Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
DBNL Logo
DBNL Logo

Hoofdmenu

  • Literatuur & Taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taal
    • Limburgse literatuur
    • Friese literatuur
    • Surinaamse literatuur
    • Zuid-Afrikaanse literatuur
  • Selecties
    • Onze kinderboeken
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • E-books
    • Publiek Domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Gebruiksvoorwaarden
    • Hergebruik
    • Disclaimer
    • Informatie voor rechthebbenden
  • Over DBNL
    • Over DBNL
    • Contact
    • Veelgestelde vragen
    • Privacy
    • Toegankelijkheid
  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

ebook (11,06 MB)






Editeur
Nicoline van der Sijs



Genre
non-fictie

Subgenre
vertaling
non-fictie/theologie
bijbel / bijbeltekst(en)


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

 

Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637)

(2008)–anoniem Statenbijbel

Vorige Volgende

Het xxxij. Capittel.

Het Godtlicke Liedt, waer in seer heerlick geroemt worden, soo Godt selve, als sijne overgroote weldaden aen Israël, vers 1, tot 5. ende vers 7, tot 15. daer tegen seer heftichlick gescholden hare grouwelicke ondanckbaerheyt, 5, 6, 15, etc. Godts toorn ende toekomstige straffen voorgestelt, 19. sonder nochtans de afgodische grouwelen van sijns volcx vyanden te verschoonen, 31. waer op dan Godt sijn volck wederom troostet, belovende dat hy sich aen sijne ende hare afgodische vyanden wreken, sijne kercke met sich versoenen, verheugen, ende oock onder den Heydenen uytbreyden sal, 36. Mose dit Liedt uytgesproken hebbende, vermaentse wederom tot betrachtinge van Godts woordt tot haren besten, 44. ende ontfangt ten selven dage bevel, van het lant Canaan op eenen berch te sien, ende aldaer te sterven, 48.

[fol. 97r]

1

NEygt de ooren, 1 ghy hemel, ende ick sal spreken: ende 2 de aerde hoore de redenen mijnes monts.

2

Mijne leere 3 druppe als een regen, mijn reden vloeye als een dauw: als een stofregen op de gras scheutkens, ende als 4 droppelen op het kruyt.

3

Want ick sal den naem des HEEREN 5 uytroepen: 6 geeft onsen Godt grootheyt.

4

Hy is de 7 rotzsteen, wiens werck volkomen is; want alle 8 sijne wegen zijn gerichte: Godt is waerheyt, ende en is geen onrecht, rechtveerdich ende recht is hy.

5

9 Hy heeft ’et tegens 10 hem verdorven, ’t en zijn 11 sijne kinderen niet, de schantvlecke is hare: ’t is een verkeert ende verdraeyt geslachte.

6

Sult ghy dit den HEERE vergelden, ghy dwaes ende onwijs volck? is hy niet uwe vader, die u 12 verkregen, die u gemaeckt, ende u bevesticht heeft?

7

Gedenckt aen de dagen van 13 outs, merckt op de jaren 14 van elck geslachte: vraegt uwen vader, die sal het u bekent maken; uwe oude, ende sy sullen’t u seggen.

8

Doe de Alderhoochste den volcken d’erffenissen uytdeylde, doe hy 15 Adams kinderen van een scheydde; heeft hy de lantpalen der volcken gestelt 16 nae het getal der kinderen Israëls.

9

Want 17 des HEEREN deel is sijn volck: 18 Iacob is het snoer sijner erve.

10

Hy vondt hem in een lant der woestijne, ende 19 in eene woeste huylende wildernisse: hy voerde hem rontomme, hy onderwees hem, hy bewaerde hem, als 20 sijnen oogenappel.

11

Gelijck een arent 21 sijn nest opweckt, over sijne jongen sweeft, sijne vleugelen uytbreydt, 22 neemtse ende draegtse op sijne vlercken:

12

[Soo] leydde 23 hem de HEERE alleen: ende daer en was geen vreemt Godt met hem.

13

Hy dede hem rijden op de 24 hoochten der aerde, dat hy ate de inkomsten des velts: ende hy deed hem 25 honich suygen uyt de steenrotze, ende olye uyt de 26 keye der rotze:

14

Boter van koeyen, ende melck van kleyn vee, met het vette der lammeren, ende der rammen, die 27 in Basan weyden, ende der bocken, met het vette der 28 nieren van tarwe: ende het druyvenbloet, 29 reynen wijn, hebt ghy gedroncken.

15

Als nu 30 Ieschurun vet wert, so 31 sloech hy achter uyt; (ghy zijt vet, ghy zijt dick, [ja met vet] overdeckt geworden) ende hy liet Godt varen, 32 die hem gemaeckt heeft, ende versmaedde den rotzsteen sijnes heyls.

16

Sy hebben hem tot 33 yver verweckt door vreemde [Goden]: door grouwelen hebben sy hem tot toorn verweckt.

17

Sy hebben den 34 Duyvelen geoffert, niet Gode; den Goden, die sy niet en kenden: nieuwe, die 35 van nae by gekomen waren, voor dewelcke uwe vaders niet geschrickt en hebben.

18

Den rotzsteen, die u 36 gegenereert heeft, hebt ghy vergeten: ende ghy hebt in vergetenis gestelt den Godt, die u gebaert heeft.

19

Als’t de HEERE sach, so versmaedde hyse: uyt 37 toornicheyt tegen sijne sonen ende sijne dochteren.

20

Ende hy seyde; Ick sal mijn 38 aengesicht van hen verbergen, ick sal sien, welck haerlieder 39 eynde sal wesen: want sy zijn een 40 gantsch verkeert geslachte, kinderen, in welcken geene 41 trouwe en is.

21

a Sy hebben my tot yver verweckt 42 door ’t gene dat geen Godt en is; sy hebben my tot toorn verweckt door hare ydelheden: Ick dan salse tot yver verwecken door die gene, die 43 geen volck en zijn, door een dwaes volck, sal ickse tot toorn verwecken.

22

Want b een 44 vyer is aengesteken in mijnen toorn, ende sal bernen 45 tot inde onderste helle: ende sal het lant met sijne inkomste verteeren, ende de gronden der bergen 46 in vlamme setten.

23

Ick sal 47 quaden over hen hoopen: mijne 48 pijlen sal ick op hen verschieten.

24

Uytgeteert sullense zijn van honger, opgegeten van den 49 carbonkel, ende bitter verderf: ende ick sal de tanden der beesten onder hen schicken, met vyerich venijn van slangen des 50 stofs.

25

Van buyten sal ’t sweert 51 berooven, ende uyt de binnen-kameren de verschrickinge: oock den jongelinck, oock de jonge dochter, het suygende kint met den 52 grijsen man.

26

Ick seyde; In alle hoecken soud’ ickse 53 verstroyen; ick soud’ hare gedachtenisse van onder de menschen doen ophouden:

27

’T en ware, dat ick de 54 toornicheyt des vyants 55 schroomde, dat niet hare tegenpartyen sich 56 vreemt mochten houden: datse niet mochten seggen; 57 Onse hant is hooge geweest, de HEERE heeft dit alles niet gewrocht.

28

Want 58 sy zijn een volck, dat door 59 raedtslagen verloren gaet, ende daer en is geen verstant in hen.

29

O dat sy wijs waren! sy 60 souden dit vernemen: sy souden op haer 61 eynde mercken.

30

Hoe soude een 62 eenige 63 duysent jagen, ende twee tien duysent doen vluchten, ’t en ware, dat haerlieder 64 rotzsteen haer verkocht, ende de HEERE haer 65 overgelevert hadde.

[fol. 97v]

31

Want 66 haer 67 rotzsteen en is niet gelijck onse 68 rotzsteen: 69 selfs onse vyanden richters zijnde.

32

Want haer wijnstock is 70 uyt de wijnstock van Sodom, ende uyt de velden van Gomorra: hare wijn-druyven zijn 71 vergiftige wijn-druyven, sy hebben bittere besyen.

33

Haer wijn is vyerich draken venijn: ende een wreet adderen vergift.

34

72 Is dat niet by my opgesloten? verzegelt in mijne schatten?

35

c Mijne is de wrake, ende de vergeldinge, ten tijde als haerlieder voet sal wanckelen: want de dach hares ondergancks is nae by, ende de dingen, 73 die hen sullen gebeuren, haesten.

36

Want de HEERE sal sijnen volcke recht doen, ende ’t sal hem over sijne knechten 74 berouwen: want hy sal sien, dat de 75 hant is wechgegaen, ende de 76 beslotene ende verlatene niets en is.

37

Dan sal hy seggen; Waer zijn 77 hare Goden? de rotzsteen, op welcken sy betrouwden?

38

78 Welcker slacht-offeren vette sy aten, welcker dranck-offers wijn sy droncken: datse opstaen ende u helpen, datter 79 verberginge voor u zy.

39

Siet nu, dat ick, ick, DIE ben, ende d geen Godt met my: ick e doode ende make levendich, ick 80 verslae end ick heele; ende daer is niemant, die uyt mijner hant redde.

40

Want 81 ick sal mijne hant nae den hemel opheffen: ende ick sal seggen; 82 Ick leve in eeuwicheyt.

41

Indien ick mijn 83 glintzerende sweert wette, ende mijne hant ten gerichte grijpt; so sal ick de wrake op mijne tegenpartyen doen wederkeeren, ende mijnen hateren vergelden.

42

Ick sal mijne 84 pijlen droncken maken van bloet, ende mijn sweert sal vleesch eten: van het bloed des verslagenen, ende des 85 gevangenen, 86 vanden hoofde af, sullender wraken des vyants zijn.

43

f 87 Iuychet ghy Heydenen [met] 88 sijn volck; want hy sal het bloet sijner 89 knechten wreken: ende hy sal de wrake op sijnen tegenpartyen doen wederkeeren, ende 90 versoenen zijn lant [ende] sijn volck.

44

Ende Mose quam, ende sprack alle de woorden des Liedts voor de ooren des volcx: hy ende 91 Hosea, de sone van Nun.

45

Als nu Mose ge-eyndigt hadde alle die woorden tot gantsch Israël te spreken;

46

So seyde hy tot hen; Settet u herte op alle de woorden, die ick heden onder ulieden betuyge, dat ghyse uwen kinderen gebieden sult, dat sy waernemen te doen alle de woorden deser wet.

47

Want dat en is geen 92 vergeefs woort voor ulieden, maer het is u leven: ende door dit selve woort sult ghy de dagen verlengen op het lant, daer ghy over de Iordane nae toe gaet, om dat te erven.

48

Daerna sprack de HEERE tot Mose, op dien selven dach, seggende:

49

g Klimt op den berch Abarim (dese is de berch Nebo, die inden lande Moabs is, die 93 tegen over Iericho is) ende siet het lant Canaan, dat ick den kinderen Israëls tot eene besittinge geven sal.

50

Ende sterft op dien berch, daer ghy henen opklimmen sult, ende wort 94 vergadert tot uwe volcken: gelijck als uwe h broeder Aaron sterf op den berch Hor, ende wert tot sijne volcken vergadert.

51

Om dat ghylieden u tegen my i vergrepen hebt, in ’t midden der kinderen Israëls, aen het twist-water te Kades inde woestijne Zin: om dat ghy my niet 95 geheyligt en hebt in ’t midden der kinderen Israëls.

52

Want van tegen over sult ghy dat lant sien, maer daer henen niet inkomen, in ’t lant dat ick den kinderen Israëls geven sal.

1
Sulcke aensprake der onvernuftige schepselen diende tot Israëls overtuyginge ende beschaminge. Verg. bov. capit. 4. op vers 26.
2
Oft, ghy aerde, hoort.

3
Ofte, sal druppen. dat is, ick sal eene leere voorstellen, die soo dienstich ende heylsaem sal zijn voor de menschen, als de dauw ende regen is voor ’t kruyt. Vergel. Ezech. 21.2. Amos 7.16. Mich. 2.6, etc.
4
Ofte, een dichten regen.

5
Hebr. roepen. dat is, openbaerlick verkondigen. And. aenroepen.
6
D. schrijft hem toe de Majesteyt ende grootmogentheyt die hy heeft, ende roemt hem van wegen de selve. Siet bov. cap. 9.26. ende 11.2.

7
D. vast ende onbeweechlick, een gewisse toevlucht ende bescherminge voor den sijnen. Alsoo ond. vers 31.
8
Al sijn doen, sijne gantsche regeringe, is vergeselschapt met gerechticheyt, streckende tot behoudenisse der vroomen, ende straffe der boosen.

9
Naemlick, Israël.
10
Naemlick, den HEERE.
11
T.w. die ’t alsoo verdorven ende soo schandelick gemaeckt hebben: And. haer gebreck en is niet sijner kinderen, dat is, betaemt den genen niet, die sijne kinderen genaemt worden, dewijlt niet uyt swackheyt maer uyt moetwille, ende een onboetveerdig herte voortcomt.

12
Ofte, gekocht.

13
Hebr. der eeuwe, ofte, eeuwicheyt. dat is, gedenckt aen alles, wat van ’t begin der werelt in Godts kercke gebeurt is. Siet Ier. 2. op vers 20.
14
Hebr. van geslachte ende geslachte. dat is, van alle geslachten, ofte, elcken geslachte. Siet 1.Reg. 8. op vers 39.

15
And. des menschen kinderen.
16
Alsoo, te weten, dat hy allen stammen ende nakomelingen van Israël hare wooningen ende besittingen heeft verordineert ende toegeleyt. Verg. bov. cap. 3.12, 13, etc. Ios. cap. 13.14.15, etc. Actor. 17.26. De sin is, dat Godt in sijnen raet ende regeringe sijn ooge bysonderlick op sijn volck heeft gehadt.

17
D. den HEERE seer lief, als den menschen haer erfdeel pleecht te zijn.
18
D. het volck Israëls, van Iacob afkomstich, is Gode soo nae ende weert, als menschen haer erfdeel, dat men met snoeren plach af te meten ende uyt te deylen. Siet bov. c. 3. op vers 4.

19
Hebr. in eene woestheyt des huylens der eensaemheyt, ofte, wildernisse.
20
Als menschen haren oogen-appel, die seer teder is, neerstichlick plegen te bewaren. Siet Psal. 17.8. Zach. 2.8. ende Verg. Prov. 7.2.

21
D. sijne nest-kieckens, ofte, jongskens met eenich geluyt wacker maeckt, om haer te verstaen te geven, dat hyse aen ’t vliegen wil brengen.
22
Hebr. neemt het ende draegt het, te weten, elck jongsken.

23
Israël, ofte, Iacob.

24
D. hy verhoochde hem seer heerlick, ende gaf hem de hoochste ende vaste steden in. siet bov. cap. 1.28. Verg. met c. 2.36. ende Num. 21.25, 32. Alsoo ond. c. 33.29.
25
Want het beloofde lant vloeyde van honich, Exod. 3.8, 17. oock in bosschen. 1.Sam. 14. ende holen van steen-klippen, nae der bijen aert. Psal. 81.17.
26
Vergel. bov. cap. 8.15.

27
Hebr. kinderen van Basan. siet Num. 32. versen 4, ende 33. ende elders dickwijls, alwaer Basan (gelegen aen de oost-zijde van de Iordane) verklaert wort geweest te zijn eene seer vette landouwe.
28
D. met sonderling dicke ende geswollene tarwe-koornkens, die ten aensien van hare gedaente, gelegentheyt in ’t vette, ende swellinge, met de nieren vergeleken worden.
29
Ofte, rooden, wijnigen.

30
Verstaet, het volck Israëls, dat hier Ieschurun genoemt wort, om dat sy recht behoorden te zijn, ende oprecht, ofte, recht uyt in Godes wegen te wandelen, als daer toe van hem geroepen zijnde, ende dewijle by haer alleen was den regel van ware gerechticheyt: maer alsoo het verre van daer geweest was, ende in ’t toekomende soude zijn, wort hier desen tijtel, de rechte, ofte, die recht geworden is, hen verwijts wijse gegeven: die andersins een treflick eerentijtel was: als ond. cap. 33.5, 26.
31
Als dertele kalvers, ofte moetwillige peerden: dat is, hy wert rebel tegen Godt.
32
Hebr. sijnen maker. Siet Iob 4. op vers 7.

33
Siet bov. cap. 4. op vers 24.

34
D. den Afgoden, door welcken de duyvelen gedient worden. Verg. 1.Corint. 10.20. het Hebr. woort beteeckent verwoesters: alsoo de Duyvelen met recht genoemt worden, gelijck de Engel des afgronts, de verderver genoemt wort. Apoc. 9.11.
35
D. nieuwlicx, ofte, onlangs opgekomen waren.

36
D. Godt, die als vader ende moeder over u is, hebbende u tot sijne kinderen gemaeckt, ende met vaderlicke ende moederlicke affectie gehandelt.

37
Hebr. toorn sijner sonen, ende sijner dochteren: dat is, daer mede hy tegens hen vertoornt was. Verg. Ier. 7.29. Ioël 3.19. Obad. 1.10, etc. And. dien sijne sonen ende sijne dochteren verweckt hadden.

38
Siet bov. c. 31. op vers 17.
39
Hebr. laetste, uyterste, achterste, alsoo ond. vers 29. dat is, wat hen ten laetsten wedervaren sal, hoe hen dit bekomen sal. Verg. Psa. 37. op vers 37. ende Prov. 14.12. ende 16.12. met d’aent.
40
Hebr. geslachte der verkeertheden.
41
D. die geen geloof noch woort houden, die ontrouw ende meyneedich zijn.

a
Rom. 10.19.
42
D. door de afgoden. Siet 1.Corint. 8.4, 5. ende 10.19.
43
Verstaet de Heydenen, die Godt soude bekeeren, ende roepen tot sijner kennisse ende gemeenschap, in plaetse der Ioden. Siet Rom. 9.25. ende 10.19, etc.

b
Ierem. 15.14.
44
D. grouwelicke plagen, van verwoestinge, krijch, honger, pestilentie, etc. als volgt. Vergel. bov. cap. 4. op vers 24. Siet Iob 22. op vers 20.
45
Hebr. tot de helle van ’t onderste, ofte, der benedenheyt toe. dat is, tot in de plaetse der graven, diep in de aerde, die alsoo sal worden verwoest ende verdorven, datse in lange geene vruchten sal voortbrengen. Siet wijders van ’t Hebreeus woort Scheol, Genes. 37. op vers 35.
46
Hebr. Vlammen.

47
D. plagen, ongelucken, die hier door Godts pijlen, ende vers 22. door het vyer verstaen worden.
48
D. alle mijne plagen, die de Schrifture dickwijls Godts pijlen noemt, om datse van hem worden toegesonden, ende gewisse ende diep treffen. Alsoo ond. vers 42.

49
D. vyerich geswel, hebbende den name van eene vyerige kole.
50
Die ’t stof der aerden eten. Genes. 3.14.

51
Den eenen van den anderen, sonder verschooninge, als volgt.
52
Hebr. man der grijsheyt, ofte grauwicheyt.

53
Ofte, verdoen: uyt hoecken soud’ ickse halen, hoeck uyt hoeck in soud’ ickse jagen. Siet het vervolch deses verskens vers 28.

54
Ofte, terginge.
55
Menschelick van Godt gesproken: de sin is: ’t en ware, dat ick sulckx naliete om de eere mijnes Naems, op dat die onder de Heydenen niet gelastert en worde.
56
T.w. alsoo, datse niet souden willen weten, dat ick het gedaen hadde om Israëls grouwelicke sonden, maer dat sy door hulpe harer Afgoden Israël alsoo hadden vermeestert ende uyt-geroeyt.
57
Dat is, wy hebben door onse macht de overhant over Israël bekomen: ’T en is Godts werck niet.

58
De Israëliten.
59
Door eygenen quaden raet sich selven in ’t verderf stort.

60
Ofte: dat sy dit verstonden! dat sy op haer eynde merckten!
61
Siet bov. vers 20.

62
T.w. der vyanden.
63
Der Israëliten: And. een [der Israëliten] soude duysent [vyanden] verjagen, etc. ’t en ware etc.
64
D. Godt, als boven.
65
Ofte, besloten hadde, te weten, in der vyanden hant.

66
T.w. der vyanden.
67
D. Afgoden, op welcken sy sich, als op eene rotze verlaten.
68
Onse Godt, op welcken wy ons verlaten, als op eene rotze.
69
Ofte: laet onse vyanden selfs richters zijn. Dat is, sy moeten ’t selfs bekennen, als bevindende door d’ervarentheyt, dat hare Afgoden gantsch geene macht en hebben om te wreken ofte te straffen, gelijck de Godt Israëls sijne macht aen sijn volck, ende de vyanden van dien in’t openbaer betoont, aen beyden sijne rechtveerdicheyt bewijsende.

70
Als of hy daer uyt gesproten ware: dat is, sy zijn van gelijcken aert ende wercken, als die van Sodom ende Gomorra. Een seer schoon ende vruchtbaer lant, maer gantsch godtloose inwoonders: ofte, dit siet op den wijn, die de Afgoden geoffert wert. Siet vers 38.
71
Hebr. wijndruyven des vergifts. And. der galle, dat is, gallachtich.

72
D. ick weet het alles seer wel, ende hebbe de wrake (waer van in ’t volgende) vastelick besloten, maer sal d’executie opschorten tot den tijt, den ick in mijnen verborgenen raet daer toe bestemt hebbe. Vergel. Iob 33. vers 16. Psa. 56. op vers 9.

c
Rom. 12.19. Hebr. 10.30. 1.Petr. 2.23.
73
And. die hen bereyt zijn.

74
Siet Gen. 6. op vers 6.
75
D. alle macht, alle vermogen sijnes volcks.
76
Ofte, datter geen beslotene noch verlatene zy. Dit schijnt een spreeckwoort geweest te zijn, beteeckenende de uyterste benautheyt ende verwoestinge. Verg. 1.reg. 14.10. ende 21.21. ende insonderheyt 2.Reg. 14.26. De sin is, dat het oock selfs met die gedaen was, beyde die sich in de steden versteken ende verbergt hadden, op hope van t’ontkomen, ofte van yemanden door medelijden, ofte gunste, opgesloten, ofte in gevanckenisse bewaert waren, ende die in het ruyme velt wechgelaten, ofte gevlucht waren, meynende datmen op hen niet meer en soude dencken, dat sy al van den vyant schenen verlaten ende vergeten te zijn. Wanneer soodanige mede opgesocht ende achterhaelt worden, ofte datter sulcke bykans geene zijn, dat is een teecken datter qualick yemant ontkomt, ofte gespaert wort. Alst soo verre gekomen is, dan, wil de Heere seggen, sal Godt van den hemel hulpe ende verlossinge senden.

77
T.w. der vyanden.

78
And. de welcke het vette van hare slacht-offeren aten, [ende] den wijn van hare dranck-offers droncken.
79
Ofte, eene schuylplaetse: ofte, datter beschuttinge over u zy.

d
Bov. 4.35. Ies. 45.5, 8, 22.
e
1.Sam. 2.6.
80
Ofte, verwonde, doorsteke.

81
D. ick sal sweeren: Godt spreeckt alsoo menschelicker wijse: dese maniere van doen was in ’t eedtsweeren gebruycklick. Siet Genes. 14. op vers 22.
82
Sweerende by my selven. Siet Hebr. 6.13.

83
Hebr. den blixem, ofte, blick, glinster mijns sweerts.

84
Siet bov. op vers 23.
85
Hebr. der gevanckenisse.
86
D. van boven af, beginnende van den hoofde: And. van ’t begin af sullen de wraken, ofte, wrekingen des vyants zijn: dat is, ick sal alles, wat de vyanden van den beginne af misdaen hebben, t’samen wreken.

f
Rom. 15.10.
87
Siet Rom. 15.10.
88
Verstaet, de Ioden.
89
Verg. Apoc. 19.2.
90
T.w. met sich selven, uyt genade, om des Messiae wille.

91
D. Iosua.

92
Ofte ydel. De sin is, dit woort is soo ydel ofte slecht niet, dat het u de pijne niet weert en soude zijn op ’t hoochste dat selve te behertigen.

g
Num. 27.12.
93
Oft, in’t gesichte van Iericho.

94
Siet Genes. 15. op vers 15.
h
Num. 27.13. ende 33.38.

i
Num. 20.12.
95
D. ghy hebt sulck vertrouwen te dier tijt op my niet gehadt, ende tot mijner eere voor den volcke in ’t openbaer vertoont, als u betaemde. Siet wijders Levit. 10. op vers 3.


Vorige Volgende