|
|
|
| | | | | |
Tweede afdeeling.
Over de bijzondere spelregels, waaromtrent verschil van gevoelen
bestaat.
Daar de Redactie, om redenen in het Voorbericht en in § 27 en
28 opgegeven, voor de door haar te volgen schrijfwijze de in Noord-Nederland
gebruikelijke spelling als uitgangspunt heeft aangenomen, en deze genoegzaam
bekend mag geacht worden, heeft zij het overtollig gerekend het geheele
spellingstelsel te ontvouwen. Deze Tweede Afdeeling bevat dus slechts eene
opgave der verbeteringen, die haar wenschelijk zijn voorgekomen, benevens eene
vermelding van de keuze, die zij gemeend heeft te moeten doen uit de
onderscheidene spellingen, ten opzichte waarvan onder onze letterkundigen
verschil van gevoelen bestaat.
| |
De klinkers.
68.De verlenging der a en u in geslotene lettergrepen
geschiedt buiten twijfel op de meest gepaste wijze door verdubbeling. De
spelling aa en uu beantwoordt zoowel aan de uitspraak, als zij
door de analogie gewettigd en door de etymologie niet gelogenstraft wordt. Zij
verdient dus zeer zeker de voorkeur boven ae en ue. Ik behoef
over dit punt hier niet uit te weiden: ik mag volstaan met te verwijzen naar
het opzettelijk betoog, onlangs door mij geplaatst in De Taalgids, IV,
bl. 54 - 64.
69. Onder de regels omtrent vier toepassing de gevoelens der
taalkundigen uiteenloopen, staan die aangaande de verdubbeling der e's
en o's
| | | | in opene lettergrepen bovenaan. Siegenbeek en
Weiland volgden daarbij de uitspraak, welke heerschte,
of geacht werd te heerschen, in die streken, waar de genoemde letters op
tweederlei wijze, met den zoogenoemden zachten of met den scherpen klank,
worden uitgesproken. Hunne handelwijze was natuurlijk. Immers, de verdubbeling
der letterteekens moest dienen om de meer gerekte, naar een tweeklank zweemende
uitspraak der scherpe e en o van den eenigzins korteren, meer
gelijkmatigen klank der zachte voor het oog te onderscheiden. Juist dat
verschil in de uitspraak had het eerst het verschil in de natuur dier letters
doen opmerken, terwijl de studie der Germaansche talen te hunnen tijde nog niet
ver genoeg gevorderd was om den diep liggenden oorsprong van dat verschil te
leeren kennen. Zij konden nog niet tot de oorzaken opklimmen, en moesten dus
hun onderzoek tot de gevolgen beperken. De uitspraak echter is in dit geval
geen onfeilbaar en toereikend richtsnoer. Dit blijkt onder andere uit de wijze
waarop Siegenbeek genoodzaakt was te werk te gaan bij de woorden, waaromtrent
hij bij de schrijvers verschil van gevoelen gevonden had, en die hij daarom
achter zijne Verhandeling over de Spelling aan een bijzonder onderzoek
onderwierp. Bij al die woorden was hij verplicht, de schrijvers, die het
onderscheid in de uitspraak in hunne spelling uitdrukten, te raadplegen, hunne
getuigenissen te wikken en te wegen en als het ware de stemmen voor en tegen te
tellen. Waar men in eene wetenschap tot eene stemopneming zijne toevlucht moet
nemen, is de evidentie der waarheid niet groot; maar vooral hier bleek
duidelijk de zwakheid van den grondslag, waarop gebouwd werd. Als men dat
groote vijftigtal artikels naleest, ziet men, dat niet alleen schrijvers, op
verschillende plaatsen woonachtig, in hun oordeel over de uitspraak van
dezelfde woorden onderling verschilden, maar ook dat velen zich zelven niet
gelijk bleven. Men moge dit laatste verschijnsel aan slordige correctie willen
toeschrijven, het bewijst in allen gevalle, dat de ware uitspraak niet
zóó kennelijk van de valsche onderscheiden was, dat de corrector
zich niet vergissen kon. Doch volstrekt onloochenbaar is het verschil tusschen
de uitspraak van dezelfde woorden in verschillende gewesten en steden. Volgens
het beweren van Siegenbeek zelven worden heeten, keten, menigte, smeeken,
spenen, betoogen, genoot, klooven, loochenen, nopen, personen en
schromen in Rotterdam anders dan in Zeeland uitgesproken, terwijl men in
deze provincie zoowel poogen als pogen, en te Rotterdam zoowel
tonen, als toonen zou hooren. Dat er ten opzichte van andere
woorden reeds in de laatste helft der zestiende eeuw eene dergelijke
onzekerheid bestond, kan men opmaken uit het woordenboek van
Kiliaan, die aan de uitspraak bijzondere aandacht schonk
en zich gehouden achtte een aantal woorden als deren, kelen, nering,
peren, scheren, smeren, teeder, telen, teren, weren, zweren, zweven,
bogen, boren, dolen, smoken enz. onder de beide vormen op te teekenen. Nog
heden is b.v. het Vlaamsche woonen van het Holl. wonen kennelijk
onderscheiden. | | | | Uit het aangevoerde blijkt overtuigend, dat het
verschil in de werkelijke uitspraak der woorden, hetwelk vroeger het geheele
land door moet geheerscht hebben, maar zich thans tot zekere streken en steden
bepaalt, voor de spelling slechts een onzekeren grondslag kan uitmaken. Daarbij
is het te voorzien, dat het eenmaal geheel ophouden zal. Men heeft om die
redenen naar een ander beginsel om te zien, dat in substantie dezelfde
uitkomsten oplevert, maar niet aan verandering onderhevig is, niet dreigt
geheel te verdwijnen, en in twijfelachtige gevallen met zekerheid kan
beslissen. Zoodanig beginsel vinden wij gelukkig in den oorsprong der
e's en o's. Door de onderzoekingen der nieuwere taalkundigen
namelijk is gebleken, dat de talen van den Indogermaanschen volkstam
oorspronkelijk slechts drie vocalen, a, i en u (lees: oe)
bezaten, en dat al de overige klinkers, ook de e en o, uit die
grondvocalen en de daaruit zamengestelde tweeklanken ontstaan zijn; zie onder
anderen
Bopp, Vergleich. Gramm. des Sanskrit, Send etc.
§ § l - 104. Deze stelling is de spil, waarom het gansche
vocaalstelsel, ook dat der Germ. talen, draait; met haar kunnen alle
verschijnselen op het gebied der klankleer in genoemde talen natuurlijk en
ongedwongen verklaard worden; zonder haar blijft alles duisternis en verwarring
*. Doch al wil men haar ook al niet voor alle
Indogerm. talen als geldig erkennen, voor het Nederlandsch is zij niet te
loochenen. Immers, het kan, op weinig uitzonderingen na, aangetoond worden, uit
welke van die grondklanken onze e's en o's ontstaan zijn, terwijl
de weinige gevallen, waarin men dat niet kan, worden aangetroffen bij het
betrekkelijk geringe getal woorden, wier ouderen vorm men tot nog toe niet
heeft kunnen ontdekken.
Eene vergelijking der Nederl. woorden, waarin e's en
o's voorkomen, met dezelfde of verwante woorden, hetzij in onze eigene
taal, hetzij in andere oudere of nieuwere Germ. talen, leert dat de e en
o beide driederlei | | | | oorsprong hebben: dat de e eene
wijziging van i, a of ai, en de o van u
(oe), a of au is. Verder blijkt, dat de lange heldere of opene
e's en o's, uit de enkelvoudige, oorspronkelijke klinkers a,
i en u (oe) ontstaan, juist diegene zijn, waaraan algemeen, behalve
natuurlijk in de twijfelachtige gevallen, de zoogenoemde zachtlange
klank wordt toegekend; terwijl de ineengesmolten tweeklanken ai en
au aan erkende scherplange e's en o's beantwoorden.
Door deze waarneming worden bijna alle verschijnsels, die men in de
geschiedenis onzer e's en o's en in hunne verwisseling met andere
klanken opmerkt, volkomen opgehelderd. Zij verklaart vooreerst, hoe het komt,
dat men die letters in verscheidene gewesten op tweederlei wijze uitspreekt, en
waarom de scherpe daar langer zijn dan de zachte en nog een zweem van een
tweeklank hebben. - Vervolgens, waarom de zachtlange é met a,
i en de korte è, en de zachtlange ó met de korte
ò afwisselt, b.v. in stad - steden, vagen - vegen, gift -
geven, nicht - neef, spel - spelen, gebed - gebeden; ik kom - zij
komen, lot - loten; en waarom de scherplange e's en o's met
de tweeklanken ei (ai) en ou (au) verwisseld worden, b.v. in
gereed en bereiden, breed en verbreiden, boom en
bouwen, troost en vertrouwen. - Die waarneming eindelijk
verklaart in vele gevallen, hoe het komt, dat een zelfde woord op tweederlei
wijze wordt uitgesproken, daar zij aantoont, dat men dan meestal twee
verschillende woorden verward en voor hetzelfde gehouden heeft; bv. beer
(ursus) en beer (verres), deel (pars) en deel (asser);
klooven (doen splijten) en kloven (imperf. van kluiven en
meerv. van kloof).
De Redactie, het een en ander in aanmerking nemende, heeft besloten
den oorsprong der e's en o's als grondbeginsel der vocaalspelling
aan te nemen. Zij meent hare redenen aldus kortelijk te kunnen zamenvatten:
De ware uitspraak der e's en o's is niet op te maken
uit de vroegere schrijfwijze, noch uit de uitspraak der hedendaagsche
dialecten, omdat het blijkt, dat het in beide aan volkomene overeenstemming
ontbreekt. Bovendien neemt het onderscheid tusschen den zachten en scherpen
klank dagelijks af, wordt daardoor steeds onzekerder en zal waarschijnlijk
eenmaal geheel verdwijnen, gelijk het in sommige streken, en daardoor in de
zoogenoemde beschaafde uitspraak, reeds heeft opgehouden te bestaan.
Daarentegen is de verschillende oorsprong der klinkers een onveranderlijk en
onloochenbaar feit, hetwelk, als oorzaak van het onderscheid in de uitspraak,
grootendeels tot dezelfde uitkomsten leidt, en geheel tot dezelfde leiden zou,
indien er nooit verwarring en verwisseling van klanken had plaats gehad.
Daar het niet te loochenen is, dat de onderscheidene dialecten ten
opzichte van een aantal woorden uiteenloopen, zou men genoodzaakt zijn uit de
verschillende tongvallen eene keus te doen. Wie of wat zal die keus bepalen?
Aan welk gewest zal de eer te beurt vallen aan al de Nederlanden de wet voor te
schrijven? Zal het Oost- of West-Vlaanderen, | | | | Brabant of Antwerpen,
Zeeland of Maasland, Zutfen of Overijsel wezen? Daarentegen is de oorsprong der
e's en o's een feit, dat voor alle gewesten en tongvallen
hetzelfde is. Neemt men dien grondslag aan, dan behoeft er geene keus gedaan te
worden, waardoor iemand zich verongelijkt kan rekenen; men is dan billijk
jegens allen, ook jegens hen, die geen onderscheid in de uitspraak meer maken,
en die de onderscheiding der zachte en scherpe e's en o's als een
last beschouwen.
Al mocht men eenparig besluiten de uitspraak van eene bijzondere
landstreek of plaats als wetgeefster te erkennen, die maatregel zou
ontoereikend bevonden worden. Vooreerst kunnen de bewoners van andere plaatsen
die uitspraak niet leeren kennen, zonder zich daar een geruimen tijd met der
woon te vestigen. Doch er is iets, dat meer afdoet. In de schrijftaal komen een
aantal woorden voor, die niet algemeen zijn, die op de eene of andere plaats
niet gebezigd worden. Hoe zal men handelen met de woorden, die in het
bevoorrechte dialect niet gebruikt worden? en hoe met dezulke, die in het
geheel niet meer tot de volkstaal behooren? Ten aanzien van zoodanige woorden
zou men dan toch het aangenomen beginsel moeten verlaten; en naar welk kenmerk
dan te werk te gaan? Daarentegen geeft de oorsprong der e's en
o's een kenmiddel aan de hand, dat uit zijnen aard op alle woorden
toepasselijk is, dat voor de dialecten, op weinige uitzonderingen na, dezelfde
uitkomsten geeft, en dat ten minste voor alle taalbeoefenaars, ook in de
streken waar geen onderscheid meer gehoord wordt, toegankelijk is.
Het schrijven naar de uitspraak is gegrond op feilbare waarnemingen
van bijzondere individuen, wien het aan fijnheid van gehoor kan ontbreken. Het
spellen naar den oorsprong der e's en o's is gegrond op het
onderscheid tusschen a, i, u (oe), ai en au,
klanken, die onderling zoo zeer verschillen, dat daarbij geene vergissing en
verwisseling kon plaats grijpen; het stelt bovendien de spelling meer
onmiddellijk in verband met de afleiding, en kan zoo doende in vele gevallen
het recht verstand der woorden bevorderen.
70. De Redactie erkent, dat de dubbele vocaalspelling niet zonder
last is voor het praktische gebruik; zij behoudt ze alleen, omdat zij meent het
bestaande niet te mogen afbreken en geene groote veranderingen, maar alleen
verbeteringen in de toepassing van erkende regels te moeten voorstellen. Aan
die bedoeling is het toe te schrijven, dat zij het spellen overeenkomstig den
oorsprong der e's en o's tot de stamlettergrepen wil beperken,
maar ten opzichte van de achtervoegsels naar den klemtoon wenscht te werk te
gaan. Volgens dit beginsel acht zij, dat de achtervoegsels, die òf
steeds òf somtijds den vollen klemtoon hebben, met eene dubbele vocaal
behooren geschreven te worden, terwijl een enkel letterteeken toereikend is in
die, welke nimmer den vollen klemtoon bekomen. In het eerste geval verkeert het
achtervoegsel -loos, hetwelk in goddeloos,
zedelóósheid, zondelóósheid enz. den vollen
accent bekomt; vervolgens de | | | | bastaarduitgangen -eeren, -eel
en -ees, die steeds den klemtoon hebben: regeeren, kasteelen,
Japanneezen. Tot het tweede geval behoort -heid, mrv.
-heden, dat nooit den vollen accent heeft. Op die wijze
eerbiedigt men het bestaande gebruik, waarin de schrijfwijze -eelen
reeds is aangenomen, en die van -eezen meer en meer begint door te
dringen. Men wijkt alleen af in de spelling -eeren; doch voor de dubbele
vocaal in dit achtervoegsel hebben zich sedert lang vele stemmen doen hooren,
gelijk zij dan ook reeds door Bilderdijk en zijne volgelingen erkend is.
Inderdaad, wanneer men bedenkt, dat dit suffix, altijd met een zwaren toon
wordt uitgesproken; dat die uitspraak reeds van de oudste tijden dagteekent,
blijkens het Middel-nederlandsch, waarin men (gelijk nog heden in het
Hoogduitsch) gewoonlijk -ieren schreef; en dat de ie destijds nog
een tweeklank was: dan schijnt alles er voor te pleiten om in dezen het
voorbeeld van
Bilderdijk te volgen.
Slechts schijnbaar bestaat hier eene inconsequentie; in den grond
wordt bij de stamlettergrepen hetzelfde beginsel gehuldigd als bij de
achtervoegsels, slechts met beperking in de toepassing. Dat beginsel is de
zooveel mogelijk juiste afbeelding der uitspraak. Immers de verdubbeling der
letters moest aanvankelijk dienen om de scherpe e's en o's, uit
tweeklanken ontstaan, te kenmerken als langer dan de zachte, die als
wijzigingen van de enkelvoudige klinkers a, i en u (oe) korter
waren. De verdubbeling bedoelde kennelijk het voorstellen van een langen,
gerekten klank, en het is alleen ten gevolge van het onderling meer gelijk
worden der zachte en scherpe e's en o's, dat het doel thans niet
meer zoo in het oog springt.
Aan de werking van den klemtoon is het toe te schrijven, dat het
onderscheid tusschen zacht en scherp in sommige streken en in de beschaafde
uitspraak geheel uitgewischt is. De klemtoon, wanneer hij rust op opene
lettergrepen, brengt van zelf mede, dat de daarin voorkomende vocalen alle even
lang worden uitgesproken, onverschillig, of zij uit klinkers dan wel uit
tweeklanken ontstaan zijn. Daarom wil het gebruik in opene eenlettergrepige
woorden de verdubbeling van den medeklinker, al is die niet scherp, bv. in
thee, vloo, zoo. Daarentegen is de quantiteit in lettergrepen, die
slechts den halven toon hebben, of geheel toonloos zijn, merkelijk geringer;
voor de zoodanige wordt de dubbele vocaal algemeen te zwaar geacht. Daarom wil
het gebruik sinds lang slechts eene enkele e in -heden, meerv.
van -heid, ofschoon die e uit ei ontstaan en dus scherp
is; daarom wil het de enkele i in -isch, niettegenstaande in dit
achtervoegsel de klank gehoord wordt, die in gesloten lettergrepen steeds door
ie wordt voorgesteld; daarom verliezen de achtervoegsels -eel,
-iek en -iet eene e in kast-el-ein, Jezu-it-isme,
fabr-ik-ant.
De Redactie beoogt derhalve met het stellen van den boven
ontwikkelden regel voor de spelling der achtervoegsels hetzelfde doel, dat men
oorspronkelijk met de verdubbeling der e en o zocht te bereiken,
namelijk eene zooveel mogelijk juiste afbeelding van de heerschende uitspraak.
Door | | | | het stellen van dien regel zet zij alleen eene schrede verder
op den weg, die reeds door het gebruik gevolgd wordt.
Het aantal woorden, in wier spelling ten gevolge van het aangenomen
beginsel eene verandering moet plaats grijpen, is betrekkelijk gering, en de
meeste komen slechts zelden voor. Zij zijn:
beer (ursus), pl. beren, onderscheiden van beer
(verres), pl. beeren;
deemoedig;
deel (asser en area), pl. delen, onderscheiden van
deel (pars), pl, deelen;
deesem;
dwepen ;
eega;
heep, pl. hepen;
keel (in de bouwkunde), pl. kelen, als zijnde
hetzelfde woord als keel (gula), pl. kelen;
keren (verrere);
kwee (malum Cydonium);
meren (navem alligare);
sleepen (trahere), causatief van slepen (trahi);
zeel, pl. zeelen;
zweep, pl. zwepen;
droog, droge, droger, drogen;
kloot, wereldkloot (globns), pl. kloten;
klooven (findere), causatief van klieven,
onderscheiden van kloven, pl. van kloof, en van kloven,
imperf. van kluiven;
knopen, verbum en pl. van knoop;
koon, pl. konen;
koozen, liefkoozen;
kroon, pl. kronen;
sloof (voorschoot), pl. slooven, onderscheiden van
sloof (sukkel), pl. sloven;
toon (tonus), pl. tonen, onderscheiden van
toonen (monstrare) en van toon (digitus pedis), pl.
toonen;
troon, pl. tronen;
vroolijk;
zoogen (lactare), causatief van zuigen, onderscheiden
van zogen, imperfect. van zuigen;
Ofschoon het waarschijnlijk is, dat de e in heer
(dominus) en keeren (vertere) oorspronkelijk zacht was, is toch de
afleiding en oudste vorm dezer beide woorden niet met genoegzame zekerheid
bekend, om over de natuur der vocaal stellig te beslissen, veelmin om eene
verandering voor te stellen in de spelling van zoo gebruikelijke woorden, wier
schrijfwijze door de gewoonte als eene tweede natuur is geworden. Wat
begeeren betreft, waarin de klinker zeer zeker oorspronkelijk zacht was,
ook hier komt het ons raadzaam voor de dubbele e te behouden, daar er
bij het verwante gierig iets buitengewoons heeft plaats gehad, namelijk
de overgang der | | | | korte i of e tot ie, hetgeen
ook op eene verandering in de uitspraak van begeeren schijnt te
wijzen.
Neemt men in de weinige bovengenoemde woorden de verandering der
vocaalspelling overeenkomstig de afleiding aan, dan is daarmede het geheele
spellingstelsel der enkele of dubbele e en o met de etymologie in
volmaakte overeenstemming gebracht. De onderscheiding moge in de praktijk en
bij het lager onderwijs hare moeilijkheid blijven behouden, dat bezwaar is nu
eenmaal niet op te heffen, want niemand zeker zal verlangen altijd de dubbele
of altijd de enkele e en o te gebruiken. Maar terwijl de
praktische moeilijkheid dezelfde blijft, wint men het onschatbare voorrecht,
waarop geene andere Germaansche taal zich beroemen kan, dat nu de spelling
dezer beide vocalen in onze taal overal aan den oorspronkelijken vorm der
woorden getrouw is en aan de strengste eischen der wetenschap beantwoordt.
71. Ofschoon de spelling wereld de beschaafde uitspraak van
dit woord niet juist uitdrukt, meent de Redactie haar als de naastbijkomende te
moeten verkiezen. Wareld toch is met de uitspraak nog meer in strijd, en
bovendien ook met de afleiding; en hetzelfde geldt van waereld, daar men
ae steeds in onze taal als de voorstelling eener lange a heeft
aangemerkt en in België nog als zoodanig beschouwt.
Om dezelfde reden is ook de spelling vaers voor vers
te verwerpen.
72. Op de boven ontwikkelde gronden is de Redactie voornemens de
volle ie te bezigen in de achtervoegsels -ief, -iek en
-iet, zoolang die den klemtoon behouden, ook dan wanneer ie op
het einde der lettergreep komt, bv. in motie-ven, substantie-ven,
fabrie-ken, republie-ken, Israelie-ten, Mennonie-ten. Die
spelling is buitendien in overeenstemming met het gevestigde gebruik ten
opzichte van -ier en -ies, in officie-ren, tuinie-ren,
com-mie-zen, valie-zen. Daarentegen acht zij ie te zwaar, en daarom
eene enkele i voldoende, wanneer die achtervoegsels geheel toonloos
worden, in mot-iv-eeren, Jezu-ït-isme, fabr-ik-ant, muz-ik-ant,
muz-ik-aal, republ-ik-ein.
73. Om dezelfde redenen schrijft zij in het meervoud oli-ën,
trali-ën enz. van olie, tralie enz., dewijl ie in deze
en dergelijke woorden geheel toonloos | | | | is; daarentegen
knie-ën, spie-ën, drie-ën, waarin, de
eerste lettergreep den vollen klemtoon heeft. Dat men voorheen kniën,
spiën spelde, is daaraan toe te schrijven, dat ie, uit
iu (ioe) ontstaan, voorheen een tweeklank was, die nagenoeg
tweelettergrepig, als ie, werd uitgesproken. Knie-en, spie-en zou
toen derhalve geluid hebben als kni-n, spi-n. Thans echter is ie
een zuivere (eenlettergrepige) klinker, gelijk bv. ee, zoodat de oudere
schrijfwijze niet meer in overeenstemming is met de hedendaagsche uitspraak;
daarom knieën, spieën, even als zeeën,
tweeën.
74. Ofschoon de i in het achtervoegsel -isch
denzelfden helderen klank heeft als in -ief, -iek, -iet en -ier,
geeft de Redactie aan de meest gebruikelijke schrijfwijze met de enkele
i verreweg de voorkeur boven -iesch, omdat dit achtervoegsel
steeds allen klemtoon mist, en i daarin zeer kort is.
75. Het letterteeken ij stelde, gelijk men weet,
oorspronkelijk in gesloten lettergrepen, als mijn (miin), sijn
(siin), de lange i voor, die in opene, als mine, sine, door de
enkele i werd vertegenwoordigd. Het teeken j was dus in genoemde
en dergelijke woorden een gewijzigde vorm van de letter i, die
gelijkstond met de tweede a, e, o en u in jaar, eed, room
en vuur. Het verlengen door het aanvoegen van een staart geschiedde
sieraads- of duidelijkheidshalve; zoo schreef men ook vj, vij, viij enz.
voor 6, 7, 8. Dientengevolge had j in strijd met § 49 twee
verschillende waarden, die van vocaal in mijn (miin) en wijn
(wiin), en die van consonant in jaer, joc. Toen in het Nnl. de lange
i in de uitspraak gelijk werd aan den tweeklank ei, kwam de
schrijfwijze ij geheel in strijd met de natuur van den klank, dien zij
moest voorstellen; men behield evenwel de oude letterteekens ondanks de
veranderde uitspraak. De Redactie meent in het Woordenboek zoo goed mogelijk
een einde aan die onregelmatigheid te moeten maken, door het typographisch
letterteeken in zooverre te wijzigen, dat het onderscheid tusschen i j
en den hier bedoelden klank duidelijk blijke. Het natuurlijkste middel daartoe
is, de beide deelen aan elkander tot eene eenheid te verbinden, gelijk wij in
het schrijven gewoon zijn te doen
*.
Onder de menigvuldige verwarringen van i, j, y, ij en i
j behoort ook bet gebruik van y voor ij, hetwelk bij de
schrijvers der vorige eeuw | | | | algemeen was en thans nog in
België plaats vindt. Het spreekt wel van zelf, dat de Redactie met de
voorgenomen wijziging der typographische ij niet bedoelt de vervanging
van deze door y. Dit toch zou in strijd zijn met het beginsel, in §
49 opgegeven, daar de ij reeds de waarde heeft van eene gewone korte
i, b.v. in Egypte, Styx, cryptogamen, Huygens, Huydecoper
enz.
76. Volgens § 49 moet men aan hetzelfde letterteeken niet
buiten volstrekte noodzakelijkheid meer dan ééne waarde geven.
Men handelt in strijd met dit beginsel, wanneer men thans nog kolijk,
katholijk, fabrijk, muzijk enz. schrijft, en door die spelling aanleiding
geeft, dat sommigen in die woorden werkelijk eene ij of ei laten
hooren. Nu zij in de beschaafde uitspraak den i-, niet den
ei-klank hebben, eischt de eerste grondregel koliek, katholiek,
fabriek enz.; zoo ook poëzie, harmonie, melodie enz. Den
dichteren blijve het echter vrijgelaten naar goeddunken ook poëzij,
harmonij enz. te schrijven, omdat in die woorden op ie, die den
klemtoon op de laatste syllabe hebben, ook de uitspraak ij geoorloofd
is.
Zoo schrijve men ook koffie, even als men schrijft balie,
falie, malie, tralie, olie, foelie, linie, kevie, merrie enz.
77. De afleiding eischt de vervanging van ei door ij
in de woorden malvezei, fr. malvoisie, en karwei (soort
van zaad), fr. carvi, onderscheiden van karwei (werk), fr.
corvée. Daarentegen zal om dezelfde reden de ij van
sacristijn, fr. sacristain, ofschoon in sacristij, fr.
sacristie, op hare plaats, voor ei moeten wijken. Derhalve
malvezij, karwijzaad, sacristein, doch karweitje, sacristij.
Het woord dozijn, dat men lichtelijk voor het Fransche
douzaine zou kunnen aanzien, moet zijne ij behouden. Niet uit het
Fransch toch, maar uit het Latijn is het tot ons gekomen, gelijk onlangs te
recht is aangemerkt. In de beschaafde uitspraak luidt het woord niet
doezijn, maar dozijn, en sommige dialecten zeggen doziin,
hetgeen op het middeleeuwsche Latijnsche docenum wijst, en het woord op
ééne lijn stelt met krijt, lat. creta;
venijn, lat. venenum; tapijt, lat. tapetum.
78. Op grond van § 49 verwerpt de Redactie de spelling van
by, my, hy, zy, wy, dwingelandy, razerny enz. met
y, omdat deze letter in oorspronkelijk Grieksche woorden, als cylinder,
Styx, Egypte, reeds den gewonen | | | | i-klank voorstelt, en haar
alsdan buiten eenige noodzakelijkheid eene tweede waarde zou toegekend worden.
Dat de ij-klank in bij, mij, hij, slechts uit eene korte, niet
uit eene lange i ontstaan is, kan in haar oog geene reden zijn om
inbreuk op het bedoelde beginsel te maken, te minder daar in opene
eenlettergrepige woorden, als thee, zoo, ook de e en o verdubbeld
worden, ofschoon zij eigenlijk zacht zijn.
79. Vreemde woorden, die op heldere of lange klinkers eindigen,
nemen in den tweeden naamval en in het meervoud eene s aan, voorafgaan
door het uitlatingsteeken ('). Dus Maria's, Hebe's, Garibaldi's, Cicero's,
echo's; niet Mariaas, Hebees, enz. Daar de verdubbeling der i
niet meer in gebruik is, zou men althans niet Garibaldiis, Rubiniis,
kolibriis kunnen schrijven. Maar het onveranderlijk bewaren van den vorm
der eigennamen schijnt daarenboven een vereischte, en volstrekt noodzakelijk om
alle verwarring omtrent den waren vorm der namen te voorkomen. Zoo schrijve men
ook Bruining's of Bruinings', naarmate men den genitief van
Bruining of Bruinings bedoelt.
80. De Redactie spelt aar (korenaar), haar
(hoofdhaar), meer (waterplas) door (van een ei), oor in
oorsprong, oorzaak, niet air, hair, meir, doir, oirsprong, omdat
de laatste schrijfwijze zoowel door de afleiding als door de uitspraak
verworpen en door de duidelijkheid niet geëischt wordt, terwijl zij geheel
op willekeur berust, daar er geene reden te bedenken is, waarom men niet liever
air (ader), hair (voornw.), meir (telw.), doir
(voorzets.), oir (lichaamsdeel) zou schrijven. Daarentegen meent zij de
spelling heir (legermacht) en oir (erfgenaam), boven die van
heer en oor te moeten verkiezen; het eerste omdat heir de
beschaafde uitspraak beter vertegenwoordigt; het laatste als verbastering van
het Fransche hoir.
|
*Voor het Sanskrit en Gothisch is die stelling
geene bloote hypothese, tot wier erkenning men alleen door de gevolgtrekkingen
gedwongen wordt. In de eerstgenoemde taal komen wel twee letterteekens voor,
die thans als e en o worden uitgesproken, doch uit alles blijkt
ten klaarste, dat e vroeger ai en o vroeger au
geweest is; zie Bopp, Vergl. Gr. § 2. Reeds eene vergelijking van
de letterteekens voor âi = aai en e = ai, en
voor âu = aau en o = au leert dit duidelijk.
In het Gothisch komen insgelijks twee letterteekens voor, die op e en
o gelijken, maar deze stemmen niet overeen met de e's en
o's der overige Germaansche talen: aan het eerste beantwoordt onze lange
a in jaar, slaap, daad; aan het tweede onze oe in boek,
stoel, goed; terwijl bovendien blijkt, dat die klanken uit tweeklanken,
meestal uit ia en ua, zamengesmolten zijn. Er zijn wel is waar
schrijvers, die beweren, dat Ulfila door ai en au onze e- en
o-klanken heeft voorgesteld. Zij gronden dat beweren op de wijze, waarop
hij in Grieksche woorden ε en ο heeft weergegeven. Dit heeft echter niet
verhinderd, dat Grimm, dien iedereen wel voor den grootsten kenner der Germ.
talen zal houden, steeds is voortgegaan ai en au als ware tweeklanken te
beschouwen. Nog in dit jaar is door Prof. F. Dietrich in een afzonderlijk
werkje, Die Aussprache des Gothischen, aangetoond, dat ai en
au ook nog lang na Ulfila echte tweeklanken waren en door niet-Gothen
als zoodanig werden gehoord en opgevat: dat de Gothen de vreemde eigennamen
naar hunnen tongval wijzigden, en dat het aannemen van ai = e en
au = o toch niet toereikend is om hunne spelling van de Grieksche
namen te verklaren.
*Het behoeft wel geene vermelding, dat de
Redactie voor alsnog genoodzaakt blijft, het gewone teeken voor ij te
bezigen, totdat er op de drukkerijen nieuwe, gewijzigde teekens zullen
voorhanden zijn.
|
|