|
|
|
| | | | | |
Sonja F. Witstein
Hoofts ‘Achilles ende Polyxena’
Wanneer
Hooft zijn
Achilles ende Polyxena geschreven heeft, weten
wij niet precies. Over het algemeen gaat men accoord met
Brandt en neemt men aan dat het drama dateert van
vóór de Italiaanse reis (11 juni 1598 - 8 mei 1601), dwz. als
Hooft 17 jaar oud is. Maar er is ook wel gepleit voor een latere datum, o.a.
door G. Kamphuis, die de vervaardiging van het spel tijdens of na de Italiaanse
reis stelt
1.
Maar hoe dan ook, geschreven voor, gedurende of na Hoofts driejarig verblijf in
het buitenland, het treurspel is van de hand van een zeer jong dichter en het
heeft desniettemin een niet onaardig succes geboekt. Knuvelder schrijft er in
de laatste druk van zijn
Handboek het volgende over: ‘Het stuk viel
klaarblijkelijk in de smaak van de toeschouwers: het werd althans verschillende
malen opgevoerd. Zij dachten er gunstiger over dan de auteur zelf, die het
onrijp jeugdwerk achtte en nimmer heeft laten drukken; buiten zijn toedoen om
werd het toch uitgegeven voor het eerst in 1614, een uitgave waarover Hooft
niet erg te spreken was: de tekst wemelde namelijk van de fouten. In zijn
mening over het stuk had Hooft gelijk; nochtans is het van groot belang voor de
kennis van Hoofts persoonlijkheid, geestesleven en artistieke
begaafdheid’
2.
Uit het citaat blijkt een vorm van discrepantie tussen de dichter en
zijn publiek die niet zo veelvuldig voorkomt: het publiek hecht zijn
goedkeuring aan wat de auteur verwerpt. Een 14, 15 jaar na datum wordt Hoofts
eersteling nog volop gewaardeerd en blijkt deze commercieel zo interessant dat
de Rotterdamse boekverkoper
David Jacobsz. van Hakendover het stuk laat drukken, met
het bekende resultaat overigens: ‘voorbeeldeloos slecht’, om de
woorden van Stoett te citeren in zijn Inleiding op Hoofts
Gedichten
3.
Een factor die ongetwijfeld een rol gespeeld zal hebben bij de
waardering van Achilles ende Polyxena, was wel de moderniteit van het
stuk. Want, zoals Worp constateerde en d'Angremond en Van Tricht herhaalden,
het spel van de jonge Hooft was het eerste ‘klassieke’ drama dat in
de Nederlanden werd opgevoerd
4.
Op welke gronden Hooft zijn dramatisch debuut verworpen heeft, weten
wij niet. Knuvelder schrijft weliswaar: ‘In zijn mening over het stuk had
Hooft gelijk’, maar wat die mening welomschreven inhield, is niet bekend.
Van Tricht heeft impliciet een poging gedaan om Hoofts vonnis over zijn
jeugdarbeid voor de lezer van nu invoelbaar te maken wanneer hij, na de inhoud
weergegeven te hebben, schrijft: ‘Een stof die zich voor een treurspel
zeer gebrekkig leende: er is nauwelijks eenheid van handeling in te
brengen’
5. Daarmee
suggereert Van Tricht dat Hooft de afwezigheid van handelingseenheid wel eens
als een belangrijk minpunt voor zijn drama opgevat zou kunnen hebben.
| | | |
Gesteld dat Van Trichts intuïtie juist is geweest en dat het
inderdaad de handelingsstructuur van zijn
Achilles ende Polyxena zou zijn geweest die de
oudere
Hooft heeft afgekeurd, dan nog heeft een dergelijke
overweging niet gegolden voor het publiek in de eerste 15 jaar van de 17e eeuw
ten behoeve van wie het drama werd uitgegeven. Voor de lezersgroep waarop
Hakendover met zijn publicatie mikte, artistiek toch
bepaald niet behoudend, en geïnteresseerd in het nieuwe drama met zijn
erudiete, mythologische stof, van koren voorzien en over 5 bedrijven verdeeld,
vormde eenheid van handeling kennelijk geen postulaat zoals voor Van
Tricht.
Wanneer wij uitgaan van het communicatiemodel waarin de relatie
uitzender-ontvanger geregeld wordt door een gemeenschappelijk gehanteerde code,
kunnen wij op grond van het succes van Achilles ende Polyxena stellen
dat de code door de ongeveer zeventienjarige Hooft in dit spel gehanteerd, voor
het litteratuurminnend publiek anno 1614 nog volop geldig was. Dit betekent dat
uit de analyse van de litteraire code gebruikt in de Achilles ende
Polyxena, een inzicht te ontwikkelen valt, niet alleen met betrekking tot
de litteraire opvattingen van de jonge Hooft, zoals Knuvelder terecht opmerkt,
maar bovendien in die van de litterair geïnteresseerden uit het begin van
de 17e eeuw.
De vraag nu waarop wij een antwoord moeten geven, betreft de aard
van de zoëven genoemde gemeenschappelijke code. Uit het fiat van het
contemporaine lezers- en kijkerspubliek valt af te leiden dat de techniek door
Hooft in zijn drama toegepast, en die een weerslag is van een op dat moment
door de dichter geaccepteerde aesthetiek, door de recipiënten als
adaequaat werd ervaren. Dit is een conclusie die niet onbelangrijk is omdat ten
gevolge daarvan de Achilles ende Polyxena kan fungeren als een
betrouwbare aanwijzer van het dramatisch verwachtingspatroon dat het vroeg
17e-eeuwse publiek bezeten moet hebben.
Hooft heeft voor zijn treurspel drie bronnen gebruikt, die reeds
door A. Kluyver in 1912 zijn aangewezen
6 en waarvan de voornaamste twee zijn de in de Middeleeuwen zo
befaamde geschiedenissen over de Grieks-Trojaanse oorlog van respectievelijk
Dictys Cretensis en zijn pendant
Dares Phrygius. Van deze beide zgn. ooggetuige-verslagen
gebruikt Hooft voor zijn eerste drie bedrijven het derde boek van Dictys'
Ephemeridos belli Trojani libri; dat is te
zeggen, hij bewerkte de bekende hoogtepunten daarvan. In het eerste bedrijf
Achilles' liefde voor de Trojaanse prinses Polyxena, dochter van Priamus, in
het tweede bedrijf de strijd tussen Grieken en Trojanen met als cruciale
gebeurtenissen het sneuvelen van Patroclus en de wraak van Achilles daarvoor op
Hector: terwijl de laatste met weinig krijgsvolk uittrekt om de vorstin van de
Amazonen te verwelkomen, wordt hij door Achilles overrompeld en gedood. In het
derde bedrijf wordt de deerniswekkende gang van de oude Priamus naar Achilles'
tent op het toneel gebracht om de jonge held te smeken hem het lijk van zijn
zoon af te staan. In de vierde acte staat de liefde van Achilles voor Polyxena
weer centraal, maar nu maakt Hooft gebruik van Dares: ogenschijnlijk stemt het
Trojaanse hof toe in een huwelijk tussen Achilles en Polyxena, maar als de
Griek ongewapend op de afgesproken plaats in het woud verschijnt, wordt hij
door Polyxena's broers, Paris en | | | | Deïphobos, neergestoken. Het
vijfde bedrijf tenslotte, heeft noch met de erotiek, noch met de oorlog tussen
Grieken en Trojanen iets te maken. Het is een vertaling van
Ovidius'
Metamorphoses (XIII), de woordenstrijd tussen
Ulysses en Ajax om de wapenrusting van de vermoorde Achilles. Wordt de eervolle
erfenis tenslotte aan Ulysses toegewezen, dan maakt Ajax, gefrustreerd in zijn
ambities, een einde aan zijn leven.
Uit deze weergave van de plot blijkt dat de
Achilles ende Polyxena een veelheid en
gevarieerdheid van gebeurtenissen etaleert. Het zijn bijzonder fatale
lotswisselingen die alle gepaard gaan met ondergang of dood. Het zijn bovendien
verschillende soorten fataliteit, al naar gelang het een ander personage
betreft: Patroclus sneuvelt, Hector wordt onderweg overvallen en gedood,
Achilles vermoord tijdens een voorgewende huwelijkssluiting, Ajax vindt de dood
door eigen hand en Priamus' koningschap heeft in feite een einde genomen met de
smeektocht naar Achilles. Hun aller lot is eender, maar de manier waarop hun
vernietiging plaats grijpt, verschilt telkens, terwijl de figuur van Achilles
in deze ‘Heldendämmerung’ een min of meer centraliserende,
eenheid brengende, functie bezit. Het is immers niet alleen zijn liefde voor
Polyxena die een noodlottige afloop krijgt, maar het is zijn vriend Patroclus
die sneuvelt, hij neemt daarvoor wraak op Hector, naar hem is de vernederende
gang van de oude Trojaanse vorst en het is om de beslissing over zijn
wapenrusting dat Ajax de dood zoekt. In plaats van de eenheid van handeling
laat zich integendeel een grote diversiteit in - ongelukkig aflopende -
handelingen constateren zodat wij welhaast kunnen spreken van een ware
calamiteiten-revue opgebouwd rond de figuur van Achilles.
Het stoforganiserend principe dat aan de Achilles ende
Polyxena ten grondslag ligt, is kennelijk niet de eenheid van handeling
geweest die latere generaties zo stipt in acht wensten te nemen, maar wel een
veelheid in (treurige) wisselvalligheid, in verband gebracht met de titelheld.
Op deze wijze heeft
Hooft uit de Trojaanse stof waarover hij via
Dictys,
Dares en Ovidius de beschikking had, een verhaal
geselecteerd dat geheel voldeed aan de voornaamste eis die volgens de ars
rhetorica aan een gebeurtenissenverloop gesteld diende te worden:
afwisseling. Zo schrijft de
Rhetorica ad Herennium aan de verteller voor:
‘rerum varietates’ en ‘fortunae commutationem’
7,
Cicero in zijn
Partitiones oratoriae, ‘exitus
inopinatos’
8. En in zijn
Epistolae ad Familiares noemt hij eveneens de
wisselvalligheden van de Fortuin als karakteristiek voor de onderhoudende
vertelling
9.
De regel van de afwisselende gebeurtenissenstroom, van de omslag van
de Fortuin, staat in dienst van de delectatio, een van de functies zowel
van de ars oratoria als van de poëzie. In de Achilles ende
Polyxena bezitten de vertoonde lotswisselingen een ongelukkig einde en
daarmee is de diversiteit in Fortuinskeer van de ten tonele gevoerde helden -
althans binnen de contemporaine litteraire opvattingen - als
‘tragisch’ te karakteriseren
10.
De verscheidenheid in ondergang die Hooft de toeschouwers
presenteert, heeft betrekking op de bekendste figuren die in de strijd om Troje
ten gronde zijn gegaan zodat het drama welhaast een beknopt compendium vormt
van wat zich onder de muren van Ilium heeft afgespeeld.
| | | |
Diversiteit en veelheid zijn echter niet alleen de typerende
kenmerken van het handelingsaspect, maar blijken eveneens de koren te
domineren.
Deze doen nergens dienst om, zoals bijvoorbeeld in
Bredero's eersteling
Rodd'rick ende Alphonsus (1611) wel gebeurt,
brokstukken nietvertoonde handeling te verhalen ter nadere informatie van de
toeschouwer, maar zij fungeren uitsluitend als interpretatoren van vertoonde of
nog te vertonen gebeurtenissen. Soms zijn zij in harmonie met het
toneelgebeuren en leveren zij lof, soms laten zij een tegenstem klinken, en
waarschuwen of keuren af. In ieder geval omsluiten zij de opeenvolgende
gebeurtenissen met uitvoerige moraalfilosofische commentaren waardoor de
finiete toneelhandeling op infiniet niveau wordt gebracht, en nieuwe elementen,
zij het dan ook geen visuele, aan de beleving van de toeschouwer worden
toegevoegd.
De koren zijn niet roldragend en bezitten dus geen persona-ethos.
Het gevolg is dat de koormededelingen de toeschouwers bereiken als komend van
de dramavertelinstantie, die zich het recht voorbehoudt de handeling op een
bepaald moment stop te zetten en zich in een non-dramatische passus, over het
hoofd van de dramatis personae heen, tot het publiek te wenden. In de
koren wordt duidelijk een auctorieel perspectief geboden en als zodanig valt
hun een uitermate belangrijk aandeel toe, zo niet het belangrijkste, in de
wijze waarop het spel door de toeschouwers gerecipieerd wordt. De
vertelinstantie is immers niet geïnvolveerd in de handeling en haar
duiding van de gebeurtenissen verkrijgt daardoor voor het publiek een objectief
en dwingend karakter.
Het totaal van zich buiten het rollenspel bevindende tekstgedeelten
in de
Achilles ende Polyxena is opgebouwd - ik heb er
reeds op gewezen - volgens hetzelfde aesthetische principe dat typerend is voor
het handelingsdeel van het stuk, verscheidenheid en volheid; in dit geval,
verscheidenheid in aangeboden ‘kijk’ op wat ad oculos heeft
plaats gevonden of nog zal plaats vinden.
Wij zullen nu bedrijf voor bedrijf nagaan welke ‘kijk’
door de koren wordt aangebracht, m.a.w. welke moraalfilosofische diversiteiten
wij als perspectief biedend kunnen signaleren.
In de eerste acte wordt het vertoonde door het commentariërende
koor geplaatst in het licht van de eer, juister geformuleerd, de eer-zucht, die
aangemerkt wordt als de oorzaak van Achilles' handelwijze toen hij, in de derde
scène, na heftige tweestrijd besloot niet in te gaan op Hectors voorstel
hem door een bode overgebracht: verraad aan de Griekse zaak in ruil voor het
bezit van Polyxena. Clausen als
Mijn ongemeten hert, dat niet en acht dan eer
of
Voor wellust gaet mijn eer, mijn eer hangt aen mijn trouw
worden door het koor als uitgangspunten genomen om Achilles' besluit
te | | | | prijzen, maar tevens om op infiniet niveau de juistheid van de
beslissing te staven. Immers
De Princen groots, waer in de volcken haer vertrouwen,
Waer aen de werrelt hangt, altsaem aen d'eer haer houwen
Ook de outlook in de tweede acte wordt gevormd door de eer,
maar nu in de betekenis van faam, roem, goede reputatie. Faam valt de vorst ten
deel die als een ‘pilair des vaderlants’ (r. 375) in de krijg de
overwinning behaalt en zich een ware verlosser van de zijnen betoont.
Aanleiding tot het poneren van de eer als resultaat of loon van loffelijke
handelingen, i.c. krijgsverrichtingen, is het gevecht tussen Grieken en
Trojanen waarbij Patroclus gedood wordt en Hector de overwinning behaalt. De
strijd is, volgens de regie-aanduiding, op het toneel gebracht maar dat zonder
enige dialoogvoering, dus alleen als delectabele vertoning. De door het koor
uitgebrachte laus van de overwinnaar die eer geoogst heeft door middel
van een luisterrijke daad, verlengt in de belevenis van het publiek het
aanschouwde gevecht en verleent er tevens de zingeving aan: de strijd ten
behoeve van de zijnen is de grote daad waarvoor de mens met eer beloond
wordt.
De eer nu, als motivatie niet minder dan als resultaat van het
handelen, speelt een zeer belangrijke rol in de Renaissancistische
moraalfilosofie. Curtis Brown Watson releveert de macht van en de drang naar
eer als een middel tot zelfbevestiging wanneer hij schrijft: ‘The
virtuous individual must seek public approbation to confirm his belief in his
own moral worth’
11. In de eer meende
men een zo voortreffelijke stimulans tot deugdzaamheid te bezitten dat Pierre
de la Primaudaye in zijn befaamde L'académie françoyse
deugd en eer als automatisch gekoppeld beschouwde: ‘la renommée
honorable… suit tousiours la Vertu (comme l'ombre le corps)’
12.
In hetzelfde tweede bedrijf wordt bovendien nog een ander
perspectief geboden. Nadat het bericht van Patroclus' dood het Griekse kamp
bereikt en Achilles gezworen heeft Hector te betalen met ‘een wreede
wraeck’ (r. 416), levert het koor een definitio van de vriendschap
die tevens als laus van de vriendschap fungeert. Alweer op voetspoor van
de Oudheid, werd in de Renaissance een dergelijke relatie als een bonum
gewaardeerd en als zodanig in de moraalfilosofische geschriften behandeld. Als
een kostbaar bonum was de vriendschap echter uitsluitend weggelegd voor
de hoogstaande, naar eer strevende mens die niet door valse wanen verblind,
weet welke zaken waard zijn om als een werkelijk goed nagestreefd te worden. In
de vriendschap ‘tout ce que les hommes estiment désidérable
se trouve’ schrijft De la Primaudaye
13 en ook
in
Achilles ende Polyxena getuigt het koor:
Van al het geen ons herte can begeeren
Is een getrouwen vriendt het hoochste nut
Met de definitio van de vriendschap zorgt het koor voor een
copieuze uit- | | | | werking van de bekende betrekking tussen Achilles en
Patroclus die in de toneelhandeling, bestaande uit een korte klacht van
Achilles om Patroclus' dood en de belofte tot wraak (r. 394-406; r. 412-416),
vrij weinig accent had gekregen.
Ondanks alle verschillen blijken de drie koren uit de beide eerste
bedrijven een zekere samenhang te bezitten daar de eer en zijn adiunctum de
vriendschap het perspectief aanbieden waaronder de handelingen beschouwd moeten
worden.
De derde acte is gewijd aan de zware tocht die Priamus en de zijnen
moeten ondernemen om van Achilles teruggave van Hectors lijk te verkrijgen. Aan
het einde van het bedrijf toont het koor het gebeurde als een voorbeeld van de
wisselvalligheid van de Fortuin, het onverbiddellijke uitgangspunt van alle
moraalfilosofie, zowel in de late Middeleeuwen als in de Renaissance
14. De eerste 6 regels
die de Trojaanse vorst bij zijn opkomst had uitgesproken en die betrekking
hadden op de veranderlijkheid van de goden, worden door het koor benut als
Vorlage voor een amplificatio waarin gespeculeerd wordt over de
veranderlijkheid van het lot. Maar daarbij blijft het niet. Heeft het koor lang
genoeg stil gestaan bij de mutabiliteitsidee, gaat het een eigen weg en geeft
het richtlijnen aan voor het gedrag wanneer de mens door tegenspoed wordt
getroffen:
Maer diet gemoet in tegenspoet off noot
Gestadich heeft en altoos even groot,
Al heeft hij goet noch staet nochtans is hij
Gheboren tot des werrelts heerschappij
Als remedie tegen het ongeluk adviseert het koor standvastigheid
(constantia of patientia), één van de belangrijkste
morele kwaliteiten uit het stoïsch-christelijk systeem, en de deugd bij
uitstek om de negatieve Fortuin het hoofd te bieden
15.
Het vierde bedrijf brengt de dood van Achilles in de liefdesval,
opgesteld door het Trojaanse hof. Voordat nu de samenkomst tussen hem en
Polyxena plaats vindt, ‘in Apollos wout’ (r. 1040), draagt het koor
er zorg voor dat het publiek geen enkele illusie gaat koesteren ten aanzien van
een toch nog gunstige afloop. Daartoe wordt het naar verschillende
gezichtspunten geleid. Zo entameert het koor de ongewisheid van de hoge staat,
een locus communis die direct verwant is met die van de veranderlijkheid
van de Fortuin; vervolgens wordt de deugdeloosheid van het hof aangevoerd, een
uit de Oudheid stammende opinie die in de 16e eeuw grote populariteit verwierf
vooral door toedoen van
Antonio de Guevara en met name door diens veelvuldig
vertaalde
Menosprecio de corte y alabança de aldea
(1539)
16. En tenslotte wordt in overweging gegeven zich niet te ver te
wagen, daar in maathouden het hoogste geluk is gelegen:
Best dueren matelijcke dinghen,
Daer t'hooch haest vallen can.
Die mate noyt ging overspringen,
| | | |
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Het hoochste luck alhier op aerden wan
Binnen de context die handelt over de grenzen die de groten der
aarde voortdurend bedreigen en de verderfelijkheid van hun gegeven milieu, het
hof, kan de ‘mate’ die niet ‘oversprongen’ moet worden,
om binnen Hoofts terminologie te blijven, geïnterpreteerd worden als een
aansporing tot het betrachten van matigheid, van temperantia. Deze deugd
die in het algemeen de verhouding tussen de hartstochten en het verstand
regelt, is vooral de moderator van de begeerte en als zodanig een even
onontbeerlijke kwaliteit als de constantia (patientia)
17. De
matigheid die het koor aanbeveelt, regardeert het verlangen naar
maatschappelijke luister:
Het groot moet door sijn swaerheyt sincken,
En t'hooch te gronde gaen.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De hoochste eycken sietmen breecken
Die in de bosschen staet.
t'Geweer wt Jovis hant gestreecken
Achilles in al zijn heldenglorie, gedoemd om het slachtoffer van
doodslag te worden, zal het koor dat thans waarschuwt tegen hoge aspiraties, zo
dadelijk in het gelijk gaan stellen. Hij zal fungeren als de particuliere
illustratie, het paradigma, van wat als een universele waarheid geponeerd is.
Door de ethische overwegingen m.b.t. de matigheid wordt het a.s. dramatisch
gebeuren, moord, met als lokaas een vrouw, weinig adaequaat gedekt. Maar
Hooft was er kennelijk op uit om de toeschouwers behalve
constantia (patientia) ook temperantia voor te houden. Deze beide
deugden staan immers centraal in het moraalfilosofisch systeem, de eerste bij
de beheersing van de ongunstige, de tweede bij de beheersing van de gunstige
Fortuin
18.
Verwerping van allerlei soort begeerten, maar vooral van de
hartstocht naar staat en aanzien, bepaalt tenslotte ook het perspectief van het
vijfde bedrijf, waarin Ajax zich doodt wanneer Achilles' wapens hem zijn
ontgaan. Opnieuw wordt de beoefening van de temperantia in het licht
gesteld en opnieuw gepostuleerd als remedie tegen het meer willen hebben, het
hoger willen stijgen, de desastreuze begeerte die Ajax naar de ondergang had
gevoerd. Overduidelijk wordt in de slotstrofe de les in ronde woorden
uitgesproken:
Des ghij ô Prins die hier op let,
t'Onnodich wt u sinnen set,
De Rust leyt in u selven siet
Sterfft u begeert so derffdij niet
| | | |
De koren in het derde, vierde en vijfde bedrijf
vertonen evenals die in acte 1 en 2 een bepaalde coherentie. De aandacht van de
toeschouwers wordt in de laatste drie bedrijven immers gericht op cruciale
elementen van het contemporaine ethische systeem: de Fortuin-conceptie en de
meest noodzakelijke deugden, die van standvastigheid en matigheid. Het blijkt
nu dat de verschillende perspectieven in de 5 achtereenvolgende bedrijven
volgens een bepaald principe georganiseerd zijn. Terwijl in de beide eerste
acten de eer als inspiratie tot en consequentie van het deugdzame handelen
gereleveerd wordt, zijn het in de laatste drie acten de wisselvalligheid van
het lot alsmede de beide genoemde, voor het deugdzame handelen onontbeerlijke
kwaliteiten, die de toeschouwer ingescherpt worden.
Hierboven heb ik geschreven dat de
Achilles ende Polyxena in de ondergang van de
verschillende helden op hun eigen verscheiden wijze welhaast een beknopt
compendium vormt van de Trojaanse oorlog. Naar aanleiding van de aard en de
diversiteit van de stof in de koren, zou ik willen stellen dat de
non-dramatische passages in de Achilles ende Polyxena een beknopt
compendium bevatten van de Renaissancistische moraalfilosofie.
Aan dit geheel van overvloedige lering en overvloedige
gebeurtenissen heeft het contemporaine publiek dus artistieke waarde toegekend.
En dat is inderdaad begrijpelijk want Hoofts tragedie, in al zijn volheid,
vindt in de litteraire opvattingen van de 16e / vroeg-17e eeuw een volkomen
passend kader.
Tot die litteraire opvattingen behoort in de eerste plaats het
Horatiaanse utile-dulci als doelstelling van de poëzie. Hieraan
heeft de jonge
Hooft met zijn spel zonder meer voldaan.
Delectatio(dulce) is bereikt doordat een vertelling is geconstrueerd
naar de eis, vol (ongelukkige en dus voor de tragedie vereiste)
Fortuinswisselingen, terwijl het nuttige (utile) geleverd wordt door het
koor dat in zijn moraalfilosofisch commentaar op de toneelhandeling borg staat
voor een dwingend perspectief. De gehanteerde techniek van copieusheid en
diversiteit waardoor het mogelijk was de hoogtepunten van de zozeer bewonderde
Griekse eposstof te vermengen met de topics van de geldende
moraalfilosofie heeft voor de waardering van de tijdgenoot geen enkel obstakel
gevormd. Integendeel, volheid en gevarieerdheid speelden een belangrijke rol in
de litteraire opvattingen van de Renaissance. Het zijn zeer positief
gewaardeerde stijlkwaliteiten die respectievelijk als copia en
varietas deel uitmaken van de ornatus, een der vier virtutes
elocutionis. Als gedachtenornatus ressorteren copia en
varietas meer onder de inventio dan onder de elocutio waar
de woordornatus zonder meer thuishoort. Beide kwaliteiten vormden een
belangrijk oefenterrein in het rhetoricaonderwijs op de scholen.
In haar Endeavors of art heeft Mad. Doran in het hoofdstuk
‘Eloquence and copy’ de overvloed gesignaleerd als het stilistisch
ideaal bij uitstek van de Elisabethanen. ‘A sermon’, schrijft zij,
‘not good for at least a couple of hours was a meager thing indeed. Words
come in pairs, for if one is good, two must be twice as good. They come in
baker's dozens and in long tons’
19. De vooral van
Cicero afstammende opvatting m.b.t. de eloquentie als
rijkdom in woord en gedachte heeft in de 16e eeuw een immense verbreiding
gevonden, niet in de laatste plaats door
Erasmus' leerboek
De duplici copia verborum ac rerum (1511).
Voor | | | | Erasmus,
Cicero-adept als hij was, bestond er niets fraaiers dan
een redevoering ‘overvloedig als een gouden stroom door een rijke
overvloed van gedachten en woorden’
20. In zijn
Copia hanteert en leert Erasmus op magistrale
wijze de techniek van het amplificeren in woord en gedachte in de overtuiging
dat het ontbreken van gevarieerdheid en volheid (varietas en
copia) bij de toehoorders taedium verwekt, een situatie die in
flagrante strijd zou zijn met de delectatio(dulce)-functie van het
welsprekende werk.
In de beide zo gefêteerde stijlkwaliteiten schuilt voor de
Renaissance bovendien een natuurnabootsend moment daar ook de schepping in
overvloed en verscheidenheid existeert
21. De natuur zelf,
constateert Erasmus, schept behagen in verscheidenheid en Ronsard eist
‘copieuse diversité’ van de poëzie, wanneer deze er
tenminste aanspraak op wil maken een beeld te geven van de natuur
22.
Varietas en copia behoorden dus tot het
litterair-aesthetische verwachtingspatroon van Hoofts publiek. In de
verschillende Fortuinswisselingen van de
Achilles ende Polyxena kon men zeer zeker
‘copieuse diversité’ bewonderen. En waar de infinitisering
op zichzelf reeds behoorde tot de middelen waarmee de zo begeerde
varietas tot stand gebracht kon worden
23, presenteren zich dan ook de
verschillende perspectieven waarmee de dichter de toneelbehandeling wist te
begeleiden als een aanzienlijke bijdrage in ‘copieuse
diversité’.
Het is duidelijk welke aesthetische code het publiek heeft
voorgestaan dat Hoofts dramatische eersteling met zo veel waardering ontvangen
heeft. Het was geen Aristotelische eenheid van handeling, maar een
Ciceroniaans-Erasmiaanse copia die de handen van de vroeg 17e-eeuwse
toneelbezoekers geestdriftig op elkaar wist te brengen.
|
1De nieuwe taalgids 36 (1942), 241-247; zie
ook P.C. Hooft,
Achilles en Polyxena, ed. Th.C.J. van der
Heijden (Zutphen z.j., Klassiek Letterkundig Pantheon 195), pp. 3-6
2Handboek tot de geschiedenis der
Nederlandse letterkunde, dl. II ('s-Hertogenbosch 1971 5e dr.), p.
232.
3Dl. I (Amsterdam 1899), p. XIX.
4J.A. Worp,
Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg,
1496-1772 (Amsterdam 1920), pp. 16-17; Th. d'Angremond,
P.C. Hoofts Achilles en Polyxena (Assen
1943), inl. p. 12; H.W. van Tricht,
P.C. Hooft (Arnhem 1951), p. 15.
6Verspreide opstellen
(Groningen 1929), p. 114 vv; zie ook Ach. en Pol., ed. Van der Heijden,
pp. 29-31.
10J.C. Scaliger,
Poetices libri septem (Lyon 1561), cap. VI,
p. 11, 2e kol. B.: ‘In Tragoedia… exitus
horribiles’.
11Shakespeare and the Renaissance
concept of honor (Princeton 1960), p. 68.
12L'ac. fr., liv. I, ch. 13, p.
64.
13L'ac. fr., liv. I, p. 64.
14Zie K. Heitmann, Fortuna und Virtus.
Eine Studie zur Petrarcas Lebenweisheit. Graz 1958.
15Heitmann, F.u.V., p. 205.
16P.M. Smith, The anti courtier trend in
sixteenth century french literature (Genève 1966), pp.
32-38.
17Heitmann, F.u.V., p. 59.
18Heitmann, F.u.V., pp.
157-161.
19Endeavors of art (Madison 1954), p.
46.
20Doran, Endeavors, p. 403, noot
64.
21Vgl. A.O. Lovejoy,
The great chain of being. A study of the
history of an idea (New York 1960), pp. 67-98.
22Doran, Endeavors, p. 48; G. Castor,
Pléiade poetics. A study in sixteenth-century thought and
terminology (Cambridge 1964), p. 57.
23H. Lausberg, Handbuch der literarischen
Rhetorik (München 1960), par. 539.
|
|