal zag men ook
‘fonteinen langs net gekaeide vloeren klaat'-ren’, naast
‘grotten, vol spiegels van kristal’, en op Zydebalen was er een,
waar ‘kunstigh loof- en bloemwerk naar 't leven geschilderd | | | | was met harde steenen door 't geestigh schikken der
koleuren’.
Minder zouden ons andere schilderstukken behagen, zooals de
‘geschilderde priëelen’ en de geschilderde beeldjes van Mars
en Venus, Apollo en Minerva, Diana en Bacchus op een speelhuis van Heemstede;
maar beeldwerk versierde met recht deze lusthoven, want, zooals
De Marre zegt, ‘marmer en arduin praalt
schooner in 't bosschaadjen, het goud pronkt in een zonnestraal met ryker
flikkering als in een donkre zaal’. Aan Heemstede ‘zette’ dan
ook, volgens
Rotgans, ‘het beeldtwerk geen kleinen
luister by, met taxis dik en hoog gewassen op een ry’, dat meermalen
nissen vormde, waarin de beelden half verscholen waren. Ook op Boom-en-Bosch
mocht men het ‘beeldwerk, opgericht langs schaduwryke paden’, wel
prijzen. Soms waren het vazen met mythologische voorstellingen, zooals op
Heemstede en Zydebalen, waar Crescant ook tafereelen uit de bijbelsche
geschiedenis op de vazen had afgebeeld. Van ‘schrandren Xavery’ kon
men op Zydebalen ‘een zinnebeeltwerk van twee marmersteenen ronden’
bewonderen, op welke medaillons de beeldhouwer de allegorieën van
Vergankelijkheid en Hoop ‘zoo kunstigh uitgewrocht’ had.
Meer nog trokken natuurlijk de eigenlijke beelden de aandacht. Dat
er, zooals op Heemstede, de marmeren beelden van vier Prinsen van Oranje
prijkten, was uitzondering: meest waren het allegorische of mythologische
onderwerpen, waaraan de beeldhouwers en de eigenaars der landgoederen de
voorkeur gaven. Op allegorie was met name de eigenaar van Zydebalen gesteld. In
zijn hof praalden vier marmeren figuurtjes, die ‘Geleertheid, Lantbou,
Zeevaart en Krygsdeugt’ voorstelden, naar teekeningen van den
‘geestigen Verkolje’ gebeeldhouwd door Crescant, en nog drie andere
kinderfiguren, die samen ‘Koopmanschap’ voorstelden, ‘door
Wysheit genoopt en voortgedreven’ om ‘op den rug der
Naerstigheit’ omhoog klimmend, ‘een vollen hoorn des
overvloets’ te grijpen. Van Crescant, den ‘Stichtschen
Fidias’, kon men er ook twee levensgroote beelden van Aarde en Hemel
bewonderen, terwijl twee watergoden, die de Lek en de, daarmee door den
Vaartschen Rijn verbonden, Vecht voorstelden, er ‘'t zuiver water uit hun
kruiken deden ruischen’.
Omgeven door ‘een ring van vier dolfynen’, die water
uitspoten, stond in de Kleefsche Diergaarde voor het reeds bovengenoemde
Amphitheater het marmeren Pallasbeeld van Quellinus, geschenk | | | | der
stad Amsterdam aan Joan Maurits van Nassau, dat in 1660 door Vondel
bezongen was. In de ‘groene gallery’ van Zydebalen wisselden boomen
en beelden, o.a. van Diana en Mercurius, elkaar af, en elders in den hof vond
men beelden van Flora en Apollo als kunstwerken van Jan Baptist Xavery. De tuin
van Goudestein was ééne beeldengalerij. Op Endenhout was een
speelhuis, met de beelden van Diana en Minerva versierd, en op Boom-en-Bosch
zag men ‘gulden Tritons, daar slechts 't leven aan ontbrak’: kortom
de geheele mythologie was in die lusthoven vertegenwoordigd.
Zoo geven al die hofdichten, die elk afzonderlijk moeielijk in hunne
eigenaardigheden besproken kunnen worden, met elkaar ons een sprekend en
levendig beeld van den rijkdom en pralenden kunstzin, waardoor in de achttiende
eeuw onze patriciërs, hunne winterpaleizen in de bloeiende handelssteden
verlatend, met elkaar konden wedijveren om van het platte land eene schier
onafgebroken rij van lusthoven, één grooten bloemhof, te maken
langs Vecht en Amstelboorden en aan den duinrand van Alkmaar af tot aan den
hoek van Holland toe.
|
1)Zie Huydecoper's gedicht ‘Aan den
Hollandschen leezer’ vóór zijne Hekeldichten, Brieven en
Dichtkunst van Q. Horatius Flaccus, Amst. 1737.
1)Voor Pieter Vlaming zie men J. Wagenaar,
Amsterdam III bl. 255.
1)Voor haar zie men Seerp Anema, Een
vergeten Dichteres uit de 18de eeuw, in ‘De Ster der Christ.
weekbladen’ 1920, en ook afzonderlijk. Twee gedichten van haar zijn nog
even vóór haar dood in den in de Gereformeerde kerken ingevoerden
bundel ‘Evangelische Gezangen’ opgenomen als No. 44 en 154.
1)Voor Wellekens zie men het volgende
hoofdstuk.
1)Dit gedicht van Pluimer is te vinden in
zijne Gedichten I (1692) bl. 42-49.
1)Over ‘Zydebalen’ zie men een
opstel van C. Kramm in ‘Utrechtsche Volksalmanak voor 1851’, bl. 54
vlgg. David van Molhem liet dit buitengoed in 1746 na aan zijne dochter (gehuwd
met Anthony Sydervelt), die het nog in 1781 bezat. Na 1800 is het gesloopt. Er
bestaan 24 O.-I.-inkt teekeningen van door J. de Beyer in 1746 gemaakt. Het
behoorde ook tot die buitenplaatsen, waaraan Czaar Peter in 1718 een bezoek
bracht, evenals verscheidene andere reizigers. Zie daarover Albrecht von
Haller, Tagebücher seiner Reisen Leipzig 1883, p. 56 (bezoek in
1723); Ed. van Biema, Een reis door Holland. in 1736, in Oud Holland
XXVIII bl. 90 vlg.; Z.C. von Uffenbach, Merkwürdige Reisen, Ulm
1753-54, III p. 698 vlg. en G.W. Kernkamp in ‘Bijdragen van het Hist.
Genootschap te Utrecht’, XXXI (1910) bl. 399 vlg. (eene reis van den
Zweed Bengt Ferner in 1759).
1)Voor den tuinbouw der zeventiende en
achttiende eeuw zie men Dietrich, Geschichte des Gartenbaues, Leipig
1863; Hüttig, Geschichte des Gartenbaues, Berlin 1879; Mangin,
Histoire des jardins, Paris 1887; Jessen, Gartenanlagen und
Gartendekorationen, Berlin 1892; Leon. Springer, De Oud-hollandsche
tuinkunst. Proeve eener bijdrage tot hare geschiedenis, in ‘Eigen
Haard’, 1889; C.H.C.A. van Sypesteyn, Oud-Ned. tuinkunst.
Geschiedkundig Overzicht van de Ned. tuinarchitectuur, 's-Grav. 1910 en
verder de in den tekst aangehaalde werken van Jan van der Groen,
D'Argenvillé, Simon Schijnvoet en La Cour.
1)Zij werden bezongen door Katharina
Lescailje. Zie hare Mengelpoëzy I (1731), bl. 71-74. Dat
Schijnvoet's Muntkabinet in verzen werd beschreven door Abraham Bogaert hebben
wij boven, bl. 95 reeds gezien.
|
|