|
|
|
| |
[Caspar van Baerle]
Baerle (Caspar van)
3 werd den
12 Februarij 1584 geboren te Antwerpen, alwaar zijn vader
het ambt van griffier bekleedde, doch toen deze stad door den
hertog van Parma was ingenomen, de
wijk nam naar Zalt-Bommel, alwaar hij als rector der
Latijnsche school overleed in 1595. De jonge van baerle schikte zich tot den
predikdienst aan de Leydsche hoogeschool, en werd in 1608 als hervormd leeraar
beroepen in de Nieuwe Tonge, op het eiland
Overflakkee, slechts vier jaren bleef hij aldaar, doch werd toen in 1612
aangesteld als onderregent van het Staten Collegie te
Leyden, en in het laatst van 1617 bevorderd tot hoogleeraar
in de Logica aan de hoogeschool aldaar.
Van baerle had in de toen zwevende hevige
kerkgeschillen de zijde der Remonstranten gekozen, | | | | en nadat op de
gehouden synode te Dordrecht derzelver leer veroordeeld
was, werd hij ook dadelijk eerst als onderregent en vervolgens als hoogleeraar
afgezet; als predikant had hij reeds vroeger schriftelijk moeten belooven niet
meer te zullen prediken. Hij leide zich nu toe op de geneeskunde, en werd te
Caen in Frankrijk tot doctor bevorderd. Intusschen
bleef hij toch in Leyden zich bezig houden met jonge
lieden in de wijsbegeerte te onderwijzen. In 1631 werd hij tot hoogleeraar in
de wijsbegeerte en welsprekendheid beroepen aan de eerst kortelings opgerigte
doorluchtige school te Amsterdam. Aldaar werkte hij met
lust en ijver aan de bevordering der fraaije wetenschappen, en sprak van tijd
tot tijd in het openbaar verscheiden deftige en schoone Latijnsche
redevoeringen uit, die bijeenverzameld en door den druk gemeen gemaakt zijn
1,
beöefende met goed gevolg de Latijnsche en Nederduitsche dichtkunst, en
gaf verscheiden werken over verschillende onderwerpen in het licht, die met
ongemeene goedkeuring werden ontvangen.
Toen in September 1638
maria de medicis
Amsterdam bezocht, en van stadswege dezer vorstin een prachtig
onthaal zoo door openbare | | | | vertooningen, als anderszins was
bereid, gaf hij eene breedvoerige beschrijving in het Latijn van deze
vreugdebedrijven in het licht
1, die
men nog als een voorbeeld van schoonen stijl aanhaalt. Niet minder fraai en
prachtig uitgevoerd is zijne voortreffelijk geschreven Latijnsche geschiedenis
der achtjarige verrigtingen der onzen in Brazilië onder het beleid
van graaf
johan maurits van Nassau
2, welke een jaar voor
zijn' dood in het licht verscheen.
Van baerle sleet de zeventien laatste en genoeglijkste jaren zijns
werkzamen levens te Amsterdam, algemeen geächt en
bemind, in den aangenamen omgang met zijn' vriend
hooft. ‘Mij dunkt,’ zeide de
Hoogleeraar van cappelle
3, op de zelfde plaats, waar, honderdzeventig jaren te
voren, van baerle in het openbaar sprak, ‘mij dunkt ik | | | | zie
hem, ten huize van dezen, met de beroemdste mannen van dien tijd zamen komen,
en aldaar met de geestige
tesselschade het zout en de vreugd van het
gezelschap uitmaken.’ Zijn ambtgenoot
vossius,
vondel,
huygens,
brandt,
baek en andere fraaije vernuften, die in
dien tijd bloeiden, beijverden zich om hem blijken van genegenheid en
vriendschap te geven, en hij bragt zijne dagen aldaar vrij wat aangenamer door
dan te Leyden, waar hij, wegens het voorstaan der
Remonstrantsche gevoelens, niets dan verdriet en onaangenaamheden had, en zelfs
de onbeschofte schout
bont zich niet ontzag om hem op de
openbare straat een geschrift uit den zak te halen. Ondertusschen het
doorgegane leed, het verlies eener geliefde echtgenoote en het gemis van zijn'
boezemvriend
hooft schokten zijn teder ziel- en
ligchaamsgestel dermate, dat hij den 14 Januarij 1648 bezweek, in den ouderdom
van 66 jaren, en begraven werd in de Nieuwe kerk, digt bij het graf van hooft.
Vondel eindigt zijn' lijkzang op dezen
verdienstelijken man met dit grafschrift:
Hier sluimert Baerle neffens Hooft.
Geen zerk hunn' glans noch vrientschap dooft
1.
Wij hebben 's mans leven hier een weinig uitvoerig overzien, om dat
hetzelve inderdaad, gelijk | | | | de Heer de vries te regt aanmerkt
1, zoo vele treffende, zoo vele fijne punten, van schoonheid heeft,
dat het ons even als hem verwondert, dat van baerle tot heden nog geenen
lofredenaar heeft aangetroffen, en wij wenschen hartelijk dat hij dien nog in
den Heer de vries zelven moge aantreffen, gelijk
jeremias de decker dien in hem gevonden
heeft.
De Nederduitsche gedichten van onzen geleerden van baerle zijn niet
in grooten getale, en dan nog hier en daar in andere dichtbundels verspreid. De
besten heeft de heer de vries opgespoord en in zijn verdienstelijk werk
2 voor verdere
vergetelheid bewaard. Wij kunnen ons nogtans het genoegen niet weigeren, ten
minsten hier een enkel stuk, dat toch daar niet gevonden wordt, eene plaats in
te ruimen, namelijk dat
Tegen het lystervangen,
aan
Jacob Baek, Rechtsgeleerde.
Wat moogt gy Jacob Baek, goedaardig, vreedzaam borst,
Die noit naar wreedheid, bloed, of moorden hebt gedorst,
My tot een overwreed en droevig schouspel noden?
En wilt dat ik kom zien de halfgehange doden,
En leden, fel verscheurt, en beenen uit haar lid,
Verstikte strotten daar uw strik noch vast om zit,
| | | |
Zo velerhande slag van die haar zelfs verhangen?
Hoe 't menschelijk bedrog de vogels weet te vangen,
En voor d'onnozelheid de strik door 't aas verbloemt,
En zonder reden vangt, en zonder recht verdoemt.
Ik las Ixions pyn, op 't schriklyk rad gebonden,
Hoe Tantalus vergeefs werd van zyn hoop verslonden,
En hoe Prometheus is aan Caucasus geboeit,
Hoe Sysiphus de steen staag rollende vermoeit,
En hoe Megeer verschrikt met haar gewisse slagen,
En geesselt met een toorts om ons gemoed te plagen,
En hoe Arachnes trots in 't eigen net bleef vast,
Orions dochter straf en lyden: ook wat last
Van straffen Pluto op het heftigste kan brouwen;
Maar alles was verziert. 'k Plag 't voor verdigt te houwen,
Wat d'aangesteken geest der dichters had bedacht:
Maar 't doôn en 't wurgen van het vliegende geslacht
Geloof ik zo te zyn, en houd 't voor ware woorden:
Uw laan strekt voor 't schavot van streng gericht en 't
moorden;
Uw hoef is 't schoutoneel van dit bloedstortend spel.
De lyster weekt uw zand in bloed; de vink, te snel
Van het bedriegelyk net, op 't onverzienst gegrepen,
Word van de wreede duim des veld-tyrans genepen,
Dus oeffent hy zijn magt, en kneust het kleene hooft,
Van 't tere vogeltje, dat hy zo 't leven rooft.
Maar zo zyn klachte kon de grage lyster uiten,
Zy zou dan tegens Baek met deze reên besluiten:
‘Dat haar een snode dood werd t'onregt aangedaan;
Dat vogels onder wet noch ook geboden staan;
Dat zy de nootwet volgt, daar 't al zich naar moet neigen;
Dat vrye keur noch wil haar nooit geweest is eigen;
En dat de wyde lucht voor elk een open staat;
Dat zy en haar geslacht den honger en haar quaad
| | | |
Voorzigtig vlieden, en het Noord om 't Zuid begeven,
En lyden na de wil van 't weêr een dolend' leven:
Roôbessen eeten, of al 't geen het afgaand' jaar
Haar schaft tot levensnut. Zy zyn geen oorlogs-schaar
Die Ryken drukt: noch zyn in kerk krakeel bevonden,
s'En eischen zold, noch geld, noch roof; noit schuldig stonden
Op haren naam, die valsch by haar zyn uitgeschrapt;
s'En raân tot pleiten niet, dat goed en bloed aftapt;
Noch zy verdubbelden haar haav' met schendig liegen;
Noch voeren oorlog met gewelt of met bedriegen;
Of plagen stad of dorp, of vreemd' of nagebuur,
Of nestlen immermeer in 's huismans korenschuur;
Noch komen over, om een maagt haar borst te grieven,
Of huwlyksbant t'ontdoen van twee vereende lieven.
Zy eischen deurtogt slegts, en 't geen m'een dolend gast
Niet weig'ren mag na 't recht dat de natuur belast.
Sulks dat sy 't hangen als onschuldig nooit verdienden;
Noch dat men strikken aan een tak span, daar sy siende
Doch blind uit hongersnoot geen noot sien voor haar dood:
Maar dat zelf Jupiter haar klachten niet verstoot,
En dat de moordenaar haar dood zal staan te boeten.’
Indien 't, myn waarde Baek, geoorlooft is, 'k zal moeten
Medoogend' klagen met de lyster en patrys;
De papegaai voorwaar te hoof, als waar hy wys,
Die wenscht syn Vorst geluk, en eert de purpre kleeden,
De reiger sit hier op syn olmboom ook met vreden,
En veilig sit de gier daar hy syn wildbraat eet,
De pauw leeft veiliglyk terwyl sy moedig treet,
De swanen swemmen vry in 't diepste der moerassen,
De oyevaar is door syn deugd 't gevaar ontwassen,
En 't meeste pluimgediert dat berg en bosschen ziet,
En ken die slag van dood noch 't dieflyk hangen niet;
| | | |
De lyster vol ellend, in wilgenschauw gehangen,
Moet van de felle mensch dees snode straf ontvangen,
Haar keel word toegeknoopt gelyk een moordenaar,
Of die gestraft werd, die 't gemeen bracht in 't gevaar.
Het doet my seer, ja zelf myn oog verpynt haar stralen,
Daar zy de lyken reis op reis sou in sien halen,
Haar dood, haar uitvaart geeft aan geen Poëet vermaak.
Maar lust u 't lacchen en dat ick myn klachten staak?
Zo zoek my Nymphen, die vernoegt op 't land nu leven,
Zo laat my
Tesselschaê een deftig praatjen
geven:
Ik hoorde liever dat Duarte vriendlyk zong,
En dat door dit geluit uw veltstrik stukken sprong
1.
|
3Saxii Onomasticon, Tom. IV, pag. 251.
Foppens, Bibl. Belg. Tom. I. p. 165. Brandt Historie der Reform. II en
III doorg. Leven van Ned. Mannen en Vrouwen, II Deel, blz. 222. Wagenaar Amst.
fol. III St. blz. 226. Kok Vaderl. Woordenb. V Deel blz. 118.
1C. barlaei
Orationes variae, Amst. 1643, in 12. In 1689
verscheen eene Nederduitsche vertaling van dezelven in het licht, getiteld: c.
van baerles
Oratiën en Blijde inkomst van maria de medicis,
nieuwlijks met zijne Gedichten verrijkt, in 8vo.
1Medica Hospes, sive Descriptio
publica Gratulationes, qua maria de medicis &a. Amst. 1639, in
fol. met uitmuntend fraaije platen, die ook gevonden worden in de Nederduitsche
vertaling, die gelijktijdig met het oorspronglijk, in hetzelfde formaat en met
dezelfde letter gedrukt, uit de beroemde drukkerij van
C. Blaau in het licht kwam.
2C. barlaei
Rerum per octennium in Brasilia Gestarum, sub praefectura
ill. Comitis joannis mauritii, Nassoviae Comitis ?????. Historia. cum
fig. elegantiss. Amst 1647. Atlas form.
3Redevoering over de verdiensten der
Amsterdammers, enz. gehouden in de Doorl. school te Amsterdam, den 4 Maart
1816, blz 31.
1Vondels Poëzy, II Deel, blz.
31.
1Geschied. der Nederd. Dichtk. I Deel, blz.
135.
1Achter c. van baerles
Oratiën, blz. 679.
|
|