|
|
|
| | | | | |
XXIV. De Vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden.
Nadat in October 1813 bij Leipzig de groote overwinning op Napoleon
was behaald en de Fransche legers zich van bijna overal binnen de grenzen van
het keizerrijk moesten terugtrekken, marcheerden de Pruisen onder Generaal Von
Bülow voorwaarts naar de grenzen van het voormalig Nederland, tegelijk met
de Kozakken, die hun weldra als vlugge verkenners vooruitstoven en reeds 12
November Zwolle bezetten en Deventer berenden en den volgenden dag ook binnen
Kampen en Winschoten aankwamen. Nu was het de vraag, waarop vaardig en beslist
het antwoord gegeven moest worden, of men in het hart van Holland de verovering
door de troepen der Bondgenooten zou afwachten, op gevaar dat daarmee Nederland
tot één groot slagveld zou worden gemaakt, of zelf tegen de
Fransche Regeering zou optreden en zich daarmee voor het vervolg recht op
onafhankelijkheid zou verwerven. Het volk in het algemeen en de aanzienlijken,
die er zich toe hadden laten vinden, om deel te nemen aan het departementaal of
stedelijk bestuur, hadden den moed nog niet, zich openlijk en ongewapend te
verklaren tegen den Keizer, wiens troepen nog overal in het land in bezetting
lagen en misschien, meende men, wel in staat konden blijken, Kozakken en
Pruisen terug te drijven. Zou er opstand komen, dan moest die uitgaan van
enkele moedige mannen, die hun leven op het spel durfden zetten: de anderen
zouden volgen, als de kansen gunstig bleken te staan.
Het eerste, nog zeer bescheiden, teeken van oproerigheid gaf men 13
November te Rotterdam, toen met stille verrukking werd opgemerkt, dat het
standbeeld van Erasmus met Oranjelint was getooid. ‘Durft niemand nog
Oranje dragen, ik durf mijn grijzen kop wel wagen’, zoo luidde het
rijmpje, dat men er bij kon lezen, zoolang de Regeering het niet liet wegnemen,
waarmee tegelijk een streng verbod werd uitgevaardigd tegen het verkoopen van
oranjelint, zooals enkelen gewaagd hadden te doen. Dat de tooneelspeler Frits
A. Roseveldt zich daar aan het oranjeverbod niet stoorde, kwam hem duur te
staan, 's Avonds optredend in ‘De twee grenadiers of het
misverstand’, een blijspel naar het Fransch | | | | van J. Patrat,
droeg hij een oranjelint om den hoed, maar hij was daarmee te voorbarig
geweest, want 's nachts werd hij tot straf van zijn bed opgelicht, naar Breda
en vervolgens naar Frankrijk gevoerd, waar hij echter uit de gevangenis wist te
ontsnappen.
Te Amsterdam openbaarde zich het verzet tegen de Fransche Regeering
15 November, nadat den vorigen dag Generaal Molitor met zijne troepen naar
Utrecht was afgetrokken. Toen toonden eenige voorvechters uit het volk hunne
oproerige gezindheid door aan den IJkant de douanenhuisjes in brand te steken;
maar om gevaarlijke baldadigheden te voorkomen lieten Van Brienen van Ramerus,
de kolonel der Nationale Garde, en zijn kapitein Anton Reinhard Falck de orde
herstellen, waarop, toen ook de Hertog van Plaisance naar Utrecht vertrokken
was, vooral door het beleid van Falck, een voorloopig bestuur van zeventien
leden (onder welke ook D.J. van Lennep) optrad om de rust in de stad te
bewaren, zoolang dat noodig zou blijken.
Dat waren nog slechts flauwe voorteekenen van eene omwenteling, die
nu ook zeer spoedig moest plaats hebben, wilden Pruisen en Kozakken niet ook in
Holland als veroveraars optreden
1). De man, die dat het best begreep en er zich
ook al jaren lang op had voorbereid, was de oude, maar sinds 1795 ambteloos
gebleven oranjeregent Gijsbert Karel van Hogendorp. Hij wist, wat er nu het
eerst te doen viel, en tevens, dat het onmiddellijk moest gebeuren. Met zijne
vrienden Leopold graaf van Limburg Stirum en F. van der Duyn van Maasdam
vaardigde hij 17 November in Den Haag eene proclamatie uit, waarbij een
voorloopig bewind werd gevestigd verklaard en spoedige overkomst van den Prins
van Oranje werd aangekondigd. Van Limburg Stirum, als gouverneur van
's-Gravenhage opgetreden, liet nu ook de Oranjevlag van het Stadhuis wapperen,
want dit hadden deze mannen reeds terstond begrepen, eene omwenteling, die
onafhankelijkheid ten doel had, kon alleen slagen, wanneer het volk meer dan
eene leus, wanneer het tevens een persoon had, om wien het zich scharen kon; en
een Oranje leefde in de herinnering toch nog altijd voort als de | | | | verpersoonlijking van 's lands onafhankelijkheid. Nu moest hij ook het
zinnebeeld der volkseenheid worden.
De Prins had den val van Napoleon zooal niet verwacht, dan toch
reeds zich als mogelijkheid voorgesteld, en toen Fagel en De Perponcher hem te
Londen in opdracht van Van Hogendorp waren gaan zoeken en ook gevonden hadden,
was hij dadelijk bereid over te steken, zooals eene nieuwe proclamatie van 21
November aan het reeds wankelm oedig geworden volk verkondigde. Daarbij werd
door Van Hogendorp en de zijnen ‘Nationale vrijheid: en
onafhankelijkheid’ voor de algemeene leuze verklaard en ‘de hooge
regeering der Nederlanden door hen aanvaard in naam van Zijne Hoogheid den
Heere Prince van Oranje’.
Dat Amsterdam 24 November, toen trouwens de Kozakken reeds voor de
poorten verschenen, het voorbeeld van Den Haag volgde, was vooral te danken aan
de onvermoeide werkzaamheid van Falck en Mr. Fannius Scholten en van den
Leidschen hoogleeraar J.M. Kemper. De Fransche troepen trokken inmiddels meer
en meer, zelfs uit het hoofdkwartier Utrecht, naar de Zuidelijke departementen
terug, eenige heeren, waaronder ook den grijzen De Perponcher als
gijzelaars meevoerende, die vervolgens naar Parijs werden overgebracht en daar
eenigen tijd in hechtenis bleven. Woerden verlieten zij niet zonder (24-25
November) daar een jammerlijk bloedbad te hebben aangericht. Nog slechts in
eenige vestingen, zooals Naarden, bleven Fransche garnizoenen achter, en
inmiddels werden door het nieuwe staatsbewind twee legerafdeelingen onder de
wapenen gebracht.
Toen Willem van Oranje 30 November te Scheveningen voet aan wal
zette, had, tegen zijne stoutste verwachtingen in, de omwenteling reeds haar
beslag gekregen, en kon hij, terzelfder tijd dat Von Bülow Arnhem
bemachtigde, met uitbundig gejuich in Den Haag door het volk worden begroet als
hoofd van den staat, onder welken titel ook hij als zoodanig zou willen
optreden. Hij zelf begreep al dadelijk, dat hij niet verstandig zou doen met de
rij der stadhouders voort te zetten. Door Lodewijk Bonaparte waren de
republikeinsche Nederlanders met het koningschap vertrouwd geraakt: van een
Koning Willem waren zij niet meer afkeerig, en ook hijzelf verlangde dien
titel; doch daar hij zonder de toestemming der groote mogendheden zich dien
titel nog niet durfde aanmatigen, gaf hij voorloopig de voorkeur aan dien van
‘Souvereine vorst’. | | | | Als zoodanig liet hij zich 2
December inhuldigen, en wel in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, want die stad was
door Lodewijk en ook door Napoleon tot hoofdstad dezer gewesten gemaakt en
zijne raadslieden wisten er hem gemakkelijk van te overtuigen, dat zijn troon
eerst een vasten grond zou hebben, wanneer hij dien te Amsterdam het eerst
beklom. Daarna zou de zetel der regeering toch altijd nog, zooals in den
Republiektijd, in Den Haag gevestigd kunnen worden, wat dan ook is geschied.
Den titel van ‘Koning der Nederlanden’ heeft Willem I eerst 16
Maart 1815 aangenomen.
Zoo was dan in minder dan drie weken de geheele verandering in het
staatsbestuur tot stand gekomen, al werden verscheidene vestingen in allerlei
deelen van het land eerst langzamerhand door de Franschen ontruimd: Naarden na
een langdurig beleg eerst 12 Mei 1814 en ten slotte negen dagen later ook
Delfzijl, op last van Koning Lodewijk XVIII, die 2 Mei den Franschen troon had
beklommen, nadat Napoleon 11 April afstand van de regeering had moeten doen en
in zijne overbrenging naar Elba had moeten bewilligen. Eene bloedige
omwenteling was dat alles nauwelijks te noemen. Militaire heldenfeiten waren er
zoo goed als niet bedreven. Het volk had meer door toejuiching dan door daden
aan de omwenteling meegewerkt. Heldenmoed en voortvarendheid van enkele kloeke
mannen waren onder gunstige omstandigheden voldoende geweest om ons land tot
een onafhankelijk koninkrijk te maken onder de regeering van een telg uit het
stamhuis der Oranjes. Toch maakte die plotselinge omkeer van zaken, door
weinigen ernstig verwacht en voor velen zoo verrassend, een diepen indruk op
het volk; en dat ook onze dichters meejuichten over den val van den dwingeland,
die door zijn hardnekkigen oorlog met Engeland onzen handel en daarmee onze
welvaart had vernietigd, spreekt van zelf.
Onder de eersten, die het waagden zich reeds tijdens de omwenteling
zelf te uiten, behoorde
Samuel Iperusz. Wiselius. Hem had het
getroffen, dat in het veertiende hoofdstuk der profetieën van Jesaia de
val was geschilderd van een dwingeland, die zoo sprekend de trekken van
Napoleon vertoonde, dat alles bij Jesaia evengoed op hem kon worden toegepast,
als op den ouden koning van Babylon. Als voorspelling van Napoleon's val had
hij voor zich zelf eene ‘Berymde vertaling’ van die
profetie gemaakt. ‘Jehova zal zich eens ontfermen’, zoo ving het
gedicht aan, en nu het scheen, | | | | dat Jehova gereed stond, zijn
vreeselijk vonnis aan den Roover, den Volksbeul, den Trotschaard te voltrekken,
nu die Zoon des Dageraads, die Morgenstarre van voorheen op het punt was in den
afgrond neergebliksemd te worden, nu haastte Wiselius zich, de
‘Berymde vertaling’ vol Oosterschen gloed in het licht te
zenden.
Om den vaderlandschen moed op te wekken, werkte hij ook mee aan de
uitgave van een ‘Nieuw Liederenboekje’, dat van hem
zelf echter alleen een Fransch spotdichtje bevatte, maar van
Bilderdijk en van diens vrouw in den tweeden
druk, die nog in 1813 met hunne namen op den titel verscheen, zeven en vier
liedjes in den volkstoon. Eén daarvan is door Bilderdijk in den
versvorm van het ‘Wilhelmus’ geschreven, met den ouden nog
welbekenden aanvang; een ander van hem ‘vlecht het Oranje om den
hoed’; een derde juicht ‘bij het verheffen der Hollandsche
vlag’. ‘De moord van Woerden’ wordt door dichter en dichteres
beiden betreurd, terwijl in een ‘Krijgslied’ Bilderdijk
bij den terugkeer van den Oranjevorst aan het volk als refrein de strijdleus op
de lippen legt:
‘Voor Vrijheid, Eer en Vaderland! En glorierijk weerom!’
Andere liedjes had Bilderdijk reeds vroeger vervaardigd tegen de
Britten, die nu in Franschen verdoopt werden.
In dit kleine bundeltje was ook de
‘Katabasis’ van
Cornelius van Marle
1)
opgenomen, zonder dat diens naam op den titel vermeld werd, zoodat òf
Bilderdijk òf Wiselius er de dichter van scheen te zijn. Dat nu kon de
vader van dezen spotzang niet verdragen, en in de Haarlemsche courant van 1
Januari 1814 beklaagde hij er zich over, dat dit gedicht, en nog wel met
veranderingen, die geene verbeteringen waren, door anderen als het hunne in het
licht was gegeven. Wiselius verontschuldigde zich een paar dagen later
in dezelfde courant met de mededeeling, dat de namen der dichters buiten zijn
medeweten op den titel geplaatst waren en dat Bilderdijk, die het boekje ter
perse had gelegd, te onrechte de ‘Katabasis’ aan Wiselius had
toegeschreven. Om de hinderlijke fouten te herstellen en voorgoed zeker te zijn
van zijn letterkundig eigendom, gaf Van Marle in 1814 dit gedicht met
nog verscheidene andere in een bundeltje onder den titel
‘Rijmlarij’ uit. Zijne vroegere, in handschrift
verspreide, gedichten had hij daarin nog vermeerderd met eene
‘Napoleonade’ in vier zangen, vervaardigd, toen de
Fransche Keizer zich reeds op Elba bevond. | | | |
Behalve het Liederenboek gaf Bilderdijk in 1813 onder den
titel
Hollands Verlossing in der haast nog twee
dichtbundels uit, waartoe ook zijne vrouw acht gedichten bijdroeg en waarin
zijn ‘Afscheid’ voor 't eerst onverminkt werd
afgedrukt als eene nu vervulde profetie. Vele anderen wedijverden met hem, maar
slechts enkelen mogen wij vermelden, zooals
A.C. Schenk, die ‘Bij het opsteken
der Hollandsche vlag in Nov. 1813’ zijne blijdschap in versregels
te kennen gaf, den Rotterdamschen predikant
Jan Scharp, die sinds lang niet meer gewoon was
te dichten, maar als oud-oranjeman in 1814 toch niet kon nalaten een lierzang
aan ‘November 1813’ te wijden, en den jeugdigen
Isaac da Costa, die met ‘De
Verlossing van Nederland’ voor 't eerst in het openbaar als
dichter optrad.
Hadden de liefhebbers van rooken er zich aan geërgerd, dat in
plaats van geurige portorico en havanna nu slechts Amersfoortsche tabak of,
erger nog, sennebladen door hen konden worden gerookt, sinds Napoleon den
tabaksver koop als ‘regie’ tot staatsmonopolie had gemaakt, nu had
men weer vrij spotten met den ‘grooten koopman in tabak’, zooals
hij heet in een volksliedje, dat als een ‘Oranje-snuifje Napoleon werd
aangeboden door de Nederlandsche maagd. Alles wat den Keizer in den laatsten
tijd was overkomen, wordt daarin opgehaald en hem aangeboden als zoovele
snuifjes, die hem aan het niezen brengen, wat dan met een ironisch ‘wel
mag het u bekomen’ wordt beantwoord. Als dichter van dit zeer bekende
volksliedje wordt de Rotterdamsche rechter P. van Vollenhoven genoemd, maar
door anderen
Vincent Loosjes, de zoon van Adriaan
Loosjes, die er zelf nog ‘Een woordje aan Napoleon, gewezen koopman
in tabak’ op liet volgen en zich natuurlijk bij deze gelegenheid ook
verder niet onbetuigd liet, blijkens zijn gedicht ‘De Hollandsche
Zanggodinnen bij de verlossing van Nederland.’
Niet onbegrijpelijk, maar toch wel opmerkelijk is het, dat onze
dichters zich in dien tijd zoo zeer beijverden om hulde te brengen aan
Alexander, den Czaar aller Russen, aan wien men zich wel vooral tot dankbare
vereering verplicht rekende en in wien men den onverwinnelijken held zag, op
wiens onwrikbare wereldmacht Napoleon's krijgswoede zich te pletter had
geloopen. Zoo zong Loosjes met voorbijgang van andere vorsten:
‘Parijs aan de voeten van Keizer Alexander 31 Maart 1814’, en
schreef hij ook nog een ander gedicht: ‘De schim van Czaar Peter aan
Alexander, Keizer aller | | | | Russen’. Ook
R.H. Arntzenius wijdde een lierzang aan
‘Alexander, Keizer aller Russen’ (1814), terwijl
Adam Simons ‘Alexander Keizer
aller Russen’ zelfs in een dichtstuk van drie zangen
verheerlijkte.
Eerst met de ontruiming van Delfzijl en het einde van Naardens
beleg, dat
Marten Westerman en
Jan Jordens in 1814 bezongen, was ons land
geheel van de vreemde troepen bevrijd, maar toch besloten de beide
Amsterdamsche afdeelingen der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen reeds op 29
Maart 1814 Nederlands verlossing feestelijk te vieren.
Cornelis Loots was uitgenoodigd om bij deze
plechtigheid het hoofdwoord te voeren, natuurlijk in verzen, zooals men die van
den vurigen vaderlander kon verwachten. De Souvereine vorst was er met zijne
beide zoons bij tegenwoordig en daarom droeg Loots zijn gedicht, dat
hij onder den titel
Nederlands Verlossing uitgaf, dan ook aan hem
op.
In wat al te overspannen alexandrijnen wordt daarin door den dichter
eerst lucht gegeven aan zijne verontwaardiging over het verraad der als
vrienden ingehaalde, later als overheerschers opgetreden Franschen en wordt
alle ellende opgehaald, in den Franschen tijd geleden van een Napoleon, het
tegenbeeld van Hendrik den Groote, den bondgenoot tegen Spanje. En bij die
ellende voegde zich dan nog de schande der slavernij van een volk met zulke
grootsche herinneringen aan vrijheidshelden en kloeke voorvaderen, waarvan de
nazaten zoo jammerlijk verbasterd waren. Maar nu was de tijd van juichen
gekomen, en met eenige jubelende strophen over de herkregen onafhankelijkheid
eindigt het dichtstuk. Opmerkelijk is boven den aanvang van het gedicht een
vignet van R. Vinkeles, dat den aan eene zuil geklonken Nederlandschen leeuw
vertoont, door een Kozak ontketend; bewijs, dat men honderd jaar later met
niets nieuws voor den dag kwam, wanneer men nadrukkelijk wees op het aandeel,
dat de Kozakken aan Nederlands verlossing hadden gehad. De tijdgenooten kwamen
daarvoor blijkbaar niet minder openhartig uit, maar dat behoefde voor hen nog
geen reden te zijn om zich minder te verheugen over het herkrijgen der
onafhankelijkheid. Bij het begin en het slot dezer feestviering werden er
gezangen aangeheven, door
Barend Klijn gedicht en door J.W. Wilms op
muziek gezet.
Toen in November 1814 ‘De verjaring van Nederlands
verlossing’ werd herdacht, hief Loots weer een lierzang
aan, want ofschoon | | | | hij toen reeds de middaghoogte van zijn leven
was genaderd, dacht hij er niet aan, de lier aan de wilgen te hangen, al scheen
hij ook eene periode van zijn leven af te sluiten door in 1816-17 een gedeelte
van zijne vroegere gedichten, met eenige nieuwe of nog ongedrukte vermeerderd,
in vier deelen verzameld uit te geven. In 1819 echter leverde
De Mensch hem het onderwerp voor een leerdicht in
drie zangen, terwijl er in 1821 alweer ‘Nieuwe
gedichten’ van hem volgden. En dat ook daarna de geest der
poëzie vaardig over hem bleef, terwijl ook lang niet al zijne vroegere
dichtwerken in deze bundels waren opgenomen, bleek na zijn dood, toen zijne
vrienden
Tollens en
Van Hall nog twee deelen ‘Nagelaten
gedichten’ (1856) van hem konden uitgeven.
De meeste van die latere gedichten zijn gelegenheidsverzen, want in
Amsterdam kon toen geen enkel genootschap een jubilee of eenig ander feest
vieren, of Loots moest er volstrekt ter opluistering een gedicht toe
bijdragen. Ook bij heuglijke gebeurtenissen in het vorstenhuis, waarmee hij
zich gaarne verzoend had, zweeg hij niet. Onder zijne kleinere gedichtjes zijn
er echter nog wel eenige te noemen, die ons kunnen bewijzen, dat niet alleen
grootsche onderwerpen of openbare plechtigheden zijne belangstelling wekten, en
dat vooral de natuur hem aantrok. Een gedichtje op ‘Het
Nachtegaaltje’ (van 1820) b.v. zou alleen reeds voldoende zijn om hem de
gave niet te ontzeggen, ook in lieflijken, welluidenden vorm uiting te kunnen
geven aan teerder gevoel.
De weldadige rust, die op de omwenteling volgde, mocht niet van
langen duur zijn. Reeds begonnen zich sporen van nieuwe welvaart te vertoonen
bij herlevende handelsdrukte: ‘kisten, balen, vaten rolden langs de
straten’, zooals het volksliedje zeide, toen zich daar op eens in Maart
1815 het onheilspellend gerucht verspreidde: Napoleon is in Zuid-Franrijk
geland, oud-gedienden, ja, de geheele bevolking, alles sluit zich bij hem aan
en rukt met hem op naar Parijs! Honderd dagen zou hij daar nog eens de
keizerskroon dragen, en dat hij niets onbeproefd zou laten om zijne vroegere
macht ook buiten Frankrijks grenzen te herwinnen, begreep iedereen.
Nu kwam het er op aan, de herkregen onafhankelijkheid met de wapens
te handhaven, en aan opwekking van de flauwhartigen tot den strijd ontbrak het
dan ook bij onze dichters niet. Weer stond
Loots vooraan met zijn lierzang
‘Opwekking aan de Neder- | | | | landers’,en
Barend Klijn volgde met eene
‘Aanmoediging’.
Tollens deed een ‘Vaderlandsche
wapenkreet’ hooren, en menige ‘Wapenkreet’ werd er
ook door anderen aangeheven: door
Bilderdijk, door
J.L. Nierstrasz, door Mr.
Jean Brand van Cabauw, die zelf als hopman bij
den landstorm in dienst trad.
Hoe luid de dichters jubelden, toen door den slag bij Waterloo
Napoleon's ondergang onherroepelijk was geworden, en hoe hoog zij den lof
verhieven van den Prins van Oranje, die eerst door zijn kloeken tegenstand bij
Quatre-Bras de overwinning mogelijk had gemaakt en kort daarop bij Waterloo
zijn bloed voor vorst en vaderland had vergoten, daarover behoeft niet te
worden uitgeweid. Van al die lofzangen noem ik er slechts enkele. De predikant
A.N. van Pellecom bezong in een lierzang
‘De slag van Belle-Alliance’. ‘Jehova,
Neerlands redder’ werd dankbaar gehuldigd door
Carel Pantekoek, toen opnieuw predikant te
Breda, waar hij ook reeds predikant was geweest,
vóór hij in 1795 als oranjeman was ontslagen. Ook aan
W.H. Warnsinck gaf ‘De Val des
Dwingelands’ stof voor stichtelijke vreugde. ‘De
slag van Waterloo’ was ook het onderwerp voor een lofdicht van
Willem Messchert, en
A.J. Zubli hief daarover een
‘Triomfzang’ aan. ‘Neerlands rijk
hersteld en gehandhaafd’ was de titel van een lierzang van
D.J. van Lennep, en ook
Spandaw bezong in een lierzang
‘Nederlands behoud’.
Reeds in 1813 had Mr.
Hajo Albert Spandaw eene dichterlijke
ontboezeming, ‘Nederlands verlossing’, uitgegeven.
‘Een wonder in onze oogen’ noemde hij toen die verlossing. Als op
Gods stem was ‘Neerland herboren’, maar ook aan de vorsten der
Bondgenooten, die God tot zijne werktuigen koos, wilde de dichter gaarne zijne
dankbare hulde brengen, al werd die ook overstemd door den algemeenen
juichkreet: ‘Oranje komt!’ Voortaan zou het nu
‘één vorst, één volk, één
doel’ zijn en weldra zou ‘de gouden eeuw herrijzen’, zooals
hij in zijn liedje ‘Het Volksgezang’ zeide.
Spandaw, wiens verzamelde werken, schoon zij later nog door
andere gevolgd werden, in 1837-38 in vier deeltjes werden uitgegeven, maakte
zich in 1817 vooral door zijne ‘Vaderlandsche Poëzij en
Liederen’ populair, zelfs dan, wanneer hij eene enkele maal voor
zijne vaderlandsche ontboezemingen den rijmloozen versvorm koos, zooals in zijn
lied: ‘Nederland! Nederland! erf onzer vad'ren! Nederland! Nederland!
grond ons zoo dierbaar! Heilige | | | | moeder, U rijze de lofzang, dien
wij als dankbare zonen u wijden’ (van 1814).
Grooter bijval nochtans viel te beurt aan zijn op de muziek van J.
van Boom alom gezongen lied op ‘De Nieuwe Haring’,
met den aanhef: ‘Triomf! de vreugde stijgt in top: Hijs, Holland, vlag en
wimpels op, en doe den jubeltoon nu dav'ren langs uw strand! Daar komt de kiel,
met goud belaân: zij brengt ons d'eersten haring aan! 't Is feest in
Nederland. - 't Is feest! een eigen Hollandsch feest! 't Is heilig, 't brengt
ons voor den geest den tijd van onzen roem, den tijd van onze schand. Triomf!
de nacht van schande zonk. Triomf! de dag van glorie blonk voor 't vrije
vaderland.’
Bekrompen opvatting van later tijd, die zich niet meer wist in te
denken in de omstandigheden, waaronder dit lied geboren werd, zag er niet meer
in dan de vreugduiting van een lekkerbek, die met een fonklend wijnglas in de
hand een toast wijdt aan ‘dat kostlijk zeebanket’, dat hij voor
zich ziet staan, ouder gewoonte met ‘de gouden goudsbloem
versierd’. Maar die goudsbloem was het zinnebeeld der Oranjes, en hoevele
jaren had het toen niet geduurd, dat de haringvloot, waaraan Holland geen
gering deel zijner welvaart dankte, niet had kunnen uitzeilen en dat kostlijk
zeebanket verboden lekkernij was geweest! Met welk eene verrukking moet men
destijds het binnenloopen der eerst haringbuizen hebben begroet! Voor velen was
dat het treffend symbool der herwonnen onafhankelijkheid, het blijde voorteeken
van den wederopbloei onzer zeevaart en visscherij: en toen Spandaw de
gelukkige gedachte had, zich van de volksvreugde daarover op eenvoudige, maar
pakkende wijze den tolk te maken, schiep hij daarmee een in den waren zin des
woords historisch volkslied, dat als zoodanig in eere verdient te blijven.
Datzelfde kan niet gezegd worden van een ander, eertijds niet minder
geliefd en daarom hier te vermelden, gedicht van
Spandaw, ‘Het
vogelnestje’ (van 1822). ‘Ziet ge ginds den pronk der
dalen, dien verheven popelboom (of ‘eikeboom’)’, zoo vangt
het aan, om dan verder te vertellen, dat daarin een ‘minnend
vog'lenpaar’ een nestje had gebouwd, maar bedreigd werd door een slang,
die zich om den boom had gekronkeld en op het punt was, de jonge vogeltjes te
verslinden, toen God persoonlijk tusschen beiden trad en met zijn bliksem
‘dat wangedrogt in den vuigen kop trof.’ Immers: ‘de onschuld
wordt door God bewaakt’. Dat God zoowel | | | | een God der slangen
als der vogels is, begrepen de meesten toen blijkbaar nog niet, maar vele
gevoelswezentjes begrijpen dat tegenwoordig nog niet.
Een kunstbeoefenend stadgenoot van Spandaw was de
Groningsche hoogleeraar
Jan ten Brink
1) (geb. 1771 † 1839), die
als vrijmoedig Franschenhater althans temperament genoeg bezat, zij het ook
geene daaraan geëvenredigde kunstvaardigheid. Reeds vóór de
omwenteling had hij verzen geschreven, die tegen Napoleon gericht waren, en
reeds in ‘Augustus 1813’ had hij over diens
naderenden val een juichkreet aangeheven. Na de bevrijding wendde hij zich met
eene ‘Opwekking tot de Nederlandsche dichters’,
bezong hij den ‘Vrede van 1814’ en bespotte hij den
gevallen heros (onder den familiaren naam Nap of Napje) in een toen niet
ongebruikelijken, maar weinig verheffenden trant na diens nederlaag bij
Waterloo. Deze en andere verzen van hem kan men vinden in zijn bundel
‘Gedichten’ van 1823, waarvan het de moeite niet
loont nog verder gewag te maken, al mocht deze stem uit het Noordoosten des
lands ook niet geheel onopgemerkt blijven, als bewijs, welk een geest toen niet
alleen Holland, maar ook de overige deelen van het nieuwe koninkrijk bezielde,
dat zich, ook bij de beoefening der kunst, meer en meer eene eenheid begon te
gevoelen.
Voor het heuglijk feit van het herstel der onafhankelijkheid van ons
land moest een luisterrijk gedenkteeken worden opgericht, ook in den vorm van
een waardig gedenkschrift, dat in kunstrijke taal zou blijven spreken tot het
nageslacht. Zóó ten minste dacht de grijze vaderlander, de
Luit.-Admiraal Van Kinsbergen, en hij loofde daarom een eereprijs uit, die door
eene, door hem benoemde, commissie van vier leden met eenparigheid van stemmen
werd toegekend aan den hoogleeraar
Johannes Henricus van der Palm
2). Niemand voorzeker
zou men hebben kunnen vinden, meer geschikt om te schrijven, wat hij niet uit
eerbejag (want zijne eer behoefde geen hooger glans), maar uit plichtbesef en
innerlijken aandrang opstelde om mee naar den eereprijs te dingen. In September
1816 zag zijn | | | |
Geschied- en redekunstig Gedenkschrift van
Nederlands herstelling in den jare 1813 het licht.
Om te kennen te geven, wat er mee verlangd werd, was gewezen op de
geschiedbeelden van Sallustius, en die vingerwijzing heeft Van der
Palm zich ook te nutte gemaakt. Daardoor herinnert zijn Gedenkschrift ook
in menig opzicht aan Hooft's Historiën, zooals Sallustius ons vanzelf
dikwijls aan Tacitus doet denken. De geest der Latijnsche oratorie ademt er ons
uit tegen; doch dat maakt er niet de ware verdienste van uit, ofschoon het aan
den stijl eene eigenaardige kleur heeft gegeven. De groote verdienste er van
is, dat het, evenals de werken van Sallustius, ons zulk een duidelijk, treffend
en in alle onderdeelen oorzakelijk-verklaard beeld geeft van wat er werkelijk
is voorgevallen, dat ons de Omwenteling er in haar geheel verloop helder door
voor oogen komt. En toch is het geen betoog, maar een schilderend verhaal,
neergeschreven met de, dikwijls van aandoening bevende, pen eens mans, die
alles mee heeft doorleefd en volkomen heeft begrepen, wat hij doorleefde, al
scheen het hem aanvankelijk ook een wonder toe.
Geheel vervuld van de groote beteekenis der slechts door enkelen zoo
stoutmoedig bewerkte en als boven bidden en denken geslaagde Omwenteling, heeft
de schrijver in zijne voorstelling ernstig naar waarheid gestreefd en zich niet
aan eenzij dige bewondering overgegeven, maar zich voor overdrijving trachten
te behoeden. Met enkele juist gekozen woorden lakende, waar hij niet prijzen
mocht, heeft hij daarentegen met welgevallen de karakters geteekend van die
mannen, aan wie de Omwenteling bovenal te danken was, en zóó met
deze keurige karakterschetsen eene eerzuil gesticht voor mannen als Van
Hogendorp, Van Limburg Stirum, en Van der Duyn van Maasdam in de eerste plaats,
maar geene mindere voor Falck en Kemper, hunne kloeke medestanders. En daarmee
heeft hij hun aantrekkelijk beeld diep ingedrukt in den geest van het
nageslacht, waarvoor zijn Gedenkschrift als tot een episch gedicht geworden is,
dat aan de gebeurtenissen van 1813 een onuitwischbaren stempel heeft opgedrukt,
zoodat wij ze ons nu moeielijk anders kunnen denken, dan hij ze heeft
voorgesteld.
Van der Palm had, naar zijne eigene mededeeling, er de
voorkeur aan gegeven, de Omwenteling te beschouwen ‘als het gewrocht van
ééne oorzaak, overal aanwezig, werkende waar zij slechts werken
kon en zoo als het de omstandigheden gedoogden; maar | | | | gewijzigd,
bestuurd, tot een heerlijk einde gerigt door den moed en het beleid van
weinigen, die, sterk door het algemeen gevoelen, sterker nog door eigen kracht
en deugd, allen en alles rond om zich vereenigden’. Maar hij wist, dat
die Omwenteling ook op andere wijze te beschrijven was, ook als eene
opeenvolging van feiten in verschillende deelen des lands gelijktijdig of
achtereenvolgens geschied en tot ééne uitkomst samenwerkend.
Zóó nu vinden wij in eenvoudigen stijl de Omwenteling tot in
kleine bijzonderheden beschreven door den Amsterdamschen hoogleeraar Mr.
Herman Bosscha
1), wiens
‘Geschiedenis der Nederlandsche Staats-omwenteling van
achttienhondert dertien’ in 1817 in twee deelen het licht
zag.
Dat het nieuwe koninkrijk, sinds 9 Juni 1815 door de groote
mogendheden erkend als het Koninkrijk der (ook Zuidelijke) Nederlanden, door
zijne aanmerkelijke vergrooting van grondgebied ook macht genoeg had verkregen
om naar buiten, zelfs gewapend, op te treden, bleek in 1816 uit de tuchtiging
der Algerijnsche zeeroovers door de gezamenlijke actie van eene Engelsche en
eene Nederlandsche vloot. Welk eene gelukkige tegenstelling was dat met den
ellendigen toestand, waarin onze vloot zoolang had verkeerd! Geen wonder dan
ook, dat menigeen zich reeds eene toekomst begon te droomen, waarin ons land
weder de machtige zeemogendheid van voorheen zou zijn, en dat verscheidene
dichters, zooals
A.J. Zubli,
Wiselius en
Brand van Cabauw het bombardement van Algiers
als een grootsch heldenfeit bezongen.
Staring wijdde er, behalve een lierzang, ook
eene samenspraak aan in den Zutfenschen tongval, die hij ook in het
Nederlandsch vertaalde.
Ook
Adriaan Loosjes, nog steeds vaardig met de pen,
hetzij in gebonden, hetzij in ongebonden stijl, toonde bij deze gelegenheid
zijn dichtijver. Hij zou dat blijven doen tot zijn dood, 28 Februari 1818, en
zelfs tegen omvangrijke dichtwerken niet opzien. Dat waren vertalingen, en wel
van ‘Les trois règnes de la nature’ van
Délille, als ‘De drie rijken der
natuur’ (1814) in drie deelen, en van
Huygens', toen voor het eerst uitgegeven, dichtstuk
‘De Vita propria’, als ‘Het leven van
Constantijn Huygens’, dat eerst na den dood van den vertaler, in
1821, het licht zag als de verdienstelijke uitvoering eener niet gemakkelijke
taak, want, welke | | | | gaven men aan Loosjes als dichter ook
moge ontzeggen, vaardigheid in taalgebruik en versbouw had hij zich door lange
oefening in elk geval wel eigen gemaakt, en meer was er voor eene goede
vertaling niet noodig.
Weinige jaren later overleed een ander dichter van de oude garde,
Rhijnvis Feith. Al jaren lang had hij met een
zwak, wegkwijnend lichaam den dood te gemoet gezien, toen hij 8 Februari 1824
te Zwolle ontsliep in de armen van Elsje, zijne jongste dochter
die hem gedurende zijne laatste levensjaren trouw had verzorgd nadat zijne
echtgenoote, Ockje Groeneveld, hem 12 Juni 1813 was ontvallen. Een gedicht bij
haar dood kon hij nog toevoegen aan den vijfden en laatsten bundel
Oden en Gedichten, dien hij in 1812 voor de pers
gereed had gemaakt, niet denkende, dat deze nog bij zijn leven het licht zou
zien, zoodat het slotgedicht dan ook ‘Mijn laatste
dichtsnik’ tot opschrift heeft. Tot het beste in den bundel
behoort m.i. de cantate ‘De Zomersche dag op het
land’.
Met de verlossing van zijn land evenwel scheen hij weer opgeleefd,
zoodat hij weer van ‘gloed in d'aadren en jeugdige aandrift in zijn
bloed’ kon spreken in het juich- en danklied, waarin ‘De val van
Napoleon’ door hem werd bezongen en dat hij ook nog aan den bundel
toevoegde, toen hij dezen in 1814 zelf uitgaf met opdracht aan den Souvereinen
Vorst, dien ook hij evenals zoovele oud-patriotten, met ingenomenheid den troon
zag beklimmen. Ook in de volgende tien jaren, die hij nog te leven had en
waarin hij dankbaar genieten kon van 's lands onafhankelijkheid, de vereering
en genegenheid zijner vrienden en het vreedzaam landleven op zijn gastvrij
Boschwijk, heeft hij zich nu en dan nog wel tot dichten opgewekt gevoeld. Dat
blijkt uit zijn bundel
Verlustiging van mijnen ouderdom (van 1818),
waarin ook nog eene cantate: ‘De Verlossing van Nederland’
voorkomt, en uit twee bespiegelende leerdichten in alexandrijnen, in 1821 met
elkaar uitgegeven:
De Eenzaamheid en
De Wereld.
Het laatste gedicht bestaat uit twee zangen, waarvan de eerste
‘'t heil’, de tweede ‘'t onheil’ der wereld bespreekt.
Is ‘bespreken’ misschien eene wat ongepaste uitdrukking? Ik geloof
het niet, want ondanks de vloeiendheid, welluidendheid zelfs der verzen, hunne
beeldrijkheid en enkele verdienstelijke beschrijvingen, is de toon van
‘den grijzen bard’, zooals Feith zich zelf noemt, over het
algemeen al even prozaïsch als zijne gedachten. Of is er | | | | iets
verheffends in deze uitspraak, die den grondtoon van den eersten zang uitmaakt
‘'t Is alles door een God, wiens liefde nimmer zwicht, tot nut of tot
vermaak des Menschdoms ingerigt’? En de dichter schijnt dat zelf nog niet
eens recht te gelooven, want hij noemt tegelijk 's werelds schoonheid een
onwezenlijk schijnschoon, ons door het brilleglas der verbeelding
voorgetooverd, maar wanhopig teleurstellend, wanneer dat verbeeeldingsglas ons
ontvalt. Dat deze wereld zoo vol ellende is, wijt de dichter niet aan een ander
verbeeldingsglas, maar heet in den tweeden zang de schuld van 's menschen
verkeerde neigingen, en voorbeelden lichten dat toe, maar niettemin heet
‘de dood voor de Rede een koning der verschrikking’, en slechts
voor den Christen een verlosser en aanbrenger van hemelsche zaligheid.
‘De Eenzaamheid’ is eene bespiegeling in
drie zangen, zonder eenige kunst van samenstelling, 't Is de mijmering, waaraan
een zwakhoofd zich in de eenzaamheid overgeeft, zelf niet wetend, hoe hij van
het eene onderwerp op het andere verdwaalt. Opmerkelijk is in den tweeden zang
de griezelige liefdes-episode van den wilden wereldling De Rancé, later
abt der Trappisten, door Feith naar diens eigen briefverhaal vrij
bewerkt. Het bewijst, welk eene magische bekoring er voor
Feith levenslang is blijven uitgaan van het hem
bij afwisseling toelonkend en tegengrijnzend spooksel des doods, dat steeds om
hem rondwaarde.
Aan de vriendelijke zachtmoedigheid, waarmee hij spot en
bestrijding, die zijne letterkundige richting gevonden had, wist te verdragen
en zelfs te vergeven, had Feith het zeker voor een groot deel te
danken, dat hij tot op zijn hoogen leeftijd bij zijne tijdgenooten in eere
gebleven is, en dat een groot aantal letterkundige vrienden een jaar na zijn
dood eene papieren ‘Gedenkzuil’ voor hem hebben gesticht, prijkend
met zijn zeer goed door P. Velijn gegraveerd portret. Het werk wordt geopend
met eene uitvoerige lofrede, kort na zijn dood op hem uitgesproken door
M.C. van Hall, en besloten met niet minder dan
zestien rouwzangen, waaronder van
Loots, de gebroeders
Klijn,
Staring,
Van Walré,
Nierstrasz en ook van
Tollens, die daar met nadruk Feith zijn
‘vader’ in de dichtkunst noemt, en hem vooral prijst als den zanger
van ‘God en 't Vaderland’ en hem eert om zijn deugdzaam karakter,
zijne nederigheid en zijne van kunstnijd geheel vrije waardeering zijner
kunstgenooten. ‘Uw roem zal Neerland | | | | heilig zijn’ roept
hij uit, met meer hartelijkheid dan helderheid van blik in de toekomst.
Onder de rouwzangen kwam er ook een voor van
Willem Hendrik Warnsinck
1) (te Amsterdam in 1782 geboren en in 1857
overleden), die in de ‘Gedenkzuil’
Feith ‘schetste uit zijne gemeenzame brieven’,
want hij had in Feith's laatste levensjaren eene drukke briefwisseling
met hem onderhouden en hem dikwijls op Boschwijk en in
Zwolle bezocht. Zijne geestverwantschap met Feith was zoo
groot, dat hij wel diens jongste leerling mag worden genoemd en daarom ook veel
bijval vond bij diens bewonderaars al is aan zijne ‘Proeve van
gewijde Poëzij (van 1821), aan zijn bundel
‘Gedichten’ (van 1828) en aan andere dichtwerken van
hem geen lang leven beschoren geweest.
Te begrijpen is het, dat voor Feith geen rouwzang werd
aangeheven door
Bilderdijk, die misschien gevoeld heeft, dat
juist om hem onaangenaam te zijn de geheele letterkundige wereld in Feith als
om strijd den aartspoëet huldigde. Evenmin kon men een rouwzang verwachten
van
Kinker, die zich toen trouwens te Luik bevond,
waarheen hij in 1817 met een geestig gedicht ‘Mijn afscheid aan Y
en Amstel’ vertrokken was, om er als hoogleeraar in de
Nederlandsche taal en de wijsbegeerte op te treden, en waar hij in
vaderlandschen geest werkzaam was, tot de opstand van 1830 hem dwong, naar het
Noorden terug te keeren. Hij vestigde zich toen weer in Amsterdam
en overleed daar 16 September 1845. Na de Omwenteling, waarover hij hartelijk
meejuichte, had hij zijn vroegeren letterkundigen arbeid nog eens overzien en
van 1819-21 zijne ‘Gedichten’ in drie deelen uitgegeven, maar
daarna is hij nog slechts enkele malen als dichter opgetreden. Toch wist hij er
wel voor te zorgen, dat men hem niet vergat, want vooral als criticus heeft
deze geestige man met zijn scherp oordeel en zijne onverbiddelijke logica in
geschriften en in den omgang destijds misschien grooter invloed op onze
letteren geoefend, dan iemand anders. Zelfs zij, die zijn van kerkgezag
afkeerig rationalisme afkeurden, ontzagen zijne uitspraken op letterkundig
gebied en schaarden zich gaarne om hem heen, waar het gold in Bilderdijk en
later in diens leerlingen het obscurantisme te bestrijden.
|
1)Ter kenschetsing van de Omwenteling van
1813 is het voor de geschiedenis der letterkunde voldoende te verwijzen naar de
in den tekst (beneden) besproken Gedenkschriften van Van der Palm en van Herman
Bosscha, en voor de regeering van Koning Willem I in den daarop volgenden tijd
naar Jer. de Bosch Kemper, De Staatkundige geschiedenis van Nederland
tot 1830, Amst 1868.
1)Zie daarvoor boven, bl. 366.
1)Voor hem zie men W.B.S. Boeles in
Gedenkboek der Hoogeschool te Groningen, Gron. 1864. Bijlagen, bl.
124-126. In proza bezitten wij van hem o.a. goede vertalingen der grootere
werken van Xenophon: Anabasis (1808), Cyropaedie (1813) en Memorabilia (1819),
en van Plato's Apologie en Crito (1801).
2)Voor J.H. van der Palm zie men boven, bl.
214-217 en voor korte aanteekeningen op het handschrift van Van der Palm's
Gedenkschrift door A.R. Falck zie men Nic. Beets, Verscheidenheden meest op
letterkundig gebied I (Haarlem) 1858) bl. 91-112.
1)Van Herman Bosscha vindt men eene
levensschets door W.B.S. Boeles in Gedenkboek der Hoogeschool te
Groningen, Gron. 1864, Bijlagen bl. 112 vlg.
1)Van W.H. Warnsinck Bz. vindt men eene
‘Autobiographie’ in het ‘Algemeen Ned. Familieblad’, II
bl. 93 vlgg.
|
|