Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland. Deel 2


auteur: J.A. Worp


bron: J.A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland. Deel 2. Wolters, Groningen 1907. Fotomechanische herdruk Fa. Langerveld, Rotterdam (ca. 1972)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 191]

IV. Het blijspel.

Het aantal blij- en kluchtspelen, gedurende de 18de eeuw in de Zeven Provinciën uitgegeven, is even ontzagwekkend als dat der treur- en tooneelspelen. Maar, evenals in de natuur, is ook in de letterkunde groote vruchtbaarheid nog geen bewijs van kracht. Er zijn onder de blijspelen der 18de eeuw maar heel enkele, die uitmunten boven de groote massa. Men vertaalde, of liever men verhaspelde vele vreemde, vooral Fransche, blijspelen. En, evenmin als vroeger, gaf men zich rekenschap van het verschil tusschen blijspel en klucht, maar zocht dat verschil voornamelijk in de lengte van het stuk.

Het is niet gemakkelijk de bronnen aan te wijzen der blijspelen van den acteur W. van der Hoeven, die blijkbaar Molière's stelregel: Je prends mon bien où je le trouve, tot den zijnen had gemaakt. Zijne comedie De schrandere tooneelspeelder (1693)1), waarin een acteur zich door allerlei listen een rijk meisje verovert, is misschien oorspronkelijk, maar De vermomde minnaar (1714)2) en De vermomde minnares (1717) zijn niet van eigen vinding; het eerste blijspel is, misschien door het Fransch heen, eene bewerking naar het Spaansch3), evenals het tweede4), wanneer dat niet ontleend is aan een verhaal in Scarron's Roman comique5). Voor de laatste gissing pleit, dat De rechter in zijn eigen zaak (1718) van Van der Hoeven overeenkomt met een ander verhaal in hetzelfde werk6). De tooneelspeler Enoch Krook heeft onder de zinspreuk ‘Door IJver bloeid de Konst’ een groot aantal drama's en o.a. het blijspel De Spiegel der zotten (1699) geschreven. Een meisje houdt zich krankzinnig, om aan een niet gewilden vrijer te ontkomen,

[p. 192]

wordt in het ‘Beterhuis’ geplaatst en komt daar in aanraking met allerlei gekken. Dat heeft iets van Focquenbroch's Min in 't Lazarushuis. Maar nieuw is de critiek, door twee der opgeslotenen geoefend op vroegere en nieuwere drama's. Krook's blijspel De triomfeerende minnaars in het Konstpaleis (1706), een stuk à grand spectacle’, is waarschijnlijk naar het Fransch; zijn vriend Kroon gaf later De toets der minnaars in het Konstpaleis van Fenix (1716)1), dat er mee in verband staat en zeker eveneens vertaald is. Hun beider kunstbroeder H. van Halmael heeft verscheidene blijspelen van Plautus en één van Terentius op zeer vrije, maar niet zeer smaakvolle wijze voor ons tooneel bewerkt en negentien oorspronkelijke comedies geschreven, van welke maar enkele vertoond schijnen te zijn2). Bijna al die blijspelen hebben een bedrieger of een huichelaar tot hoofdpersoon, die aan het slot ontmaskerd wordt. Minder zedelijk, minder saai, maar veel ruwer zijn de blijspelen van Mr. A. Alewijn3), dien wij reeds als schrijver van zangspelen hebben leeren kennen4). In De bedrooge woekeraar (1702)5) treedt een knecht op als minnaar eener erfdochter; het ‘kluchtig treurspel’ Latona, of de verandering der boeren in kikvorschen (1703) is eene satire op boerenrederijkers; in Philippyn, Mr. koppelaar (1707) helpt de knecht zijn meester een meisje schaken. Tijdens zijn verblijf in Indië schreef Alewijn Beslikte Swaantje, en drooge Fobert; of de boere rechtbank (1715)6), De Puiterveense Helleveeg, of beslikte Swaantje aan den tap (1720)7) en Jan Los, of den bedroogen Oostindies vaer (1721); de beide eerstgenoemde comedies hebben zich, in weerwil van de ruwe scherts, die men er in aantreft, een tijd lang op het tooneel staande gehouden8).

De stukjes van Campo Weyerman kunnen hier onbesproken blijven; zij zijn waarschijnlijk nooit vertoond9). De listige minnaars, of de jonker boer, en boer jonker (1705) van R. Norel is misschien naar het Fransch. De geleerde advokaat, of de bespotte druivedief (1707) en De verliefde kok van J. van Hoogstraten zijn ontleend aan Den vermakelyken Avanturier (1695), den bekenden roman van Dr. Nicolaas

[p. 193]

Heinsius Jr.1). Coenraed Droste trachtte in een paar zijner blijspelen, De Neus-wys (1709) en De Weer-haen, eene karaktercomedie te geven, maar alleen zijn Haegsche Kermis (1710)2) is een poos op het tooneel gebleven, waarschijnlijk wegens het onderwerp en omdat er een kwaker in wordt beetgenomen. Ook Van Halmael had de kwakers op de planken gebracht en Ryndorp deed hetzelfde. P.A. de Huybert van Cruyningen, die verscheidene blijspelen uit het Fransch heeft vertaald, zonder de mededeeling, dat hij geen eigen werk gaf, verzekert, dat De dubbelde schaking niet vertaald is. Een paar knechts verkleeden zich telkens, om aan twee jongelui de gelegenheid te geven, met twee nichtjes op den loop te gaan. Het ‘boertig blyspel’ De snoevende minnaar, of gewaande graaf van J. Rosseau is misschien in de verte naar het Spaansch gevolgd, evenals zijn ‘bly-eindent treurspel’ De triompherende harderin, maar De verkeerde waereldt3) is zeker oorspronkelijk. De huishouding, die hier wordt voorgesteld, is in de war; de vrouw plaagt haar man en drinkt, de dochter houdt zich gek, om een man te krijgen, de zoon is in verkeerd gezelschap, enz.

In 1712 trad Langendijk4) als blijspeldichter op met Don Quichot op de bruiloft van Kamacho5), waarin eene episode uit het onsterfelijke werk van Cervantes is gedramatiseerd6). Het blijspel maakte grooten opgang, misschien niet zoozeer door de figuur van den dolenden ridder, die men reeds meermalen op het tooneel gezien had, als wel door de aardige bijfiguren en vooral door de groote vroolijkheid en den goeden luim, die het geheele stuk kenmerken. In Het wederzyds huwelijks bedrog (1714)7) komt Lodewijk, een arm edelman, in zijne geboortestad Utrecht terug en maakt zijn hof aan Charlotte, eene

[p. 194]

adellijke jonge dame, in de meening, dat zij rijk is. Charlotte, die even arm is als Lodewijk, tracht, geholpen door hare moeder en meid, dezen, dien zij voor rijk houdt, te binden. Ten slotte komt het bedrog van allen, ook van een broeder van Charlotte, uit en besluit men gezamenlijk buiten 's lands te gaan. Het blijspel is ontleend aan een roman1). De dichter brengt ons in onschuldiger gezelschap in Krelis Louwen, of Alexander de Groote op het poëetenmaal (1715)2). Een boer, die plotseling rijk is geworden, lijdt aan grootheidswaanzin, wil zich met alle geweld in den adelsstand laten opnemen en mishandelt, als hij dronken is, zijne vrouw. Een rijk jonkman, die verliefd is op de stiefdochter van den boer, besluit hem met de hulp der vrouwen te genezen. Krelis Louwen wordt, als hij dronken is, naar de hofstee van den vrijer overgebracht en, wanneer hij wakker wordt, door eenige komedianten, in Grieksche en Perzische kleedij gestoken, toegesproken en behandeld als Alexander de Groote. Hij begrijpt er wel niets van, maar voelt zich toch zeer gestreeld door al de eer, die hem bewezen wordt. Als hem echter de oorlog wordt verklaard door koning Porus en deze met een leger tegen hem oprukt, kruipt hij in den kelder, capituleert, ziet, dat ook bij een vorst niet alles goud is, wat er blinkt, en is later, wanneer de zaak wordt opgehelderd, met zijn lot tevreden. Het blijspel heeft vele aardige tooneeltjes en vele comische zetten. In Quincampoix, of de windhandelaars (1720)3) hekelde Langendijk het onzinnige speculeeren in waardeloos papier, dat plotseling in Frankrijk, Engeland en de Zeven Provinciën begon en spoedig weer ophield, nadat er fortuinen mee gewonnen en verloren waren. Een financieel systeem, door John Law in Frankrijk ingevoerd, waarbij papier geheel en al de plaats van specie innam, bracht zelfs stedelijke magistraten tot het ontwerpen van de dolzinnigste plannen en deed ‘compagnieën’ ontstaan met een nominaal kapitaal van millioenen en eene kast vol aandeelen, maar zonder eenig fonds. In Quincampoix - het blijspel

[p. 195]

is genoemd naar een koffiehuis in de Kalverstraat, dat denzelfden naam kreeg als de straat van Parijs, waarin die actiehandel vooral gedreven werd - ziet men het schacheren en knoeien met die acties, het te gronde gaan van sommigen en het rijk worden van anderen, o.a. van den slimmen Krispyn, den boekhouder, die de belangen van zijn meester verwaarloost en zich nu paard en rijtuig aanschaft.

Langendijk was niet de eenige, die den windhandel op het tooneel bracht1); Tijsens schreef De windhandel of Bubbels compagnie, De bedriegelyke actionist, of de Nagthandelaars en De actionisten reisvaardig naar Vianen of 't uiteinde der windnegotie, Cleyburg het ‘staat en zinnespel’ Nederlant in gekheit en Krispijn bedrieger en bedrooge actionist, G. van Maater de klucht Het dolhuis der actionisten2). Zoo werkte het tooneel krachtig mede, om eene tijdelijke dwaasheid te bestrijden; ook bij andere gelegenheden heeft het zich op dezelfde wijze gekweten, o.a. om loterijen tegen te gaan.

De dichter liet zesendertig jaren voorbijgaan, voordat hij met een nieuw oorspronkelijk blijspel optrad; het is de Xantippe, of het booze wijf des filosoofs Sokrates beteugeld (1756)3), een zeer vreemd stuk, vol platheden, en waarin Daria, de koningin der Amazonen, eene bijzonder vreemde figuur is. In Papirius of het oproer der vrouwen binnen Romen4) is eene anecdote uit de Saturnalia convivia van Macrobius5), eenigszins veranderd, gedramatiseerd. De jonge Papirius maakt zijne moeder, die nieuwsgierig is, wat er in den Romeinschen Senaat is behandeld, wijs, dat daar besloten is, dat elk Romein twee vrouwen mag nemen. Vandaar een oproer van de vrouwen, die op zeer phantastische wijze gewapend zijn. In het stuk, dat vol is van anachronismen, komt een en ander voor, dat op Langendijk's eigen tijd kan slaan. Het laatste, en in onzen tijd het meest geprezene, van zijne blijspelen is de Spiegel der vaderlandsche kooplieden6). Twee broeders, kooplui, hebben hunne zaken en hun vermogen afgestaan aan hunne beide zoons, onder voorwaarde, dat deze voor hen zullen

[p. 196]

zorgen. Maar die zoons brengen, geholpen door hunne verkwistende vrouwen, het vermogen door, sturen de zaken in de war en behandelen de beide oudjes op schandelijke manier. Een bankroet staat voor de deur, als de vaders eene groote som uit de loterij trekken; zij laten eerst hunne zoons in angst zitten, maar beloven dan te helpen, wanneer in het vervolg de zaak weer onder hun naam zal worden gedreven en zij de verzekering hebben gekregen, dat er in het vervolg op heel wat eenvoudiger wijze zal worden geleefd dan vroeger. - Langendijk is onze eerste blijspeldichter uit de 18de eeuw; bij zijne werken valt bijna alles uit dien tijd af. Al is die lof ook niet bijzonder groot, de dichter zou toch, wanneer hij in een tijdperk van grooteren letterkundigen bloei had geleefd, met eere genoemd zijn wegens zijne vroolijkheid en handigheid.

De doorlugtige Dienstboden (1714) van J. van Meek'ren is naar eene novelle van Cervantes1) en Het scheeps leven (1714)2) van C. van der Gon kan, in weerwil van al de ruwheid, toch wel vertaald zijn. In De verraderse medeminnaar, of 't gelukte huwelyk door bedrog (1715) van L. van den Broek3) verraadt een bedrieger zijn vriend en in De edelmoedige minnaar, of broederlyke vrienden (1715) van Roman leeren twee medeminnaars elkander als broeders kennen. De metselaar door liefde (1716) van H. van de Gaete is erg gerekt door allerlei bijwerk, maar toch niet zoo onbeteekenend als zijne Belagchelyke lettervitters (1717). De bedroogen geld-zoeker (1716) van A. Lambrechts loopt er op jammerlijke wijze in door zijn huwelijk. De onverwagte wedervinding (1716) van J. Elias is blijkbaar, evenals De buitenspoorige minnaar (1718) van J. Schröder, naar een Spaansch drama, misschien door het Fransch heen. De gewaande Ariane, of de bedrieger door list bedrogen (1718) van een ongenoemden schrijver is zeker naar het Fransch vertaald en De ontrouwe voedster (1719) van G. de Flines is ontleend aan hoofdstuk 4 en 5 van Lesage's bekenden roman Le diable boiteux. Oorspronkelijk is het ‘kluchtig blyspel’ Het Leidsche studentenleeven (1717)4), door J.J. Mauricius op zijn 14de jaar in een aardigen, lossen trant geschreven. Een student, die voortdurend aan de rol is, wordt door zijn vader betrapt bij een drinkgelag; de dronken vrienden geven den ouden heer geen hoog denkbeeld van het gezelschap, waarmede zoonlief omgaat, en van de wijze, waarop

[p. 197]

hij zijn tijd doorbrengt, en hij wordt op de sjees gezet. Aan De gaauwheidt betrapt (1718) van J. van Ryndorp ligt dezelfde anecdote ten grondslag als aan de Klucht vande Saus (1657)1), maar hier is het niet een maal eten, dat de gauwdieven hebben hooren bestellen, maar een kistje met juweelen, dat zij uit het huis halen, bewerende door den juwelier gezonden te zijn; dus de ‘truc’, die in onze dagen nog steeds met succes wordt toegepast.

E. van der Hoeven schreef De belachchelyke loterij (1719)2); de hoogste prijs in eene loterij is eene som geld en een meisje. De dochter van den schout verkleedt zich als dat meisje en wordt door haar minnaar getrokken. In Het viervoudig huwelyk van denzelfden schrijver trouwt eene mevrouw haar tuinman tegen zijn wil en moet nu dochter, nicht en meid veroorloven ook in het huwelijk te treden. G. Tysens heeft verscheidene blijspelen geschreven, die blijkbaar op bepaalde gebeurtenissen en personen doelen3), heeft in De verwarde hedendaagse loteryhandel geijverd tegen de dwaze speelzucht, zooals hij in 1720 tegen den windhandel had gedaan, en in De belagchelyke intekenaars, of de nieuwe Inventie der boekverkopers (1727) tegen eene pas uitgevonden manier van den boekhandel. In De gevlugte verliefden, met de Turkse kwakzalver (1721) gaf hij een zeer onbeteekenend en in De bloode nachtgalant, of de betrapte sneukelaar een zeer plat blijspel. Eigenaardig zijn de zes blijspelen, die Tysens samen uitgaf onder den titel Maandelyks berigt van den onderaardssen Parnas, of Tóneel spélen uit de andere Wéreld (1722). In deze stukjes komen verschillende menschen in de onderwereld, maar streven naar dezelfde dingen als vroeger en worden dan door de onderaardsche rechters gestraft. Cartouche en Sjako b.v. berooven de schimmen en stelen zelfs de kroon van Proserpina, Paus Sixtus V tracht door list allen aan zich te onderwerpen, Frans I van Frankrijk is hooghartig en onbetrouwbaar, Maria Tudor handhaaft haren naam van de ‘bloedige’ en Concini, de gunsteling van Maria de Medicis, is even hebzuchtig en listig gebleven. Eén der stukjes heeft geene historische figuren als hoofdpersonen, maar dobbelaars en spelers.

Steven van der Klok, Schoolmeester, Koster, Dootgraever, en Klokkeluider te Slagvoort (1722) en De uitvaert van Steven vander Klok (1728) van A. Nachtegaal doelen waarschijnlijk op een bepaald persoon. In

[p. 198]

het eerste stukje komt een tooneel voor, dat blijkbaar geïnspireerd is door het tooneeltje tusschen de jongens en den hondenslager in Bredero's Spaenschen Brabander. De verwaende luiaert, of de getrouwe tegens dank (1722)1) van denzelfden schrijver is waarschijnlijk naar het Fransch, evenals Het gewaande bloedverwantschap (1723) van J. Wandelaar. Misschien heeft het succes van Langendijk J. van Hoven er toe gebracht Don Quichots verlossinge uit Siërra Morena (1723)2) op het tooneel te brengen, dat hij beweerde ‘van een' voornaem Heer’ gekregen te hebben. In De gewaende dronkaert door liefde (1725)3) van H.G. van Vryhoff bluft de knecht van den minnaar tegen den aanstaanden schoonvader, die van een stevig glas houdt, dat zijn meester zoo geweldig kan drinken; in De belachelyke wynproef (1725) van D. Hooghuysen wordt niets anders gedaan dan drinken. Banqueroet a la mode, of gestrafte eigenbaet (1732)4) is een zinnespel; de schrijver er van is onbekend, evenals die van De verlaten bruid (1732), dat aan een roman is ontleend en waarin een proces voorkomt over het breken eener trouwbelofte. De schadelyke soon of de Joodsche lichtmis (1732) van C. Kastricum heeft veel van eene 17de-eeuwsche klucht en eindigt met het zenden van den hoofdpersoon naar Suriname; een allervreemdst figuur maakt de ‘Rey van Broeders’, die eenige keeren in het stukje optreedt. De ondekte kermisgasten of Klaartje in het kraambet (1735) van een onbekenden dichter had reeds in 1722 het licht gezien onder den titel Het bedrog ontdekt op de boerekermis; twee kinderen zijn verwisseld. Dat een vader zijne dochter wil dwingen tot een huwelijk, liefst met een ouden man, komt in blij- en kluchtspelen honderden malen voor, doch dat hij haar telkens schopt, wanneer zij weigert, zooals in De verliefde maagd en bedrooge gryzaard (1735) van D. Jemans, is een zeldzaam verschijnsel. In De gewaende Chinaasvaarder of 't onteerde weeutje ge-eerd (1735) van een onbekenden schrijver wordt een jonge losbol ontmaskerd. In Philipyn gewaande baron of de gierige vrek, door list bedroogen (1735), is het weer de oude geschiedenis: gierige vader, oude vrijer, knecht van den minnaar, die zich voordoet als pretendent, ouden vrijer uit de baan knikkert en zijn meester gelegenheid geeft het meisje te krijgen. Iets dergelijks vindt men in De bedroge geldgierige koppelaars (1737) van C.G. Moering, maar dit blijspel is veel uitvoeriger, de intrige ingewikkelder en

[p. 199]

de vriend van den minnaar vervult hier de rol van edelman, terwijl de ongewilde vrijer gevangen wordt in het net eener ‘minzieke vryster’. De gehoornde filosoof, door slagen bevredigd (1738)1) van denzelfden schrijver is misschien naar het Fransch; het is eene dramatiseering van Boccaccio's Decamerone, VII, 7.

De gelukkige Schaaking, of driedubbele wedervinding (1746) van Jan Meyer is eene rooversgeschiedenis, die in Spanje speelt en waarvoor een en ander aan Quevedo is ontleend. Het ‘klugtig tooneelspel’ De nieuwmodische kermis, of vryheids marktdag (1748) en het blijspel De Amsteldamsche speelpop (1748) van denzelfden schrijver zijn politieke tooneelspelen. Eene politieke strekking heeft ook De mislukte onderneming (1747) van H. van Elvervelt, waarin de poging van Charles Edward Stuart, om zich van de Engelsche kroon meester te maken (1745), onder geheel andere namen wordt voorgesteld als een twist van boeren om een stuk land. Elvervelt's Het eiland van verwarring (1765)2) is eene vrije bewerking der Menaechmi van Plautus, tenzij het eene vertaling is naar het Fransch. Behalve twee op elkander gelijkende broers, zijn hier ook twee dito knechts. De valse kaartspeelders (1749) van een onbekenden dichter zij hier alleen genoemd, omdat er geene vrouwen in optreden. In De timmerman door liefde (1753) van J. van Egmont dringt de minnaar in huis, verkleed als de vrijer van de meid. De bedrogen hout-vester, of het mislukte kolyk (1758) is blijkbaar een pamflet; de schrijver hield zijn naam geheim. In De bedrieger bedroogen van N. Boom maakt een doodarm jongmensch het hof aan een meisje en beweert schatrijk te zijn; wel wordt hij door zijne schuldeischers ontmaskerd, maar het huwelijk gaat toch door. In De jaloersche dronkaart van een onbekende zijn een paar nog al aardige tooneeltjes. Het huwelyk door bloedverwandschap (1763) heeft een eenigszins pastoraal tintje, maar is even kinderachtig ineengezet als De misleide kooplieden (1763). In Marturio (1767) van H. Teeuwsen is een Italiaansch verhaaltje gedramatiseerd.

In De nieuwe Don Quichot (1768) van een onbekenden schrijver wordt een vrijer, dien het om een rijk meisje te doen is, eene erge poets gebakken door ‘vier Snaaken,’ geholpen door eene kamenier. Het onderwerp van I. Schmidt's Lucas en Clarisse (1769) is daarentegen eene ernstige poging tot het schaken van eene tuinmansdochter door den zoon van den landheer. In Rolando gewaande Don Pedro, of den misleiden Jeronimo (1779) van J. de Groot doet een boef zich voor als

[p. 200]

de onbekende minnaar uit eene andere stad, nadat hij eerst den vader bij een aanslag op hem heeft ontzet. Ten slotte wordt hij ontmaskerd. Het is dezelfde verwikkeling als in Elvervelt's Arlekyn edelman by geval (1768)1), maar dit stukje is veel ruwer. Beide blijspelen zijn misschien aan een Fransch voorbeeld ontleend. J.N. Esgers noemde Zacharias, of de ontaarde vader (1781) een blijspel, maar er is niets geen comisch in.

Ook de blijspelen van J. Nomsz, De driftige (1782), De oude rok (1789) en Vriendschap en liefde tegen de mode (1789) missen vroolijkheid en geest; het laatstgenoemde stuk, waarin een jonge man liefde opvat voor de kamenier zijner zuster, die van goede familie is, en haar wil trouwen tegen den wil van zijn vader, heeft veel meer van een tooneelspel dan van eene comedie. Daarentegen is Al stond er de galg op! of de verydelde tooneel komparitie (1783), dat in proza is geschreven, zeker wel het aardigste Nederlandsche blijspel van dien tijd. De schrijver, O.C.F. Hoffham, een Duitscher, die in zijne jeugd een jaar of twintig te Amsterdam had gewoond, geeft in dat stuk eene vermakelijke satire op liefhebberijkomedies en op de vertaalwoede, die zoovelen had bevangen. Zijn Boerenschouwburg (1801) is van veel te langen adem. In De matroos door list (1783) van F. van Aken wordt door een ander op naam van een zwierbol dienst genomen op de oorlogsvloot en op die wijze de baan schoon gemaakt voor een ernstigen minnaar. De bedriegster gestraft (1785) van denzelfden schrijver is gericht tegen Duitschers, die zich hier te lande in deftige gezinnen indrongen. In De gelukte list, of het huwelijk door spookerij (1785) van een onbekenden schrijver treedt de knecht van den minnaar op als de geest van den vader der geliefde en overreedt haar, den minnaar te kiezen.

A. Loosjes noemde De sentimenteele (1785) een ‘tooneelstukje’, maar het is eerder een onbeteekenend blijspel. De Duitsche namen in De zwaarhoofd (1790)2) doen vermoeden, dat deze comedie geen eigen werk is3), maar De gouden medaille (1793) is zeker oorspronkelijk en geene onaardige satire op de ontelbare dichtlievende genootschappen, die in dezen tijd ontstonden. De beide laatstgenoemde comedies van Loosjes zijn in proza geschreven, dat ook in het blijspel, evenals in het treurspel, de poëzie begon te verdringen.

[p. 201]

In proza zijn ook eenige ‘vaderlandsche blyspelen’1), die in 1787 gezamenlijk werden uitgegeven en waarin, dikwijls niet onvermakelijk, de draak wordt gestoken met de geweldige opwinding, die - wij zijn midden in den patriottentijd - bij de politieke partijen heerschte. Die blijspelen zijn geschreven door G. Paape2). De schrijver was niet minder satyrisch in De ondergang van de republiek Abdera, of de zegepraal der kikvorschen (1789), in Democritus of de gebannen filozoof (1789) - beide comedies zijn ontleend aan Wieland's bekenden roman Die Abderiten (1774), dien Paape vertaald had - en in De boggels (1789), toen hij wegens zijne patriottische gevoelens was uitgeweken. In het laatstgenoemde stukje komen twee schipbreukelingen in een land, waar alle menschen een bult hebben; zij worden monsters genoemd en vervolgd. De koning, die zelf een bult heeft, duldt niemand in zijn rijk, die er niet evenzoo uitziet als hij; vandaar dat de meeste bulten niet echt zijn. Er ontstaat eene samenzweering; de bulten worden afgelegd, de koning wordt onttroond; in 't vervolg moet ieder onderdaan recht van lijf en leden zijn en ruilt dus ‘dwang voor dwang’.

De jeugdige Michiel Adriaansz de Ruiter te Vlissingen (1788) van S. Rivier werd natuurlijk in de geboorteplaats van den zeeheld opgevoerd. De gelukzoekers (1792) van H. van den Broeke is ontleend aan Lesage's Gil Blas (V, 1); het is weer het zoo dikwijls gedramatiseerde verhaal van den schurk, die zich uitgeeft voor den, persoonlijk onbekenden, minnaar van een rijk meisje. Jonkheer Dirk de Braave, of de Overijsselsche boerenredding (1796)3) is eene verheerlijking van Johan Dirk van der Capellen tot den Poll, die in 1778 had voorgesteld, de drostendiensten af te schaffen, en toen werd uitgenoodigd, de vergaderingen der Staten niet meer bij te wonen, maar in 1782 op vereerend verzoek weer aan de beraadslagingen deelnam en in het volgende jaar zijn voorstel zag aangenomen.

In De kwakzalver van staat, of de dood van Hansworst (1796) steekt P. 't Hoen den draak met de rechten van den mensch, vrijheid, gelijkheid en broederschap, die door den kwakzalver aan den man gebracht worden en erg veel aftrek vinden, terwijl niemand gediend is van de waarheid, die zijn hansworst voor een klein prijsje te koop biedt. Ook in De geest van Doctor Schasz, in de kerk, in de raadzaal en

[p. 202]

in de kroeg (1796) en in Lucifer en Beëlsebub, of het drommelsche committé van raadgeeving (1796) wordt de spot gedreven met de gevolgen der omwenteling, die voor het volk van zoo weinig beteekenis waren geweest, maar vooral voor vele erge schreeuwers voordeelig waren. In het laatstgenoemde stukje vertoonen Lucifer en Beëlsebub zich met brillen en sjerpen en geven raad aan vele ‘burgers’. De vrede, of het dubbel huwelyk, door een nieuwstyding (1801) is een niet onaardig stukje en ter eere van den vrede schreef 't Hoen het ‘boertig godenspel’ Mars in boeyen (1802) en het sentimenteele blijspel Het verjaringsfeest (1802).

De kreupelen en de blinden, ‘leerzaam en vrolijk Bataafsch blyspel en pantomime, met zang en dans,’ van een onbekenden schrijver doelt ook op de tijdsomstandigheden; na de geweldige opwinding was er reactie gekomen. Dat blijkt eveneens uit een ander ‘Bataafsch blyspel’, Myn Heer Elias, of de groote vraag beantwoord: waar of toch ons geld blyft? En Het revolutionaire huishouden, door L. van Ollefen in de gevangenis geschreven, is zeer karakteristiek. De vader, een braaf republikein, laat zijne vier dochters allen een vak leeren, opdat zij zich zelf door de wereld kunnen helpen; één der meisjes maakt schoenen, een ander schildert, enz. In het stukje vindt men al de argumenten voor de vrouwen-emancipatie, die men thans nog dagelijks kan hooren en lezen. De vaderlandsche boer (1800) van A. Lamme is vol vaderlandsliefde en heldenmoed; het stukje is, in tegenstelling van de meeste andere uit dezen tijd, in verzen geschreven.

 

De 18de eeuw was een tijd van decadentie, waarin het zaad gestrooid werd voor andere toestanden en eene andere wereldbeschouwing. Er gebeurden erg veel ongerechtigheden op staatkundig en maatschappelijk gebied. De regeerende families hadden steeds meer macht aan zich getrokken en verdeelden onder elkander al de ambten en een goed deel van de belastingen. Al was men voorloopig niet opgewassen tegen deze mannen van macht en van geld, die alles heimelijk bedisselden, men kon hun althans in hun privaat leven op de vingers kijken. En dat deed men dan ook met grooten ijver, nog des te eerder, omdat het leven vrij rustig voorbijging en geene wereldschokkende gebeurtenissen de gemoederen bezig hielden. Wee den patriciër, dien men een misstap op zedelijk gebied ten laste kon leggen! Dan werd in gedicht of pamflet zijn doopceel gelicht en zocht de lang opgekropte

[p. 203]

woede van velen een uitweg. Het aantal pamfletten en hekeldichten uit dien tijd is dan ook bijna niet te overzien.

Boven zagen wij, dat het tooneelspel meermalen als vorm werd gekozen, om politieke gebeurtenissen te bespreken of personen aan te vallen1). Daartoe werd dikwijls ook het blijspel gebruikt. De vele comedies, waarin één of ander schandaaltje wordt behandeld, het reisje naar Parijs van een Amsterdamsch koopman met een juffertje, het leven van eene oplichtster, die in Den Haag voor eene freule doorging, het bankroet van een koopman, de vlucht van een magistraatspersoon, het huwelijksleven van een gouverneur van Suriname, kerkelijke standjes, bedriegerijen van een pachter der belastingen, deze allen verdienen hier geene plaats. Het is niet te verwonderen, dat zulke blijspelen op hunne beurt weer bestreden werden in het blijspel Geessel der hedendaagse paskwillanten (1757). Politieke gebeurtenissen leverden ook stof op. De mislukte inval van den pretendent in Schotland in 1708 was de aanleiding tot het schrijven van een paar tooneelstukjes, waarvan het eene ‘lammentabel treurspel’ genoemd wordt. Het conclave van 1774 werd belachelijk gemaakt in een heel flauw stukje, dat naar het Duitsch vertaald is2). De neutraliteit of George aan den band (1781) is eene politieke satire. Maar vooral in den patriottentijd regende het pamfletten in den vorm van blijspelen3), het ééne nog flauwer en platter dan het andere en de geweldige vaderlandsliefde dier dagen zocht ook op die wijze een uitweg. Na hetgeen boven van dit soort van literatuur gezegd is, behoeft er hier niet verder over gesproken te worden.