|
|
|
| | | | | |
| |
Aandacht voor de Aenleidinge*
Het is met Vondels Aenleidinge ter Nederduitsche
dichtkunste eigenaardig gesteld. Afgemeten aan de citaten die de gemiddelde
litterair geïnteresseerde eraan pleegt te ontlenen, behoort het met de
Gysbrecht van Aemstel kennelijk tot Vondels meer
populaire werken. ‘Natuur baart de dichter, de kunst voedt hem op’
hoeft in bekendheid niet zo heel veel onder te doen voor ‘Het hemelse
gerecht heeft zich ten lange leste erbarremd over mij en mijn benauwde
veste’, en ‘zo ziet men de beste meesteren de kunst af’ kan
het ongetwijfeld opnemen tegen ‘O kerstnacht schoner dan de dagen’.
Maar ook andere, minder bekende uitspraken als ‘laat het gedicht van enen
Aristarchus keuren’ of ‘leert, behendig stelende een ander het
zijne te laten’ genieten nog een redelijke populariteit.
Wie hieruit zou willen afleiden dat de Aenleidinge dan zeker
tot de grondigst onderzochte werken van het corpu Vondelianum zal
behoren, komt echter bedrogen uit. Aan geen van Vondels meer bekende
geschriften is minder aandacht besteed. In het vijfde deel van de WB-uitgave,
waar op pg. 484 vv. de Aenleidinge is afgedrukt volgens de tekst in de
Poëzy van 1650, wordt aangetekend: ‘Onlangs heeft dr. Edgar
v. d. Velde (Vondel en de plastische kunsten. Gent 1930) gewezen op de
invloed van Sandrart op Vondels kunstbeschouwing en de verwantschap van hun
beider theorie’. Dat wij in de daaropvolgende 40 jaren veel verder zijn
gekomen, zal niemand beweren en het is daarom misschien wel de moeite waard om
het onderzoek te heropenen. Nu echter met een heel andere approach, niet de
kunsttheoretische maar de litterairtheoretische want Vondels verhandeling is
per slot van rekening een stuk litteraire theorie.
Op het eerst gezicht is de Aenleidinge een bijzonder los
gecomponeerd geheel, waarbij Vondel van de hak op de tak lijkt te springen. Het
credo ‘Natuur baert den Dichter; de Kunst voedt hem op’ | | | | (r. 8b)
1 wordt, naar het schijnt, door een aantal
willekeurige onderwerpen gevolgd. Eerst breekt Vondel een lans voor een soort
17de-eeuws AB, daarna wijst hij op het nut dat een jonge dichter kan hebben van
het berijmen van allerlei verhalen waarbij
Virgilius,
Ovidius, de Amadisromans en
Boccaccio werden genoemd. Vervolgens wordt
iets over de stijl te berde gebracht, deze moet altijd ‘snedigh’
zijn ‘en geen stomp mes gelyck’ (r. 56), de noodzaak om kennis van
allerhande zaken op te doen wordt aan de orde gesteld, waarbij ‘Salomons
wijze spreuken,
Cicero,
Seneka en
Plutarchus ...’ als gidsen worden
geadviseerd (r. 109-110), en daarna staat Vondel stil bij het vertalen dat hij
zo belangrijk acht als training voor de aankomende dichter. Even verder dringt
hij erop aan niet alles direct aan het papier toe te vertrouwen wat in de
gedachte opkomt, maar eerst goed te overwegen wat de moeite waard is. Men moet
goed letten ‘op den staet, eigenschap en gesteltenis van elcke
personaedje en zaecke, en die elck naer heur natuur [tekenen]’ (r.
175-176) is weer een andere raadgeving, en tenslotte komt dan de betrekkelijk
lange passage over het nut van de zoeven vermelde Aristarchus, de
onverbiddelijke criticus die de door liefde voor het eigen product verblinde
dichter onomwonden zijn fouten toont.
Het laat zich aanzien dat wij hier te doen hebben met een amalgama
van adviezen bestemd voor jonge dichters, losjes aan elkaar geknoopt, niet
zwaar van toon, converserend, maar door de rijkdom aan treffende beelden, toch
duidelijk het werk van een dichter. Een Nederlandse Pisonesbrief denkt de
litterair-historicus, een indruk die nog versterkt wordt door de opvallend
Horatiaanse reminiscenties als de nietsontziende Aristarchus, de raaskallende
dichter etc. Ondanks de flair en schijnbare nonchalance echter waarmee de
Aenleidinge op papier is gezet, blijkt deze dichtkunsttheorie in a
nutshell een weliswaar soepele, maar toch zeer weloverwogen structuur te
bezitten. Deze structuur is kunstig bedekt door de midden in de regels vallende
overgangen van de ene naar de andere fase, maar zij is aanwezig en verleent de
Aenleidinge een hoge mate van innerlijke coherentie.
Wij zullen nu nagaan volgens welk indelingsschema de
Aenleidinge zich laat hanteren.
| | | | | |
De macrostructuur van Vondels Aenleidinge
Wanneer wij proberen enig houvast te krijgen aan Vondels
verhandeling, wordt in ieder geval een eerste hulp geboden door de laatste
dertien regels (r. 218-230). Deze zijn immers zonder moeite als een aparte
groep te herkennen, en wel als de peroratio. Een in tripartitie
opgebouwd sluitstuk waarop ik nu niet nader zal ingaan omdat dit buiten het
kader van ons onderzoek valt; maar misschien mogen we terloops even wijzen op
de onvervalste bescheidenheidstopos die de Aenleidinge op de valreep nog
van de goodwill der lezers moet verzekeren: de schrijver heeft zijn werk op
verzoek vervaardigd, hier geredigeerd als‘op het aenhouden der
leergierigen’ (r. 219)
2.
Wanneer wij de dertien regels van de peroratio opvatten als
niet behorend tot de uiteenzettingen van het eigenlijke betoog, wordt Vondels
ars poetica geconstitueerd door de regels 1-217. Hierin kan men, naar
mijn mening, drie delen onderscheiden, begrensd door de regels 1-10a (deel 1);
10b-194a (deel 2); 194b-217 (deel 3).
Wanneer wij onze aandacht nu eerst richten op deel 1 van de drie
delen, de regels 1-10a, constateren wij dat hier een bepaald facet van het
poëtisch probleem ter tafel wordt gebracht. Vondel behandelt, zeer summier
overigens, de voorwaarden tot het dichterschap waarbij hij als zijn overtuiging
uitspreekt dat de artistieke aanleg alleen niet voldoende is, maar dat deze
zorgvuldig in cultuur gebracht moet worden. De hele passage laat zich
representeren door de bekende maxime die wij in r. 8 aantreffen: ‘Natuur
baert den Dichter, de Kunst voedt hem op’ waarbij het antithesenspel
tussen natuur en kunst resulteert in de gelukkige synthese van het maximale
dichterschap.
Regel 10b laat de fraaie dychotomie natuur-kunst rusten; de
condities waaronder het litteraire kunstenaarschap kunnen ontstaan worden niet
verder uitgebouwd. Vondel gaat over op een ander onderwerp. Hij vervolgt zijn
betoog met de veronderstelling dat zijn poëet zich voorneemt ‘in
Nederduitsch, zijn moederlycke tale, te zingen’. En hiermee is dan een
nieuw gedeelte begonnen, deel 2, lopend van 10b-194a, | | | | en in deze
ruim 180 regels, de langste passus van de Aenleidinge heeft Vondel zijn
eigenlijke know how neergelegd.
Wat houdt de in genoemde regels aangeboden materie grosso modo in?
Om ons hiervan een eerste indruk te verschaffen moeten wij ons een moment de
Renaissancistische artes poeticae in de herinnering roepen. Wij weten
dat hierin een soort standaardstof behandeld wordt waarvan de elementen,
afgezien van de zuiver rijmtechnische, voor een groot deel terug te voeren zijn
op de dichtkundige traktaten van de Oudheid, met name van
Aristoteles, maar vooral van
Horatius, alsmede op de rhetorische en
oratorische werken van
Cicero, en van Quintilianus'
Institutio oratoria. De verwerking van Cicero en
Quintilianus is voor de hand liggend
wanneer men in aanmerking neemt dat de Renaissance, evenals de Oudheid, dichter
en redenaar als direct verwant beschouwde; de invloed van de rhetorica op de
vorming van de litteraire theorie is dan ook van fundamentele aard geweest
3. De adaptatie van de poeticale problematiek
aan de rhetorische doctrine staat in een lange, uit de Antiquiteit stammende,
traditie die in de late Middeleeuwen nog eens een ferme injectie had gekregen
toen Geoffry de Vinsauf zijn Poetria nova modelleerde naar de
Rhetorica ad Herenium
4. Iedereen die zich op
niveau met de communicatie via de taal bezig hield, wist dat de artes
rhetoricae hem tot handleiding moesten dienen en dat hij in meerdere of
mindere mate op de hoogte moest zijn van de vijf officia oratoris:
inventio (stofvinding), dispositio (stofschikking), elocutio
(stijlleer), pronuntiatio (voordracht) en memoria
(memorisatietechniek)
5
waarvan vooral de eerste drie van het grootste belang werden geacht voor de
compositie van een redevoering of een gedicht.
De waarde die men hechtte aan de kennis van deze eerste drie
weerspiegelt | | | | zich ook in de poetica's van de Renaissance waar zij
een vast onderdeel vormen van het litterair-theoretische programma. Zo handelt
Peletier du Mans, L'art
poëtque (1555) in hoofdstuk [iv] ‘De la Composicion du Poeme an
general: E de l'Inuancion, Disposicion e Elocucion’
6
en vijftig jaar later stelt ook
Vauquelin de la Fresnaye, L'art
poétique (1605), ‘Sur tout bien inuenter, bien disposer, bien
dire, // Fair l'ouurage des vers comme un Soleil reluire’
7. Dit houdt echter niet in
dat deze drie onderdelen alle met eenzelfde uitvoerigheid behandeld worden.
Daar de inventio in de ars rhetorica sedert de Oudheid de eerste
plaats innam, wordt deze ook in de Renaissancistische poetica's als de
voornaamste branche genoemd maar dat impliceert niet dat ook alle feitelijke
aandacht naar dit onderdeel uitgaat. De inventio als een systematiek om
argumenten op te sporen zoals de rhetorica deze hanteerde
8 wordt in de
poetica's als zodanig niet aangetroffen. Wat men daar onder inventio
begrijpt is de idee, de stof, de inhoud, van een werk. Op welke wijze de
dichter deze verwerft wordt bijvoorbeeld kort en helder door
Ronsard in zijn Abbregé de
l'art poëtique François (1565) onder woorden gebracht:
‘... le principal point est l'invention, la quelle vient tant de bonne
nature, que par la leçon [= lezing] des bons & anciens
auteurs’
9. De vinding van de stof wordt hier
dus duidelijk als een vermogen opgevat waarvan alleen gezegd wordt welke
oorsprongen het bezit, te weten de dichterlijke natuur zelf en de goede lectuur
die de dichter verwerkt
10. Een dergelijk psychisch begrepen inventio onttrekt zich,
anders dan de rhetorische, uiteraard aan gedetailleerde preceptualisering. De
enige manier waarop binnen het kader van de poetica de inventio toch als
een soort vindsysteem kan fungeren, ligt in het aanwijzen van de stoffen die de
dichter, al naar gelang het genre dat hij wenst te beoefenen, ter beschikking
staan. De stofbeschrijvingen kunnen normatief gehanteerd worden zodat zij
| | | | ‘regels’ opleveren voor het ideeëngoed dat aan
een epos, tragedie, elegie etc. ten grondslag ligt. Daarnaast geeft de ars
poetica aanwijzingen om het inventerend vermogen te ontwikkelen en in de
goede richting te sturen. Ronsard noemt ‘la leçeon des bons &
anciens auteurs’ en daarmee doelt hij niet alleen op het lezen zonder
meer, maar op het verwerkend, het lerend lezen dat de basisconditie vormt voor
de imitatio der gerenommeerde modellen.
In tegenstelling tot de rhetorische inventio leent zich de
elocuto uitstekend voor behandeling in de ars poetica. Niet
alleen ressorteerde onder de elocutio de stijlornamentiek - en daaronder
werd volgens rhetorische inzichten ook het rijm begrepen
11, maar ook
de voorschriften voor een zuiver en correct taalgebruik, waarvan de cultivering
juist een opmerkelijk moment in het patroon van de Renaissance vormt. De
elocutio kon dan ook moeiteloos van het rhetoricahandboek naar het
poeticale traktaat getransponeerd worden, en des te gereder omdat de
accentuering van de elocutio boven inventio en dispositio
een voortzetting betekende van een door Cicero's Orator ingezette
traditie binnen het rhetorische systeem, dat in de artes poeticae van de
Middeleeuwen navolging had gevonden
12.
Waar het een algemene uiteenzetting van de dichtkunde geldt en de
universele principia van het schrijven ter sprake worden gebracht, wordt aan de
elocutio dan ook steeds meer aandacht besteed dan aan de twee andere
branches.
Expliciet verklaart Du Bellay in zijn Deffence et illustration
de la langue francoyse (1549), ‘je me contenteraye de parler des deux
premiers, scavoir de l'invention & de l'éloquution’
13 maar hij gaat vooral in op de ‘eloquution ...
sans laquelle toutes autres choses restent comme inutiles & semblables
à un glaive encores couvert de sa gayne’
14. Evenzo heeft
Peletier du Mans voor hij aan de beschrijving van de verschillende genres
toekomt (in het derde hoofdstuk van het | | | | tweede boek
15
de elocutio de belangrijkste plaats ingeruimd door behandeling van de
stijlfiguren, de stijlkwaliteiten, het rijm en het syllabenaantal van het
Franse vers. En om tenslotte nog op Ronsards Abbregé te wijzen
waarin met terzijde lating van de genres slechts de poëzie in algemene zin
aan bod komt, door de grootste aandacht te schenken aan het verstechnische en
aan bepaalde aspecten die tot deelocutio gerekend worden, voert de
stijlleer duidelijk de boventoon
16.
Nu verloopt de behandeling van de elocutio langs enkele
punten die de kwaliteiten (virtutes) met daartegenover staande fouten
(vitia) van de stijl constitueren. In het gangbare rhetorische systeem
onderscheidt men daarbij één grammatische kwaliteit Latinitas
/ puritas dwz. de idiomatische korrektheid, en drie rhetorische
kwaliteiten: perspicuitas, de intellectuele verstaanbaarheid,
ornatus, de stilistische verfraaiing, en aptum, de harmonie
binnen het kunsterk zelf (o.a. congruentie van stijl en stof) en de harmonische
relatie tussen kunstwerk en sociale context
17.
Ook in de Aenleidinge wordt het grootste deel van het
betoog in beslag genomen door de elocutio, terwijl de andere
poeticaal-rhetorische branches, de dispositio en de inventio
slechts even aangestipt worden. Zonder op dit moment de analyse van de door
Vondel geleverde stijlleer te ondernemen, zou ik toch op een enkele kwestie een
moment willen ingaan, en wel op Vondels aandacht voor de perspicuitas
die m.i. wellicht groter is dan zich bij een eerste lezing laat
constateren.
Het principe van de perspicuitas zien wij duidelijk aan den
dag treden als Vondel in de regels 86-102 die aan het aptum gewijd zijn,
in de passus r. 98-100 (‘blijft ... binnen het besteck van verstaen te
willen wezen: ‘... spreeck klaer. Eenigen schrijven aijl willens
duister...’) zich zeer nadrukkelijk keert tegen de onduidelijkheid in
woordbetekenis, obscuritas het vitium dat tegenover de
perspicuitas staat
18. Nu kan men het aptum bezien onder
verscheiden aspecten en Vondels introductie hier van juist de
perspicuitas is dus opvallend. In het | | | | bijzonder is dit het
geval met de regels 96b-98a. Vondel postuleert daar de juiste maat, het niet te
veel, één van de quantitatieve voorschriften die het aptum
bevat
19.
Er is geen dwingende reden de perspicuitas daarbij te betrekken, maar
Vondel doet het wel. Het niet ‘te wijt’ halen en het ‘bij een
voegelijcke verwe’ blijven, nemen onmiskenbaar de kleur aan van het
duidelijkheidsvoorschrift waarmee de zin afgesloten wordt, het voorschrift van
intellectueel ‘verstaen te willen wezen’.
Maar ook in het onmiddellijk voorafgaande gedeelte meen ik dat de
eis tot perspicuitas, of in het thans te bespreken geval beter gezegd,
het afwijzen van de obscuritas, een niet onbelangrijke factor is
geweest. Ik doel hier op de vrij uitvoerige attaque in de regels 62b-85,
ondernomen tegen de poëten die niets meer dan rijmers zijn, die zwetsen en
zich schuldig maken aan ‘loutere blaeskaeckerye’ (r. 76). Deze
‘blaeskaeckerye’ beschrijft Vondel in verscheidene andere termen,
als ‘het snaterbecken der aecksteren’ (r. 71), ‘een
doorgaende bravade’ (r. 76) en zelfs met een hele reeks: ‘snorcken
en poffen, vernissen en blancketten’ (r. 80). Bovendien stelt hij de
bezigheid van deze soort dichters antithetisch op ten aanzien van d'alleroudste
en beste Poëten’, die ‘de natuurlijckste en
eenvoudigste’ zijn (r. 79). Binnen deze context laat de
‘blaeskaeckerye’, ‘doorgaende bravade’ etc. zich
herschrijven als de terminus technicus affectatio
20,
die gebezigd wordt om het tegendeel van eenvoud en natuurlijkheid aan te wijzen
21, en die als vitium van het tegenover de kwaliteit van het
copiosum, het rijk zijn aan woorden en gedachten; het copiosum is
een van de zes deelkwaliteiten die in hun totaliteit de ornatus
samenstellen
22. De affectatio als vitium van het copiosum
doelt op overtollige overvloedigheid, een superflu gebruik van woorden,
rhetorische figuren, beelden etc. Affectatio kan men wellicht het best
aanduiden als ‘mislukte expolitio’, want de expolitio
is een rhetorische figuur die de rijkdom aan expressiemogelijkheden van de
schrijver showt: een zelfde gedachte wordt telkens anders en anders
geverbaliseerd
23. Deze passus betreffende de | | | |
affectatio is
door het gebruik van velerlei synoniemen en een expolitio-achtige
techniek, het meest barokke fragment uit de Aenleidinge en m.i. mogen
wij aannemen dat Vondel dit niet zonder een solide reden heeft gedaan. Binnen
de vereiste congruentie van stijl en stof die het aptum immers als
noodzakelijk stelde, was het niet mogelijk de gelaakte
‘blaeskaekerye’ etc. anders te beschrijven dan met een overvloedige
veelheid van woorden en beelden waardoor de imago van de
‘blaeskaekerye’ zelf duidelijk voor de geest geroepen werd.
De affectatio bezit echter behalve deze negatief
aesthetische component van de overtolligheid, eveneens een negatief
intellectuele component, bestaande o.a. uit de onduidelijkheid in
woordbetekenis
24. Men kan zich nu afvragen of er voor Vondel een direct
verband heeft bestaan tussen deze beide facetten van de affectatio, de
overtolligheid en de obscuritas. M.a.w. heeft Vondel de
affectatio mede daarom zo uitvoerig en beeldend behandeld omdat de
onduidelijkheid van alles wat met veel lege breedsprakigheid gezegd werd, voor
hem impliciet gegeven was? Ik meen dat dit inderdaad het geval kan zijn geweest
en beroep mij daarvoor op een rhetorisch werk dat internationaal van bijzonder
grote invloed is geweest, Erasmus' De duplici copia verborum ac rerum
(1512). In het eerst hoofdstuk van dit aan de hantering van de woordvoorraad
gewijde geschrift, stelt
Erasmusal dadelijk het vitium aan
de orde dat een juist gebruik van de copia bedreigt, de
affectatio. En daar nu lezen wij dat door onnut en vormeloos gezwets de
zaken waarom het gaat, verduisterd worden
25. Voor Erasmus vormt
dus de affectatio als vitium van het copiosum een directe
bedreiging voor de perspicuitas. Ik acht het bepaald aanvaardbaar dat
Renaissancisten met het hier gelegde directe verband tussen onnutte veelheid en
onduidelijkheid zozeer vertrouwd waren dat de aesthetisch negatieve component
voor hen in een vanzelfsprekende correlatie stond met de | | | |
intellectueel negatieve component. Wanneer Vondel dan in de regels 62b-85
heftig uitvaart tegen de ‘blaeskaeckerye’ die zo in strijd is met
de eenvoud en natuurlijkheid van ‘d'alleroutste en beste
Poëten’, moet m.i. terdege rekening gehouden worden met de
mogelijkheid dat de onvoorwaardelijke veroordeling van de lege overtolligheid,
de veroordeling van de obscuritas impliceert. Een zekere geporteerdheid
bij Vondel voor de perspicuitas zou overigens niet verwonderlijk zijn
wanneer men bedenkt dat sedert
Malherbe's optreden in 1610 deze
virtus elocutionis zich, onder de naam la clarté rap een
weg baande naar een toppositie binnen de Europese stilistiek.
De uiteenzetting over de elocutio wordt door Vondel
tweemaal onderbroken om de a.s. poëten aanwijzingen te geven van een
andersoortige aard, aanwijzingen die geheel op het vlak van de praktische
beoefening van het dichterschap liggen, een soort methode ter bereiking van het
optimale gedicht. Deze werkwijze wordt uiteengezet in de regels 103-155a,
185b-193a en is te bestempelen als de exercitatio, de oratorische dan
wel poëtische oefening waardoor redenaar en dichter hun vak zowel leren
als onderhouden
26.
De eerste passus (r. 103-155a) behandelt de procedure van het
kennisverwervende lezen via de vertaling tot het zelf creëren, waarbij de
aanbevolen manier om naar ‘den top der volkomenheit’ te klimmen (r.
145) die van de imitatio is. Uiteraard geen slaafse maar een vrije, naar
aemulatie tenderende imitatio zoals Quintilianus had voorgeschreven
27 en de Renaissance niet moe wordt te herhalen. Men dient het
voorbeeld dermate kunstig te bewerken dat het eigen produkt een volkomen
autonomie verkrijgt en de ‘Vorlage’ als het ware onaangetast
blijft. Of, zoals Vondel het exprimeert in navolging van Vida: men moet leren
‘behendigh stelende, een' ander het zijne te laten’ (r. 125)
28. Voor de
Renaissance is de meest succesvolle representant van deze methode Vergilius en
alszodanig wordt hij ook door Vondel genoemd: ‘Aldus heeft
Vergilius de Prins der Poeeten zelf,
oock van | | | | Homeer en anderen vele ontleent, en uit de Grieksche tale
met zulck een oordeel ingevoert, dat hy 'er onsterfelycken lof uithaalde’
(r. 131b-133a). Hoe het nu precies moet, kan de as. dichter tenslotte ook nog
uit de Aenleidinge zelf leren! Als hij zijn Epistula ad Pisones
kent - en wie zou het gewaagd hebben deze poeticale pièce de
résistance te ignoreren - zal hij ongetwijfeld de schok der herkenning
hebben ondergaan toen hij in Vondels uitval tegen de zwetsers een regel uit
Horatius opmerkte, maar goed
getransformeerd en in een andere context. Want de verafschuwde blaaskaken die
‘verwaendelijck aen 't zwetsen [vallen], gelijck de quackzalvers om hun
zalfpotten te venten’ (r. 72b-73) zullen hun jargon wel geleerd hebben
van de Horatiaanse venter die de menigte om zich heen verzamelt om zijn waren
aan de man te brengen
29. De Latijnse
metafoor is echter in een geheel ander kader gebruikt, nl. om de goed
gesitueerde dichter te verbeelden die vleiende critici zoekt.
Vondel besluit deze eerste passus van het aan de
exercitatio gewijde gedeelte door de praemeditatio aan te
bevelen, het wikken en wegen, voor men de pen op papier zet (r. 147b-154a)
30.
De tweede passus (r. 185b-193a) begeleidt de dichter nadat deze
zijn werk al op schrift gesteld heeft en bevat de emendatio, de
filologen zo welbekende tekstcorrectie
31. Vondel adviseert weliswaar niet het gedicht tot in het
negende jaar in de bureaula te houden zoals Horatius dit doet
32, maar wel
het ‘eens en anderwerf, ja zevenwerf’ over te lezen. En tenslotte
is hij het met de Epistula ad Pisones eens om ‘het gedicht van
eenen Aristarchus, ja verscheide keurmeesteren [te laten] keuren’ (r.
190) alvorens tot publicatie over te gaan
33.
Deze tweede passus is een geslaagd voorbeeld van het soepel
ineengrijpen van de verschillende constituenten van de Aenleidinge. De
onverbiddelijke kunstrechter die de dichter als controleur over zijn werk moet
aanstellen, hanteert niet alleen de hoogste normen ter beoordeling | | | |
van de technische kwaliteiten, hij waakt tevens over de honorabiliteit van het
gedicht. Deze tweevoudige functie die aan de strenge Aristarchi wordt
toegekend, stelt Vondel in de gelegenheid zijn laatste pragmatische advies te
liëren aan een evaluatie van de poëzie in het algemeen en van de
dichter. En daarmee wordt deel 3 (r. 194b-217) van het betoog aan de orde
gesteld.
De waarde van de poëzie meet Vondel af aan haar ethische
hoedanigheid, een goed Renaissancistische manier van doen die voornamelijk de
tegenstanders van de dichtkunst de wind uit de zeilen moet nemen en het
maatschappelijk nut van de poeterij moet bevestigen. Ook Vondel eist een
honorabele poëzie op straffe van ‘laster voor den Dichteren in 't
algemeen’ (r. 195). Ontbreekt de eerbaarheid dan kunnen, zoals vroeger is
gebeurd ‘de Rederijckkamers gesloten, de tooneelen verboden worden (r.
196). Daarom wil Vondel uitsluitend het hoogste morele niveau. Pas
‘indien men bordeelspreucken en spreeckwoorden uitbant, zoo zal de
Schouwburgh een eerlijck tijtverdrijf strecken, en oock voor deftige lieden
openstaan’ (r. 197b-199a). Ook de dichter wordt geëvalueerd.
Negatieve hoedanigheden als het niet becritiseerd willen worden door kundige
critici, worden gelaakt in de ‘kranckzinnigen’ die hun ‘
geneesmeester’ aanvallen - een imitatio van het gedrag van
Horatius' dolle dichters
34 - terwijl de ware
poëet, ethisch (en ook technisch) naar het hoogste strevend, zal
‘hemelval en de spraeck der Goden ... spreecken’ (r. 214). Het
belang van de poëzie en de dichter liggen in elkaars verlengde. Eerbare
poëzie, die de dichters niet tot laster strekt, zal slechts geschreven
kunnen worden door een poëet die een hoge opvatting heeft van zijn taak en
zich daarom in wil spannen om de kunst te bemachtigen. Immers ‘de Goden
[verkopen] de beste dingen voor zweet en arbeid’ (r.209-210).
In de nu volgende en laatste zin van dit derde deel geeft Vondel
de essentie weer van hetgeen hij resp. in deel 3 en deel 2 betoogd heeft, een
korte samenvatting dus van zijn poeticale optiek anno 1650: Poëzie moet
verheven zijn en, zich houdend aan de geleerde voorschriften, kunnen voldoen
aan de strengste kritische maatstaven, zowel waar | | | | het de ethiek
als de techniek betreft. Getransformeerd in de taal van de Aenleidinge:
‘De hemelsche Poëzy wil niet op den middeltrap, maar moet in top
staen en op den toetssteen van een beslepen oordeel proef houden, naer de
wetten by de Geleerden daer toe voorgeschreven, waer toe wy gewezen
worden’ (r. 215-217).
Wanneer wij nu de resultaten van onze analyse samenvatten, komen
wij tot de onderscheiding van de volgende constituerende delen:
| 1. | de behandeling van de dichotomie
natuur-kunst, waarvan de synthese de oplossing biedt voor de vraag naar de
essentie van het dichterschap (r. 1-10a) |
| 2. | het betoog
over de ‘kunst’, waarin twee strengen dooreengevlochten
zijn: |
| | a. de leer (vnl. de
elocutio) |
| | b. de praktische beoefening
(imitatio etc.) (r. 10b-194a) |
| 3. | de evaluatie
van de dichtkunst en de dichter (r. 194b-217) |
| 4. | de
peroratio (r. 218-230). |
Deze uiterst logische opbouw van de Aenleidinge lijkt niet
het produkt van het toeval maar van een gerichte compositietechniek die zeer
veel gelijkenis vertoont met het patroon dat in de rhetorica ontworpen is voor
de thesis, een uiteenzetting waarin een uitgewerkt antwoord wordt
gegeven op een quaestio infinita, dat wil zeggen een vraagstuk
van algemene aard, hetzij filosofisch, hetzij wetenschappelijk of technisch
35.
Om de sterke overeenkomst tussen het model dat geldt voor de
behandeling van de quaestio infinita en de Aenleidinge te kunnen
demonstreren, zullen wij eerst nagaan welke stadia de thesis moet
doorlopen.
Uit de voorschriften die Cicero in zijn De partitione
oratoria daartoe opstelt
36 blijkt dat deze
stadia constanten zijn die evenzeer ter geleding dienen van de quaestio
finita, een vraagstuk dat particuliere | | | | problemen behandelt,
hetzij van juridische, hetzij van politieke of epideiktische aard. Iedere
verhandeling en iedere redevoering, van infiniet of finiet karakter, bestaat
uit tenminste drie constanten die status (basisposities) genoemd worden
37 en waarvan de functie is de richting te
bepalen waarin de argumentatio (bewijsvoering) zich bewegen moet. De
status zijn te beschouwen als een rits elkaar opvolgende hoofdthema's - reden
voor Quintilianus om de status aan te duiden als summae quaestiones
38 - die de bewijsvoering / het betoog een vast patroon en een logische
samenhang moeten verschaffen. Voor Quintilianus is de verdeling van ieder
probleem volgens deze sleutels dermate van zelfsprekend dat hij de status
beschouwt als de mens door de natuur voorgeschreven
39.
Welke zijn nu de drie status, oftewel op welke hoofdthema's moet
het bewijsvoerend betoog zich achtereenvolgens toeleggen.
Om te beginnen is er de status coniecturae (de positie, het
thema, van het gissen), in de quaestio infinita beheerst door de vraag
an sit (of het zo is).
De meest sprekende demonstratie van deze positie levert de
juridische quaestio finita waar het eerste stadium van de procesvoering
in het teken staat van het onderzoek naar de dader, zodat antwoord gegeven kan
worden op de met an sit correlerende vraag, nl. an fecerit (of
hij het gedaan heeft). Hierop volgt de status finitionis (de positie,
het thema van het definiëren) waarin de aard van het te behandelen object
door middel van een definiërende beschrijving ondernomen wordt; de vraag
die hier beantwoord moet worden luidt in de quaestio infinita quid sit
(wat het is), toegepast op de genus iudiciale, quid fecerit (wat hij
gedaan heeft); in het laatste geval wordt aldus een onderzoek bevolen naar de
aard van de daad. En tenslotte de status qualitatis waarin het thema van
de hoedanigheid aan bod is en de evaluatie van het object in het geding komt.
In de quaestio infinita luidt de organiserende vraag hier quale
sit (hoedanig het is), toegepast op de juridische casus: an iure / recte
fecerit (of hij het rechtens / goed gedaan | | | | heeft). Deze
laatste fase van het onderzoek spreekt dus het uiteindelijke ethische oordeel
uit t.a.v. het onderzochte. De drie status structureren ieder vraagstuk
duidelijk als drie deelproblemen waarvan de afzonderlijke oplossingen kunnen
fungeren als het totale antwoord op de totale kwestie
40.
We zullen nu bij Cicero nader gaan bezien op welke wijze de
vraagformules an sit, quid sit, quale sit functioneren wanneer in een
thesis een quaestio infinita aan de orde wordt gesteld.
In de quaestio infinita onderzoekt de status
coniecturae, ‘an sit’ de natuurlijkheid / niet
natuurlijkheid van het object. Hierbij kan in twee richtingen gewerkt worden en
wel door beantwoording van de subvragen
| a. | is een bepaald resultaat
mogelijk? |
| b. | hoe wordt een bepaald resultaat
verkregen? |
Deze laatste subvraag specificeert Cicero als volgt: wordt een
bepaald resultaat verkregen door middel van de natuur (natura), de leer
(ratione) of de praktijk (usu). An sit is m.a.w.
vertaalbaar in de zin van: is het object ex natura of niet?
De status finitionis ‘quid sit’ die zich
op de definiëring van het object richt, kent Cicero eveneens twee
richtingen toe:
| a. | differentia dan wel
identiteit |
| b. | beschrijving, in de zin van, ‘het
model opstellen’ van het object. Bijvoorbeeld: quis sit
superbia. |
De status qualitatis ‘quale sit’ zoekt
al naar gelang de aard van het object, de honorabiliteit, nuttigheid of
billijkheid ervan in het licht te stellen
41.
Wanneer wij nu Vondels Aenleidinge leggen op het patroon
voor de thesis zoals dit door Cicero is aangegeven, kan men, naar ik meen, een
belangrijke mate van congruentie waarnemen:
Aenleidinge dl. 1 (r. 1-10a), zo kan men redeneren, is
bewerkt vanuit de status coniecturae en geeft antwoord op de vraag an
sit, de | | | | vraag naar de natuurlijheid/niet-natuurlijkheid van
het object, in casu van het dichterschap. Vondel zoekt de oplossing in de door
Cicero aangegeven richting b: wordt een bepaald resultaat verkregen door middel
van de natuur, het onderricht of de praktijk. Hij
beantwoordt deze subvraag door een synthese van de bij Cicero genoemde factoren
waarbij onderricht en praktijk, de twee niet-natuurlijke
componenten onder den noemer Kunst worden samengebracht en opgesteld
naast de component Natuur.
Aenleidinge dl. 2 (r. 10b-194a), kan men stellen, is
bewerkt vanuit de status finitionis. Vondel definiëert de
Kunst als leer plus praktijk, met gebruikmaking van de
door Cicero aangegeven richting b: beschrijving van het object. De leer
wordt beschreven in de behandeling van de elocutio, de praktijk
door de expositie van de exercitatio, te weten het lezen, vertalen,
imiteren etc.
Aenleidinge dl. 3 (r. 194b-217) kan men beschouwen als de
status qualitatis. De eerbaarheid van het gedicht wordt beklemtoond
(oneerbare poëzie leidt tot het sluiten van de kamers en het verbieden van
het toneel); maar vooral wordt gewezen op de noodzaak van een honorabele
dichter en die zich moeite wil geven om de kunst meester te worden.
De drie fasen die de Aenleidinge doorloopt vertonen dus
inderdaad overeenkomst met de drie status van waaruit de thesis
ontwikkeld wordt. Ik wil op grond daarvan allerminst beweren dat Vondel dus een
rhetorica-leerboek als Cicero's De partitione oratoria in gebruik gehad
moet hebben. Wel dat hij, hoe dan ook bekend was met de vormgeving die
vraagstukken van algemene aard (i.c. van poeticaal karakter) konden
aannemen.
Maar er is ook een opvallend verschil op te merken. De
status van de thesis belichten nl. steeds aspecten van een en
hetzelfde object, dat op deze wijze geheel en al onderzocht kan worden. In de
Aenleidinge wisselen de objecten in de fasen: dichter, kunst en de
poëzie, in de zin van het vervaardigde gedicht, fungeren beurtelings als
object. Ik meen nu dat de oorzaak hiervan gezocht moet worden in de
stofgeleding van het genre ars poetica.
In de ars poetica kan men, evenals trouwens in de ars
rhetorica, drie kerncategorieën onderscheiden die centraal staan in
het denken over | | | | de litteraire materie, te weten: de kunstleer - de
maker - het gemaakte, in poeticale terminologie: ars - poeta -
carmen
42. Wanneer men de stof van de Aenleidinge indeelt
volgens dit patroon, kan gesteld worden dat in dl. 1 (r. 1-10a) de poeta
centraal staat, in dl. 2 (r. 10b-194a) de ars (elocutio en
praktische beoefening), in dl. 3 (r. 194b-217) het carmen (de
vervaardige poëzie) en in directe relatie daarmee weer de poeta.
Daar de grenzen tussen dichter en gedicht zeer vloeiend zijn, kan men
verdedigen dat dl. 3 au fond over de dichter handelt en de poëzie alleen
ter sprake komt voorzover de poëta-context dit vereist. Ter
ondersteuning van deze opvatting zou men kunnen wijzen op r. 195 waar Vondel
uitdrukkelijk spreekt over ‘den laster voor den Dichteren in 't
algemeen’; wat volgt, zowel het sluiten van de Kamers etc., als de
veronderstelling dat eerbare lieden de schouwburg zullen bezoeken mits er een
decente dramatiek vertoond wordt, regardeert dan de dichter en dient
uitsluitend als aansporing tot de hem betamende eerbaarheid. Van de drie
hoofdcategorieën die deel uitmaken van een ars poetica, zou Vondel
er in dat geval slechts twee behandeld hebben, de dichter en de kunst,
ars en poeta.
Afgezien van de vraag of in dl. 3 gedicht èn dichter, dan
wel uitsluitend de dichter als object van het betoog beschouwd moet(en) worden,
lijkt het mij toe dat door het betrekken in onze analyse van de poeticale
klassen ars, poeta, carmen, ons inzicht in de
macrostructuur van de Aenleidinge verhelderd kan worden.
Het blijkt nl. dat het statusprincipe en het
categorieprincipe gefuseerd hebben op een dusdanige manier dat de
categorieën om beurten als object van de verschillende status aan
den dag treden. Wij herinneren ons dat Quintilianus van mening was dat het
statussysteem vanwege zijn rationele geleding door de natuur aan de mens
was voorgeschreven. Vondel heeft in ieder geval bewezen dat toepassing van dit
systeem op zijn poeticale materie het betoog een zeer hechte structuur kan
verlenen.
Door uit het materiaal van de categorie poeta zijn keus te
bepalen tot de vraag van de natuurlijkheid-niet natuurlijkheid van het
dichterschap, stelde Vondel zijn betoog in de coniectura terwijl
poeta het | | | | object van de uiteenzetting vormde. De redactie
van de vraag natuurlijkheid-niet natuurlijkheid was erop gericht het belang van
de factor kunst aan te tonen waardoor de lezer voorbereid werd op de volgende
fase, de expositie van de kunst. De uiteenzetting van deze kunst, m.n. van
elocutio en exercitatio deed het betoog van de coniectura
verschuiven naar de finitio, de status van de definitie door
beschrijving. Na informatie betreffende het leer- en oefenproces, dringt zich
bij de lezer de vraag op naar de hoedanigheid van het resulterende produkt en
wel in termen van ethische kwalificatie. Daar het echter om een litterair
produkt gaat, zijn produkt en intentie van de maker, onlosmakelijk met elkaar
verbonden en richt zich de interesse van de lezer tevens op de mentaliteit van
de maker, wellicht zelfs in de eerste plaats. Vondel kan nu materiaal van de
categorie carmen enpoeta introduceren, in beide gevallen de
honorabiliteit van de poëzie en van de dichter - met ruime aandacht voor
deze laatste - en als object laten dienen van het volgende stadium. Maar
daardoor verschuift het betoog tevens van de finitio naar de
qualitas, de derde en laatste fase, die waarin de evaluatie wordt
opgeworpen.
Deze derde verschuiving naar de qualitas lijkt ons
misschien van een minder dwingende noodzakelijkheid maar voor de Renaissance is
dat bepaald niet zo. Vanaf de Oudheid immers hebben ethische en evenzeer
utilitaire evaluaties daden en verschijnselen begeleid waardoor de gerichtheid
ervan op de maatschappij gewaarborgd bleef. In de doeleinden van dicht- en
welsprekendheidskunst, resp. het ‘corrigerend’ nabootsen van de
werkelijkheid en het overtuigen, zijn de gevaarlijke kanten voor de samenleving
steeds onderkend en herhaaldelijk tegen de beoefenaars, vooral die van de
dichtkunst, uitgespeeld. De oratoren hadden te hunner verdediging een
ideaalbeeld in het leven geroepen, de bonus orator, een vlekkeloos man
die een vak beoefende van volstrekte eerbaarheid, aan de filosofie gelijk. En
de dichters deden zeker niet voor hen onder. Geïnspireerd door de Godheid
of de Muzen dienen zij immers - Vondel zegt het in r. 193 - een
‘goddelijcke wetenschap’, een, r. 215 - ‘hemelse
Poëzy’. De ethische kwaliteit van deze dienaar is met zijn hoge
roeping uiteraard geheel in overeenstemming. Karakteristiek voor het beeld dat
de dichters van zichzelf aan de maatschappij | | | | voorhouden is de
passage uit Ronsards Abbregé de l'art poétique
François (1565): ‘Or, pout ce que les Muses ne veulent loger
en une ame, si elle n'est bonne, saincte, & vertueuse, tu seras de bonne
nature ... animé d'un gentil esprit, ne laisseras rien entrer en ton
entendement qui ne soir sur-humain & divin. Tu auras en premier lieu les
conceptions hautes, grandes, belles & non trainantes à terre’
43. En zo ook is Vondels kwalificatie van de
ware dichter: een man die ‘hemelval’ en ‘de spraeck der
Goden’ spreekt (r. 214). De zuiverheid van de ideale dichter staat er
borg voor dat zijn poëzie eerbaar en de moeizame gang door de ars
ten volle waard is.
In het begin van dit artikel heb ik gezegd dat de
litterair-historicus bij het kennisnemen van de Aenleidinge denkt aan
Horatius' ars poetica en dat is m.i. zeer terecht. Afgezien van de
concrete reminiscenties aan de Epistula ad Pisones die als min of meer
verdekt opgestelde richtingwijzers fungeren, wordt de Aenleidinge
evenals Horatius' ars gekenmerkt door afwezigheid van technische termen,
grote beeldrijkheid en vooral door het soepel en kunstig ineenvlechten van de
verschillende onderdelen. Ik ben ervan overtuigd dat dit alles niet toevallig
is, maar door Vondel opzettelijk nagestreefd om zijn geschriftje als een
imitatio van Horatius' beroemde gedicht te presenteren. Maar bij Vondel
is er, dank zij de hantering van het statussysteem een doorzichtiger
macrostructuur, die de Aenleidinge een uitgesproken rationele opbouw
verleent. Heeft Vondel misschien getracht op deze wijze met zijn grote
voorbeeld te kunne aemuleren?
Nu wij ons, naar ik hoop, een indruk gevormd hebben van het
compositorische karakter van de Aenleidinge, zullen wij op een van de
drie constituerende delen nader ingaan, en wel op het eerste deel, de status
coniecturae. Op deze manier wil ik trachten een begin te maken met het
traceren van Vondels litterair-theoretische opvattingen zoals hij die in zijn
mini-dichtkunst heeft neergelegd.
| |
Deel 1 (r. 1-10a)
Vondel opent de Aenleidinge met de categorie poeta
door het probleem natuur-kunst te lanceren. De oplossing die hij biedt (Natuur
| | | | baert den Dichter, de Kunst voedt hem op) betekent echter dat hij
de opgeworpen antithese niet op zelfstandige wijze heeft behandeld.
De verhouding natuur-kunst is oorspronkelijk een
moraal-filosofisch vraagstuk dat als de φυσις -
τεχνη-problematiek in de Protagoras werd
gelanceerd met betrekking tot de αρετη
44 en furore heeft gemaakt in het denken over de artes
liberales. In het laatste geval werd het accent gelegd nu eens op de
natuurlijke aanleg, dan weer op de τεχνη (ars) waarbij
men voor ogen moet houden dat ars altijd een tweeledigheid inhoudt: leer
plus praktische beoefening. En de imitatio is van deze praktisering
steeds het voornaamste onderdeel. De imitatio schrijft Lausberg,
‘tritt als grundlegende Ergänzung zur ... ars hinzu’
45. Dat
is dus de situatie die wij aantreffen in het tweede gedeelte van Vondels
Aenleidinge, in de status finitionis, de beschrijving van de
ars als elocutio en exercitatio.
De synthese dat natuur en kunst beide een rol speelden wanneer er
sprake was van een intellectuele faculteit, werd in de Oudheid voor de
welsprekendheidskunst algemeen aanvaard. Men schikte de verhouding zodanig dat
de natuur de conditio sine qua non vormde tot de kunst. Zonder
natuurlijke begaafdheid leidde de bestudering van de ars niet tot een
positief resultaat
46.
Maar ook hier konden de accenten verschuiven. Cicero, de
praktiserende orator, legt graag de nadruk op de natuurlijke aanleg
47, terwijl Quintilianus, de
rhetorica-professor het volmaakte resultaat juist van de ars verwacht.
Instructief is in dit opzicht een passus uit het tweede boek van de Institutio
oratoria waarin Quintilianus schrijft dat de gemiddelde orator meer aan
de natuur te danken heeft, maar de | | | |
volmaakte juist meer
aan de kunst (doctrina)
48. De kunst, niet
de natuur is in dit geval dus in staat tot de perfectie te voeren.
De overdracht van het vraagstuk naar het direct verwante gebied
van de dichtkunst, leverde de Antiquiteit twee soorten antwoord op: het
Ciceroniaanse en het Horatiaanse. Van Cicerio is te verwachten dat hij, binnen
de vigerende inzichten betreffende het litterair-creatieve proces, de stelregel
van de goddelijke inspiratie royaal liet prevaleren en dat gebeurt dan ook in
de Pro Archia waar hij tot de uitspraak komt ‘poetam natura ipsa
valere ...’
49.
Horatius evenwel staat dichter bij het standpunt van de rhetorici. In de
bekende passage die hij in zijn Epistula ad Pisones aan het natura an
arte-probleem wijdt, bewaart hij een strikt evenwicht tussen natuur en
kunst
50, terwijl hij er in de loop van zijn verhandeling geen twijfel
aan laat bestaan dat oefening voor de dichter van het grootste belang is. Op
traditionele wijze illustreert hij de eisen die een intellectuele ars
als de dichtkunst aan haar beoefenaars stelt, door een physieke ars als
beeld te gebruiken. In die zin fungeert de metafoor die waarschuwt tegen het
deelnemen aan de spelen op de Campus Martius voor degene ‘ludere qui
nescit’
51 of de metafoor van de
wedkampende wagenmenner met zijn zware oefentijd
52. Maar ook vervat Horatius
het moeizame proces van beheersing der dichtkunst in een beeld dat naar een
verwante intellectuele ars verwijst, bijv. naar de muziek. En dan wordt
de lezer o.m. herinnerd aan de fluitist op de Pythische Spelen die
‘didicit prius extimuitque magistrum’
53.
Gezien de grote bekendheid en populariteit van de Epistula ad
Pisones spreekt het welhaast vanzelf dat de Renaissance in het algemeen de
| | | | Horatiaanse opvatting huldigde van de leerbaarheid der dichtkunst
op voorwaarde van de natuurlijke aanleg.
Dit kon des te gereder gebeuren omdat het alternatieve paar
natuurkunst in de Renaissance haar oorspronkelijk filosofische en litteraire
gebied ver overschreden had. Waar ook maar sprake was van een techniek en
daaraan verbonden regels, of het nu de jacht of de make-up betrof, de
categorieën natuur en leer waren steeds present. ‘These terms, these
categories’ merkt E.W. Tayler op, die aan deze dialectische tweeling een
verhelderende studie heeft gewijd, ‘were the intelectual tools man used
in understanding himself and his world, in organizing his views of himself and
experience’
54. Voegt men deze algemene
tendens om door middel van antithetische begrepen categorieën het
wereldbeeld een hanteerbare structuur te verlenen, toe aan de
litterair-theoretische tendens om het leerbare element te accentueren, dan mag
men verwachten dat het probleem van natuur versus kunst een topos is geweest in
de poetica van de Renaissance. Dit lijkt inderdaad het geval. Het Horatiaanse
‘natura fieret laudabile carmen an arte, / quaesitum est’
55 klinkt
door in iedere Renaissancistische poetica. En ook het antwoord is meestal
Horatiaans, in de vorm nl. van een synthese van beide categorieën terwijl
er desniettemin op gewezen wordt dat een grondige occupatie met de (leerbare)
kunst de perfectie van de poëzie alleen maar ten goede komt. Zo meent Vida
in zijn De arte poetica dat het mogelijk is een weinig gelukkige aanleg
te compenseren door een voortdurende oefening in de ars (1527)
56; voor
Daniello levert ars toegevoegd aan natuur een poëtisch
resultaat op dat volmaakter is dan de natuur zelf die de dichter in zijn werk
navolgt (1536)
57. Lorenzo Giocomini is ervan overtuigd dat de dichter die de
principes van zijn ars geheel beheerst, een beter gedicht zal schrijven
dan iemand werkend alleen vanuit zijn natuurlijke aanleg (1587), jazelfs, noemt
hij de vervaardiging van een gedicht volgens de leer als één van
de doeleinden | | | | van de poëzie (1586)
58. Varchi legt de nadrukt op de ars door de imitatio
aan te bevelen (1590)
59 en Denores wil de mate waarin de ars wordt toegepast als
niet minder dan het criterium hanteren bij het onderscheiden van goede en
slechte dichters (1590)
60. Het leerbare is voor deze Italiaanse theoretici, evanals voor
Quintilianus, het interessantste aspect van de dialectiek natura-ars en
het is daarom begrijpelijk dat een andere intellectuele en rhetorische eis als
eruditie
61
eveneens moeiteloos haar weg in hun poeticale geschriften kon vinden. Zo eist
Lionardi Varchi o.a. dat de dichter thuis is in moraal- en natuurfilosofie,
geschiedenis en astrologie (1554) en een uitgebreide talenkennis bezit (1590),
terwijl Bernardo Tasso decreteert dat alle kunsten en wetenschappen binnen
bereik van de dichter dienen te zijn (1562)
62.
In Frankrijk levert de Pléiade een min of meer gelijk beeld
op. Bij Du Bellay, La deffence et illustration de la langue francoyse
(1549) slaat eveneens de belans door naar de kunst zoals blijkt uit de titel
van het derde hoofstuk in het tweede boek: ‘Que le naturel n'est
suffisant à celuy qui en Poésie veult faire oeuvre digne de
l'immortalité’
63.
Theorie, eruditie en imitatio zijn voor Du Bellay onontbeerlijk om een
‘ontsterfelijk’ werk tot stand te brengen
64. Peletier
du Mans wiens Art poétique (1555) een ‘doctrine de la
Pléiade assagie’ representeert
65, bewaart een perfect
Horatiaans evenwicht tussen ‘nature’ en ‘art’
66 zonder een extra accent op een van de beide
componenten te plaatsen. Bij Pierre Laudun
d'Aigaliers in zijn L'art poétique français (1597)
figureert eveneens uitdrukkelijk de Horatiaanse | | | | synthese als hij
in navolging van Peletier du Mans schrijft: ‘Pour moy mon opinion est que
le naturel peut estre sans artifice, et l'artifice ne peut estre sans le
naturel’
67, maar verderop in zijn tractaat laat hij duidelijk blijken dat
imitatio en eruditie de kwaliteiten bij uitstek zijn voor het bereiken
van het maximale dichterschap
68.
Voor Ronsards opvatting kan uitstekend de uitspraak fungeren die hij, zoals wij
hierboven gezien hebben, in de Abbregé doet m.b.t. de herkomst
van de inventio: ‘tant de la bonne nature, que par la leçon
des bonds & anciens autheurs’. Ronsard maakt uitdrukkelijk verschil
tussen de eerste door de godheid geïnspireerde poëten
‘Poëttes divins’ die geen ‘kunst’ van node hadden,
zoals Orpheus,
Homerus, Hesiodus, en alle lateren,
‘les seconds poëtes que j'appelle humains’ die de in hun
gelukkige aanleg ontvangen inspiratie te hulp moeten komen met de middelen
welke de ars hun verschaft
69. Ten aanzien van deze nakomelingen laat de
Pléiade dan ook volop datgene gelden daarop Castor zo nadrukkelijk
wijst: ‘The poet had to express his inspired conceptions in form of
discourse which employed words; and these were a certain number of rules, or
alt least guiding principles codified in the art of rhetoric’
70. Als middel om de ars te bemachtigen wordt in de poeticale
geschriften echter minder verwezen naar het handboek van de rhetorica zelf, dan
naar de imitatio van de modelauteurs die immers bewezen hadden de
doctrine perfect te beheersen. Deze conceptie van het ‘aldoende
leert’ wordt tot zeker in het laatste kwart van de 17e-eeuw
gecontinueerd, getuige o.m. de beide plaatsen in Boileau's L'art
poétique (1674):
Imitons de Marot l'élégant badinage (1, r.
96)
en
Enfin Malherbe vint ........................... ..........................
| | | |
Marchez donc sur ces pas, aimez sa pureté,
Et de son tour heureux imitez la clarté
De dychotomie natuur-kunst die Vondel in de status
coniecturae van zijn Aenleidinge hanteert, moet hem dus behalve uit
Horatius' ars poetica ook langs andere, poeticale en niet-poeticale
wegen, zeer vertrouwd zijn geweest.
Het boeiende aan deze constante was dat zij speelruimte openliet
voor het plaatsen van accenten, nu eens op de natuur, dan weer op de kunst of
op de imitatio zonder dat de gangbare synthese erdoor gedestrueerd werd.
Vondel heeft van deze mogelijkheid een dankbaar gebruikt gemaakt. De metafoor
van de met roede en sporen getemde hengst die ‘overal bij kenners prijs
behaelt’ (r. 7) - een beeld dat gecontinueerd in de harddraver om de
palmtak (r. 17) ongetwijfeld een imitatio is van Horatius' wedkampende
wagenmenner
72 - duidt
onmiskenbaar in de richting van een accentuering van de leerbaarheids-, de
kunstfactor zoals in de Renaissance gebruikelijk is
73. Maar als Vondel kunst en natuur in
de obligate synthese samenbrengt, ziet hij kans om te zwenken en verwacht hij
het belangrijkste aandeel van de natuur door te poneren dat de
volmaaktheid slechts bereikt kan worden door degene die de natuur te
baat heeft. Vondel staat hier lijnrecht tegenover
Quintilianus die, zoals wij weten, voor
de perfecte orator het meeste heil van de kunst verwachtte en het dichtst bij
Cicero (en de neoplatonisten!) voor wie
de natuur als instrument van de goddelijke inspiratie, de belangrijkste
component was. In het gevolg van de Aenleidinge speelt de natuur ondanks
het feit dat zij de potentiële schenkster van de volmaaktheid is geen
enkele rol meer - wat te voorspellen viel bij een Renaissancistische poetica.
Alle aandacht wordt, wij hebben het gezien, verder gericht op de kunst zonder
wier hulp zelfs een tot | | | | volmaaktheid voorbestemde poëet het
dus kennelijk niet kan stellen. Vondels zwenking in de synthese lijkt daarom
eerder een litterair spel, terwille van het incidentele, onverwachte effect,
dan een credo dat onmisbaar is voor het verstaan van de poeticale doctrine die
hij daarna gaat ontvouwen.
S.F. Witstein
|
*Eerste gedeelte van een te publiceren studie
over Vondels Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste.
1Ik zal steeds citeren volgens de
WB-uitgave, pp. 484-491.
2E.R. Curtius, Europäische Literatur
und lateinisches Mittelalter (Bern, 1963 4), p.94
3W. Barner wijst erop, althans waar het de
germanistiek betreft, dat in de laatste jaren ‘Die Verklammerung von
Rhetorik und Poetik ... mit begrüszenswerter Entscheidenheit festgestellt,
z.T. sogar ausführlich begründet [is]’ ( Barock-rhetorik
Tübingen 1970, pg. 55).
4W.S. Howell, Logic and rhetoric in
England, 1500-1700 (Princeton 1956), pg. 87.
5Zie voor een globale behandeling, D.L. Clark,
Rhetoric in Graeco-Roman education (New York 1957), pp. 71-142.
6Ed. A. Boulanger (Paris 1930), pg. 88.
7L'art poétique, ed. G.
Pellissier (Paris 1885), pg. 15, r. 307-308.
8Cicero's Topica bijv. is geheel gewijd
aan deze eerste afdeling van de ars rhetorica.
9Oeuvres complètes, t. XIV (ed.
P. Laumonier, Paris 1949), pp. 5-6.
10Zie over het betekenisveld van de term
inventio, G. Castor, Pléiade Poetics (Cambridge 1964), pp.
86-136.
11Zie H. Lausberg, Handbuch der
literarischen Rhetorik (München 1960), par. 725-728.
12Howell, Logic and rhet., pg.
75.
13Livre I, ch. V, ed. H. Chamard (Paris 1961),
pg. 33, r. 20-21.
15L'art poët., pp. 161 vv.
16Howell, Logic and rhet., pg.
67.
17Voor andere Kwaliteitssystemen, zie
Hausberg, Handb., par. 460, pg. 250.
18Quintilianus, Institutio oratoria,
lib. III, cap. II, 12.
19Lausberg, Handb., par. 1058.
20Lausberg, Handb., par.1073.
21Lausberg, Handb., par.1079, pag.
522.
22Lausberg, Handb., par.539,
1072.
23Rhetorica ad Herennium, lib. IV, cap.
XLII, 5.
24Quintilianus, Inst. orat. lib. VIII,
cap. III, 57.
25‘Non cuivis homini contingit adire
Corinthum. Unde non paucis mortalibus usu venire videamus, ut divinam hanc
virtutem [i.e. copiosum, S. F. W.], sedulo quidem, sed parum feliciter
aemulantes, in futilem quandam ac deformem incidant loquacitatem, dum inani,
citraque delectum congesta vocum & sententiarum turba, pariter & rem
obscurant, & miseras auditorum aures onerant’ in Opera omnia,
t. I (Lugduni Batavorum 1703), fol. A verso, kol. 3.
26Lausberg, Handb.,
par.1092-1150.
27 Inst. orat., lib. X, cap. II,
10.
28H. O. White, Plagiarism and imitation
during the English Renaissance (New York 1965), pg. 20.
30Quintilianus, Inst. orat. lib. X,
cap. III, 5.
31Quintilianus, Inst. orat. lib. X,
cap. III, 5-33.
33Vgl. Epistula, r. 387-388; r.
438-452.
35Zoals herhaaldelijk in de ars
rhetorica worden voor hetzelfde begrip vaak wisselende termen gehanteerd.
Zo duidt Cicero in zijn Topica de thesis aan als
propositio en in zijn De partitione oratoria als
consultatio, terwijl Priscianus spreekt van positio.
37Voor de vierde status zie Lausberg,
Handb., par. 131-133.
38Inst. orat., lib. III, cap. XI,
27.
39Inst. orat., lib. III, VI,
80-81.
40Zie over de status, Lausberg, Handb.,
par. 79-138.
41Zie De partitione oratoria, cap.
XVIII, XIX.
42Zie Lausberg, Handb., par.
1151-1154.
43Oeuvres complètes XIV, ed. P.
Laumonier (Paris 1949), pg. 5.
44Zie J. Joos, Τυχη,
φυσις, τεχνη, Zürich
1955.
45Handb., par. 6, pg. 28.
46Van de uitgebreide litteratuur over de
dialectiek natura-ars noem ik ter orientatie slechts R. Volkmann, Die
Rhetorik des Griechen und Römer, Leipzig1885 2 (fotomech.
herdr. Hildesheim 1963), pg. 30-31; H. Lausberg, Handb., par. 1-7; G.
Castor, Pléiade poetics. A study in 16th century thought and
terminology (Cambridge etc. 1964), pp. 37-50.
47‘Inter ingenium et diligentiam
perpaululum loci relinquitur arti’ ( De oratore lib. II, cap. XXXV,
150; vgl. ook lib. I, cap. XXV).
50Natura fierit laudabile carmen an arte,
Quaestum est: ego nec studium sine divite vena, Nec rude quid possit video
ingenium: alterius sicAltera poscit opem res et coniurat amice (r.
408-411).
52r. 415, Zie C.O. Brink, Horace on
Poetry, Cambridge 1971, ann. ad r. 412.
54Nature and art in Renaissance
literature (NewYork 1964), pg. [11].
56Weinberg, A history of literary criticism
in the Italian Renaissance, vol. II (Chicago 1961), pg. 716.
57Weinberg, A history, vol. II, pg.
721.
58Weinberg, A history, vol. I, pp. 324,
315.
59Weinberg, A history, vol. I, pg.
430.
60Weinberg, A history, vol. II, pg.
675.
61Cicero, De oratore lib. I, cap. VI,
20; cap. XVI; Quintilianus Inst. orat. lib. II, cap. XXI, 14.
62Weinberg, A history, vol. I, pp. 250,
283.
63Ed Chamard (Paris 1948.
Société des textes français modernes), pg. 104.
65Pierre de Ronsard, Art poétique
françois (1565) in Oeuvres complètes XVI, ed. P.
Laumonier, Paris 1949, pg. VI; zie ook H. Chamard, Histoire de la
Pléiade II, Paris 1939, pg. 104.
66An somme, la Nature bien demande le secours
e la mein artisane: E l'Art ne peùt rien sans, le naturele (L'art
poétique, pp. 74-75).
67L'art poét. (ed. J. Dedieu,
Toulouse 1909), liv. I, ch. 4 ‘Du poète et de son naturel’,
pg. 78.
69Vgl. Abbregé in Oeuvr.
compl. pp. 4-5.
70Pléiade poetics, pp.
41-42.
71Ook: ‘... Théocrite et
Vergile. / Que leurs tendres écrits par les Grâces dictés /
Ne quittent point vos mains, jour et nuict feuilletés (II, r. 26-28).
Vgl. Horatius' Epistula ‘... vos exemplaria Graeca / nocturna
versate manu, versate diurna’ (r. 268-269).
73Zie ook G. Castor, Pléiade
poetics, pg. 43 noot 1.
|
|