|
|
|
| |
| | | |
Twee en zestigste brief.
Mejuffrouw de Weduwe Willis, aan den Heer Willem Willis.
Myn waarde tedergeliefde zoon!
Neen, wees gerust, ik heb u, om 't geen gy my schryft, niet minder lief; gy zoudt my ook geen verdriet daar door aandoen, indien myn moederlyk hart niet leedt door de smartelyke aandoeningen, die u thans zo sterk folteren: doch welke moeder kan haar braaf, en altoos gehoorzaam kind, bedroeft zien, zonder daarin, te sterk voor hare eigen rust, te deelen?
Ik begryp levendig, myn waarde Zoon, dat het u onbegrypelyk veel zal kosten, uw hart Jos te maken van een meisje, dat gy met het grootste recht acht en bemint. Alles wat gy tot haren lof zegt, stem ik van harten toe; en evenwel ik herhaal het: zy is geene vrouw voor u. ‘Een Huwlyk kan even ongelukkig zyn, door te véél overeenkomst tusschen man en vrouw, als door te weinig.’ Romanesque jonge lieden zien dit anders in; doch de ondervinding geeft ons, in weêrwil van dit an- | | | | ders inzien, te veel bewyzen dat het zo is, om er aan te kunnen twyffelen.
Ik weet niet, lieve kind, dat ik u nog ooit, uit grilligheid, iets ontzeide, waarop gy sterk gestelt waart; indien de inwilliging daar van u maar niet benadeelde: doch ik weet óók niet, dat ik u ooit iets heb toegestaan, dat nadeelig voor u was, al gebruikte gy al die zoete vleijerytjes, die eene Moeder met moeite wederstaat.
Dewyl ik dan reeds, in uwe vroegste jeugd, u gewent hebbe, om uw wezentlyk geluk te kiezen boven het involgen der heftigste begeerte naar iets, dat ik wist voor u schadelyk te zyn; en dewyl gy altoos u onderwierpt aan myne moederlyke vermaningen, hoop ik, dat gy nu, nu uwe reden ontwaakt, en uw oordeel in volle kragt komt, al zo billyk zult handelen, als toen gy een knaapje van zes of agt jaren waart.
Ik kan echter nu wel nagaan, dat, dewyl gy nimmer hebt gedagt, dat uwe Moeder met u, in deezen, konde verschillen, gy uwe genegenheid onbelemmert hebt laten opgroeijen: Ik beklaag u des, myn Willem. Gy zult inderdaad groot zyn, zo gy, geholpen door tyd en afwezenheid, u met eene edele fierheid leert verheffen boven eene zo grievende teleurstelling. Gy hebt ten minsten den troost, dat het voorwerp uwer liefde in zich zelf beminlyk en waar- | | | | lyk deugdzaam is; dat gy u niet verstrikt voelt in het wargaren eener Eerloze; dat geene Coquette u den speelbal harer dartelheid gemaakt heeft, maar dat het voorwerp uwer liefde alleen niet geschikt is om u gelukkig te maken, al zo weinig als gy haar.
Neen, myn brave Zoon, nooit heeft uwe Moeder om u een eenige traan gestort: aan alle hare verwagtingen hebt gy tot nu toe voldaan. Ik ben gelukkig in myne Kinderen; want schoon uw Zusters karakter zeer verschilt van het myne, zo wel als van het uwe, zy is echter een deugdzaam verstandig meisje, dat hare Moeder teder bemint. Vele wederwaardigheden hebben my, in den bloem myns levens, getroffen. Uw Vader was de eerlykste, de goedaartigste man, die ik immer kende; maar hy kende de waereld niet van hare slegte zyde, en viel des in de strikken, die men zyne goedvertrouwenheid spande. Evenwel ik danke God voor alles. Uw Zuster getrouwt, en u insgelyks nog gehuwt te zien, is alles wat ik nog wensch. Myne gezontheid en tevredenheid maken het waarschynelyk, dat ik, die nog naauwlyks vyftig jaren tel, eenigen tyd by u beide blyven kan. Maar wie kan, met zekerheid, spreken over zaken, die het bermhartig Opperwezen voor ons, met eene vriendelyke hand, bedekt?
De Heer Smit heeft zyn aanzoek by uwe Zus- | | | | ter hervat. De grote hinderpaal is weggenomen; hy erft van den Heer Geldlief eene goede stuiver; zo dat, als hy eene standplaats heeft, denk ik dat gy spoedig te Bruiloft zult gaan. Hy is een uitmuntent jongman. Zyn zwart gewaad staat hem zeer wel; en zyn fraai gekrult blont hair geeft hem een bevallig voorkomen: Gave God, dat men in onze Kerk vele zulke jongelingen hadt, hoe zouden zy eene Lere, zo heilig en zo op het gezont verstand rustende, als de Lere des Euangeliums, ten voordeele zyn! Ik heb hem eergisteren gehoort, en werd zo wel gesticht, als onderwezen. Kweek zyne vriendschap aan, myn kind; ik beschouw die als een zeer grote schat voor u. Beide de jonge lieden doen u groeten. Maar gy moet aan Tantje Betje schryven, of zy is uit haar humeur. ô Myn Willem, alle brave menschen hebben u lief; en dus verre verdiende gy ook die liefde. God beware myn Kind, waar hy zich moge bevinden. Hy geve, dat ik hem, ter zyner tyde, met een gezont lichaam, zuivere zeden, en een recht menschlievent hart, aan mynen moederlyken boezem moge drukken. Ik ben met de tederste toegenegenheid,
Uwe liefhebbende Moeder,
Sophia van Zon,
Wed. Gerrit Willis.
|
|
|