Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland. Deel 1


auteur: J.A. Worp


bron: J.A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland. Deel 1. Wolters, Groningen 1903. Fotomechanische herdruk Fa. Langerveld, Rotterdam (ca. 1972)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 193]

Het Latijnsche schooldrama.

Aan vele feesten en plechtigheden van den katholieken eeredienst nam de jeugd een werkzaam aandeel. Bij den omgang, die op sacramentsdag te Amsterdam werd gehouden, traden schoone meisjes op voor Onze Lieve Vrouw, Maria Magdalena, St Barbara, enz. en vormden kinderen, als engelen en duivelen gekleed, verschillende groepen. De engelen, ‘die gulden vleugelen op de schouders droegen’, bespeelden muziekinstrumenten, de duivelen, in bont gewaad gedost, droegen ‘schrikkelijke grijnzen’ en pekstokken, waarmede zij voor den stoet ruim baan maakten1). Op Maria-lichtmis werkten de leerlingen der kapittelschool te Deventer mee tot het opvoeren van een spel, waarin de ontmoeting Onzer Lieve Vrouw met Simeon werd voorgesteld en ‘het kindeke geofferd’2). In den nacht vóór Paschen namen de schooljongens deel aan eene eigenaardige vertooning in de Oude Kerk te Amsterdam. Ongeveer tegen middernacht nam de pastoor, onder het uitroepen der woorden ‘Christus is opgestaan’, het kruis uit het graf en ging er mede de kerk uit door de torendeur, gevolgd door scholieren en eene groote menigte van belangstellenden. Twee malen ging de processie de kerk om, maar vond telkens de torendeur gesloten. In de kerk, bij de torendeur, die den ingang van de hel moest voorstellen, stond een troep knapen, als duivelen gekleed en met steenen gewapend; de priester verlangde, als hij de deur genaderd was, dat deze zou worden geopend, maar de duivels weigerden en wierpen met ‘ijselijk geschrei’ steenen tegen de deur. Als de priester voor den derden keer bij de torendeur was gekomen, raakte hij haar met het kruis aan; de deur vloog open, de duivels verdwenen onder groot geschreeuw en de processie trad de kerk binnen, waar het kruis vóór het koor werd opgehangen3).

Men mag als zeker aannemen, dat de duivels met groot genoegen deelnamen aan die symbolische voorstelling der afdaling van Christus naar de hel en dat zij hunne rol met ijver en toewijding vervulden.

[p. 194]

Maar er waren andere feesten, die ook een eenigszins dramatisch karakter hadden en zeker nog meer in den smaak vielen van de jeugd. Bij het Bisschopsspel o.a. trad zij nog meer op den voorgrond. Dat feest begon na Kerstmis en duurde 5 of 7 dagen. De lagere geestelijkheid en de koorknapen kozen uit hun midden een bisschop, die, gekleed in het gewaad van een kerkvorst en voorzien van al zijne attributen, alle kerkelijke plechtigheden verrichtte, de mis bediende, aflaten schonk, de leeken zegende, enz. Dat alles had in de kerk plaats en werd afgewisseld door dans en zang, vertooningen en grappen. Hoeveel moeite de geestelijkheid ook heeft gedaan, om dit feest, dat misschien zijn oorsprong dankt aan de Romeinsche Saturnalia, uit te roeien, welke maatregelen de concilies ook namen, het mocht niet gelukken, om aan het feest van den bisschop der gekken of onnoozelen met zijne ‘mommerie en narrerie’ een einde te maken. In 1347, in 1358 en volgende jaren en in 1390 wordt er melding gemaakt van het bisschopsspel te Deventer1). In 1399 verbood het kapittel van St. Salvator te Utrecht, op straffe van wegjagen, aan rector en scholieren, nog langer door dansen en spelen de kerk en de graven der heiligen te ontwijden2). De vastenavondspelen van de jeugd vonden minder tegenwerking; ook meisjes deden er aan mee of traden afzonderlijk op3). Ook het feest van den Meikoning werd te Deventer o.a. in 1345 met eene vertooning gevierd4).

Meestal echter droegen de vertooningen, die door de jeugd ten beste werden gegeven, een ernstig karakter. In 1394 werd op den Brink te Deventer in tegenwoordigheid van Raad en Schepenen door de ‘clercken’, d.i. de leerlingen der Latijnsche school, onse heeren passio vertoond5). Te Arnhem speelden schoolkinderen in 1419 ter eere van een nieuwen burgemeester onzer vrouwe spel6). Misschien waren het leerlingen der Latijnsche school, die in 1436 en 1453 te Deventer Teofilus Spull en in 1441 ons heeren verrisinge speelden7), en in elk geval voerden kinderen in die stad in 1474 Koning Aszwerus, in 1500 en 1501 David en Golias en in 1586 twee ‘Duetsche’ comedies op8). In 1496 speelden te Oudenaarde kinderen van twee verschillende scholen

[p. 195]

op Sacramentsdag en in 1499 vertoonden zij na eene processie een esbatement ‘voor Heere ende Wet, vrauwen ende joncvrauwen vander stede’1). Te Utrecht gaven de ‘clercquen van S. Hieronymus’, dus de leerlingen der Latijnsche school, in 1526 op St. Maria-Magdalena-dag een ‘suverlic batement’ ten beste2). In 1530 speelden in dezelfde stad de ‘kinderen van Marie’ op St. Petersdag komedie3), in 1537 liet de Waalsche schoolmeester er door zijne leerlingen een ‘batement’ vertoonen4), in 1576 voerden ‘ettelyke borgers kinderen’ eene tragi-comedie op, die aan Deuteronomium, 18, ontleend was5). In Augustus 1539 had er eenige dagen achtereen te Antwerpen een tooneelwedstrijd plaats van kinderen6). In 1520, 1524 en 1531 speelden kinderen te 's Gravenhage in de groote zaal van het Hof7). In 1533 liet Philips van Halle, ‘walsche meester’ te Amsterdam, op vastenavond ‘zyn scholieren en discipulen’ ‘een spel in walsch’ spelen8). Een aantal posten uit oude stadsrekeningen bewijzen, dat komediespelen van jongelieden in het openbaar iets zeer gewoons was, dat de geestelijkheid er over het algemeen niet tegen streed en de schoolmeesters het bevorderden door het leiden der vertooningen. In dat alles is geene verandering gekomen, toen de invloed der renaissance zich in de Nederlanden deed gevoelen.

De herleving der classieke oudheid is van zeer groot gewicht geweest voor de ontwikkeling van het drama. De Grieksche en Romeinsche tooneeldichters waren gedurende de Middeleeuwen zoo goed als onbekend gebleven; hunne werken lagen, naast die van andere heroën der letterkunde, bedolven onder het stof van kloosterbibliotheken. Alleen Terentius werd gelezen en de geleerde non Hroswitha van Gandersheim schreef in de 10de eeuw eenige Latijnsche drama's van godsdienstigen inhoud, om de blijspelen van Terentius, die in den smaak vielen van vele vromen, te verdringen9). De Italiaansche humanisten, die, vol ijver en bezieling, honderden handschriften van classieke schrijvers van den ondergang gered en voor ons behouden hebben, waren niet het minst verheugd, toen in 1429 een handschrift met 12 onbekende

[p. 196]

blijspelen van Plautus in Duitschland gevonden en naar Rome was overgebracht. Hertog Filippo Maria van Milaan, markgraaf Lionello d'Este en Lorenzo de Medici smeekten te gelijk den gelukkigen bezitter van den pas verworven schat, kardinaal Giordano Orsini, om het verlof den codex te doen afschrijven, en alleen door list gelukte het Lorenzo het handschrift eenigen tijd in zijne macht te krijgen1). In 1486, dus ruim eene halve eeuw later, werden aan het hof van Ercole I, hertog van Ferrara, eenige blijspelen van Plautus met groote pracht in het pas gebouwde theater opgevoerd. En die voorstellingen werden telkens herhaald. Toen Paus Paul III in 1543 Ferrara bezocht, speelden de kinderen zelve van den toenmaligen hertog Alfonso d'Este voor hem de Adelphi van Terentius. Ook te Rome werden de Latijnsche blijspeldichters gehuldigd. In 1502 werd de Menaechmi van Plautus voor Paus Sixtus IV in zijne eigen vertrekken ten tooneele gebracht en zijn opvolger Leo X woonde in 1513 eene opvoering van de Poenulus bij2). Sedert dien tijd hebben Italiaansche dichters de Latijnsche comici ijverig nagevolgd.

De renaissance, van Italië naar Duitschland overgebracht, leidde ook daar tot de studie van Plautus en Terentius. Reeds in 1486 zagen Duitsche vertalingen van eenige hunner comedies het licht. In 1518 werd de Eunuchus te Zwickau opgevoerd, in 1537 een ander blijspel van Terentius te Nördlingen, in 1557 twee comedies van Plautus te München, in 1560 de Aulularia te Königsberg, in 1565 de Phormio te Straatsburg3). Het spelen van Latijnsche comedies is vooral in sommige steden gewoonte geworden en die gewoonte is jaren lang in stand gebleven.

De vertooners der blijspelen waren, zoowel in Italië als in Duitschland, meestal jongelieden, die de Latijnsche school bezochten. De docenten toch zagen al spoedig het groote nut van deze voorstellingen in voor het aanleeren eener taal, die zoo algemeen gebruikt werd als het Latijn. Reeds in 1523 bevatte het schoolreglement te Zwickau de bepaling, ‘dass Mitwochs nach geschehener Repetition und Sonntags nach der Kirche eine Komödie aus dem Terentius zur Stärkung des Gedächtnisses und zur Übung in der Aussprache und in der Geschick-lichkeit des Leibes gespielt werden soll’4). Het schoolreglement te

[p. 197]

Güstrow, dat in 1552 werd opgesteld, zegt: ‘Es soll auch alle halbe Jahre eine Lateinische Comoedia aus dem Plauto oder Terentio für die Knaben, dass sie gut Latein lernen mögen, von den Schülern in der Schule, jedoch extra habitum, agiret werden’1). Wel ijverde de geestelijkheid somtijds tegen die voorstellingen, maar de groote hervormers zagen er niet alleen geen kwaad in, maar prezen ze aan. Luther, die Terentius goed kende, prees in de voorrede van zijn werk Judith en Tobias het drama in het algemeen en sprak in zijne Tischreden over het nut van komediespelen voor jongelieden. Niet alleen leeren zij er, volgens zijn oordeel, goed Latijn door, maar door te letten op de verschillende karakters, die in een drama geteekend worden, leeren zij ook de menschen en de wereld kennen. Bovendien zien zij, hoe personen van verschillenden stand zich behooren te gedragen. ‘Zudem werden darin beschrieben und angezeiget, die listigen Anschläge und Betrüge der bösen Bälge. Desgleichen was der Eltern und jungen Knaben Ampt sey.... Und Christen sollen die Comödien nicht ganz und gar fliehen, darumb dass bisweilen grobe Zoten und Bulereien darinnen seyn, da man doch umb dieser willen auch die Bibel nicht dürfte lesen’2). Melanchthon, die misteries en kluchten afkeurde, ijverde voor het Latijnsche blijspel en liet in zijne school verschillende comedies opvoeren, waarvoor hij zelf prologen schreef3).

Maar het vertoonen der blijspelen van Plautus en Terentius door de schooljeugd had, behalve het beter aanleeren van het Latijn, nog een ander gevolg. De herleving der classieke oudheid deed mannen opstaan, die de ouden navolgden. Een groot aantal Italiaansche schrijvers bootsten de werken der Romeinsche dichters in vloeiende verzen na. En zij beproefden ook hunne krachten aan het drama. Die drama's werden in het Latijn geschreven en behandelden geheel verschillende stof. Alberto Mussato schreef in het begin der 14de eeuw twee Latijnsche treurspelen, de Eccerinis en de Achilleis; het eerste is ontleend aan de geschiedenis van zijn eigen tijd, evenals de Fernandus servatus van Carlo Verardis, het andere aan de oudheid. Leonardo Dati dramatiseerde in de Hiempsal en Baptista Mantuanus in de Attila een historisch onderwerp. Quintinianus Stoa, professor te Padua, bracht in de Theoandrothanatos (1508) het lijden van Christus ten tooneele; het drama gelijkt op een misterie, maar is vol classieke allegorie. In kleine stukjes, meestal in den vorm van dialogen, werden verder anecdotes, aardigheden, voorvallen uit het dagelijksch leven gedramatiseerd; gewoonlijk treden

[p. 198]

er figuren in op, die aan het Latijnsche blijspel ontleend zijn. Dezelfde soort van onderwerpen werd ook in Duitschland behandeld, maar in het land der hervorming nam het schooldrama al spoedig een vijandigen toon aan tegen de kerk. Vooral de klucht stond er hoog; Reuchlin heeft zich in dat genre roem verworven met zijn Heino, die in 1497 te Heidelberg is opgevoerd. Voor dat blijspel, dat in 5 bedrijven is afgedeeld, die elk door een koorzang worden besloten, is op aardige wijze gebruik gemaakt van de beroemde Farce de Maistre Pathelin.

Eigenaardig is het zeker, dat voor schooldrama's, welk onderwerp zij ook behandelden, de vorm der blijspelen van Terentius werd gekozen. Dat men aan zijne comedies de voorkeur gaf boven die van Plautus, is niet vreemd. Terentius was gedurende de Middeleeuwen althans eenigszins bekend geweest, Plautus niet. De taal van Terentius is veel gemakkelijker en staat dichter bij die der meest gelezen Latijnsche schrijvers dan de zegswijze van den ouderen dichter, die zeer archaeïstisch getint is en dus minder geschikt voor het onderwijs. Ten slotte durft Plautus in zijne comedies nog meer toestanden en personen teekenen uit een kring, waar men jongelieden liever niet mede in aanraking brengt. Maar dat men ook voor onderwerpen van ernstigen en tragischen aard den vorm koos van den blijspeldichter Terentius en niet het oog richtte op den eenigen vertegenwoordiger van het Romeinsche treurspel, wiens werken ons zijn overgebleven, is een moeilijk te verklaren feit.

Het is hier niet de plaats, om de ontwikkeling van het schooldrama in Europa te schetsen. In alle beschaafde landen is het een paar eeuwen lang zeer geliefd geweest. Een aantal beroemde mannen, Thomas Morus, Buchanan, Reuchlin, Kirchmaier (Naogeorgos), Frischlin, enz. hebben Latijnsche drama's geschreven. Op de dramatische letterkunde van Duitschland, waar naast het Latijnsche tooneelspel al spoedig drama's in de landstaal door de schooljeugd werden opgevoerd, heeft het Latijnsche schooldrama grooten invloed gehad1). Wat het schooldrama in de Nederlanden beteekend heeft, moge blijken uit het volgende.

In de Zeventien Provincien was het onderwijs vrij goed, sedert de Broeders des Gemeenen levens, die zich bij de groote beweging van het humanisme hadden aangesloten, aan het hoofd van vele scholen stonden. Zij hebben hier te lande veel gedaan voor de studie der classieken, vooral

[p. 199]

van de Romeinsche schrijvers, nieuwe leerboeken ingevoerd en nieuwe methodes aan de hand gedaan1). Het is dan ook niet vreemd, dat juist in de stad, waar hunne orde was ontstaan en waar zij jaren lang grooten invloed hebben gehad, eenige drama's van Latijnsche dichters zijn uitgegeven. Te Deventer zagen nl. bij Albertus Pafraet de Andria (1512, 1523 en 1525) en de Eunuchus (1521) het licht, bij Dirk de Borne ongeveer in denzelfden tijd de Thyestes en de Phoenissae van Seneca2), terwijl in 1556 ook diens Medea verscheen. Deze boekjes waren waarschijnlijk voor schoolgebruik bestemd. De eerste Nederlandsche vertaling van Terentius kwam in 1555 te Antwerpen uit; zij is van de hand van Cornelis van Ghistele.

Evenals elders werd ook hier te lande door paedagogen gebruik gemaakt van den vurigen ijver voor komediespelen, die, zooals wij boven zagen, de jeugd bezielde. Waarom zouden de jongens, die gewoon waren openlijk als tooneelspelers op te treden, geene Latijnsche drama's vertoonen? Het instudeeren zou aan de studie van het Latijn ten goede komen; de leerlingen zouden een rijken woordenschat, kennis van de quantiteit der syllaben en inzicht in maat en rhythmiek verkrijgen. Door het spelen in eene vreemde taal zou niet alleen hunne eerzucht geprikkeld, maar ook de rechtmatige trots der ouders gevleid worden. Een goed paedagoog mag voor zulke dingen het oog niet sluiten, maar moet er gebruik van maken, om zijn doel te bereiken, d.i. de kennis zijner leerlingen uitgebreider en steviger te doen worden. Evenals in Duitschland, waren hier te lande vele schoolmeesters groote voorstanders van het schooldrama3) en werden de blijspelen van Terentius en Plautus en

[p. 200]

somtijds ook de treurspelen van Seneca door de schooljeugd opgevoerd. Dikwijls wordt er in de stadsrekeningen slechts gesproken van een spel in het Latijn en wordt de titel niet genoemd1), maar men mag aannemen, dat in het eerste gedeelte der 16de eeuw classieke drama's ten tooneele zijn gebracht, want het moderne Latijnsche drama begint hier te lande eerst ongeveer in 1530. Reeds in 1508 voerden studenten te Leuven de Aulularia en kort daarna de Miles op2), in 1527 speelden scholieren te Haarlem de Andria3), in 1530 studenten te Leuven de Adelphi4), in 1544 de leerlingen te Deventer Seneca's Hercules furens5), in 1575 de jongelui der Hieronymusschool te Utrecht de Medea6). Den 15den Sept. 1591 voerden studenten of gymnasiasten te Leiden de Agamemnon van Seneca op7), den 2den en 3den Jan. 1592 zelfs de Ajax van Sophocles en de Rhesus van Euripides8), den 7den, 8sten en 9den Juni 1595 de Plutus van Aristophanes, de Troades van Seneca en de Miles van

[p. 201]

Plautus1) en den 2den Aug. de Aulularia2). In Sept. 1595 speelden tien gymnasiasten te Middelburg in tegenwoordigheid van de Staten van Zeeland de Ajax van Sophocles, Seneca's Hercules Furens en Plautus' Captivi3). In 1603 liet Adolphus Venator, predikant te Alkmaar, de Andria bij zich aan huis opvoeren, maar haalde zich daardoor onaangenaamheden met classis en synode op den hals4). In 1614 speelden de leerlingen der Latijnsche school te Dordrecht de Mostellaria en de Hercules Oetaeus5). Leidsche studenten voerden in 1617 bij een bezoek van Engelsche en Zweedsche gezanten aan de academiestad de Troades op6); datzelfde treurspel werd ook in 1660 door de scholieren te Dordrecht vertoond7), waar dikwijls Seneca's drama's ten tooneele werden gebracht8). In 1657 speelden ‘Latynse Studenten’ in den Amsterdamschen Schouwburg de Andria en in 1658 de Eunuchus, gevolgd door ‘een klucht in 't Griex’9); in 1664 werd daar de Medea opgevoerd10). Te Deventer werd in 1671 Seneca's Agamemnon door studenten vertoond11). In de noordelijke provincies van ons land is het schooldrama ten gevolge van de tegenwerking der geestelijkheid niet doorgedrongen; er wordt alleen melding gemaakt van het opvoeren der Andria door de leerlingen der Latijnsche school te Dokkum in 174112).

Intusschen begon men al spoedig hier te lande, evenals in Italië en Duitschland, de classieke drama's na te volgen. De herleving der classieke letteren had in de Nederlanden een groot aantal Latijnsche dichters doen opstaan; onder hen hebben de Hagenaar Janus Secundus en Nicolaus Grudius van Leuven zich den grootsten roem verworven. En ook het drama vond ijverige beoefenaars. Daar het Latijn de taal der geleerden was geworden, waren er voor Latijnsche dichters en dramatici

[p. 202]

lauweren te behalen, zelfs ver buiten de enge grenzen van hun vaderland. Bovendien is het aantal drama's van Plautus, Terentius en Seneca, dat voor schoollectuur en schooldrama geschikt is, niet bijzonder groot. Men kon gebruik maken van Latijnsche drama's, door Italianen en Duitschers geschreven1), en van Latijnsche vertalingen van Grieksche treurspelen2), maar beter was het in een land als het onze, waar de renaissance zich zoo bijzonder krachtig heeft doen gelden, zelf de hand aan den ploeg te slaan. Dat hebben de Nederlanders der 16de en 17de eeuw dan ook gedaan en zij hebben op dit gebied, evenzeer als op elk ander, lauweren geplukt3).

I. Het schooldrama in de l6de eeuw.

Het oudste schooldrama in de Nederlanden schijnt de Grisellis van Eligius Eucharius of Houcharius te zijn. De schrijver, die in het dagelijksch leven Gilles Hoockaert heette, was schoolmeester in ‘de cleene Roose op den Zandberg’ van zijne geboortestad Gent en heeft Latijnsche werken en Latijnsche verzen in het licht gezonden. In 1511 gaf hij zijn drama en andere gedichten te Parijs uit; het stuk is in 1513 en 1519 te Gent herdrukt. De leerlingen van Hoockaert waren er aan gewoon komedie te spelen; reeds vroeger hadden zij o.a. de Dolotechne (1504) van den Italiaan Bartholomeus Zambertus en de Sergius van Reuchlin opgevoerd4). Den 6den Sept. 1512 werd de Grisellis ten tooneele gebracht

[p. 203]

in het hof van Gistel1), nadat men de voorstelling eenige keeren wegens het slechte weer had moeten uitstellen; de toehoorders waren niet velen in aantal, maar uitgezocht.

In de Grisellis is de 10de novelle van den 10den dag uit Boccaccio's Decamerone aardig gedramatiseerd. Het verhaal was en is algemeen bekend. Niet alleen had Petrarcha in 1373 de novelle in het Latijn vertaald, maar in vele kloosterbibliotheken vond men Latijnsche handschriften, waarin de geschiedenis was beschreven; er zijn verschillende Nederlandsche bewerkingen uit de 15de eeuw van bekend en reeds omstreeks 1500 zag een volksboek, Die Historie van der goeder Vrouwe, genaemt Griseldis, het licht.

De Grisellis van Hoockaert is in 3 bedrijven verdeeld; proloog en argument gaan aan het stuk vooraf, dat eindigt met een epiloog - hier conclusio genoemd - en eenige versregels van den nar. De maat is afwisselend, maar meestal wordt toch de dactylische hexameter gebruikt; koorzangen of liederen komen niet voor. Naar alle waarschijnlijkheid heeft de dichter voor zijn drama gebruik gemaakt van Petrarcha's vertaling der novelle; dat blijkt o.a. uit enkele eigennamen, die overeenkomen.

Onder de dichters van schooldrama's in de 16de eeuw nemen drie Noord-Nederlanders eene allereerste plaats in, Gnapheus, Macropedius en Schonaeus. Vele anderen zullen worden genoemd, maar op hen behoort het meeste licht te vallen.

Willem Claesz. de Volder of van de Voldersgraft werd in 1493 in Den Haag geboren en daarom ook wel Willem van Haghen of Hagiensis genoemd2). Hij vertaalde later zijn naam in het Grieksch en in het Latijn en noemde zich Guilielmus Gnapheus of Fullonius; onder den laatstgenoemden naam is hij het meest bekend. Gnapheus heeft waarschijnlijk, zooals de meeste zijner landgenooten van dien tijd, die zich in wetenschap en letteren hebben onderscheiden, eerst onderricht gehad van de Broeders des Gemeenen levens. Zijne academische opleiding ontving hij voor een deel te Keulen, waar hij van 26 Mei 1511 tot Nov. 1512 studeerde en den graad van baccalaureus verwief3). Naar Den Haag teruggekeerd, werd hij er rector der Latijnsche school. Maar

[p. 204]

hij had er niet het rustige leven van den schoolmeester, die het hoogstens alleen te kwaad heeft met zijne leerlingen. Vele humanisten hier te lande waren bekend geworden met de geschriften der hervormers en plaatsten zich langzamerhand aan het hoofd der godsdienstige beweging in de Nederlanden1). Tot hen behoorde ook Gnapheus. In Aug. 1523 werd hij wegens Lutherij in hechtenis genomen en hij zou met twee anderen naar Gorinchem worden overgebracht, waar de inquisiteur-generaal mr. François van der Hulst hem zou examineeren. Maar er stak in Holland een storm van verontwaardiging op; er moest recht worden gesproken in Den Haag en niet elders; men stond op de handhaving van het jus non evocandi; de Staten van Holland protesteerden; Van der Hulst durfde niet naar Den Haag te gaan2) en den 29sten October werd Gnapheus uit de gevangenis ontslagen3). Doch hij mocht de stad zijner inwoning niet verlaten op boete voor ‘mr. Willem Claesz alias Voldersgraft, priester, scoelmeester van den Hage (van) drie hondert ponden van veertich grooten vlaems tpont’4). Reeds in Mei 1525 werd hij weer gevangen genomen en opgesloten met Jan Janszoon de Bakker of Pistorius5), wiens leven en marteldood hij in 1529 te boek heeft gesteld6). Hij had zich te verantwoorden over zijn troostbrief ‘aen een arme bedroefde weduwe, wier soon de cappe verlaten hadde’, doch hij wist zich er door heen te slaan en werd in September slechts veroordeeld tot het verblijf ‘in een clooster, om aldaer den tyt van dry maenden penitentie te doen te bier en te broode’7). In 1528 weer aangeklaagd, omdat er in zijn huis tegen het vasten gezondigd was8), besloot hij het land te ruimen. Vóór zijn vertrek heeft hij zijn Acolastus geschreven9), die hem beroemd zou maken.

Het drama behandelt de geschiedenis van den verloren zoon naar Lucas, 15, een geliefd onderwerp voor tooneeldichters. Het eenvoudige verhaal

[p. 205]

is op meesterlijke wijze gedramatiseerd; de karakters zijn goed geteekend. Voor de beschrijving van het loszinnige leven van den zoon heeft Gnapheus een aantal figuren aan het Latijnsche blijspel ontleend, den klaplooper, den veelvraat, de gemeene deerne, enz. en hij heeft hun allen namen gegeven, die hun aard aanduiden en naar classieke schrijvers, vooral naar Plautus en Terentius, zijn genomen. Aan sommige tooneeltjes van die comediedichters sluit Gnapheus zich verder nauw aan. Ook de bouw van het drama is naar het Latijnsche blijspel gevolgd; de vijf bedrijven, proloog, epiloog en het argumentum zijn overgenomen. Er treedt geen koor op in het stuk, maar wel wordt er een lied voorgedragen of gezongen. Dialoog, taal en metrum van Terentius zijn vooral gevolgd1).

De Acolastus werd in Juli 1529 te Antwerpen gedrukt2) en maakte verbazend veel opgang. In het volgende jaar zagen vier uitgaven het licht, twee te Antwerpen, één te Parijs en één te Keulen; in 1585 verscheen het werkje voor het laatst; dit is de 47ste druk3), dien wij kennen. Het drama werd door Georg Binder (1535)4), Wolfgang Schmeltzl (1545)5) en J.U. Hankart (1627)6) in het Duitsch vertaald - de vertaling van den eerstgenoemden beleefde 6 drukken - en meermalen in die taal opgevoerd; eene Engelsche vertaling dateert van 1540, eene Fransche van 15647). Op latere dichters van schooldrama's heeft de Acolastus grooten invloed gehad. Want Gnapheus heeft het eerst een onderwerp uit den bijbel behandeld in den aantrekkelijken vorm der Latijnsche comedie, en in een tijd als den zijnen, waarin godsdienstige vragen zich zoozeer op den voorgrond drongen, was zulk eene vereeniging van bijbelsche onderwerpen en humanisme eene openbaring voor velen.

En intusschen zwierf de man, wiens drama men overal nadrukte en

[p. 206]

opvoerde, als balling rond. In 1531 kwam hij met andere Nederlandsche protestanten te Elbing, waar hij vier jaren later tot rector der Latijnsche school werd benoemd. Maar de vijandige houding van den bisschop van Ermland, Dantiscus1), dwong hem in 1541 naar Königsberg de wijk te nemen en zich onder de bescherming te stellen van Hertog Albrecht, die hem tot raad der kanselarij benoemde en in 1544 tot rector aanstelde van de paedagogische inrichting, die aan de Universiteit was verbonden. Doch ook daar vond Gnapheus geen rust. De Lutheranen en met name professor Fredericus Staphylus, die eenige jaren later tot de katholieke kerk overging, maakten het hem, den protestant, lastig en hij verliet Königsberg2), om zich in 1547 te Emden te vestigen, waar hij secretaris werd van gravin Anna van Oostfriesland en gouverneur van hare kinderen. Hij genoot het vertrouwen der gravin en nam meermalen politieke zendingen waar. Later bekleedde hij het ambt van rentmeester te Norden, waar hij den 29sten Sept. 1568 is gestorven3).

Gnapheus heeft vele strijdschriften en Latijnsche gedichten geschreven. In 1541 gaf hij verder een eigenaardig werk uit, Triumphus eloquentiae getiteld, dat men dikwijls als een schooldrama vermeld ziet. Het is de beschrijving van een optocht met declamatie en gezang, die den intocht van het humanisme in Elbing voorstelde. Vier en zeventig personen, voor een groot deel te paard of op wagens, spraken één voor één den magistraat vóór het raadhuis toe, terwijl de stoet langzamerhand voorbijtrok. Goden, Muzen, bekende personen uit de oudheid, allegorische figuren als Barbaries4), Ignorantia en Eloquentia maakten deel uit van den stoet. De vertooning had twee malen plaats, den laatsten keer in 15405). Ook schreef Gnapheus nog een paar schoolcomedies. In de Morosophus (1541)6) treedt de fluitspeler Morus als astronoom op en neemt den naam Morosophus aan. Hij leest in de sterren, dat de regen, die zal vallen, allen in dwazen zal veranderen, en sluit zich in zijn huis op. De voorspelling wordt bewaarheid en hij hoopt, als de eenige verstandige, koning van de dwazen te zullen worden. Maar gek geworden

[p. 207]

boeren plagen en mishandelen hem en hij wascht zich ook met regenwater, om als een dwaas onder de dwazen te leven. Ten slotte neemt ‘Sophia’ hem onder hare leerlingen op. In de Hypocrisis (1544) wordt Psyche voor Jupiter gedaagd wegens haar huwelijk met Cupido en laat zich begeleiden door Hypocrisis; de laatste wordt naar de onderwereld gebannen en Psyche gered, doordat zij zich van Cupido doet scheiden en zich tot Berouw wendt. Gnapheus, die het drama schreef, om den weg te wijzen, hoe men ook theologische onderwerpen op comische wijze kon behandelen1), is daarin allerminst geslaagd. De Hypocrisis is een tooneelspel, dat volstrekt niet aantrekt met al zijne allegorische figuren, wier namen verklaard moeten worden, bijv. Psyche is ‘de ziel van den zondigen mensch, die vooral misbruik maakt van zijne kennis’, Cupido ‘wijst de booze harstochten en gebreken van de ziel aan’, enz. De vijf bedrijven van het drama eindigen met een koorzang.

Van al de geschriften van Gnapheus is de Acolastus verreweg het belangrijkst, omdat het den grootsten opgang heeft gemaakt2) en een nieuwen weg voor het schooldrama heeft aangewezen. En die weg is door velen betreden.

Nicolaus Barptholomaeus staat met zijn Christus Xylonicus (1531)3) geheel op den bodem van het oude kerkelijke drama. Zijne tragedie is een passiespel, waarin meer dan 30 personen optreden, o.a. Alecto. Het drama, dat in 4 bedrijven is afgedeeld, begint met eene alleenspraak van Christus, die 22 bladzijden druk beslaat. Er treden in het treurspel vijf verschillende koren op, die aan het slot en ook wel midden in het bedrijf een zang aanheffen.

In 1533 gaf Jacobus Zovitius in Ruth eene aardige dramatiseering van het bijbelverhaal. De schrijver was een Zeeuw, uit het dorp Dreischor bij Zierikzee, en is rector geweest te Hoogstraten en te Breda4) Zijn Ovis perdita (1539) is een drama, waarin niets dan allegorieën optreden, Rechtvaardigheid, Medelijden, Nijd, Ongehoorzaamheid, enz. De Didascalus, die in 1534 werd uitgegeven, was eenigszins van denzelfden aard5). In de drama's van Zovitius treden geene koren op. Van geheel anderen

[p. 208]

aard zijn de werkjes van Johannes Placentius (Jean le Plaisant), die geboren werd te Sint Truyen en te Maastricht is gestorven1) Zijn Clericus eques (1534) is eene klucht, in proza geschreven. Een arm geestelijke wordt door eene vrouw ondervraagd, waar hij van daan komt. Zijn antwoord ‘van Parijs’ wordt verstaan als ‘van het Paradijs’ en de vrouw vraagt, of haar eerste man daar naakt rondloopt, zooals hij begraven is. De ander geeft een bevestigend antwoord en neemt geld en kleeren aan, om deze aan den doode te brengen. Als echter de tegenwoordige echtgenoot van de vrouw van de zaak hoort, stijgt hij dadelijk te paard, om den geestelijke te achterhalen. Deze bemerkt het, trekt het boerenkleed aan, dat hij van de vrouw heeft gekregen, en doet alsof hij staat te werken. Hij wijst een bosch aan, waarin de geestelijke verdwenen zou zijn. De boer stapt af en gaat het bosch in; de geestelijke bestijgt het ros en rijdt naar Parijs2). Ook de Lucianus aulicus (1534), die in verzen is geschreven, is eene dergelijke klucht; de schrijver noemt het een tafelspel. In de Pisander bombylius (1540) van Arnoldus Madirus maakt een boer, die erg onder de plak van zijne vrouw zit, zich ten strijde gereed, als er eenige soldaten naderen. Hij zet een koperen pot op het hoofd en trekt een oud harnas aan, maar vlucht in het kippenhok, zoodra hij de soldaten ziet. Deze schrikken van zijn geschreeuw, als zij het kippenhok naderen, en gaan op den loop voor het spook, dat zijn kop uit het hok steekt. Het stukje is in proza geschreven.

Cornelius Crocus (of Krook) was een vurig ijveraar voor den katholieken godsdienst en is in een heftigen pennestrijd met Joannes Sartorius, den vriend van Gnapheus, gewikkeld geweest. Beide mannen waren verbonden aan de Latijnsche school van hunne geboortestad Amsterdam, Crocus als rector. Hij was priester en had zulk een goeden naam als geleerde, dat Jan III, koning van Portugal, hem een leerstoel aan de Hoogeschool van Coimbra aanbood. Kort vóór zijn dood reisde hij te voet naar Rome en werd door Loyola in de orde der Jezuïeten opgenomen. In 1550 is hij gestorven3). Van Crocus is één schooldrama bekend, de Joseph, die in 1535 te Amsterdam werd opgevoerd en in 1536 te Antwerpen gedrukt4). Het tooneelspel behandelt Sephira's aanslag

[p. 209]

op Joseph, zijne gevangenschap en verheffing (Genesis, 39, 40). Er treedt geen koor op in het drama, maar de schrijver dichtte een Nederlandsch vers, dat deels gesproken, deels, na het blazen op den hoorn, gezongen moest worden door den ‘wachter’ in de pauze na het 4de bedrijf1). Crocus schreef zijn tooneelspel, om te dienen bij een heiligenfeest, waar de comedies van Plautus en Terentius niet pasten2).

Evenals Gnapheus heeft Georgius Macropedius (Georg van Langveldt)3) zich grooten roem verworven als dramatisch schrijver. Deze geIeerde monnik werd ongeveer in 1475 bij Gemert in Noord-Brabant geboren, studeerde waarschijnlijk te Leuven en behoorde tot de Broeders des Gemeenen levens. Nadat hij rector in Den Bosch en in Luik was geweest, bekleedde hij van 1535 tot 1554 dat ambt in Utrecht; toen hij ziekelijk werd, keerde hij naar Den Bosch terug en stierf daar in Juli 1558.

De rector der Hieronymusschool te Utrecht heeft een aantal leerboeken voor verschillende vakken geschreven, werd voor de beste grammaticus van zijn tijd gehouden en heeft vele voortreffelijke leerlingen gevormd4). En deze uitstekende schoolman was tevens een uitstekend dramaticus. Had Gnapheus het eerst eene bijbelsche stof voor het schooldrama gebruikt, Macropedius was in de Nederlanden de eerste, die het Latijnsche blijspel op het tooneel bracht. ‘Want’, roept hij uit in de opdracht der Rebelles en Aluta, ‘wat is geschikter, om jongens tot leeren, jonge menschen tot ernstige studie, ouderen, ja eigenlijk allen tot deugd te brengen, dan een goed blijspel, dat door sommigen te recht een spiegel van het dagelijksch leven, door anderen eene nabootsing van het leven, een spiegel van den omgang, het beeld der waarheid genoemd wordt?’ Hij beroept zich verder op Reuchlin, ‘die, behalve dat hij het eerst het Hebreeuwsch in Duitschland heeft ingevoerd, ook de geheel vervallen kunst van den blijspeldichter het eerst in eere heeft hersteld’. Dat

[p. 210]

de schrijver niet zeker was van het succes dezer nieuwigheid, blijkt uit de opdracht en uit den titel van het boekje1).

In de Rebelles (1535) brengen twee onverstandige moeders hare jongens bij den schoolmeester Aristippus en verzoeken hem hare lievelingen toch vooral zacht te behandelen. Maar de bengels maken het slecht op school; zij leeren niet, dobbelen, vechten samen en krijgen dus van den meester de belooning voor zooveel deugd, een duchtig pak slaag. Zij beklagen zich t'huis over die behandeling en de moeders stappen op hooge beenen naar den meester, schelden hem uit en verwijten hem zijne wreedheid. ‘Ik heb u mijn zoon toevertrouwd, om hem te leeren, niet om hem te verscheuren’, roept de ééne verontwaardigd uit. ‘Ik heb hem gekregen, om hem te verbeteren’, antwoordt de meester, ‘niet om hem te dooden, maar om hem voor de galg te bewaren’. Maar de moeders vertrouwen hare spruiten niet weer aan zulk een kinderbeul toe; zij moeten dan maar voor den koopmansstand worden opgeleid. Met goed gevulde zakken gaan beiden op reis, maar zij landen al spoedig in eene herberg aan, waar zij goede sier maken. Een paar schurken, die aan de jongens beloven de genoegens van Trijntje aan die van Wijntje te zullen toevoegen, berooven hen in de herberg door middel van valsche dobbelsteenen van hun geld en kleeren en jagen de kaal geplukte gansjes de deur uit. Opgewonden en verontwaardigd als zij zijn, bestelen zij een slapenden boer en keeren naar de herberg terug, maar worden al spoedig door een diender gepakt, voor den rechter gebracht en tot hangen veroordeeld. De moeders roepen de hulp van den verachten meester in en deze treedt bij den rechter voor de kwajongens op en eischt, dat zij aan hem worden uitgeleverd, omdat zij onder de hoede van den schoolmeester staan en deze alleen dus het recht heeft hen te straffen. De rechter zwicht voor dat argument; de jongens worden losgelaten met een stevig pak slaag in het vooruitzicht en de moeders vragen den braven Aristippus ten eten. Dat alles heeft plaats ten overstaan van twee duivels - eene herinnering aan het geestelijk drama - die in elk bedrijf uit hun schuilhoek te voorschijn komen, zich er steeds meer en meer over verheugen, dat de jonge

[p. 211]

deugnieten hen niet zullen ontgaan, en ten slotte zeer teleurgesteld worden door de kordaatheid van den meester.

In 1553 heeft Macropedius de klucht eenigszins omgewerkt1), maar ook zonder die omwerking is zij zeer populair geworden en in het Duitsch vertaald2). Niet minder opgang maakte de Aluta (1535)3), die den volgenden inhoud heeft. De boerin Aluta uit het visschersdorp Bunschoten is met kippen naar de markt te Utrecht gegaan. Een paar dieven bedriegen de eenvoudige vrouw; de één geeft voor haar neef te zijn en beveelt haar als kooper voor hare waar zijn metgezel aan. De sloof richt zich tot dezen, die de kippen koopt, maar toevallig geen geld bij zich heeft en met de waar weggaat, om geld te halen, terwijl hij aan Aluta den haan als pand achterlaat. De boerin wacht geduldig in de herberg, maar de kooper laat zich zoo lang wachten en zij drinkt zooveel, dat zij eindelijk niet recht meer weet, waar zij is. De herbergierster eischt betaling; Aluta heeft geen geld en geeft dus den haan, dien zij nog over heeft. Op den terugweg valt zij neer en slaapt in. De beide deugnieten, die dat voorzien hebben, zijn in de nabijheid; zij berooven haar van hare kleeren en werpen een net over haar heen. Als Aluta wakker wordt, begrijpt zij niets van de zaak, vraagt: ‘Ben ik nu Aluta van Bunschoten, de vrouw van Heino, of ben ik iemand anders’, en wil naar haar man, om te weten, ‘of Aluta soms t'huis is’. Zij komt met veel moeite t'huis en doet haar man en haar zoontje schrikken door haar onsamenhangend gepraat. De priester wordt gehaald en bezweert den duivel, die in de vrouw is gevaren. Zij herstelt spoedig en hoort, dat de dieven gepakt zijn.

Over de andere kluchten van Macropedius kunnen wij korter zijn, nu, door het meedeelen van den inhoud van Rebelles en Aluta, het genre eenigszins is geschetst. De Petriscus (1536)4) is een pendant van de Rebelles; de jonge held van het stuk, die door zijne moeder schandelijk verwend is, geraakt in slecht gezelschap, besteelt zijne ouders en tracht de schuld op een trouwen dienaar te werpen. In de Andrisca (1538)5)

[p. 212]

treden twee Bunschoter vrouwen op, van welke de ééne drinkt en de andere het met een priester houdt. De beide echtgenooten besluiten ten slotte hunne vrouwen tot rede te brengen; de één, een boer, vecht met zijne vrouw ‘om de broek’ en overwint haar, de ander, een leerlooier, ranselt de zijne af, wrijft haar lichaam met zout in en stopt haar in eene paardehuid1). In de Bassarus (1540)2) steelt een koster eetwaren en wijn van den gierigen schout en van den priester, die hij ten eten heeft genoodigd, en vertelt hun ten slotte, hoe hij gekomen is aan het smakelijke maal, dat hij hun heeft voorgezet..

De blijspelen van Macropedius tellen allen 5 bedrijven, van welke de vier eerste door een kleinen koorzang worden besloten. De muziek dezer koren is in de volledige uitgave der werken van Macropedius (1552) afgedrukt3). De taal der blijspelen herinnert over het algemeen meer aan Plautus dan aan Terentius.

De kluchten van Macropedius zijn van groote comische kracht. Zij zijn goed in elkander gezet en vol aardigheden en gedramatiseerde anecdotes. De vrouw, die, als haar man binnentreedt, haren minnaar verbergt, door met de meid een laken uit te spreiden, en de echtgenoote, die door zijne gade is afgeranseld en bij een nieuwsgierigen buurman zijne tranen aan den rook toeschrijft, zijn bekende figuren. Evenzoo de jongens, die den pastoor bang maken, als hij s'avonds bij onweer op den rug van den koster over het kerkhof wordt gedragen, en de man, die den gehangene toeroept: ‘Hein, leefdi noch?’ en antwoord krijgt van een smid, die onder de galg in slaap is gevallen. De onderwerpen en figuren zijn meestal aan het volksleven ontleend en niet naar classieke voorbeelden gevolgd.

Macropedius had zijne blijspelen ruim 20 jaren in zijn lessenaar bewaard, voordat hij ze uitgaf4). Maar het oudste van zijne ernstige drama's, de Asotus, dateert nog van vroeger tijd, nl. ongeveer uit 15075). Ook deze tooneelspelen van godsdienstigen aard zijn van beteekenis.

[p. 213]

In de Asotus (1537)1) wordt de geschiedenis van den verloren zoon behandeld, maar op geheel andere wijze dan door Gnapheus, al vinden wij hier ook enkele figuren uit de Acolastus terug, den parasiet en de ‘meretrix’. Bij Macropedius viert Asotus met eenige ‘meretrices’ feest in het huis van zijn vader en zeilt later, als hij zijne erfportie heeft opgevraagd, met hetzelfde illustre gezelschap naar Milete. Wij zien hem niet als zwijnenhoeder, maar zijn vader, die iets van hem gehoord heeft door een vreemdeling, wacht aan de haven, of hij soms terug zal komen. In het stuk treden weer een paar duivels op2). Een diepzinnig drama is de Hecastus (1539)3). De moraliteit Elckerlijc van Peter Dorland of Peter van Diest was in 1536 door Christianus Ischyrius in het Latijn vertaald met den titel Homulus. En nu heeft Macropedius die moraliteit van den stervenden mensch op meesterlijke wijze in zijn Hecastus omgewerkt. Bijna al de allegorische figuren van het Nederlandsche drama zijn, met veel beter gevolg dan in de Homulus, in menschen van vleesch en bloed herschapen en de handeling is in het dagelijksch leven verplaatst. De rijke en vroolijke Hecastus, die het leven geniet, wordt door vrienden en verwanten in den steek gelaten, wanneer hij plotseling doodelijk ziek wordt. Deugd en Geloof strijden voor hem tegen Satan en Dood en, als Hecastus zonder angst gestorven is, ten gevolge van de aanwezigheid en den bijstand van Geloof, verkondigt de priester, dat er voor allen hoop is op het eeuwige leven, wanneer zij gelooven, boete doen en hun leven beteren. Het drama is zeer beroemd geworden en dikwijls vertaald en bewerkt4). In de Lazarus mendicus (1541)5) is het verhaal uit Lucas, 16, uitvoerig gedramatiseerd. Het weelderige leven van Laemargus, den rijke, en zijne vrienden wordt in verscheidene tooneeltjes voor oogen gesteld; in het eerste bedrijf is hier navolging

[p. 214]

van de eerste acte van de Hecastus. Als Lazarus, die omringd wordt door eenige andere bedelaars, gestorven is, willen twee duivels zijn lijk wegdragen, maar engelen verhinderen het; het lijk van den rijke daarentegen wordt, als hij plotseling sterft, door hen weggesleept. Het slot van het drama, als de rijke met Abraham spreekt, is eene bijna woordelijke vertaling van het bijbelverhaal. In 1544 volgde de Iosephus1) die het verblijf van den held in Egypte tot onderwerp heeft, in 1552 de Adamus. In het laatstgenoemde drama wil de dichter voorstellen, hoe de mensch, na de verdrijving uit het paradijs, zonder hulp en troost is gebleven en hoe eerst Christus vergiffenis, heil en genade bracht. Tot dat doel neemt hij personen uit verschillende perioden van de geschiedenis der Israëlieten. In het eerste bedrijf wordt Abel door Cain gedood en treden Adam en Eva op. Maar het eerste menschenpaar speelt ook in al de andere bedrijven eene rol; zij spreken met de overige personen van het drama en vertegenwoordigen dus den mensch in het algemeen, die reikhalst naar genade en verlossing. Het tweede bedrijf geeft o.a. het offeren van Izaak door Abraham te zien, het derde de wetgeving door Mozes, het vierde den strijd van David en Goliath en het optreden der profeten Jesaia, Jeremia, Ezechiel en Daniel. Het vijfde bedrijf voert ons in de omgeving van Maria, Joseph, Zacharias en Elizabeth, kort vóór de geboorte van Jezus (Lucas, 2). Elohim, Gabriel en ‘genii’ komen voor onder de personen van het drama. In de Hypomene (1553) zijn weer eenige allegorische figuren. Geduld en de Schrift, twee zusters, worden van den hemel naar de aarde gezonden en troosten Iob, Lazarus, David, Elia, Tobias, armen en zieken. De koorzangen - en er zijn er vele in het drama, ook midden in een bedrijf en aan het slot der 5de acte - zijn voor het meerendeel naar de Psalmen gevolgd. De proloog wordt niet door een afzonderlijken speler uitgesproken, maar is een samenspraak tusschen Geduld en de Schrift. De Iesus scholasticus (1556), het laatste drama van Macropedius2), mist alle handeling; het verblijf van Christus te Jeruzalem op twaalfjarigen leeftijd wordt er in voorgesteld (Lucas, 2).

Ook als schrijver van ernstige drama's was Macropedius zeer veelzijdig. Naast de tooneelspelen, aan den Bijbel ontleend, die de geschiedenis van één persoon tot onderwerp hebben, zooals de Asotus en de

[p. 215]

Iosephus, staan de Adamus en de Hypomene, die ons telkens in een geheel andere omgeving en in een geheel anderen tijd verplaatsen, terwijl enkele figuren van het drama, Adam en Eva of Geduld en de Schrift, al die tooneeltjes aan elkander verbinden. En de Hecastus heeft weer een geheel ander karakter; het is een allegorisch tooneelspel, waarbij echter, althans in den beginne, de allegorie niet al te zeer doorschemert. Macropedius was er zoozeer van overtuigd, dat hij in zijne drama's het Latijnsche blijspel navolgde, dat hij b.v. zijn Lazarus eene ‘comedie’ noemt en zijn Adamus betitelt als een spel, ‘waarin comisch wordt aangetoond, hoe de gevallen mensch .... gered wordt’. De schrijver wist trouwens ook, dat hij somtijds tegen de wetten van het blijspel zondigde1). Eene eigenaardigheid in de tooneelspelen van Macropedius is wel, dat hij voor de koorzangen zoo dikwijls de viervoetige iambe gebruikt, eene maat, die in ernstige drama's somtijds een niet gewilden comischen indruk maakt. Macropedius is in de 16de eeuw de eerste onzer Latijnsche dramatici, zooals Grotius het was in de 17de.

Petrus Papaeus, die eene school had te Meenen bij Kortrijk, heeft in zijn Samarites (1539)2) gebruik gemaakt van de Acolastus van Gnapheus. Hij laat in zijn drama, dat ontleend is aan Lucas, 10, den jongen Aegio wegreizen van zijn aangenomen vader Megadorus. De Diabolus Leno verlokt hem, met behulp van den parasiet Gulo en van den slaaf Hedylogus, tot liefde voor Sarcophilia. Op zijn terugtocht wordt hij beroofd en gewond door de roovers Cupido, Bacchus en de Dood, en geholpen door den Samaritaan. Er zijn geene koorliederen in het drama. Papaeus had een allegorischen zin gelegd in zijn tooneelstuk; dat blijkt niet alleen uit enkele persoonsnamen, maar ook uit eene nadere verklaring van andere. Aegio is nl. de Mensch, de leermeester Eubulus is de Rede, Megadorus is God, de olie van den Samaritaan is de genade van den heiligen geest3). Het is niet te ontkennen, dat de Terentiaansche figuren van het stuk in deze omgeving een vreemden indruk maken.

Petrus Philicinus week in vele opzichten van zijne voorgangers af. Zijne Magdalena evangelica (1544)4) is in geheel andere maat geschreven

[p. 216]

dan andere treurspelen1) en heeft geen koor. En de Esther die in 1563 werd uitgegeven, maar reeds 18 jaren vroeger voltooid was, sluit zich in vorm veel meer bij Seneca aan dan bij Terentius. Franciscus Goethals, die zich Eucollus of Eutrachelus noemde, schreef eene Hester (1549) en noemde zijn drama eene ‘amphitragoedia’. Trouwens ook in zijn leven week hij van het gewone pad af. Hij beoefende te Brugge de rechtspraktijk en was daarna professor te Leuven en te Douai, maar op lateren leeftijd waren zijne vrouw en zijne elf kinderen voor hem geen beletsel, om zich in het geestelijke kleed te hullen. In zijn Soter gloriosus (1563) wordt de opstanding en hemelvaart van Jezus behandeld; het stuk verschilt hierin van andere drama's, dat het geene koren geeft. Voor het overige volgde Goethals den nu eens aangenomen vorm van het schooldrama.

In de Euripus (1549) van den Antwerpenaar Livinus Brechtus of Brechtanus, Franciscaner te Leuven, treden slechts allegorieën op. Euripus, een jongeling, is de personificatie van de jeugd, die, onstandvastig en zinnelijk als zij is, zoo licht tot het booze wordt verleid2). Het drama begint met een dialoog tusschen Venus en Cupido, die als duivels gekleed zijn; Euripus is hun ontsnapt, maar zij zullen hem weer in hunne macht zien te krijgen. Thans heeft Euripus zijn vertrouwen aan Vreeze Gods geschonken, die, ‘in het kleed van een doctor of wijsgeer’, den jongen man op zijne reis begeleidt. Maar de weg is lang en moeilijk; Euripus wordt moe en er zijn vele aansporingen noodig, om hem verder te doen gaan. Als hij, geheel afgemat, een oogenblik slaapt, doen Venus en Cupido schoone muziek in zijne ooren klinken. Toch wordt de staf weer opgenomen; maar nu verschijnen Venus en Cupido in schoone menschelijke gedaante, lokken hem door de belofte van velerlei genietingen en bespotten Vreeze Gods. Euripus bezwijkt. Doch als Venus eischt, dat hij nu ook alles zal bewonderen, wat zij onder haar mantel verborgen houdt, echtbreuk, twist, moord, zwelgerij, enz. schrikt hij terug en ijlt weg met ‘den Tijd van Genade, een gevleugeld jongeling, als engel gekleed en met een zandlooper in de hand’. Maar hij komt spoedig tot andere gedachten, keert op zijne schreden terug en geeft zich geheel en al aan Venus en Cupido over. Deze treden nu in het 4de bedrijf weer als duivels op en juichen, wanneer de Pest en de Dood Euripus komen bezoeken, en zij pijnigen na zijn

[p. 217]

dood zijne ziel, door haar op vreeselijke wijze al de straffen van de hel te schilderen1).

Grégoire de Hologne (Holonius), een Luikenaar, heeft geestelijke ambten bekleed, is een tijd lang gouverneur geweest der zonen van Karel, baron van Barlaimont, en heeft zijne Latijnsche drama's aan hen opgedragen. De Laurentias, Catharina en Lambertias kwamen gezamenlijk in 1556 uit; zij behandelen allen het leven van heiligen. Voor de koorzangen in deze treurspelen is de muziek geschreven door Jan Laetrius2).

In 1559 zagen twee treurspelen het licht, die Dido tot titel hadden. Het ééne, geschreven door Gerardus Dalanthus, geneesheer te Heusden, is opgedragen aan Willem van Oranje; de stof is natuurlijk ontleend aan de Aeneis, maar de vorm wijkt niet af van die der schoolcomedies. De Dido van Petrus Ligneus (vanden Houte)3), die te Leuven de rechten heeft gedoceerd en later als advokaat te Antwerpen is opgetreden, sluit zich nader bij het gedicht van Vergilius aan en is zelfs in dezelfde maat, hexameters, geschreven, terwijl in andere schoolcomedies afwisselend metrum en meestal de iambische maat in den dialoog voorkomt. Het koor wordt gevormd door drie vrouwen, die bij afwisseling zingen. Deze nieuwigheid, die Ligneus trachtte in te voeren, is door niemand nagevolgd. In de beide treurspelen spelen de goden eene groote rol, evenals in de Aeneis; het drama van Ligneus vangt aan met eene alleenspraak van Furia.

Laevinus Pontanus, een Gentenaar, die aan de hoogeschool te Douai professor in het Grieksch en Latijn is geweest, behandelde in zijne Moscholatria (1559) de aanbidding van het gouden kalf (Exodus, 32). In het vreemde stuk, waarvan de dialoog in hexameters is geschreven, treden, behalve God, Mozes en Aaron, ook Jupiter, Alecto en Mania op. Eene alleenspraak van den dichter zelf vult de geheele 5de acte, die trouwens zeer klein is.

Cornelius Laurimannus (Lauerman) was de opvolger van Macropedius en heeft van 1554 tot zijn dood in 1573 aan het hoofd gestaan der Hieronymusschool te Utrecht4). Ook hij heeft schooldrama's geschreven. Toen één daarvan, de Esthera (1562), was uitgegeven, beschuldigde men den dichter, dat hij de Hamanus van Naogeorgus had nageschreven1).

[p. 218]

De Exodus sive Transitus maris rubri (1562) is eene dramatiseering van Exodus, 1-16; het bijbelverhaal is getrouw gevolgd. Het drama, dat door Laurimannus eene ‘comoedia tragica’ werd genoemd, begint met de verontwaardiging der vroedvrouwen over het bevel van Pharao en met het vinden van Mozes door de dochter des konings. ‘Elohim Deus sive genius’ treedt telkens op in gesprek met Mozes. Geen der plagen van Egypte, geen der conferenties van Mozes en Aaron met den koning wordt ons gespaard en het is met een zucht van verlichting, dat wij aan het slot van het ellenlange drama eindelijk Pharao in de Roode Zee ten onder zien gaan. Ook de Miles Christianus (1565) is van buitengewonen omvang. Sedert het verschijnen van het boekje van Erasmus, Enchiridion militis christiani, was de allegorische figuur van den Christenridder meermalen de hoofdpersoon van een drama geworden2). In het stuk van Laurimannus maakt de Christensoldaat zich vier bedrijven achtereen gereed om, geholpen door zijn raadsman Timotheus en door Trouw, Hoop, Liefde, de Schrift en Geduld, slag te leveren tegen de duivels Sathanas, Planus, Diabolus en Behemothus, die worden bijgestaan door Wereld, Vleesch, Bloed, Ontrouw, Wanhoop, Nijd, Overmoed, Zonde, enz. In het laatste bedrijf heeft eindelijk de slag plaats en overwint de Christenridder. De reizangen aan het slot der vier eerste bedrijven worden gezongen door één of meer personen van het drama. Nog al opmerkelijk is, dat in den tweeden koorzang de Christenridder Latijn zingt en ‘de Schrift’ na elk couplet eene Hollandsche vertaling ten beste geeft.

Naast Gnapheus en Macropedius heeft Cornelius Schonaeus3) zich onder de Noord-Nederlanders den grootslen naam verworven als schrijver van schooldrama's. Hij werd in 1540 te Gouda geboren, studeerde te Leuven, vestigde zich te Haarlem en werd daar ongeveer in 1569 aan de Latijnsche school verbonden. In 1580 was hij lid eener commissie, door Prins Willem benoemd, om het gymnasiaal onderwijs in Holland en Zeeland te regelen. In 1575 rector geworden, bekleedde hij dat ambt tot 1610, maar in de laatste jaren meer in naam dan inderdaad. Schonaeus was katholiek gebleven en ondervond dus tegenwerking van kerkelijke zijde, bovendien was zijne gezondheid zeer geschokt; de magistraat van Haarlem heeft hem echter in elk opzicht gesteund en gewaardeerd. In

[p. 219]

1611 is de waardige man, die zich door zijne geleerdheid en welwillendheid in alle kringen vrienden had verworven, te Haarlem overleden.

Schonaeus heeft Latijnsche gedichten nagelaten en verscheidene drama's van ernstigen en ook van comischen inhoud. De Tobaeus, Nehemias en Saulus zagen in 1570 het licht. In het eerstgenoemde tooneelspel is het romantische verhaal van Tobias uit de apocryphe boeken gedramatiseerd. De brave Tobaeus, die blind is geworden en een ongelukkig leven leidt, krijgt het gezicht terug, terwijl de engel Raphael zijn zoon Tobias uit allerlei gevaren redt en hem met eene jonge vrouw en groote schatten bij zijne ouders doet terugkeeren. In de Nehemias is de verwoesting en wederopbouw van Jeruzalem (Nehemia) ten tooneele gebracht, in de Saulus de Christenvervolging te Samaria, de reis naar Damascus en de bekeering van den apostel (Handelingen, 9). Eerst in 1592 volgden weer drie drama's. Naar II. Koningen, 5, is de Naaman bewerkt, waarin de held, die melaatsch is geworden, zich op raad van Eliza in den Jordaan baadt en genezen wordt. In de Iosephus, een zeer geliefd onderwerp voor het schooldrama, wegens de zegepraal van den held in zake Potiphar's echtgenoote, is de geheele geschiedenis van den braven jongeling behandeld (Genesis, 37, 39-46). De moord op Holophernes door de schoone weduwe, die daardoor haar volk van den ondergang redt, is het onderwerp van de Juditha; het drama is dus ontleend aan het boek van dien naam.

In deze zes ‘comoediae sacrae’ had Schonaeus de blijspelen van Terentius gevolgd, niet alleen in vorm en maat, maar ook zeer sterk in uitdrukking en woordenkeuze1). Evenmin als bij Terentius vindt men bij Schonaeus een koorzang aan het slot der vier eerste bedrijven, terwijl toch de meeste van zijne voorgangers dit nieuwe element in het schooldrama hadden opgenomen. Maar in zijne prologen trekt hij meermalen tegen het classieke Latijnsche blijspel te velde met zijne ‘lenones et meretriculae’, zijne verliefde jongelingen, die met behulp van looze slaven hunne vaders bedriegen en hunne geliefden schaken, met zijne toestanden en verhoudingen, die niet geschikt zijn voor eerbare jongelieden. Schonaeus was dus tegen het opvoeren der blijspelen van de Latijnsche comici en hij was er niets over gesticht, toen in 1595 zijne zes schooldrama's te Keulen werden nagedrukt onder den titel Terentius Christianus, ook al omdat de titel hem te aanmatigend voorkwam2).

Te Amsterdam zagen in 1600 zes nieuwe ‘comoediae sacrae’ van

[p. 220]

Schonaeus het licht. Het eerste onderwerp, dat hij in dien bundel behandelde, de geschiedenis van Susanna, heeft zích in de 16de eeuw in eene buitengewone belangstelling der dramatici mogen verheugen1). De Daniel is ontleend aan het apocryphe boek ‘Bel en de slang’; er wordt dus de ontmaskering in behandeld van de priesters van Bel door den jongen profeet Daniel, den gunsteling van Cyrus. Het is het eenige drama van Schonaeus, waarin een lied voorkomt; het wordt door de priesters gezongen (1ste bedrijf). In de Triumphus Christi is de opstanding van Jezus gedramatiseerd, in de Typhlus de genezing van den blinde van Jericho (Lukas, 18), in de Pentecoste de geschiedenis van het Pinksterfeest (Handelingen, 2-5), in de Ananias de straf van het leugenachtige echtpaar. De vier laatstgenoemde drama's staan ver beneden de vorige stukken van Schonaeus. De schrijver houdt zich streng aan het bijbelverhaal, lascht geene vroolijke of comische gesprekken in, maar moraliseert en sticht uit eerbied voor zijn onderwerp zoozeer, dat er bijna geene handeling in de drama's is.

Meer afwisseling biedt de Baptistes, waarmede de derde bundel van Schonaeus, die in 1603 uitkwam, geopend wordt. Het onderwerp is de dood van Johannes den Dooper (Marcus, 6). De overige drama's uit den bundel, die ook Latijnsche gedichten bevat, zijn kluchten, ‘fabulae ludicrae’, van welke alleen de Dyscoli nieuw was2), terwijl de overigen reeds vroeger gedrukt of gespeeld waren3). De Dyscoli is gevolgd naar de Rebelles van Macropedius; wij treffen er dezelfde twee bengels, dezelfde onverstandige moeders, denzelfden schoolmeester en dezelfde verwikkeling in aan, maar de duivels en de koorzangen ontbreken4). In de Pseudostratiotae loopen een mandenmaker en een smid van hunne vrouwen weg, nadat zij door haar in eene herberg betrapt zijn en een pak slaag hebben gekregen. Zij verkleeden zich als soldaten, dringen bij een boer in huis, waar zij zich te goed doen en schandelijk den baas spelen, maar worden ten slotte door den boer afgeranseld en de deur uitgegooid. Geheel ontmoedigd denken zij aan zelfmoord, maar besluiten liever als berouwvolle zondaars naar hunne vrouwen terug te keeren, die hen na belofte van beterschap weer in

[p. 221]

huis nemen1). Het onderwerp van de Cunae is meer algemeen bekend. Een jonge man trouwt een meisje, dat bekend is door haar slecht humeur en het leven van hare ouders en van haar broer ondragelijk heeft gemaakt. De nieuwbakken echtgenoot heeft eerst geduld met haar, maar als hij bemerkt, dat zijne zachtheid niets anders uitwerkt dan schelden, razen en dreigen, haalt hij eene wieg, werpt zijne wederhelft er in, wiegt haar heen en weer, omdat zij blijkbaar in hare jeugd op dat gebied te kort is gekomen, en laat haar eerst weer los, als zij plechtig beterschap heeft beloofd2). De Vitulus herinnert aan de Aluta van Macropedius. Maar hier is het een boer, die door zijne vrouw naar de markt wordt gezonden, in eene herberg aanlandt en dronken wordt gemaakt. In dien toestand wordt hij in een kalfsvel genaaid en aan een anderen boer verkocht, die den slager laat komen. Deze gaat op de vlucht, als hij het kalf hoort spreken, en de duivelbanner, die nu geroepen wordt, volgt dat voorbeeld. Hij maakt zich dan bekend aan den boer, die het kalf gekocht heeft, en hem nu naar huis geleidt, waar het verhaal, dat hij door dieven uitgeplunderd en half dood geslagen is, zijne vrouw tevreden stelt3).

Van sommige kluchten van Schonaeus zijn Nederlandsche en Duitsche vertalingen en bewerkingen verschenen. Zijne werken zijn meermalen herdrukt4) en hebben invloed gehad op het Duitsche drama der 17de eeuw5). De heftige en onbillijke critiek, waaraan in onzen tijd zijn werk heeft blootgestaan6), zal zijn roem weinig afbreuk doen.

Het is te betreuren, dat het Judicium Paridis (1574), dat de Fries Theodorus Euroteles naar Lucianus bewerkt heeft, verloren schijnt; het zou eene niet onaardige afwisseling gebracht hebben bij de vele bijbelsche

[p. 222]

treurspelen en allegorische drama's. Tot de laatste soort behoort het Theatrum humanae vitae (1574) van den Luikschen Broeder des Gemeenen levens, Libert Houthem, die door den keizer tot ‘poeta laureatus’ benoemd is, te Bergen professor is geweest en tegen de Calvinisten heeft geschreven. In zijn tooneelspel wil Houthem aantoonen, dat de Mensch, ook als hij Christen is, kan vallen, maar dat hij gered wordt door de goddelijke genade. De Mensch, die steeds vergezeld wordt van Vleesch en Geest, is eerst heiden, maar wil weten, vanwaar hij komt en waarheen hij gaan zal. Nu verkondigt de Genade het heil van den Mensch; Theodidactus, de heraut van het evangelie, wapent den Mensch met het pantser der orthodoxie en geeft aan Geest een zweep, om hem aan te zetten. De duivels van Pluto worden op de vlucht gejaagd, maar de Mensch, die moe wordt en even op Vleesch wil wachten, rust een oogenblik uit. Nu zendt Pluto Pseudochryse (falsa persuasio) en deze neemt den Mensch mede naar zijn paleis; de Geest wordt geblinddoekt, het pantser wordt den Mensch afgenomen en hij zelf wordt na den maaltijd verleid door Acolasia, ééne der dochters van Pseudochryse. Hij is in alle opzichten slecht geworden. Maar ten slotte bekeert hij zich met behulp van Geest en Genade en kondigt de Liefde hem vergiffenis aan1).

Andreas van Hoye (Hoius) van Brugge, die een tijd lang te Douai professor in het Grieksch is geweest, heeft in de Matthaeus (1587) de bekeering van Aethiopië door den apostel en zijn martelaarsschap gedramatiseerd en in de Machabaeus (1587) de standvastigheid der zeven broeders2), volgens het 2de boek der Machabaeën. Gabriel Jansenius, rector der Latijnsche school te Alost, gaf in 1600 vijf treurspelen uit, van welke de Monomachia Davidis cvm Goliath (I. Samuel, 17), de Nabal (I. Samuel, 25), Iudicium Salomonis Regis Israhel (I. Koningen, 3) en Caecus a nativitate aan den Bijbel zijn ontleend, terwijl de Sanctus Martinus het leven van een heilige tot onderwerp heeft. Deze drama's, die meestal merkwaardig klein zijn - het Iudicium Salomonis beslaat slechts 10 bladzijden - zijn van weinig beteekenis. Slechts valt op te merken, dat in de Nabal twee duivels (cacodaemones) voorkomen en dat in de Sanctus Martinus ongeveer 60 personen optreden. De kluchten van Jansenius, nl. Brusquetus circulator Regis Galliae, Philippus fatuus sub stolida matre Prudentia en Nobilis ruralis, die te gelijk met de treurspelen werden uitgegeven, zijn geene onaardige stukjes in één

[p. 223]

bedrijf. Ook over Jean Baptiste Gramaye, een Antwerpenaar, die te Leuven professor in de rechten is geweest en vele historische werken heeft geschreven, behoeft niet lang gesproken te worden. Slechts enkele van zijne vele Latijnsche drama's1), waaronder wij een Pyramus et Thisbe opmerken, zijn gedrukt. Zijne Andromeda Belgica (1600) is een weinig beteekenend gelegenheidsstuk bij de inhuldiging van Albertus en Isabella.

II. Het schooldrama in later tijd.

In 1601 gaf Hugo de Groot zijn eerste Latijnsche treurspel, de Adamus exul (Genesis, 3) uit; hij was toen 18 jaren oud. Behalve het eerste menschenpaar treden Satan en een engel in het drama op en wordt de Stem Gods gehoord; de reizangen beslaan eene groote plaats2). Zeven jaren later (1608) verscheen de Christus patiens, waarin een groot aantal personen en twee verschillende koren, van Joodsche vrouwen en van Romeinsche soldaten, optreden3). De Sophompaneas volgde in 1635; het drama heeft het bezoek van Jozef's broeders in Egypte en zijne herkenning tot onderwerp (Genesis, 44, 45)4).

De treurspelen van Grotius zijn geheel gevolgd naar die van Seneca. De bedrijven bestaan slechts uit een paar tooneelen, waarin lange alleenspraken of niet zeer levendige dialogen worden gehouden. Het eerste bedrijf wordt steeds geopend met een monoloog - in de Adamus exul van Satan - gevolgd door een reizang. Aan het slot der vier eerste bedrijven treedt het koor op. In de Christus patiens vervullen twee boden

[p. 224]

eene belangrijke rol. Ook de maat van Seneca's treurspelen is gevolgd; voor monoloog en dialoog is de zesvoetige iambe, voor reizang en rouwklacht1) afwisselend metrum gebruikt.

Grotius is hier te lande de eerste geweest, die godsdienstige onderwerpen in het kleed der Latijnsche tragedie heeft gestoken. Zijne groote voorgangers in het Latijnsche drama, Macropedius en Schonaeus, hinkten op twee gedachten; zij behandelden onderwerpen uit de bijbelsche geschiedenis in den vorm en in de taal der blijspeldichters Plautus en Terentius en noemden hunne drama's zelfs ‘comedies’ of ‘heilige comedies’. De Groot heeft te recht ingezien, dat voor een treurspel in het Latijn geschreven de vorm van de classiek-Romeinsche tragedie paste2).

In zeker opzicht had Grotius een voorganger in één zijner tijdgenooten. Casparus Casparius schreef in 1599 zijn Princeps Avriacus, sive Libertas defensa en droeg het treurspel op aan al de predikanten van Holland en Zeeland, waarvoor de classis van Alkmaar hem eene vereering aanbood3). Het drama is niet bijzonder spannend. Alastor stijgt uit de onderwereld op en geeft zijn voornemen te kennen, om veel kwaad te doen. Tyrannus ontvangt raad van Ahitophel en van Eubulus en is het met den eersten eens. Princeps waarschuwt Tyrannus, maar wordt op last van dezen vermoord, zooals een bode aan het einde van het stuk komt berichten. Er is dus hier en daar navolging van Seneca, maar in de maat van den dialoog volgt Casparius dezen niet voortdurend.

Misschien was dit drama voor Daniel Heinsius de aanleiding tot het schrijven van de Auriacus sive libertas saucia (1602), dat ook den moord op Willem den Zwijger tot onderwerp heeft4). In deze tragedie houdt de Inquisitie, als persoon voorgesteld, eene alleenspraak, die veel gelijkt op die van de schim van Tantalus in Seneca's Thyestes; zij treedt later weer op met de drie Furiën, om den moordenaar aan te sporen zijne misdaad te volbrengen. De Gewonde vrijheid besluit het drama met eene

[p. 225]

weeklacht. In de Herodes Infanticida (Mattheus, 2), die Heinsius in 1632 uitgaf, maar die reeds in 1611 gereed lag1), opent de lange alleenspraak van een engel het treurspel, vervult Tisiphone met de andere wraakgodinnen eene rol en treden vier verschillende koren op2). Heinsius volgde Seneca in vorm en maat, maar, in tegenstelling van den soberen Grotius, bracht hij in zijne treurspelen verschillende elementen, die den Romeinschen dichter geheel vreemd waren, in de Auriacus zinnebeeldige personen en een moord op het tooneel, in de Herodes Grieksche wraakgodinnen in eene Israëlitische omgeving. Vooral tegen het laatste kwam Jean Louis Guez de Balzac op in zijn Discours sur une tragedie de Monsieur Heinsius, intitulée Herodes Infanticida (1636) en er ontstond een twist tusschen de beide schrijvers, waarin zich o.a. ook Saumaise mengde3) en die het Latijnsche drama in het algemeen veel kwaad heeft gedaan.

Een derde dramaschrijver was Rochus van den Honert, lid van den Hoogen Raad en curator der Leidsche Hoogeschool. Hij schreef drie treurspelen, Thamara (1611), Moses Nomoclastes en Auriacus4), van welke alleen het eerste is uitgegeven, terwijl het handschrift der beide anderen thans verloren schijnt. De bekende geschiedenis uit II. Samuel, 13 is het onderwerp van de Thamara, waarin echter de dood van Ammon niet voorkomt. In de voorrede zegt de schrijver, dat hij zich de Christus patiens van Grotius en de Herodes Infanticida en Auriacus van Heinsius tot voorbeeld heeft gesteld, daar in die tragedies de regelen voor het treurspel zijn vastgesteld.

Die regelen werden trouwens thans algemeen aangenomen voor het Latijnsche schooldrama; in het begin der 17de eeuw verdwijnt de vorm der blijspelen van Terentius, om plaats te maken voor dien der treurspelen van Seneca. Van den Honert is eigenlijk de laatste Noord-Nederlander geweest, die een Latijnsch treurspel heeft geschreven. Huygens

[p. 226]

heeft in zijne jongelingsjaren een treurspel op touw gezet, dat den dood van Lucretia tot onderwerp had1), maar hij heeft niet eens het eerste tooneel voltooid. J.A. Comenius, die later schooldrama's heeft uitgegeven, was een vreemdeling en de Dordtenaar Johannes a Naarssen was door zijne langdurige zwerftochten een vreemdeling geworden. In 1657 gaf de Med. Dr. Franciscus van den Enden de Philedonius uit, die in dat jaar te Amsterdam werd opgevoerd. Vondel schreef bij die gelegenheid het gedicht Tooneelkrans voor ... Nikolaes van Vlooswyk2), welke jongeheer de hoofdrol had vervuld. De Philedonius is een zinnespel, waarin, behalve de hoofdpersoon, niets dan allegorieën optreden.

In de Zuidelijke Nederlanden bleef in de eerste helft der 17de eeuw het schooldrama in volle kracht.

Jacob Cornelis Lummene de Marcke (Lummenaeus a Marca) werd in 1579 uit een deftig Gentsch geslacht geboren. Hij werd Capucijner en leefde in een klooster in de nabijheid van Gent. Eene reis naar Rome bracht hem met aanzienlijke prelaten, o.a. met de kardinalen Borromeo en Barberini, in aanraking en, toen hij in het vaderland terug was gekeerd, dreef het verlangen naar Italië hem in 1622 weer op reis. Jaren lang heeft hij te Milaan en te Rome in droevige omstandigheden geleefd; in 1629 is hij te Douai gestorven3).

Lummenaeus a Marca heeft verscheidene Latijnsche drama's geschreven, van welke de meeste wel niet zullen zijn opgevoerd, daar zij zich door een volkomen gemis aan handeling kenmerken. In zijn eerste drama, de Dives epulo, waarin de geschiedenis van Lazarus (Lucas, 16) wordt behandeld, treden verscheidene allegorieën op. Dat is niet het geval in de Iephte (1608)4), noch in zijn drama over de Babylonische gevangenschap (Jeremia, 39), de Carcer Babylonius (1610), maar in de beide laatstgenoemde ‘tragoediae sacrae’,5) zooals a Marca zijne drama's noemde, is evenmin handeling als in de Dives epulo. De bedrijven bestaan elk uit 1 tot 4 tooneelen en worden zelfs dikwijls alleen gevuld door eene alleenspraak en een koorzang. Het koor heeft verder eene overwegende rol; het treedt niet alleen aan het slot van elk bedrijf, maar zelfs wel aan het einde van een tooneel op en de koorzangen beslaan somtijds meer plaats in het drama dan de alleenspraken en dialogen6). De treurspelen,

[p. 227]

die Lummenaeus later heeft geschreven - in 1628 zag een tweede bundel van hem het licht, waarin van de vroegere drama's alleen de Iephte is opgenomen - zijn op dezelfde leest geschoeid. In de Bustum Sodomae treedt allereerst de Goddelijke Wraak op, in de Abimelech de schim van Gedeon; ook dit doet bijzonder sterk aan de treurspelen van Seneca denken1).

Veel meer afwisseling bieden de drama's van Nicolaus Vernulaeus (Vernulz)2). Geboren in het Luxemburgsche dorp Robelmont, studeerde hij te Trier, te Keulen en te Leuven in de theologie; hij volgde in 1611 Johannes Baptist Gramaye als professor in de welsprekendheid te Leuven op en in 1646 Erycius Puteanus als historiograaf der aartshertogen. Toen hij in 1649 op 66jarigen leeftijd stierf, liet hij een groot aantal werken na over welsprekendheid, politiek, zedenkunde, Romeinsche antiquiteiten, enz.3). Zijne onvermoeide werkzaamheid en groote geleerdheid deden niet alleen een groot aantal leerlingen uit Polen en Boheme naar Leuven stroomen, maar brachten hem ook vele eerbewijzen van den keizer van Duitschland en den koning van Spanje. Onder zijne vele werken nemen zijne treurspelen slechts eene kleine plaats in; hij schreef, in proza en in poëzie, zeer snel en behoefde nooit iets te veranderen, te verbeteren of door te halen.

Vernulaeus trad in 1610 voor het eerst als dramatisch schrijver op met het treurspel Gorcomienses, dat den dood der Gorcumsche martelaren (1572) tot onderwerp heeft. Het geheele eerste bedrijf wordt ingenomen door alleenspraken en dialogen van zinnebeeldige figuren, zooals het Katholiek Geloof, de Kettersche Inquisitie(?), de Calvinistische, Lutheraansche en Mennonitische Ketterij, die ook later meermalen optreden. De Dives Eustachius (1612) en de Dives Stanislaus (1619) hebben heiligen-legenden tot onderwerp, de Thomas Cantuariensis4) den moord op Thomas Beckett, bisschop van Canterbury (1170) tijdens de regeering van Hendrik II. In het laatste treurspel treden weer een paar personificaties op. In 1623 verscheen Theodoricus, Rex Italiae, waarin de misdaden ten tooneele worden gebracht, met welke deze, overigens zoo verdienstelijke koning der Oost-Gothen (493-526), zijne regeering heeft besloten, nl. den moord op Boethius en Symmachus. Een engel en de

[p. 228]

Wraak spelen geene onbelangrijke rol in het treurspel en in het laatste bedrijf wordt de schim van den koning voor de Goddelijke Gerechtigheid gedaagd en door de schimmen van Paus Joannes en van Boethius beschuldigd. Het drama eindigt met eene weeklacht van de veroordeelde en ‘Vervloekte ziel’ des konings. In de Henricus octavus seu schisma Anglicanum (1624) wordt de dood van Thomas Morus en de afval van Hendrik van de katholieke kerk behandeld. Onder het groote aantal personen, dat in het treurspel optreedt, bevinden zich een engel en verder Ketterij, Dartelheid, Ongeloof, Tyrannie, Katholiek geloof, Reden, Vroomheid en Goedertierenheid, die zich met het meeste gemak onder den hofstoet bewegen1). De Ottocarus, Bohemiae rex (1626) heeft den dood van dezen koning (1278) tot onderwerp, die uit gekrenkte eerzucht en door den invloed van zijne echtgenoote Kunigunde zijn woord, aan keizer Rudolf gegeven, verbrak en de wapenen opnam, maar sneuvelde. In de Conradinus (1628) is de ondergang van den ongelukkigen hertog van Zwaben behandeld en zijn mislukte aanslag op Napels en Sicilië (1268), in de Crispus (1628) de dood van den edelen keizerszoon (326), gevallen door de lagen zijner stiefmoeder Faustina, eene echte Phaedra-geschiedenis. De Ioanna Darcia (1629) voert de maagd van Orleans ten tooneele, de Maximus (1630) den veldheer, die een inval in Italië deed, maar door keizer Theodosius verslagen en gedood is (388). In de Maximus treedt de Goddelijke Gerechtigheid op. In de Lambertus wordt een onderwerp uit de geschiedenis van Leuven behandeld, nl. de moord op den bisschop van dien naam door Pepijn, in de Hermengildus de ondergang van den zoon van Leovigild, koning der Gothen in Spanje, die, na een mislukten opstand tegen zijn vader, weigerde het Ariaansche geloof weer te omhelzen (584). Geheel ‘up to date’ was de Fritlandus, die in 1635 uitkwam, terwijl Wallenstein het vorige jaar gedood was. Eene korte ontleding van het stuk moge hier volgen.

De genius van het huis van Oostenrijk, naar de aarde gezonden, om de dynastie te redden, voorspelt den ondergang van den verraderlijken veldheer. Wallenstein, trotsch op zijne daden en zijne macht, verlangt zich de kroon op het hoofd te zetten; de parasiet Lalgus stijft hem in zijn voornemen, maar een grijsaard tracht hem terug te houden en waarschuwt hem voor het breken van zijn eed aan den keizer. De hertog heeft sombere voorgevoelens en de grijsaard spoort hem aan, zijn plan

[p. 229]

op te geven, maar hij weigert en houdt eene rede voor Terzka, Kinsky, Illo en Neumann, waarin hij zich beklaagt over de behandeling, die hij van den keizer heeft ondervonden, en zijn voornemen te kennen geeft, om Duitschland vrij te maken en zich zelf tot koning van Boheme en aartshertog van Oostenrijk te doen uitroepen. De generaals teekenen een stuk, waarin zij beloven hem trouw te zullen zijn, ook tegen den keizer. Het derde bedrijf begint met een gesprek tusschen Germania, die bevreesd is voor de toekomst, en den genius van het Oostenrijksche huis, die haar geruststelt. Wallenstein geeft in eene vergadering zijner getrouwen het bevel Weenen te plunderen, den keizer te dooden en Praag te bezetten; de overige hoofdofficieren moeten door geschenken gewonnen worden, de soldaten zullen wel volgen. Men vertrouwt Gallas en Piccolomini niet, maar de laatste verschijnt. Illo tracht te vergeefs hem te overreden, om mede te doen aan het verraad; Piccolomini wil echter zijn eed aan den keizer niet breken. Maar, vreezende voor de heftigheid van Wallenstein, veinst hij in diens tegenwoordigheid en wordt daardoor bekend met al de plannen van den veldheer. Eene zending wordt hem opgedragen en hij vertrekt met het voornemen, om den keizer terstond te waarschuwen en Wallenstein's plannen te dwarsboomen. Daar komt het bericht, dat de keizer Praag heeft bezet, den verraderlijken veldheer vogelvrij heeft verklaard en dat Gallas en Piccolomini reeds tegen hem oprukken. Ook beginnen de soldaten Wallenstein af te vallen. In eene vergadering met de generaals wordt besloten Pilsen te verlaten en naar Eger te gaan; Wallenstein geeft Buttler het bevel hem te volgen. Terwijl de eerste drie bedrijven eindigen met een eenvoudigen koorzang, wordt de vierde acte besloten met eene samenspraak tusschen den genius, Germania en het koor. Te Eger verzekert Wallenstein aan Buttler, Gordon en Leslie, dat hij vertrouwt op het welslagen zijner onderneming, en draagt hun de bewaking van stad en citadel op. Maar Buttler, die reeds te Pilsen het plan had opgevat den veldheer te dooden, neemt Gordon en Leslie in zijn vertrouwen; het edele drietal zweert knielend en met getrokken zwaard trouw aan den keizer1) en beraamt alles voor den aanslag. De rollen worden verdeeld onder hen zelf en onder Geraldin, Macdonald, Ebroxius (Deveraux) en Brunaeus (Braun). Het gastmaal op de citadel heeft plaats; terwijl Terzka, Kinsky, Illo, Neumann, Buttler en Leslie vroolijk bijeenzijn, dringen Macdonald en Ebroxius binnen en dooden, in tegenwoordigheid van den genius, de generaals. Dan wordt het logies van Wallenstein afgezet; een lakei tracht te vergeefs de mannen terug te houden. Ebroxius dringt het

[p. 230]

slaapvertrek binnen - men hoort hem den veldheer toespreken1) - en komt weer op na den moord te hebben volbracht. Een dialoog tusschen den genius en Germania besluit het stuk.

De Sedecias (1616)2) van Carolus Malapertius uit Bergen is geheel in den trant der treurspelen van Seneca en met sterke navolging van vele plaatsen van dien dichter3). G. Chaneau behandelde in de Pseudo-Balduinus, vulgo Peregrinus Lombardus (1616)4) een historisch onderwerp, nl. de lotgevallen van den avonturier, die zich uitgaf voor graaf Boudewijn van Vlaanderen en in 1225 ontmaskerd en opgehangen is. Het drama heeft proloog en epiloog. Wij zullen ook niet uitweiden over de Pendularia (1620)5), eene klucht in 5 bedrijven van Nicolaus Susius, die evenals Malapertius tot de orde der Jezuïeten behoorde. Belangrijker zijn een paar drama's van Jacobus Zevecote. Deze Gentenaar, die Augustijner monnik en een gunsteling van Paus Urbanus VII is geweest, maar later zijn vaderland verlaten heeft, protestant is geworden en een leerstoel heeft ingenomen aan de Hoogeschool te Harderwijk, heeft zich als Latijnsch en Nederlandsch dichter een welverdienden naam verworven. Zevecote heeft drie Latijnsche treurspelen het licht doen zien. In de Esther vinden wij weer het onderwerp, dat zoovele Latijnsche dichters heeft aangetrokken. In de Rosimunda daarentegen betreedt de dichter een ander terrein.

De moord op Alboin, koning der Longobarden, door zijne vrouw, de dochter van den verslagen koning der Gepiden, Cunimund, en de dood van Rosimunda zelve, door haren minnaar Helmichis gedwongen, den giftbeker leeg te drinken, dien zij hem had toegereikt, dat bekende verhaal van Paulus Diaconus, door een onnoemelijk groot aantal dichters in velerlei talen gedramatiseerd, heeft ook Zevecote naar de pen doen grijpen. Het drama is geheel in Seneca'schen trant behandeld; de geest van Cunimund opent het stuk met eene lange alleenspraak en later verschijnt ook de geest van Alboin. Het derde treurspel van Zevecote heeft eigenaardige lotgevallen doorleefd. Oorspronkelijk droeg het den titel Maria Stuarta en had het den dood der ongelukkige koningin

[p. 231]

tot onderwerp, die er in werd voorgesteld als eene martelares voor het katholiek geloof. Maar het verblijf van den dichter te Leiden en zijn overgang tot het protestantisme hadden ten gevolge, dat hij zijn treurspel in zooverre veranderde, dat de hoofdpersoon een anderen naam ontving en hare omgeving gewijzigd werd, terwijl de tekst van het stuk geheel dezelfde bleef. Het drama kreeg den titel Maria Graeca en speelt ten tijde van Caesar Constantius VII, keizer van het Oostersch-Romeinsche rijk in het laatste gedeelte der 10de eeuw, die zijne eerste gemalin Maria in de gevangenis heeft doen onthoofden, nadat hij haar op aanstoken van zijne bloedverwante Theodora, met wie hij later gehuwd is geweest, van giftmenging had beschuldigd. Ook aan enkele andere personen van het drama werd een andere naam gegeven en de zaak was in orde1). De treurspelen van Zevecote zijn meermalen herdrukt2).

De Augustijner monnik Emmanuel Rodriguez, die te Antwerpen eene school bestuurde, behandelde in zijn Rodericus fatalis (1631)3) den ondergang van Roderic, koning der Gothen in Spanje, die verraden werd door zijn generaal Juliaan, wiens dochter hij ontvoerd had, en in 711 verslagen door de Mooren. ‘Nemesis Divina’ opent het stuk met eene lange alleenspraak. Michael Hoyer, geboren in Artois, behoorde tot dezelfde orde als Rodriguez en is onderprior geweest te Yperen. In drie treurspelen heeft hij de kuischheid verheerlijkt. De Susanna (1631) is ontleend aan de apokryphe boeken, de Camma (1631) aan het werk van Plutarchus, de claris mulieribus, en de Theodora virgo et martyr Antiochena (1641) aan Ambrosius. In één der drama's treedt een geest op, in een ander Idolatria en een engel, in allen de bode. Ook Theodorus Wallaeus was Augustijner en bekleedde een professoraat in de welsprekendheid te Leuven. Zijn Maria Othonis III. Imp. uxor (1631) is aan Baronius ontleend en begint met een dialoog tusschen de Goddelijke Rechtvaardigheid en Maria. Joannes Chrysostomus Loodt, al weer een Augustijner, week in enkele opzichten geheel van zijne voorgangers af. Niet alleen treedt in zijne treurspelen geen koor op, maar zij zijn, evenals de Spaansche drama's, in drie bedrijven verdeeld. In de Pompeius

[p. 232]

Magnus (1635) wordt het leven van Pompeius voorgesteld van zijne jongelingsjaren tot zijne overwinning op Mithridates (61). Er komen vele personen in het stuk voor en eene menigte allegorieën, terwijl in de Gloriosus Beatae Matris Theresae de subacto mundo triumphus bijna alleen allegorische figuren optreden. De Jezuïet Jacobus Libenus heeft in drie treurspelen de geschiedenis van Joseph behandeld. In één daarvan wordt de aanslag van zijne broeders voorgesteld1).

De Divus Canutus Martyr en de Divus Alexander cognomento Carbonarius van den Franschman Frédéric Piroüel, die te Mechelen de rhetorica heeft gedoceerd, zijn vol allegorische figuren, als Goddelijke Rechtvaardigheid en Goddelijke Wijsbegeerte, Wraak, Dood, Bedrog, enz. Datzelfde is het geval in zijn Elko Abbas Lidlumensium, een drama, dat de geschiedenis van een Frieschen abt tot onderwerp heeft, die in 1332 door dronken boeren is vermoord2).

Besluit.

Wij staan thans aan het einde van dit onderzoek naar het schooldrama in de Nederlanden en kunnen onze resultaten in het kort samenvatten. Toen het humanisme steeds krachtiger werd, zagen de paedagogen in, hoe zij voor de studie van het Latijn gebruik konden maken van de liefde der jeugd voor comediespelen en van hare gewoonte om het te doen. Eerst werden classieke drama's, vooral blijspelen, vertoond. Maar vooreerst waren vele dier stukken van eene bedenkelijke moraal en verder is het aantal classieke blijspelen zoo gering, dat men spoedig zelf de hand aan den ploeg sloeg, om het repertoire te verrijken. Wel waren de schooldrama's, in andere landen gedicht, doordat zij in het Latijn waren opgesteld, in zekeren zin internationaal en konden zij even goed in de Nederlanden als in Italië en Duitschland worden opgevoerd, maar men richtte gaarne de drama's in naar de behoeften en de kennis van zijne eigene leerlingen en wist bovendien, dat de studie van het Latijn hier te lande vooral niet lager stond dan elders.

[p. 233]

Het lag in den tijd, dat men in den beginne voor de drama's bijna alleen godsdienstige onderwerpen koos. Niet alleen bewoog men zich daardoor op een algemeen bekend terrein, maar men sloot zich ook in zeker opzicht aan bij het oude geestelijke drama in de landstaal. Dat men den vorm navolgde van het Latijnsche blijspel en dien van het treurspel ter zijde schoof, is louter toeval en alleen hieruit te verklaren, dat Terentius sedert lang bijzonder in eere was, veel gelezen werd en het eerst door de schooljeugd was opgevoerd. En zoo doet zich het zeldzame verschijnsel voor, dat onderwerpen, meestal van tragischen aard, gekleed werden in den vorm van het blijspel. Vele dichters van schooldrama's hebben die tegenstrijdigheid gevoeld, zooals blijkt uit de vreemde benamingen, als tragica comoedia, die zij dikwijls aan hunne stukken gaven, en uit het tweeslachtige van vele drama's, die een ernstig onderwerp behandelen, maar voor een groot deel uit comische tooneeltjes bestaan.

Vergelijkt men den vorm der blijspelen van Terentius met dien der schooldrama's van de 16de eeuw, dan ziet men, dat deze in beiden gelijk is, wat argument, proloog, indeeling in bedrijven en maat betreft1). Maar één kenmerkend verschil bestaat er: het Latijnsche blijspel heeft geen koor, het schooldrama heeft meestal een reizang aan het slot der vier eerste bedrijven. Het is niet gemakkelijk, dat verschil te verklaren. Men kan aannemen, dat het koor is gevolgd naar het Grieksche blijspel, zooals de oude grammatici leerden2). Doch men kan ook gelooven, dat het zingen is overgenomen uit het geestelijk drama en dat men in de schoolcomedies den vorm en de plaats der reizangen van het Latijnsche treurspel aan dien zang heeft gegeven. Want er is een streven merkbaar, om, hoewel er in de schoolcomedie dikwijls andere onderwerpen op andere wijze behandeld werden dan in het geestelijk drama, zich daarvan niet geheel los te maken; men denke slechts aan de koddige duivels, die in het geestelijk drama en in vele schoolcomedies optreden. Deze vorm van het schooldrama is, op enkele uitzonderingen na, gedurende de geheele 16de eeuw in eere gebleven.

De klucht, zooals de humanisten ze schreven, was oorspronkelijk een klein stukje, eene gedramatiseerde aardigheid of anecdote. Men brengt haar dan ook in verband met de vastenavondspelen, vertoond door brooddronken jongelieden, die de huizen binnendrongen en de bewoners onthaalden op hunne niet altijd fijne grappen en voorstellingen. Zulke

[p. 234]

kleine stukjes waren de kluchten van Placentius, Madirus en Jansenius. Maar Macropedius volgde Reuchlin, die in zijn Henno en Sergius voor een comisch onderwerp den vorm der Latijnsche comedie met reizangen had aangenomen, en zoo kreeg de comische schoolcomedie hier te lande denzelfden vorm als de tragische, terwijl de eigenlijke klucht maar enkele vertegenwoordigers had.

Ongeveer in 1600 is de vorm van het schooldrama gewijzigd, voornamelijk door Grotius en Heinsius. Zij zagen in, dat voor het treurspel de bouw en inrichting der Latijnsche comedie niet pasten, en stelden dus Seneca in de plaats van Terentius. En hun voorbeeld is algemeen gevolgd. Van nu af verdwijnt proloog, argument en epiloog, wordt de zesvoetige iambe steeds als maat voor den dialoog aangenomen en het aantal tooneelen van elk bedrijf belangrijk ingekrompen. Monologen en koorzangen beslaan eene veel ruimer plaats in de drama's dan vroeger. Spoedig beginnen ook wraakgodinnen en schimmen eene rol van beteekenis te vervullen. De bode met zijne lange verhalen van wat er achter de schermen heeft plaats gehad, verschijnt dikwijls ten tooneele en de handeling wordt tot een minimum beperkt. Maar daardoor verliest het treurspel meermalen het eigenaardige van eene schoolcomedie en wordt voor de jeugd onbegrijpelijk en saai. Het drama der Jezuïeten heeft dikwijls niet eens vrouwenrollen.

Verreweg de meeste Latijnsche dramatici ontleenden hun onderwerp aan den Bijbel en het is zeker niet ondienstig, hunne treurspelen te rangschikken naar de bijbelboeken. Naast de Adamus exul van Grotius staat de Adamus van Macropedius. Lummenaeus a Marca bracht den ondergang van Sodom op het tooneel in zijn Bustum Sodomae1). De lotgevallen van Joseph werden gedramatiseerd in de Joseph van Crocus, die van Macropedius, die van Schonaeus, in de drie stukken van dien naam door Libenus, en ook door Grotius in zijn Sophompaneas. Laurimannus schreef Exodus2), Pontanus Moscholatria, Zovitius Ruth. Dan volgen de Nabal van Jansenius, Abimelech, Iephte en Samson van Lummenaeus3). De tijd der koningen werd behandeld door Lummenaeus in Saul, door Jansenius in Monomachia Davidis cum Goliath, door Van den Honert in Thamara4), Lummenaeus in Amnon, Jansenius in Iudicium Salomonis5), Schonaeus in Naaman, Malapertius en Lummenaeus in Sedecias en door den laatstgenoemden in Carcer Babylonius.

[p. 235]

De apocryphe boeken leverden stof voor de Daniel, de Juditha, de Tobaeus en de Nehemias van Schonaeus, de Esther1) van Eutrachelus, van Philicinus en van Zevecote, de Susanna van Schonaeus en van Hoyerus en de Macchabaeus von Hoius.

Het nieuwe testament, dat minder rijk is aan dramatische motieven, heeft minder dichters aangetrokken. Schonaeus en Heinsius openen de rij, de eerste met de Baptistes, de laatste met de Herodes. Dan volgen Macropedius met Jesus scholasticus, Barptolomeus met Christus Xylonicus, Schonaeus met Triumphus Christi, Grotius met Christus patiens en Eucollus met Soter gloriosus. Macropedius gaf zijn Lazarus, Lummenaeus zijn Dives epulo, terwijl Schonaeus in de Typhlus hetzelfde onderwerp behandelde als Jansenius in de Coecus a nativitate. De Acolastus van Gnapheus en de Asotus van Macropedius hebben hetzelfde onderwerp. Philicinus schreef eene Magdalena, Schonaeus Ananias, Pentecoste en Saulus, Hoius een Matthaeus.

Wij zijn thans genaderd tot het allegorische drama, dat zich ook hier te lande, evenals in Duitschland, meestal op godsdienstig gebied bewoog. In dat genre bezitten wij de Hypocrisis van Gnapheus, de Ovis perdita van Zovitius2), de Hecastus en de Hypomene van Macropedius, de Euripus van Brechtanus, de Miles Christianus van Laurimannus en het Theatrum vitae humanae van Houthem. Alleen de Morosophus en de Triumphus eloquentiae van Gnapheus maken hier eene uitzondering. Terwijl de eerst genoemde drama's zich nauw aansluiten bij het tooneel der rederijkers, staan de beide laatsten in nauwer verband met de werken der Italiaansche humanisten. De Triumphus eloquentiae, de beschrijving van een allegorischen optocht met vele toespraken, zou doen denken aan de schitterende feesten van Italiaansche dweepers met het classicisme, maar kan ook navolging zijn van een processiespel.

Bij de tooneelspelen naar den Bijbel en de allegorische drama's sluiten zich die stukken aan, welke heiligenlevens tot onderwerp hebben; zij dateeren uit de 17de eeuw. Vernulaeus, Holonius, Jansenius, Hoyerus, Loodt en Piroüel hebben zich op dat gebied bewogen. Dezelfde schrijvers hebben ook geschiedkundige onderwerpen behandeld, evenals Chaneau, Wallaeus, Rodriguez en Zevecote. Maar hunne geschiedkundige drama's hebben bijna allen eene godsdienstige strekking en verheerlijken het katholiek geloof. De eenige Noord-Nederlanders, die geschiedkundige drama's hebben geschreven, Heinsius en Casparius, hadden een patriottisch

[p. 236]

doel voor oogen1). Aan de oude geschiedenis ontleende Loodt zijn Pompeius magnus. De sage van Dido vond dramaturgen in Ligneus en in Dalanthus, die van Griseldis in Eucharius.

 

Thans nog een enkel woord over de opvoeringen der schooldrama's. Uit vele opdrachten blijkt, dat de stukken meestal eerst gespeeld werden door de leerlingen van den dichter en daarna gedrukt. Dikwijls wordt dan ook in de uitgaven de datum der eerste opvoering genoemd; de stadsrekeningen leeren ons daaromtrent weinig, daar zij slechts bij uitzondering den titel en den naam van den dichter vermelden en meestal spreken van een ‘spuel’ of een ‘Latijnsch spoel’ zonder nadere aanwijzing. Daardoor is het ook moeilijk vast te stellen, welke drama's buiten de woonplaats van den dichter zijn opgevoerd. Maar in enkele gevallen mogen wij eene gissing maken. Wanneer wij lezen, dat in 1552 te Deventer en in 1559 te Haarlem door de schooljeugd een Lazarus is opgevoerd2), dan ligt het vermoeden voor de hand, dat dit het drama van Macropedius is. Den 3den Mei 1576 ‘verbeeldden’ de leerlingen eener school te Gent ‘het twaelfjarig kind Jesus, leerende in de Synagogue’3), dus misschien de Jesus scholasticus van Macropedius, en den 4den Juni vertoonden de leerlingen van het seminarie in dezelfde stad ‘speelsgewijs de tyranny van Pharao, over de kinderen van Israël’4), dus de Exodus van Laurimannus. De Joseph, die in 1562 te Haarlem werd opgevoerd5), was waarschijnlijk van Crocus, terwijl de Joseph, die in 1597 te Utrecht werd gespeeld6), wel die van Schonaeus zal zijn, evenals de Juditha, die er aan voorafging. In 1591 speelde men te 's Hertogenbosch ‘het spel van Adam en Eva’7), dus misschien de Adamus van Macropedius. De Daniel, die in 1617 door studenten te Groningen werd opgevoerd8), was zeker die van Schonaeus. Dit zijn

[p. 237]

echter slechts enkele feiten. Alleen van de drama's, die in verschillende steden en landen zijn uitgegeven, die tal van drukken beleefden en vertaald werden, zooals de Acolastus en de Hecastus, mag men als zeker aannemen, dat zij ook dikwijls ten tooneele zijn gebracht.

Brengen de stadsrekeningen ons op dat gebied niet veel verder, zij leeren ons althans iets anders en wel in de eerste plaats, waar de schooldrama's vertoond werden. Somtijds werden zij opgevoerd in de school zelve1), maar dat waren natuurlijk niet de groote voorstellingen. Deze hadden te Deventer plaats op het raadhuis2), te Haarlem ‘opter stedehuys zaele’3) of vóór het raadhuis4), te Utrecht ‘voor deser stads husinghe opte plaets’5), te Dordrecht, althans in het begin der 17de eeuw, in den Doelen6), te 's Hertogenbosch op de markt7), te Nymegen in 1619 in de Broerenkerk8), te Amsterdam in het midden der 17de eeuw in den Schouwburg9), te Deventer ongeveer in 1660 in de Lieve Vrouwen kerk10). Bij sommige kerkelijke feesten schijnt het opvoeren van een schooldrama tot het programma behoord te hebben, o.a. bij het feest der H. Magdalena te Utrecht11), bij St. Jansmis te Haarlem12) en overal op Vastenavond of op den Zondag, die daar aan voorafging13). Ook de kermis werd somtijds door eene schoolcomedie opgeluisterd14). Het stedelijk bestuur werd natuurlijk uitgenoodigd, om de voorstelling bij te wonen. Somtijds werd er entrée betaald, ten voordeele van de armen15).

De stadsregeering gaf gewoonlijk eene kleine som, die besteed werd voor het opstellen van het tooneel, het maken der costumes en het lesschen van den dorst der spelers. Zoo ontving in 1527 de rector te

[p. 238]

Haarlem ‘voir eene gratuiteit ende geschencke’ 2 L, ‘met welcke hij de oncosten van de stellaige ende oick d'organist betaelt ende zijne clercken goede chier gedaan heeft’1). Te Utrecht werd in 1561 huur betaald voor de zeilen ‘over 't redeys’ en voor het maken en verven van kleeren, terwijl ook voor een geschenk aan den rector geld werd besteed2). Bij andere gelegenheden wordt melding gemaakt van ‘de huer van 't redeys’, van een ton haring voor de ‘schamele klercken in domo pauperum S. Hieronymus’ en van wijn3). In 1595 werd door de Staten van Zeeland ‘den Zeeusche Studenten voor de exhibitie van de Tragedie en Comedie toegeleid de somme van L 25 gr. boven alle onkosten, gedaan in 't erigeren van de stellinge, schilderien, kleederen en andersins’4). Dikwijls kreeg de rector een geschenk voor de moeite, die hij zich getroost had; de paters Jezuïeten te 's Hertogenbosch ontvingen wel eens een okshoofd wijn5). In 1611 kreeg Gerardus Vossius, toen rector te Dordrecht, 50 pond en de praeceptor Ludovicus van Berchem, aan wien meer in het bijzonder was opgedragen, ‘de studenten te exerceren ende dresseren tot verthoonen ende spelen van tragedie’, 30 pond; de beide heeren gingen er samen een reisje voor maken6). In 1609 ontving de rector te Nymegen 28 gulden voor het doen opvoeren van een Latijnsch drama, in 1619 50, in 1630, toen er twee stukken gespeeld werden, 100 gulden en in 1644 zelfs 2007).

In de Zuidelijke Nederlanden waren de opvoeringen van schooldrama's niet minder talrijk en zeker niet minder prachtig dan in de Zeven Provinciën. Aan de Leuvensche Hoogeschool waren vooral de colleges ‘het Varken’ en ‘de Valk’ er bekend door8), terwijl de Jezuïeten-colleges zich bijzonder toelegden op pracht en praal. Toen Christina van Zweden zich in 1655 te Brussel ophield, had zij veel vermaak ‘in het spel der jonge jesuyten’. Bij een bezoek, dat de hertog van Lotharingen in 1732 aan Gent bracht, speelden Fransche comedianten op het tooneel der Jezuïeten9).

Hoe lang de vertooningen der scholieren in zwang zijn gebleven, is niet nauwkeurig na te gaan. Vondel vertelt in zijn ‘Berecht’ voor de Salmoneus, dat hij in zijne jeugd te Utrecht vóór het stadhuis eene schoolcomedie

[p. 239]

heeft zien opvoeren1). Te Nymegen en te Deventer werd nog in het midden der 17de eeuw gespeeld2); te Dordrecht waren ongeveer in 1660 de vertooningen nog zeer in de mode; zij hadden daar meestal plaats bij de prijsuitdeeling vóór de zomervacantie3) Te Amsterdam hadden in 1657 en 1658 nog voorstellingen plaats4). Maar in het begin der 18de eeuw was het opvoeren van schooldrama's hier te lande geheel in onbruik geraakt, zooals blijkt uit de Oratio pro comoedia (1711) van Petrus Burmannus, die aanspoorde, om die goede oude gewoonte weer in te voeren en de jeugd daardoor in de welsprekendheid te oefenen5). In de Zuidelijke Nederlanden heeft het schooldrama, vooral in de colleges der Jezuïeten, veel langer gebloeid en is eerst met de opheffing der orde in 1773 verdwenen.

 

Zoo heeft het schooldrama in de 16de eeuw in Noord-Nederland en in de 17de eeuw in de Zuidelijke Nederlanden gebloeid. De drama's, die boven werden besproken, vormen nog maar een deel - al is het dan ook een groot deel - van die, welke door Nederlanders zijn uitgegeven, terwijl er zeer vele ongedrukt zijn gebleven. En daar de taal geen beletsel was, zijn er waarschijnlijk ook dikwijls tooneelspelen van vreemdelingen opgevoerd. Bovendien werden somtijds Nederlandsche drama's in het Latijn vertaald, zooals de Elckerlijc, die als Homulus zeer bekend is geworden, en later de Aran en Titus van Jan Vos6). Vele Nederlandsche vertalingen van onze schoolcomedie's zijn niet aan te wijzen, maar wel mag men aannemen, dat het Latijnsche drama invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het Nederlandsche treurspel.