Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 25]

Zesde brief.
Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp aan Mejuffrouw Zuzanna Hofland.

Zusje lief!

Wel, daar heb ik zo effentjes van Broeder Benjamin gehoort, dat Sara, die woeste meid, zich weer zo onstuimigjes aan de tafel gedragen heeft. Heden, Liefje, ik hoop niet, dat je al te veel ontdaan bent? Het is of er altoos toch zo een hinderpaaltje in ons wegje moet zyn. Ja! je hebt me niet willen geloven; maar ik heb in dat meisje altoos een waerelds hart gezien. Wel, zy was nog geen drie jaar oud, het heugt my nog kláár, dat ik haar een Popje kogt, stemmigjes en nederigjes gekleet, zo als alle godvrezende menschjes doen moesten, in plaats van die zotjes en springertjes. Nu, zy hadt ook een Pop van Pieternel, die by haar diende, en nu ook al in 't midden van de waereld is; want zy woont nou by een Burgemeester. Althans die Pop van Pieternel, weetje, was opgeschikt als een rechte ydeltuit, met linten en kwinten, met krullen op haar hoofd, zonder muts, met een wyen hoepelrok aan,

[p. 26]

puur, wil ik spreken, als een openbare Ligtekooi, schandelyk om te zien! Wat dunkt u, Lief? toen moest myn zedig Popje al agter liggen, voor die infame Pop van Pieternel. En zei ik dan: ‘Kom, Saartje, kyk eens naar dit Popje’, dan bekeek zy 't schielyk, gooide het weg, en riep: ‘ak, lelyke Pop’. Toen dagt ik al, dit zyn slegte tekens! Ouders, die er lieve Pandjes beminnen, moesten op zulke dingetjes acht geven; zy zyn van zulk een zorglyk inzien: zo als het nu wel blykt. Ik zag toen al, dat zy ons vuil was; och ja!

Zy was 't eenige kind; haar Ouwers brogten er de waereld in. Zy waren, ja, Burgerlyk Goed, doch in des te gevaarlyker staat. Jy, Lief, ben altoos een brandent licht in jou familie geweest: want toen je Zuster, geboren onder de Kinderen Gods, zich verzwagerde met de Nimrods deezer Waereld, bleef jy eene Moeder in Isrel. Het Presentje, dat zy je op haar doodbed gaf, was zeker een vrugt harer bekeering; 't heeft ook mogen dienen om de Aquillas, en Prixillas, die onder ons arbeiden, te verkwikken.

Ik wou dat jy dat Saartje nooit in huis genomen hadt. Het goede werkje wordt er maar door vertraagt. Ik weet het niet, maar 't is of die zoete, zagte, smeltende uitvloeisels des harten onder ons verminderen. Saartjes ziel zit in

[p. 27]

't gestoelte der Spotters, en om dat zy den geest der onderscheiding zo niet heeft, legt zy alles zo vleeschelykjes uit, en zou ons wel eens stinkende kunnen maken by goddeloze menschen. Kon jy jou niet van haar ontdoen? Ja! dat onnozel stuivertje, dat zy verteert, ik weet het, Zusje, dient echter nog om de noden der Heiligen te voldoen; en zy zelf, ô Diepte! wordt, tegen haren wil aan, nog dienstbaar gemaakt aan de goede zaak, die zy zo vyandig is. Laat haar toch niet in de geheimen onzes verborgen wegs. Wy strooijen maar rozen voor dat zwyntje.

Kyk toch welke Boeken dat zy leest! Laast las zy in een Boek vol Spreekwoorden, van eenen Rabener. 't Kwam ook al uit dat Duitschland; en Broeder Benjamin zeidt, dat daar nou zulke slegte Boeken van daan komen, en dat Rabeners huis om zyne spotternyën verbrant is; en dat hy nog spotte toen het al brandde: denk, nog spotte! Sara zei, dat hy een vriend van Gellert was. Broertje wist niet wie Gellert is; maar onze jonge Leeraar, (dat lief mannetje!) heeft my verhaalt, dat Gellert nog al heel Rechtzinnigjes in de Leer was; doch in de Practyk des te grooter Ketter. Hy stelde zo veel in doen; in doen, Zusje, hoor je dat wel? Dat was genoeg gezeit; wy verstaan de taale Canaäns.

[p. 28]

Ei lieve, Zannetje, kom morgen by my, in myn Tuintje, 't is er zo vry en zo welletjes: dan kunnen wy met de vrienden eens een woordje spreken. Jy hebt met dat stout kreng wel een uitvlugtje nodig. Laat Bregt maar met haar omspringen. Men kan van ouwe Bregtje zeggen, de minst sierlyke leden doen ons overvloedige eer aan. Geef een Lettertje aan onze Grietje, als die van avond om bescheid komt. Ik ben de met u in den geest vereenigde Zuster,

 

Cornelia Slimpslamp.