Brieven van Betje Wolff en Aagtje Deken (ed. Joh. Dyserinck)


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


editeur: Joh. Dyserinck


bron: Brieven van Betje Wolff en Aagtje Deken (ed. Joh. Dyserinck). De Gebroeders van Cleef, Den Haag 1904  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

CLXXXI. (Aagtje Deken aan den heer A. Loosjes Pz.) als lid der Commissie voor de samenstelling van een nieuwen bundel christelijke gezangen en liederen voor de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Haarlem.2

Schoon het my veel kost, te bepaalen wat ik gaarn voor ieder Lied zoude begeeren, moet ik hier wel toe besluiten. Onzen vriend

[p. 396]

van Cleef heeft ons, voor ider blad prosa dertig Guldens gegeeven. Zeker geeft men meer voor Liederen, maar daar men zeker meer Romans leesd dan Godsdienstige Gezangen wil ik my vergenoegen met vier Ducaten1 per Blad. Want per Vaers of Liedje hebben wy nog nooit conditiën gemaakt en is ons dus geheel vreemd. Gy myn vriend! als Dichter kund gy best het moeyelyke van zulke bepaalingen begrypen. Myn lieve Wolfje heeft gisteren weer eene treurige Dag doorgeleden, aan woedende kramppyn in den Maag en blyft zeer zwak. Zy groet u hartelyk, zo doed ook u en alle de uwen

 

Uw oprechte Vriendinne

 

A. Deken.2

's Haage, 20 February 1802.