|
|
|
| |
De Medeklinkers.
81. Tot de regels betrekkelijk de medeklinkers overgaande, meent de
Redactie het eerst melding te moeten maken van het belangrijke vraagstuk
omtrent de spelling der woorden, waarin tweeklanken op i voorkomen. Moet
men zaaijen, zaaien, zajen of zaayen, hooijen, hooien,
hoojen of hooyen
| | | | spellen? De uitspraak beslist hier
niet stellig genoeg en het gebruik evenmin, daar alle vier de schrijfwijzen
hare voorstanders hebben gehad en gedeeltelijk nog hebben; men denke slechts
aan bajert, dojer en oojevaar of ooijevaar. Raadpleegt men
de afleiding, dan wordt de zaak nog moeilijker. Indien men let op den oorsprong
van zaaijen, draaijen, naaijen, en op de afgeleide woorden zaad,
draad, naad, dan zouden zajen, drajen, najen, de ware vormen zijn;
zoo ook stroo-jen, goth. strau-jan, too-jen, goth. tau-jan,
boej en boe-jen, lat. boja; daarentegen hooi-n en
kooi-n, om goth. hawi en lat. cavea. Voor andere woorden
beslist zij in het geheel niet. Verandert d in i of in j?
Heeft men rojen of rooi-en, van roden; dojer of
dooi-er, van doder; oojevaar, of ooiëvaar, van
oodevaar, te spellen? Regels op de afleiding gegrond zijn hier derhalve
zoo goed als onmogelijk; zij zouden de spelling slechts uiterst moeilijk maken
en tot nieuwe geschillen aanleiding geven.
De aangenomen spelling baai - baaijen, rei - reijen, hooi
- hooijen druist dubbel aan tegen de analogie. Deze wil, dat een onverbogen
woord den medeklinker, die in den verbogen toestand de volgende lettergreep
begint, tot sluitletter zal hebben: bv. dat kwaad eindigen zal op de
d van kwa-de, en zoo ook plaag, vrouw enz. op de g
en w, waarmede de tweede lettergrepen van pla-gen en
vrou-wen aanvangen. Tegen dezen regel wordt gezondigd door baai, rei,
boei enz.; de analogie zou eischen baaij, reij, boeij, omdat deze
woorden in het meerv. baai-jen, rei-jen, boei-jen worden. Deze en
dergelijke woorden, die eindigen op eenen tweeklank, waarin i de laatste
klinker is, worden nu stilzwijgend als uitzonderingen beschouwd. Die
uitzondering zou nog te dulden zijn, indien zij niet zelve weder hare
uitzonderingen had in de woorden op ij. De ij toch is ook
eigenlijk een tweeklank, die op i uitgaat en dus in den verbogen
toestand eene volgende j zou vorderen. Intusschen zal wel niemand lust
hebben bijjen, rijjen, vrijjen, vrijjer te schrijven. Die j is
dan ook geheel overtollig; in eene fijn beschaafde uitspraak wordt zij niet
sterker gehoord dan de overgang van de i tot den volgenden klinker van
zelf medebrengt. Daarom is hare geheele weglating, en derhalve de spelling
baaiën, beiën, boeiën, buiën enz. sedert lang bij
vele onzer beste schrijvers in gebruik gekomen. Die spelling is geheel
regelmatig en heeft niets tegen zich, dan dat men genoodzaakt is een trema op
den klinker te zetten, die op i volgt, ten einde de verbinding van deze
met de volgende letter te voorkomen, iets dat zeker vrij lastig en voor het oog
weinig behagelijk is, vooral wanneer in broeiïg, voltooiing,
zamenvloeiïng, opruiïng enz. twee i's zamentreffen. En
toch de regelmaat zou het vorderen. Ook heeft het bijeenstaan van vier
klinkers, als in haaien, hooien, loeien, verfoeien, broeiig iets
verwarrends voor het gezicht. Dit verlangt dus een hulpmiddel om de scheiding
spoedig te volbrengen; men schrijft toch steeds theeën, zeeën,
kweeën, reeën, gedweeër, niet theeen, zeeen, kweeen,
reeen, gedweeer. Om bij de eenige regelmatige spelling dit bezwaar te
ontgaan, meent de | | | | Redactie niet beter te kunnen doen dan in dit
geval de gewone i door de y te vervangen en baayen, hooyen,
zamenvloeying, opruying te schrijven. Het letterteeken y toch,
hetwelk van ouds af in het Nederlandsch in gebruik was, heeft de waarde van
eene gewone i, gelijk blijkt uit Egypte, lynx, Styx, Babylon, Cyrus,
Huygens, Huydecoper enz. Zoo doende volgt men de eenige regelmatige
spelling, men kan het trema ontberen en voorkomt het zamentreffen van twee
i's (ii), dat men steeds getracht heeft te vermijden en waaraan
de onregelmatige schrijfwijze ij voor ii haren oorsprong te
danken heeft.
Er kan te minder reden zijn om de spelling haayen,
breyen enz. niet aan te nemen, daar zij werkelijk van de 14de eeuw af
tot op het begin van deze eeuw toe de algemeen gevolgde schrijfwijze geweest is
en ook nog heden ten dage in België algemeen en in Noord-Nederland door
verschillende schrijvers gevolgd wordt.
De Redactie aarzelt daarom niet de laatste schrijfwijze als de
gemakkelijkste en regelmatigste aan te nemen, te minder daar zij aanleiding kan
geven, om de uitspraak, die kennelijk meer en meer naar zachtheid streeft, meer
te verfijnen.
82. In de tweede plaats doet zich de vraag voor omtrent de spelling
van den geaspireerden keelklank vóór de t. Waar moet men
cht spellen? waar gt? Den regel, dienaangaande in 1804 gesteld,
dat de woorden, afgeleid van stammen, waarin blijkbaar eene g voorkomt,
b.v. in klagt van klagen, met g, de overige met ch
behooren geschreven te worden, meenen wij niet te mogen behouden. Vooreerst
toch is de afleiding van sommige woorden, welke in die categorie vallen, geheel
onbekend of ten minste onzeker. Ten andere is de g in sommige
stamwoorden slechts eene aan het Nederlandsch, evenals aan het Deensch, in het
bijzonder eigene verzachting van de oorspronkelijke ch, b.v. in
vliegen, wij zagen en andere, zoodat door vlugt, gezigt enz. toch
niet de vare vorm dier woorden voorgesteld wordt. Eindelijk, de genoemde regel
is moeilijk in de toepassing en is tot nu toe zeer willekeurig en onregelmatig
toegepast. Zoo berust b.v. de spelling regt, regter, rigten,
berigten op eene verkeerde afleiding; geslacht (van slag,
soort); tucht, tuchtigen (van tien, toog enz.),
(be)tichten, van (aan)tijgen, zouden evenzeer eene
g vorderen als slagter, geslagt, togt enz. Het is om genoemde
bedenkingen dat wij ons den regel stellen:
De geaspireerde keelletter, die zich voor eene t bevindt,
wordt, zonder op de afleiding te letten, door ch voorgesteld, behalven
in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam op eene g
eindigt, en in de zelfst. naamw. door achtervoeging van -te gevormd van
bijv. naamw. op g; dus macht, klacht, recht, plechtig, gezicht,
gewicht, licht [in beide beteekenissen), | | | |
tocht, tucht,
enz.; maar hij draagt, klaagt, legt, veegt, ligt (van liggen),
hijgt, gedoogt, voegt; laagte, hoogte, menigte. In de onregelmatige vormen:
ik bracht, wij brachten; ik mocht, wij mochten; ik placht, wij plachten,
verdient de ch de voorkeur, dewijl de t bewijst, dat de keelklank
in den onv. verled. tijd der werkw. brengen, mogen en plegen,
even als in die van denken, dunken zoeken, tot ch verscherpt is;
ware dit het geval niet, men zou wij bragden, mogden, plagden zeggen,
naar analogie van waagden, legden, droogden.
Wij aarzelen te minder tot genoemde verandering over te gaan, dewijl
de voorgenomen spelling beter dan die met g aan de uitspraak beantwoordt
en reeds door velen onzer beste schrijvers gevolgd wordt, terwijl de regel
gemakkelijk toe te passen is en aan veel willekeurigs en onregelmatigs een
einde maakt.
83. Lang heeft de Redactie in bedenking gestaan bij de vraag: moet
de ch na kort afgebroken klinkers al of niet verdubbeld worden, en, zoo
ja, hoe dan? moet men kachel, kagchel of kachchel schrijven? De
meest gebruikelijke spelling kagchel, rigchel, bogchel enz. is
onregelmatig en kan reeds daarom niet in alle opzichten worden verdedigd.
Bovendien doet de verbinding van twee verschillende letterteekens, van g
en ch, aan eene zamenstelling denken, terwijl de meeste der hier
bedoelde woorden, alleen lichaam uitgezonderd, slechts afleidingen zijn,
waarin eene enkelvoudige g of k door den invloed der volgende
l tot ch verscherpt is; b.v. bochel van buigen,
boog; tichel van tegel, kachel van kakel, bij
Kiliaan kaeckel.
Wanneer de Redactie daarbij in aanmerking neemt, dat de verdubbeling
door middel eener g bij de netste schrijvers steeds grooten weerzin
heeft gevonden, dat de spelling met eene enkele ch misschien leiden kan
tot eene verfijning van den harden keelklank, die door gch wordt
vertegenwoordigd, dan meent zij aan die schrijfwijze de voorkeur te moeten
geven en dus lichaam, kachel, richel te moeten spellen, ofschoon zij
gaarne erkent, dat ook deze niet onberispelijk is. De regelmatigheid zou
ongetwijfeld lichchaam, kachchel enz. vorderen, doch deze spelling zou
eene ongehoorde nieuwigheid zijn, die tegen den goeden smaak aandruiste en
zeker niemands goedkeuring zou wegdragen. Er schoot dus niets anders over dan
van de twee gebruikelijke schrijfwijzen de minst gebrekkige te kiezen, die dan
ook het langst en algemeenst in gebruik is geweest.
84. Bilderdijk's spelling nogthands steunde op eene verkeerde
afleiding: nogtans is zamengesteld uit nog en dan (mnl.
nochtan of nodan), met de | | | | adverbiale s en
heeft dus niets met thans of thands (te hande) te maken. Aan de
invoering eener h en d in dit woord valt derhalve niet te denken;
doch men zou in twijfel kunnen staan bij de keuze tusschen nogtans en
nochtans, vermits wel eene ch, maar niet eene g den
overgang der d van dan in de t van tans heeft
kunnen veroorzaken. Daar de Redactie het echter raadzaam oordeelt de
gebruikelijke onderscheiding van nog (adhuc, etiam) en noch
(nec), ofschoon willekeurig en niet op de afleiding gegrond, om den wille der
duidelijkheid te behouden, zoo meent zij de spelling nochtans, die ten
onrechte op eene zamenstelling met noch (nec) zou wijzen, niet te mogen
aannemen en zich te moeten houden aan het gebruikelijke nogtans.
85. Het algemeen gebruik wil, op grond der uitspraak, sedert lang
koninklijk, aanvankelijk, afhankelijk, jonkheer, jonkvrouw. Dezelfde
reden geldt voor de spelling koninkrijk, jonkheid, koninkje, woninkje,
kettinkje, en lankmoedig. Daarenboven zou de schrijfwijze
koninkrijk, koningje, jongheid enz. bij voortduring aanleiding geven tot
eene uitspraak, die met ons taaleigen in strijd is. De Redactie aarzelt daarom
niet in de genoemde woorden de g door de k te vervangen.
86. Om nagenoeg dezelfde redenen als in § 82 neemt de Redactie
betrekkelijk het gebruik van ts of ds den volgenden regel
aan:
Wanneer de s door eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is
deze de scherpe t; uitgezonderd in de 2de naamvallen der woorden op
d, en in de bijvoeg. naamw. en bijwoorden, door aanhechting van
sch en s van woorden op d gevormd. Dus trots,
schertsen, klotsen, kaatsen, schaats enz.; maar Gods, des bloeds,
goedsmoeds, steedsch en steeds, reeds, kindsch, ginds en
gindsch van gind(er), sinds van
sed(ert).
De groote meerderheid der woorden, die in deze rubriek vallen,
hebben reeds ts, met name die, waarin ts uit Fransch ch en
c ontstaan is, b.v. koets in beide beteekenissen, toets,
flits, rots, toorts, fr. couche en coche, touche, flèche,
roche, torche; plaats, rantsoen, fatsoen, fr. place, rançon,
façon. In eenige andere eischt de afleiding de vervanging van de
d door de t, te weten in gudsen van gieten, guds
(holle beitel, waarmede onder andere goten uitgehold worden) van goot;
in knods, dat beter met knotten dan met het verouderde
knodde in verband wordt gebracht. In ridselen, ofschoon
waarschijnlijk van rijden, heeft de d in allen gevalle geen nut
meer, dewijl rijden niet langer in de beteekenis van beven
gebruikt wordt. | | | |
Voor de spelling kodsen bestaat geene enkele reden; het is
waarschijnlijk een klanknabootsend woord, en Kiliaan schreef reeds
kotsen,
Plantijn kotzen.
De Redactie maakt echter zwarigheid dezen regel op te volgen ten
aanzien van de woorden loods(man),(timmer) loods,
smidse en gids, in welke zij meent de d te moeten behouden.
In loods van looden (peilen), loods, Ir. loge,
oudtijds als lodge uitgesproken; smidse, dat kennelijk met
smid en smeden zamenhangt; en gids, fr. guide, is
de d te zeer door het gebruik gewettigd en tevens door de afleiding
gerechtvaardigd, dan dat het raadzaam zou zijn, daarin eene verandering te
maken.
87. De woorden op -aard en -erd leveren geene
moeilijkheid op; zij vereischen zonder bedenking eene d. -Aard is
oorspronkelijk het bijv. naamw. hard, dat ook sterk beteekende,
in de Romaansche talen - als suffix gebezigd - de h verloor, en uit het
Fransch tot ons terugkeerde als achtervoegsel ter vorming van persoonsnamen,
die eene ongunstige beteekenis hebben. Ook grijsaard was voorheen een
schimpnaam. - Erd is slechts eene verbastering van datzelfde
-aard. In Spanjaard, dat op eene andere wijze gevormd is, op
welke evenwel de oude afkeer van die natie invloed kan gehad hebben, is de
d gewaarborgd door het mv. Spanjaarden.
88. Even weinig zwarigheid baart de keus tusschen de d of
t inhet zelfst. naamw. aard of aart. De afleidsels aardig,
aarden en ontaarden pleiten voor de zachtheid der sluitletter,
terwijl de afleiding en de verwante talen de deugdelijkheid en
oorspronkelijkheid dezer zachte uitspraak buiten allen twijfel stellen.
Aart en aartig zijn germanismen, en niets meer.
89. In rit, m v. ritten, bint, mv. binten,
gebint, mv. gebinten, bewijst de uitspraak eene verscherping der
sluitletter, ofschoon de stamwoorden rijden en binden buiten
twijfel eene d hebben. Ridden strijdt met de uitspraak,
bindten en gebindten met alle regelmaat. De verscherping der
d is buitendien reeds lang algemeen erkend in met en mits,
waarvan mede; in vaart, mnl. vaerde, waarvan nog
koopvaardij; in zat, mnl. sad, waarvan verzadigen. Daarom
ook beeltenis, verbintenis, even goed als ontstentenis van het
| | | | oude ontstanden (ontstaan d. i. ontbreken).
De gebruikelijke schrijfwijzen beeldtenis en verbindtenis doen
ten onrechte aan eene afleiding met -te denken. Indien met, mits
en rit eene t hebben, dan bestaat er geen toereikende grond voor
medgezel en ridmeester, ofschoon met in het eerste woord
het bijwoord mede is.
90. De afleiding pleit voor de spelling andwoord, door
Bilderdijk en anderen aangenomen, als zijnde dit woord door zamenstelling
gevormd van het oude voorzets. (bijwoord) and. Daar het Nederlandsch
zich echter tot regel heeft gesteld, onverbuigbare woorden, behalven nog
(adhuc), met scherpe medeklinkers te sluiten, en de spelling met d de
beteekenis van het woord niet duidelijker maakt noch op het etymologisch
verband met eenig ander Nederl. woord wijst, vindt de Redactie geene reden
hoegenaamd om in dezen van de meest gebruikelijke spelling af te wijken. Zij
acht zich hiertoe te minder gerechtigd, dewijl zij alsdan, om consequent te
blijven, ook de t in met zou moeten vervangen door de d,
waarvoor niet slechts de verwante talen, maar ook het bijw. mede,
pleiten. Het argument, dat het bijw. and de stam van het voornw.
ander en het bijw. anders zou zijn, waardoor de beteekenis van
andwoord, als het andere of tweede woord, kon schijnen
opheldering te erlangen, is uit de lucht gegrepen en wordt door de verwante
talen ten stelligste weersproken.
Om dezelfde reden verdient ook de spelling Andwerpen voor
Antwerpen geene aanbeveling.
91. Het Nederlandsch bezit voor de twee verschillende sisklanken ook
twee afzonderlijke letterteekens: de s voor den scherpen, de z
voor den zachten klank. De vroegere verwarring, toen s zoowel zacht als
scherp werd gebezigd, waarschijnlijk een uitvloeisel van het Latijnsche
spraakgebruik, heeft sinds lang opgehouden, zoodat s thans uitsluitend
scherp is. Daarmede is hare verdubbeling achter een langen klinker of
tweeklank, bv. in aassem, braassem, deessem, geessel, kruissen, kruissigen,
IJssel, zeissen, Pruissen enz., eene onloochenbare onregelmatigheid
geworden, die gelijk staat met de spelling laaffenis, raaffelen, weiffelen,
oeffenen, schuiffelen, twijffelen, voor lafenis,
rafelen enz. Zij is dan ook later door Siegenbeek zelven afgekeurd. Het
behoeft dus wel geene verdere rechtvaardiging, dat de Redactie voornemens is
brasem, geesel, IJsel, Pruisen, enz. te blijven schrijven.
| | | |
92. Daar de verdubbeling van eenen medeklinker in niet zamengestelde
woorden alleen moet dienen om te voorkomen, dat de voorgaande vocaal lang worde
uitgesproken, zoo is de verdubbeling van zelve evenzeer onnoodig na toonlooze
klinkers als na heldere en na tweeklanken. Toonlooze klinkers toch worden
alleen aangetroffen in lettergrepen zonder accent, en daarbij bestaat geen
gevaar, dat men den klinker lang zal uitrekken. De Redactie rekent daarom
ééne k, t en m, voldoende in botteriken,
monniken, perziken, kieviten, diemiten, Gorkumer, Dokkumer, Bergumer. De
schrijfwijze botterikken, Gorkummer, staat gelijk met die van
engellen, verbeterren, uitrekennen, zondiggen, terwijl het niet
verdubbelen der consonant voor den lezer juist een teeken is, dat hij de
lettergreep als toonloos moet beschouwen.
Het gezegde is natuurlijk niet toepasselijk op Arnhemmer,
Haarlemmer enz., waarin de tweede lettergreep, hoewel zwak van toon, toch
niet toonloos wordt uitgesproken, en de e, hoe kort ook, toch den
scherpen è-klank behoudt.
93. Onze woordenboeken willen diefegge, als ware dit woord
eene zamenstelling van dief met een zeker egge. Men heeft hier
intusschen met eene afleiding te doen. -egge toch is een achtervoegsel,
hetwelk voorheen doorgaans -igge, soms ook wel -ege, luidde en
meermalen ter vervrouwelijking van mansnamen gebezigd werd, b.v. in
makerigge, vercopege. Eene afleiding met een achtervoegsel, dat met een
klinker begint, eischt de verandering van de f in v, wanneer een
lange klank voorafgaat; vergelijk gev-er, liev-erd. Derhalve ook
dievegge.
94. In zamen, zamenkomst, zamenspraak, zamenstelling enz.
schijnt de uitspraak de vervanging der z door de s te gebieden,
in overeenstemming met de afleiding, daar samen door contractie van
te zamen ontstaan is. Wanneer de Redactie echter in aanmerking neemt,
dat het grondwoord ongetwijfeld zamen luidt, terwijl ook in
gezamenlijk, verzamelen, verzameling, verzamelplaats, bijeenzamelen enz.
de z duidelijk gehoord wordt; dat men in zestig en
zeventig steeds de z van zes en zeven behouden
heeft, ofschoon de uitspraak de spelling sestig en seventig
eischen zou: dan gelooft zij ook hier op dezelfde wijze te moeten handelen. Zij
acht het niet raadzaam door het schrijven van samen, samenkomst enz., en
daarnevens van gezamenlijk, verzamelen enz., aaneen en hetzelfde woord
twee verschillende vormen te geven en er voor het oog twee woorden van te
maken.
| | | |
95. Het Nederlandsch heeft ter bevordering der duidelijkheid in
overeenstemming met § 56 als regel aangenomen, dat in derivata het
grondwoord en in composita de zamenstellende deelen denzelfden vorm behouden,
waaronder zij buiten de afleiding en zamenstelling voorkomen, al zij het ook,
dat door het zamentreffen van twee letters de uitspraak van de eene of van
beide gewijzigd of onduidelijk gemaakt wordt. Zoo schrijft men staatdame,
zitdag, potdeksel, oogtand, vroegpreek, topzeil, praatvaâr, raadzaal,
raadzaam, hoofddeel, misstap, ofschoon de uitspraak veeleer
staaddame, ziddag, poddeksel, oochtand, vroechpreek, topseil, praatfaar,
raatsaal, raatsaam, hoof-deel, mis-tap zou vorderen. Daar de verzachting,
verscherping of weglating der consonanten in de genoemde en dergelijke woorden
onder het natuurlijke en ongedwongene uitspreken van zelf volgt, is het
onnoodig die wijzigingen in het schrift aan te duiden; vergel. § 44. Er is
geene enkele geldige reden te bedenken om, gelijk Bilderdijk deed, in de twee
woorden ontvangen en ontvonken eene inbreuk op dezen regel te
maken. De spelling ontfangen en ontfonken stelt de etymologie
dezer woorden in de schaduw, en is in strijd met de analogie van ontvallen,
ontveinzen, ontvlammen, ontvlieden, ontvluchten, ontvoeren, ontvouwen,
ontvreemden, ontzakken, ontzeggen, ontzinken enz., waarin niemand de
vervanging der v en z door f en s verlangt. De
Redactie aarzelt derhalve geen oogenblik, ook in de beide genoemde woorden de
v, die door de afleiding gevorderd wordt, te behouden en ontvangen,
ontvonken te schrijven.
96. De regel, in den aanvang der vorige § genoemd, is
natuurlijk alleen van toepassing op die afleidingen en zamenstellingen, die nog
als zoodanig begrepen worden. Het onveranderd behouden van den eigenlijken vorm
der woorden strekt juist ten bewijze, dat men de woorden in hunnen oorsprong en
hunne vorming doorziet. Maar wanneer men òf de zamenstellende deelen,
òf althans één van beide, niet meer verstaat, wanneer
derhalve de vorming van het woord niet meer leeft in het bewustzijn der natie,
dan hebben de zamentreffende letters vrij spel, zij wijzigen elkander naar de
behoeften der uitspraak, en de spelling kan zich aan die wijzigingen niet
langer onttrekken om den echten vorm des woords voor het oog te herstellen,
omdat die echte vorm toch niet meer begrepen, en het woord niet meer als
afleiding of zamenstelling, maar als ondeelbare eenheid opgevat wordt. Zoo
schrijft men ambacht voor andbacht; kerspel voor kerkspel;
leidsel voor leidzeel; lichaam voor lijkhaam; misschien
voor mag schiên; momboor voor mondboor; slabbakken
voor slaphakken, enz., omdat in al die woorden het ware begrip voor het
taalgevoel verduisterd is. Deze opmerking leidt tot de beantwoording der vraag:
Moet men, naar de afleiding, jufvrouw spellen, of wel, naar de
uitspraak, juffrouw, gelijk Bilderdijk | | | | schreef en thans nog
velen schrijven? Omtrent juffer, mejuffer, kan geen twijfel bestaan: het
oude vere, ver (voor vrouw) is zoo geheel verouderd, dat hier aan
geen herstel der oorspronkelijke spelling te denken valt. Maar in juffrouw,
mejuffrouw, herkent men nog het subst. vrouw. Is het dus niet
raadzaam, daarin de v te behouden? Wij aarzelen niet, die vraag
ontkennend te beantwoorden. Dat de wezenlijke vorming des woords in het
bewustzijn der natie niet meer leeft, blijkt overtuigend hieruit, dat zelfs een
taalkenner als Bilderdijk het eerste deel volstrekt niet verstond en
juffrouw als eene verbastering van hofvrouw beschouwde (Taal-
en Dichtk. Versch. D. II, bl. 146). Doch de ware geschiedenis des woords
was deze. Het oude joncvrouwe, joncvrouw, als joncfrouw
uitgesproken, verliep allengs tot jonfrouw, joffrouw, juffrouw.
De f ontstond derhalve uit de v door den verscherpenden invloed
der keelletter c of k, en vervolgens werd het woord zoodanig
ingekort, dat zoowel de c of k als de n wegvielen,
waardoor nu de f verdubbeld moest worden. Zal men nu de tweede f
weder terugbrengen tot de oude v, door jufvrouw te schrijven? Maar dan
hangt die eerste f geheel in de lucht en wordt door niets
gerechtvaardigd. Die f is de verdubbeling der oorspronkelijke v,
nadat zij tot f verscherpt was; van het oogenblik af, dat zij in de
eerste lettergreep gehoord werd, moest ook de aanvangletter der tweede scherp
blijven en had de v alle reden van bestaan verloren. Jufvrouw zou
aan eene zamenstelling uit juf en vrouw doen denken, geheel in
strijd met de waarheid: wij zagen reeds, hoe zelfs Bilderdijk daardoor misleid
werd. Maar schrijft men juffrouw, dan is de vorm van het woord
etymologisch gerechtvaardigd: de dubbele f stelt de zamentrekking voor,
die door de onderlinge werking der oorspronkelijke v en der beide
weggevallene medeklinkers ontstond. En men blijft dan tevens getrouw aan den
bovengenoemden regel: in zamengestelde woorden, voor zooverre zij nog helder
begrepen worden, zich naar de afleiding te richten; doch wanneer zij niet meer
in hunne vorming verstaan worden, de uitspraak te volgen. Juffrouw
verdient derhalve, evenzeer als juffer, de voorkeur.
97. Onze taal heeft niet zelden in woorden, die oorspronkelijk met
eene v begonnen, deze letter tot f verscherpt, om daardoor hetzij
eene verfijning of verscherping, hetzij eene ongunstige opvatting, in elk geval
eene wijziging van het oorspronkelijke begrip uit te drukken; bv. in
fladderen naast vledderen en vlederen, waarvan
vledermuis; in fleemen naast vleyen; fluks van
vlugs; fraai van fr. vrai; frisch nevens versch; fijt
voorheen vijt.
Ook bij de v van vonk heeft die verscherping plaats
gehad in het afgeleide fonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk van
oogen, blikken enz. gebezigd wordt. De Redactie handelt derhalve overeenkomstig
ons taaleigen | | | | en § 59, wanneer zij, de algemeene uitspraak
volgende, het figuurlijke fonkelen met den scherpen medeklinker
schrijft, en het zoo doende door de spelling onderscheidt van vonkelen
in de eigenlijke opvatting (vonken schieten of om zich verspreiden), bij welk
laatste, juist omdat de beteekenis geenerlei wijziging ondergaan heeft, geene
reden bestaat om af te wijken van de spelling, die door de afleiding gevorderd
wordt.
98. De toonlooze e, die in de meeste woorden op -ling,
-lijk en -loos, vóór deze suffixen wordt
aangetroffen, als in vreemdeling, bloedeloos, enz. staat in geen verband
met de etymologie dier woorden, noch doet iets aan hunne beteekenis af of toe.
Die e is zuiver euphonisch; zij wordt in elk geval, behalve in eene
temende uitspraak, slechts zeer flaauw gehoord, bij een eenigszins driftig of
krachtig spreken zelfs geheel onderdrukt; vandaar dat dichters te haren
opzichte met de grootste vrijheid te werk gaan, haar schrijven of weglaten,
naar gelang de versmaat zulks noodzakelijk maakt. Daar die e onder het
uitspreken als van zelve ontstaat, zou zij streng genomen volgens § 44 in
het geheel niet behoeven geschreven te worden; het gevestigde gebruik echter
wil nu eenmaal dat zij worde aangegeven, en verlangt voorschriften die de
schrijvers kunnen besturen. Die voorschriften missen echter uit hunnen aard
dien vasten grondslag, dien andere regels hetzij in de etymologie, hetzij in de
duidelijk waarneembare uitspraak vinden, en hebben dus, uit een grammatisch
oogpunt beschouwd, weinig of geene waarde. Zelfs de regel der analogie kan hier
niet streng worden toegepast, vermits er gevallen zijn, waarin de bewuste
e stellig nooit ontstaat en dus ook nooit wordt geschreven, terwijl in
andere gevallen het oordeel der sprekenden en schrijvenden zeer uiteenloopt,
geheel subjectief is en zelfs eenigermate met hun persoonlijk karakter in
verband staat.
De Redactie erkent derhalve gaarne, dat het hier eene zaak geldt,
waarbij individueele vrijheid van keuze, naar gelang der bijzondere gevallen,
moet blijven bestaan, en hecht daarom slechts eene betrekkelijke waarde aan de
regels, die zij voor eigen gebruik heeft aangenomen, en die zij meent aldus te
moeten vaststellen:
De achtervoegsels -lijk en -loos, en het achtervoegsel
-ing, wanneer dit van de euphonische l wordt voorafgegaan, nemen
ter verbinding met het stamwoord eene toonlooze e vóór
zich, behalve in de drie volgende gevallen:
1) Wanneer het grondwoord op een klinker eindigt, sluiten -lijk,
-loos en -ling zich onmiddellijk aan: kwalijk, oolijk, vroolijk,
schaloos, tweeling, drieling, zaailing, vrijling,
kruiling.
Bij analogie volgt hieruit, dat moeilijk en
verfoeilijk te verkiezen zijn | | | | boven moeyelijk en
verfoeyelijk, gelijk zij dan ook gewoonlijk zonder e worden
uitgesproken. Vrijelijk echter, waarin de e altijd gehoord wordt,
eischt buiten twijfel de inlassching van die letter ook in de spelling.
2) Wanneer het grondwoord eindigt op eene l of r, of wel op
eene n, voorafgegaan door een langen of helderen klinker of een
tweeklank, heefter onmiddellijke aansluiting plaats; als in doelloos,
balling, begeerlijk, bekoorlijk, waarloos, huurling, gemeenlijk, aanzienlijk,
gewoonlijk, aandoenlijk, fatsoenlijk, pijnlijk, toonloos, groenling.
Waar de n voorafgegaan wordt door een korten klinker, is de
uitspraak en spelling met of zonder e evenzeer goed te keuren. Men zegt
en schrijft beide: manlijk en mannelijk, beminlijk en
beminnelijk, zinlijk en zinnelijk, enz. Somtijds heeft echter het
gebruik een onderscheid in de beteekenis ingevoerd, als b.v. zinloos
(zonder, zin) en zinneloos (krankzinnig). In die gevallen moet
natuurlijk ook de spelling onderscheiden worden.
3) De toonlooze e wordt niet ingevoegd in woorden, die
eindigen op toonlooze lettergrepen, als: adellijk, middellijk, eigenlijk,
openlijk, eeniglijk, geduriglijk, koninklijk, teugelloos, ouderloos,
regeringloosheid, enz.
Nog moet hier aangemerkt worden, dat de schrijfwijze
órdenlijk of órdentlijk, afkomstig uit den tijd,
toen men ordene, orden (van lat. ordo, ordinis) zeide, thans
noodwendig is vervallen, nu iedereen orde zonder n uitspreekt en
schrijft. De Redactie spelt derhalve ordelijk, even als eindelijk,
zedelijk en redelijk, welk laatste oorspronkelijk ook
redenlijk werd geschreven, als van redene, reden afgeleid.
Ordéntelijk, met den klemtoon op de tweede lettergreep, hoewel
het insgelijks zijnen oorsprong aan de thans verouderde uitspraak orden
heeft te danken, is ten gevolge van de wijziging zijner beteekenis een
afzonderlijk woord geworden, hetwelk evenzeer recht van bestaan heeft, als
zindelijk nevens zinnelijk of zinlijk.
99. Daar het gewaande achtervoegsel -ling niets anders is dan
het suffix -ing, voorafgegaan door eene euphonische l, en deze
derhalve geene reden van bestaan heeft, wanneer het grondwoord reeds op
l eindigt, schrijft de Redactie hemeling enz. Het is bekend, dat
deze schrijfwijze reeds een ijverig voorstander vond in Bilderdijk, aan wien
echter, in een oogenblik van onbedachtzaamheid, de spelling heuvelling
ontsnapte (Kallim. blz. 48).
Adellijk, middellijk en onmiddellijk moeten de dubbele
l hebben, als zijnde gevormd met het achtervoegsel -lijk van
adel en middel. De spelling adel-ijk steunt op de verkeerde
meening, alsof -lijk uit l-ig zou bestaan; die van
midde-lijk op de onjuiste onderstelling, dat het grondwoord mid
of midden zou wezen. Het tegendeel blijkt overtuigend uit de
spreekwijze zonder middel, die eertijds in gebruik was, waar wij thans
onmiddellijk bezigen (zie
Janssen en
Van Dale, Bijdragen, Dl. VI, blz, 180, art.
23).
| | | |
100. De woorden middeldeur, middellandsch, middellijn,
middelmaat, middelmatig, middelmuur, middelpad, middelschot, middelsoort,
middelstand, middelweg zijn te lang algemeen aangenomen, dan dat er eene
geldige reden zou bestaan om, in strijd met de meest gewone uitspraak, in de
overige midden te schrijven. Dus ook middeleeuwen,
Middelnederlandsch, middelpunt, middelrif enz. In één woord,
het is waar, wordt gewoonlijk de n uitgesproken, men zegt namelijk
middenevenredig; doch in verband met al de andere bovengenoemde schijnt
het raadzaam ook hier op gelijke wijze te handelen en dus ook hier de l
aan te nemen.
101. Siegenbeek schreef, op voorgang van
Huydecoper, in 1804 de spelling eigenlijk,
openlijk enz. voor. Toen zich echter eenige stemmen voor de schrijfwijze
eigentlijk, opentlijk met eene ingelaschte t lieten hooren, gaf
de Hoogleeraar toe en verklaarde hij zich voor de laatste. Dit werkte
intusschen weinig uit, de groote meerderheid ging voort eigenlijk, wezenlijk
enz. te schrijven. De Redactie meent de laatste spelling te moeten
aannemen, omdat die t niet tot het wezen dier woorden behoort, de
afleiding niet opheldert, de duidelijkheid niet bevordert, noch door het
hedendaagsche beschaafde spreken vereischt wordt. Zij beschouwt haar als het
uitvloeisel van eene vergroving der uitspraak, die gelijkstaat met eene b
in hembd of eene p in hij kompt. Wanneer zij die
t aannam, zou zij rekenen lijnrecht aan te druisen tegen de
hedendaagsche richting der taal, die naar beschaving en verfijning der
uitspraak streeft.
Om dezelfde redenen verwerpt zij ook de t in gantsch,
gelijk Bilderdijk schreef op voorgang van de Statenoverzetters des Bijbels.
Gansch zonder t is zoowel met de beschaafde uitspraak als met de
afleiding in overeenstemming.
102. Eene niet minder gewichtige quaestie, die een zeer groot aantal
woorden betreft, is de spelling der verkleinwoorden, met of zonder n op
het einde. Het weglaten der n was in de vorige eeuw nagenoeg algemeen
geworden. Bilderdijk meende, op gronden die den toets der critiek niet kunnen
doorstaan, haar weder te moeten aannemen. De Redactie kan hem hierin niet
navolgen. Die n achter -je toch is in strijd met de beschaafde
uitspraak, waarin men niet van een meisjen of huisjen, nog minder
van meisjens of huisjens hoort, en wordt voor de duidelijkheid
niet gevorderd.
Dat zij uit de beschaafde uitspraak geheel verdwenen is, bewijzen de
dichters overtuigend. De e van het verkleinend achtervoegsel vloeit in
de | | | | poëzie met een volgenden klinker ineen, bv.:
â Nedrig vogeltje, elks behagen," hetgeen
noch bij de pluralia op en, noch bij de infinitieven kan plaats hebben.
Daar de hedendaagsche richting der taal wil, dat men de slot-n achter
eene toonlooze e maar flaauw late hooren, zouden de enkelvouden
huisjen, kopjen, schoteltjen enz. op zich zelve niet zoo erg tegen de
beschaafde uitspraak aandruisen, men zou de n daarin nagenoeg kunnen
onderdrukken; doch dan waren die enkelvouden in strijd met de meervouden
huisjens, kopjens, schoteltjens, die, zóó geschreven, naar
analogie van kuikens, leugens, molens, het duidelijk uitspreken der
n zouden eischen. Deze letter zou derhalve de woorden niet
verstaanbaarder, maar wel onwelluidender maken en tot eene pedante uitspraak
aanleiding geven.
Ten opzichte van de woorden op -ke of -ken is de
Redactie van een ander gevoelen. Deze zijn in den tegenwoordigen toestand ter
taal bijna alle als provincialismen en archaïsmen te beschouwen, en zijn
in de laatstgenoemde hoedanigheid nog gepast in den bijbel- en kanselstijl, die
gaarne deftige, eenigzins verouderde vormen bezigt. Daarom meent de Redactie,
dat de n achter kindeken, jongsken, dochterken enz. moet behouden
blijven, wanneer deze woorden in den hoogeren stijl gebezigd worden; in den
dagelijkschen stijl, waarin enkele van deze woorden in gebruik zijn, geeft zij
de voorkeur aan boekske, jonkske, penninkske zonder n.
103. Eene andere vraag, omtrent het al of niet bezigen eener
slot-n, betreft de woorden behalve, derhalve, weshalve, allenthalve,
mijnenthalve, zijnenthalve enz., gelijk men gewoonlijk schrijft. Ook deze
vereischen eene afzonderlijke overweging. Zij zijn geene eigenlijke
zamenstellingen, maar slechts zamenkoppelingen van het substantief half,
halve met een voorafgaand woord, hetwelk, zoo het gebruik zulks gewild had,
ook van halve gescheiden had kunnen blijven. Halve beteekent
zijde, kant, gelijk onder andere blijkt uit het 34ste vers van den
67sten der Oudnederl. psalmen:
‘Sangit gode, thia opstigit ovir himel himeles te
osterhalvon.’
‘Psallite Deo qui ascendit super coelam coeli ad orientem (ad
partes orientales).’ In alle verwante talen was dit woord vrouwelijk,
en werd het zoowel onder den vorm, die aan ons halve, als onder dien,
welke aan ons half beantwoordt, sterk verbogen; waaruit volgt, dat het
alleen in het meervoud eene n kan hebben en dat een genit. en datief
singul. dezer halven onbestaanbare vormen zijn. Naar deze gegevens zijn
de bovengenoemde woorden te beoordeelen.
Behalve bestaat uit het genoemde substantief en de
praepositie bij, mnl. bi, hier ten gevolge der zamenkoppeling tot
be verzwakt. Behalve is dus eigenlijk bij halve, en
beteekent zooveel als bij zijde, ter zijde gezet, aan een kant gesteld,
d. i. niet medegerekend. Het Ohd. hield de woorden nog | | | |
gescheiden en schreef in het enkelv. pi halpo (in parte, in secreto), en
in het meerv. pi halpon (in partibus). In het Oudnederl. luidde het
woord behalvo, Ps. LV, 10. Uit een en ander volgt, dat hier aan geene
afleiding door middel van een suffix -en, veelmin, gelijk Bilderdijk
wilde, aan een participium van een werkw. behalven of behalden te
denken is. Het voorzetsel bi, bij, regeerde oudtijds den dativus, zoodat
halve hier een derde naamval moet zijn. De quaestie, of men met
Bilderdijk en anderen behalven met eene n, of, in overeenstemming
met de beschaafde uitspraak, behalve te schrijven heeft, komt dus neer
op de vraag, of men hier met het enkel- dan wel met het meervoud van
halve te doen heeft. Daar nu één voorwerp maar aan
ééne zijde kan geplaatst worden, zoo is het meervoud
behalven volstrekt ondenkbaar, wanneer er van het uitzonderen van
slechts één ding sprake is, terwijl ook eene veelheid van
uitzonderingen zeer goed geacht kan worden aan een en denzelfden kant geschoven
te zijn. De schrijfwijze behalve zonder n, de eenige, die in alle
gevallen verdedigbaar is, beantwoordt dus niet slechts aan de uitspraak, maar
ook aan de afleiding en de beteekenis des woords, en is derhalve zonder twijfel
te verkiezen.
De overige uitdrukkingen zijn van een anderen aard en komen alle
daarin overeen, dat halve absoluut gebezigd is, zoodat
vóór alles moet uitgemaakt worden, welke absolute casus hier
aangetroffen wordt. De zamenkoppelingen mijnentwege, onzentwege enz, die
nagenoeg hetzelfde beteekenen als mijnenthalve, onzenthalve enz., kunnen
hier den weg wijzen. Zij zijn alle kennelijk zamengesteld met wege,
datief van weg. Daar nu halve in derhalve en
weshalve blijkbaar in dezelfde betrekking staat, heeft men ook hier een
dativus absolutus. In het eerstgenoemde is der, evenals in dermate,
derwijze, dus de derde naamval van het aanwijz. voorn. die,
congrueerende met halve: dierhalve (van die zijde bezien). In
weshalve daarentegen treft men het relativum wat aan, in den
genitief wes, die door halve geregeerd wordt. Weshalve is
dus zooveel als: beschouwd van de zoo even genoemde zijde. Daar niets
hier aanleiding geeft om aan het meerv. van halve te denken, is het
rationeel het gebruikelijke enkelvoud, dat voor alle gevallen passend is en met
de uitspraak overeenstemt, te behouden en derhalve, weshalve te blijven
schrijven.
De spelling der overige woorden is meer aan twijfel onderhevig.
Zeker is het, dat allenthalve uithoofde zijner beteekenis (van alle
kanten of van alle zijden) het meervoud van halve onderstelt,
en dat de vormen der bezittel. voorn. mijnen, zijnen, onzen enz., bij
een vrouwelijk substantief staande, slechts derde naamvallen van het meervoud
kunnen zijn. Men zou hierin eene reden kunnen zien om in allenthalve,
mijnenthalve enz. aan halve den meervoudsvorm te geven. Wanneer men
echter in aanmerking neemt. dat oudtijds, blijkens de verwante talen,
dergelijke absolute datieven zonder merkbaar onderscheid van beteekenis door
elkander in het enkel en meervoud gebezigd werden; dat het Mnl. reeds
halven met halve verwarde, en den meervoudsvorm | | | |
gebruikte, waar men het enkelvoud verwachten zou
1, en dat halve,
misschien wel ten gevolge dier verwarring, thans blijkbaar niet meer als
een op zich zelf bestaand woord wordt beschouwd, maar veeleer als een suffix,
waarbij men aan geen getal meer denkt, dan zal men erkennen, dat het weinig nut
zou hebben, indien men de hier bedoelde woorden door de spelling van de drie
eerstgenoemde onderscheidde. De Redactie acht dit te minder raadzaam, omdat het
begrip van een meervoud bezwaarlijk overeen te brengen is met
mijnenthalven en zijnenthalven, noch met harenthalven en
uwenthalven, wanneer deze laatste op éénen persoon zien,
zoodat de grammaticale vorm dezer uitdrukkingen door die spelling toch niet
gerechtvaardigd zou zijn. Zij schrijft daarom zoowel allenthalve,
mijnenthalve, hunnenthalve enz., als behalve, derhalve en weshalve, zonder n.
104. Hetgeen bij behalve gezegd is, doet denken aan
bezijden. Dit woord komt zeker in zooverre met behalve overeen,
dat het geene afleiding met eene suffix -en, maar eene zamenkoppeling
is; immers het Ags. schreef de doelen gescheiden: be sîdan. De
analogie schijnt derhalve de spelling bezijde zonder n te
vorderen. Wanneer men echter bedenkt, dat er ten opzichte der spelling van dit
woord nooit verschil bestaan heeft, en dat hier in overeenstemming met het Eng.
besides waarschijnlijk aan het meerv. van zijde moet gedacht
worden, dan vindt de Redactie geene overwegende redenen om in dit woord de
gebruikelijke spelling, die in overeenstemming is met de beschaafde uitspraak,
te veranderen. Derhalve blijft zij bezijden schrijven.
105. De Redactie acht het ongeraden zoodanige letters, die in de
uitspraak geheel verdwenen zijn, alleen op grond der afleiding in het schrift
te herstellen. Daarom meent zij de d in thans en althans,
en evenzoo in de participiale vormen doorgaans, nopens, volgens, wetens,
willens enz. niet weder te mogen aannemen, om dezelfde reden, waarom wel
niemand het gewone bijkans voor den oorspronkelijken vorm
bijkants zou wenschen te verruilen. De spelling thands,
doorgaands enz. doet wel is waar de afleiding dezer woorden beter kennen,
doch deze kennis kan weinig of niets strekken ter opheldering hunner
beteekenis, en dit toch zou de eenige | | | | denkbare reden kunnen zijn
om in strijd met den hoofdregel der spelling te handelen. Daarenboven zou die
spelling lichtelijk aanleiding kunnen geven tot eene verharde uitspraak, die de
taal blijkbaar door het allengs weglaten der d heeft trachten te
vermijden.
Dat in de woorden thans en althans de h wordt
behouden, ofschoon die mede in de uitspraak geheel stom is geworden, kan
oppervlakkig schijnen met den hier gestelden regel in strijd te zijn; doch
inderdaad is het een ander geval, omdat de h in deze woorden door het
gebruik altijd erkend is geworden.
106. Van hetzelfde gevoelen als in § 105 is de Redactie ten
aanzien van de stomme ch achter de s. Deze weder in te voeren in
woorden, waaruit het gebruik haar reeds heeft verbannen, als harnasch,
mosschel, het bijw. rasch en andere, zou lijnrecht strijdig zijn met
den regel der uitspraak en zou ook de beteekenis niet duidelijker maken.
In één geval echter kan het hier gezegde niet van
toepassing zijn, t.w. in bijvoegel. naamw. door aanhechting van het
achtervoegsel sch van een bekenden stam gevormd. De bestaande spelling
behoudt in dit suffix de thans stom geworden ch; daarom eischt de
regelmatigheid hare herstelling in die woorden, waaruit onkunde of
onachtzaamheid ze heeft weggelaten; als in bitsch (bijtend) van
bijten, spitsch van spit, warsch van het oude werra
(strijd, afkeer).
Uit woorden, waar, in stelligen strijd met de afleiding, eene
ch is ingeslopen, acht de Redactie zich verplicht de ch weg te
laten: zij schrijft derhalve druisen, goth. driusan. Alleen in
heesch en gansch, waarin de ch tegen de afleiding aan
heeft plaats genomen, wordt zij door de regelmatigheid gewettigd, vermits de
enkele s in de overige bijvoeg. naamw., wanneer zij door een langen
klinker of eene n wordt voorafgegaan, ia de verbuiging in z
verandert, hetgeen niet geschiedt in heesch en gansch, die in de
verbuiging de scherpe letter behouden: heesche, gansche. Daarentegen
dwaas, dwaze; boos, booze; vies, vieze; vuns, vunze; lens, lenzen.
De ch heeft achter losch (lynx) en het door Bilderdijk
aangenomen wasch (cera) even weinig reden van bestaan, als achter
zes, os, vos, was (incrementum) en dergelijke. In al deze woorden toch
heeft de keelklank oudtijds niet achter, maar vóór de s
plaats gevonden; zooals onder andere blijkt uit hd. Luchs, Wachs, sechs,
Ochs, Fuchs, Wuchs. Men schrijve derhalve los en was.
| | | |
107. De schrijfwijze allezins, anderzins, eenigzins en
veelzins beantwoordt niet aan de uitspraak, die de spelling allesins,
andersins, eenigsins en veelsins zou vorderen. De genoemde
bijwoorden bestaan uit alles, anders, eenigs, veels, de sterke
genitieven van al, ander, eenig, veel, en denzelfden naamval van
zin, in de beteekenis van kant, richting, opvatting. Zij komen
dus, wat hun vorm betreft, overeen met alles jaars, dat o. a. bij Hooft
voorkomt; en met de bijwoordelijke uitdrukkingen eensdeels, mijns inziens,
goedsmoeds, blootshoofds, enz. De z heeft derhalve hare verscherping
in de uitspraak te danken aan de s, die men weglaat op voorgang van
Siegenbeek, welke haar evenwel in geenszins wilde behouden hebben. De
afleiding en de analogie echter, evenzeer als de uitspraak, eischen haar te
herstellen, of ten minste de z van zin in s te veranderen:
allesins, eenigsins. De Redactie meent den eisch, die door de drie
grondregels der spelling gelijkelijk gedaan wordt, te moeten involgen door, in
overeenstemming met geenszins, ook alleszins enz. te schrijven.
Daardoor wordt tevens aan de uitspraak voldaan. Immers het zamentreffen van de
s en z maakt het volstrekt niet noodzakelijk, dat men ieder dezer
letters afzonderlijk uitspreke: alles-zins, eenigs-zins. Niemand toch
zegt geens-zins, evenmin als dans-zaal, kruis-straf, mis-stap
enz.; welke woorden, natuurlijk en ongedwongen uitgesproken, als geensins,
dansaal, kruistraf, mistap enz. luiden. De spelling allesins, andersins,
eenigsins, geensins en veelsins zou, in strijd met § 56 en 95,
geheel noodeloos de etymologie dezer woorden onkenbaar maken, in welke
zin eene beteekenis heeft, waarin het ook buiten deze zamenstellingen
dikwijls voorkomt. Derhalve alleszins, anderszins, eenigszins,
veelszins, evenals geenszins.
108. De spelling verw, verwen, verwpot, verwwinkel
enz., hoewel in overeenstemming met de Mnl. vormen varuw en
vaerwe, wordt door de hedendaagsche uitspraak veroordeeld, welke in de
bedoelde woorden, evenals in gerfkamer (van het verouderde
gaerwen) de w door de v (f) vervangt. Daar de
gebruikelijke spelling door het wijzen op den ouderen vorm de beteekenis niet
duidelijker maakt, acht de Redactie zich niet gerechtigd hier tegen den
hoofdregel der spelling te handelen; zij schrijft derhalve overeenkomstig de
beschaafde uitspraak niet alleen verf, verfkwast, verfwinkel enz., maar
ook verven, verver, ververij enz.
Daarentegen acht zij het niet geoorloofd, de w van
murw in v (f) te veranderen. De uitspraak murf is verre
van algemeen, ja klinkt min of meer plat, terwijl deze schrijfwijze, geheel
nutteloos, voor het oog het verband zou verbreken met vermurwen, hetwelk
door niemand als vermurwen wordt uitgesproken.
| | | |
109. Het tweede lid der zamenstellingen buskruid en
rattekruid (gelijk men gewoon is te schrijven) beteekent blijkbaar
slof, poeder, en is door zijne afleiding evenzeer als door zijne
beteekenis gescheiden van kruid (herba). Het woord is waarschijnlijk
slechts een wisselvorm van het verouderde gruit, gruite (faex
cerevisiae), en verwant met gruis, (klein) grut en grutten,
zoodat het tot gruit of gruite in dezelfde verhouding staat als
kriezeltje tot griezeltje (d, i. gruizeltje), gelijk op
dezelfde wijze krabbelen met grabbelen en krijten met het
verouderde grijten afwisselen. Is dit vermoeden gegrond, dan behoort
kruit uit hoofde zijner afleiding eene t te hebben, die alsdan
door den vorm gruite, en door ags. greót (stof, zand) en
ohd. grim en crioz (zand, gruis), buiten allen twijfel gesteld
wordt. Doch al aarzelt men ook het hier bedoelde woord voor hetzelfde als
gruit te houden, zijne identiteit met kruid (herba) is niet
slechts onbewezen, maar zelfs hoogst onwaarschijnlijk, zoodat het beginsel, in
§ 59 ontwikkeld, dat homoniemen door de spelling behooren onderscheiden te
worden, wanneer de uitspraak zulks toelaat en geen andere regel het verbiedt,
hier zijne rechten doet gelden.
De Redactie meent derhalve voortaan kruit (pulvis pyrius),
buskruit en rattenkruit, die geene kruiderijen, noch
producten van het kruiden- of plantenrijk zijn, niet dienen om spijzen
te kruiden, noch bij den kruidenier verkocht worden, door het
schrijven met eene t te moeten onderscheiden van kruid (herba),
onkruid, nieskruid, wormkruid enz.
110. De spelling en daardoor allengs meer algemeen geworden
uitspraak Dingsdag is stellig in strijd met de afleiding en de
oorspronkelijke beteekenis van het woord. Reeds het Mnl., dat Disendach
schreef, was het spoor min of meer bijster; en toen men eenmaal Dingsdag
begon uit te spreken, dwaalde men geheel af. Men beschouwde den Dingsdag
als den dag der rechtsgedingen, alsof hij uitsluitend of meer dan andere
voor terechtzittingen bestemd was; een gevoelen, waarvan de ongegrondheid thans
wordt erkend, maar dat zeker zal hebben bijgedragen om de uitspraak en spelling
Dingsdag meer veld te doen winnen, hoewel deze geheel verkeerd is.
Immers, even als de overige dagen der week, is ook de derde genoemd naar eene
heidensche godheid, naar het Germaansche evenbeeld van den krijgsgod
Mars; de Nederlandsche benaming is eene vertaling van het Lat. dies
Martis. In het Onl. moet die god, blijkens de verwante talen, Diu of
Dio hebben geheeten; in de hedendaagsche taal zou de naam Die
luiden. Derhalve ware Diesdag de regelmatige vertaling van dies
Martis, doch het gebruik heeft hier eene n ingeschoven, evenals in
de genitieven van die en wie, welke thans diens en
wiens, maar oudtijds ook dies en wies luidden. Die
inschuiving der n had hier echter de verscherping der | | | |
voorafgaande vocaal ten gevolge, gelijk in kinkhoest uit
kiekhoest (hd. keuchhusten); en die verscherping kon te gereeder
plaats vinden en algemeen worden, omdat de god Die met zijne eeredienst
weldra in vergetelheid geraakte. Op deze wijze ontstond, in overeenstemming met
Hd. Dinstag en Dienstag, bij ons Dinsdag, dat
klaarblijkelijk veel nader dan Dingsdag bij den oorspronkelijken vorm
komt en tot op zekere hoogte als regelmatig kan beschouwd worden. Die betere
uitspraak is ook nog lang niet uitgestorven: in meer dan één
gewest wordt nog altijd Dinsdag gezegd, en ook in Holland, waar de
verkeerde uitspraak het meest is doorgedrongen, wordt de zuiverder vorm nog wel
vernomen, ook buiten de lagere volksklasse, in wier mond het niet ongewone
Dijnsdag nog van den ouden vorm getuigt.
Om deze reden acht de Redactie zich verplicht den vorm
Dingsdag, die tot eene valsche opvatting aanleiding geeft, te laten
varen, en de zooveel oorspronkelijker uitspraak van het meerendeel des volks te
volgen. Ieder blijft natuurlijk vrij, naar smaak en goeddunken te handelen;
maar men zal in elk geval van de Redactie van het Nederlandsch Woordenboek niet
willen vergen hare goedkeuring te hechten aan eene zoo gedrochtelijke spelling
als Dingsdag, die, alleen uit de platte Hollandsche uitspraak geboren,
eene geheel verkeerde voorstelling geeft van den oorsprong en de eigenlijke
beteekenis des woords, en even onoogelijk is als Woengsdag, gelijk men
in de oude kluchtspelen wel geschreven vindt.
111. Het woord schepter, lat. sceptrum, fr. sceptre,
vereischt volgens den regel der uitspraak de ch. Het moge waar zijn,
zooals Bilderdijk en
Wiselius verzekeren, dat in het begin dezer eeuw nog
algemeen septer, zonder den keelklank, werd uitgesproken; het moge zoo
wezen, dat de veranderde uitspraak, de invoeging van den keelklank, een gevolg
is geweest van de in 1804 aangenomene en sedert meest gebruikelijke spelling
schepter: maar dàt de uitspraak veranderd is en men tegenwoordig
meest algemeen de ch doet hooren, is niet te loochenen. Die uitspraak
heeft ook niets, dat ons bevreemden of hinderen kan. Het woord is, evenals
schrijn(werker) van lat. scrinium, buiten twijfel Nederlandsch
geworden, en behoort dus ook de Nederl. spelling te volgen, waarin de
sch aan lat. sc beantwoordt, gelijk men zelfs aan
bastaardwoorden, als schabel (lat. scabellum) en schorpioen (lat.
scorpio), enz. de ch toekent.
Wie op de zachtere naar het Fransch klinkende uitspraak bijzonder
gesteld mocht zijn, moge de schrijfwijze septer behouden: wij voor ons
nemen èn in de uitspraak èn in de spelling zonder bezwaar
schepter aan. In allen gevalle is de derde vorm, scepter,
bepaaldelijk af te keuren, als stellig met ons taaleigen in strijd.
| | | |
112. Bij de keus tusschen amt, ambt en ampt,
welke schrijfwijzen alle drie hare voorstanders hebben gehad of nog hebben,
behoeft men niet in twijfel te staan. Amt voldoet minder goed dan een
der beide andere vormen aan de uitspraak, waarin nog altijd, overeenkomstig met
de afleiding van ambacht, goth. andbahti, eene labiale muta
flaauw gehoord wordt. Ampt, waarvoor de scherpe sluitletter t
pleit, zou bij analogie ook de spelling apt voor abt vorderen,
welke niet slechts in strijd zou zijn met de etymologie en het algemeen
gebruik, maar dat woord ook onkenbaar maken en van abdij en abdis
scheiden zou. De b in ambt daarentegen is zoowel door het gebruik
als door de afleiding gewettigd: redenen te over om bij deze spelling te
blijven.
113. Ofschoon èn de afleiding èn de voorgang der ouden
in nog (etiam, adhuc) evenzeer als in noch (nec) eene ch
zouden eischen, meent de Redactie de orthographische onderscheiding dezer twee
woorden, die aan de duidelijkheid zoo onmiskenbaar bevorderlijk is, niet te
mogen opgeven. Zij aarzelt daarom niet, nog (adhuc) met eene g
als eene nuttige en noodzakelijke uitzondering te beschouwen op den anders
algemeenen regel, dat indeclinabilia op scherpe sluitletters eindigen.
|
1Zoo vindt men bv. "van Gods halven" in
Maerlant's Spieg. Hist. III, 7, 25, 76; "van
minen halven" in
Prof. Serrure's Vad. Mus.I, 310, vs 70; waar
het enkelvoud ongetwijfeld te verkiezen zou zijn.
|
|