Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637) (2008)

Informatie terzijde

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (0.00 MB)

ebook (11.07 MB)

XML (23.68 MB)

tekstbestand






Editeur

Nicoline van der Sijs



Genre

non-fictie

Subgenre

vertaling
non-fictie/theologie
bijbel / bijbeltekst(en)


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637)

(2008)–Anoniem Statenbijbel–rechtenstatus Auteursrechtelijk beschermd

Vorige Volgende

Het vij. Capittel.

De Bruyt wort geroemt van wegen hare schoonheyt ende lieflickheyt, vers 1, etc. Sy verheucht haer van wegen de gemeynschap met haren Bruydegom, 10. Sy noodicht hem, ende sy begeert met hem de Kercken te gaen besoecken, 11, etc.

1

Ga naar margenoot1 HOe schoon zijn Ga naar margenoot2 uwe gangen in de schoenen, Ga naar margenoot3 ghy Princen dochter! de Ga naar margenoot4 omdraeyingen uwer heupen, zijn Ga naar margenoot5 als kostelicke ketens, zijnde het werck van de handen Ga naar margenoot6 eenes Konstenaers.

2

Ga naar margenoot7 Uwen navel is [als] een ronde beker, Ga naar margenoot8 dien geenen dranck en ontbreeckt: Ga naar margenoot9 Uwen buyck is [als] een hoop tarwe, Ga naar margenoot10 rontom besett met lelien.

3

Ga naar margenoot11 Uwe twee Ga naar margenoota borsten zijn als twee welpen, tweelingen van een rhee.

4

Ga naar margenoot12 Uwen hals is Ga naar margenoot13 als een elpenbeenen toren, Ga naar margenoot14 uwe oogen zijn [als] de vivers te Ga naar margenoot15 Hesbon Ga naar margenoot16 by de poorte Bath-rabbin: Ga naar margenoot17 Uw’ neuse is als Ga naar margenoot18 de toren van Libanon, Ga naar margenoot19 die tegen Ga naar margenoot20 Damascus siet.

5

U hooft op u, is als Ga naar margenoot21 Carmel, ende Ga naar margenoot22 de hayr-bant uwes hoofts als Ga naar margenoot23 purper: Ga naar margenoot24 de Coninck is [als] gebonden Ga naar margenoot25 op de galerien.

6

Ga naar margenoot26 Ga naar margenootb Hoe schoone zijt ghy, ende hoe lieflick zijt ghy, ô liefde, Ga naar margenoot27 in wellusten!

7

Dese uwe Ga naar margenoot28 lengte is te vergelijcken by eenen Ga naar margenoot29 palm-boom, ende uwe borsten by Ga naar margenoot30 [druyf-] trossen.

8

Ga naar margenoot31 Ick seyde, Ga naar margenoot32 Ick sal op den palm-boom klimmen, Ga naar margenoot33 ick sal sijne tacken grij-

[Folio 27r]
[fol. 27r]

pen: Ga naar margenoot34 so sullen dan uwe borsten zijn als [druyf-] trossen aen den wijn-stock, ende de reucke Ga naar margenoot35 uwer neuse als Ga naar margenoot36 appelen.

9

Ende Ga naar margenoot37 u gehemelte als goeden wijn, die Ga naar margenoot38 recht Ga naar margenoot39 tot mijnen beminden gaet, Ga naar margenoot40 doende de lippen Ga naar margenoot41 der slapenden spreken.

10

Ga naar margenootc Ga naar margenoot42 Ick ben mijnes Liefsten: ende sijne Ga naar margenoot43 genegentheyt is tot my.

11

Komt, mijn Liefste, Ga naar margenoot44 Laett ons uytgaen Ga naar margenoot45 in’t velt, Ga naar margenoot46 laet ons vernachten Ga naar margenoot45 op de dorpen.

12

Ga naar margenoot47 Laet ons vroech ons op maken Ga naar margenoot48 na de wijn-bergen, laet ons sien of de wijn-stock bloeyt, Ga naar margenoot49 de jonge druyfkens Ga naar margenoot50 haer open doen, de granaet-appel-boomen uytbotten: Ga naar margenoot51 daer sal ick u Ga naar margenoot52 mijne uytnemende liefde geven.

13

Ga naar margenoot53 De Dudaim Ga naar margenoot54 geven reuck, ende Ga naar margenoot55 aen onse deuren zijn Ga naar margenoot56 allerley edele vruchten, Ga naar margenoot57 nieuwe ende oude: O mijn Liefste, Ga naar margenoot58 die hebbe ick voor u wech geleyt.

margenoot1
’T schijnt dat de vrienden der Bruyt dese beschrijvinge van het lichaem der Bruyt gemaeckt hebben. Want vers 5. ende vers 9. wort van Salomo ofte Christo gesproken, als van eenen derden persoon. Evenwel houden ’t andre daer voor, dat het de woorden des Bruydegoms zijn.
margenoot2
Verstaet hier by, haren wandel in ’t geloove aen Iesum Christum, alsoo namelick, dat hare voeten geschoeyt zijn met de veerdicheyt des Euangeliums des vredes, betoonende daer mede, dat sy uyt Godt geboren is, Ephes. 6.15. Siet oock Ies. 52.7.
margenoot3
Vergel. hier mede Ioh. 1.13. ende Iacob. 1.18. Dese Bruyt, ofte de kercke, wort oock genoemt eenes Conincks dochter. Psal. 45.14. Want Godt is een groot Coninck.
margenoot4
Het Hebr. woort (dat alleen hier gevonden wort) komt van draeyen, of omdraeyen, ende ’t schijnt te beteeckenen de hollicheyt daer in de heupe sich beweecht, of ommedraeyt. Dese omdraeyingen worden vergeleken by kostelicke ketens, of juweelen, beteeckenende de vaste, oprechte, ende schoone gestaltenisse, handel, ende wandel van dese Princelicke, of Edele dochter, wel betamende het Euangelium, daer sy professie van doet. Andre translateren hier het Hebr. woort gordels, ende verstaen hier door, den gordel der waerheyt, die gemaeckt is door het ingeven van den Geest der waerheyt, die opperste werck-man is van alle goede ende volmaeckte gaven. Desen gordel wort vergeleken by goudene ketens, die met vele schakels t’samen gevoecht zijn, want de waerheyt heeft wel vele deelen, maer sy passen alle op malkanderen, als de schakelen eenes ketens.
margenoot5
Of, als hals-ketens, of braseletten, of dergelijcke vercierselen. Siet Prov. 25. op vers 12.
margenoot6
Verstaet by desen konstigen werckman, den H. Geest. Siet 1.Cor. 12.4. Daer staet Iacob. 1.17. Alle goede gave ende volmaeckte gifte komt van boven van den Vader der lichten.
margenoot7
De navel is het instrument daer voor het kindeken gevoedt wort terwijl het in sijnes moeders lichaem besloten is. Verstaet hier den navel der wedergeboorte, door den welcken wy des geestelicken levens deelachtich worden, als wy in den buyck der Kercke ontfangen zijn door het zaet des goddelicken woorts. Dese gave wort vergeleken by eeenen ronden beker dien geenen dranck en ontbreeckt, D. die nimmermeer uyt en droocht, overmits wy door de wedergeboorte, ontfangen den Geest der aenneminge tot kintschap, die van de uytverkorene nimmermeer en wijckt, Ioh. 14.16. maer hy wort in haer eene springende fonteyne ten eeuwigen leven, Ioh. 4.14.
margenoot8
Hebr. Die geene vermenginge en ontbreeckt. De dranck wort meermaels vermenginge genoemt by de Hebreen, om dat sy niet altoos den wijn en droncken soo suyver als hy van den wijn-stock of persse quam, maer sy mengden den selven met water, ofte oock wel met speceryen. Siet bov. cap. 5.1. ende Proverb. 9.2. ende Cantic. 8.2. wort mentie gemaeckt van wijn met speceryen gemengt.
margenoot9
De geestelicke gaven der Bruyt ofte kercke Christi zijn oock vruchtbaer, andre bekeerende, in sulcken overvloet als de tarwe, die vele vruchten draecht, Psal. 72.16.
margenoot10
Hebr. betuynt. Hier mede wort aengewesen, dat de vruchtbaerheyt der Gemeynte gekroont wort met den segen Godes ende eene geestelicke vreucht. Het schijt te sien op de nieuwe vruchten, diemen pleecht te kroonen ofte vercieren met bloemen, of groene kranssen. Siet Hos. 14.6.
margenoot11
Siet de beduydinge deses vers, Cant. 4.5.
margenoota
Cant. 4.5.
margenoot12
Door den hals wort te kennen gegeven de kracht ende heerlickheyt der kercke Christi. Andre verstaen door den hals de hope ende lijtsaemheyt.
margenoot13
Dat is, schoon, sterck, ende recht op. Siet Cant. 4.4. ende d’aenteeck aldaer.
margenoot14
T.w. de oogen uwes verstants, ende uwes geloofs. die zijn vol wijsheyt ende kennisse des Heeren, gelijck de vivers, vol zijn van klaer ende suyver water, klaer zijnde om de waerheyt te sien, ende om hare eygene, ende anderer wegen ende gangen aen te mercken. Siet bov. c. 4. vers 1.
margenoot15
In de Stadt Hesbon heeft eertijts de Coninck Sihon sijn hof gehouden, Num. 21.26. Sy lach in eene goede vette landouwe, die den Rubeniten is toe-gevallen, Num. c. 32. versen 3, 4, 5, ...37. ’t schijnt dat in dese Stadt geweest zijn schoone vivers, die de selve vercierden, gelijck de oogen het lichaem doen. And. als vyvers met bedenckinge, ofte, met gedachte. D. konstelick gemaeckt.
margenoot16
D. by de poorte daer vele menschen uyt ende in gaen, ofte, by de poorte daer vele menschen t’samen komen. Eenige meynen datter te Ierusalem een poorte geweest zy Bath-Rabbim genoemt, by de welcke oock schoone vyvers waren. Sommige nemen’t voor de schaeps-poorte Nehem. 3.1. Ofte de fonteyn-poorte, Nehm. 3.15. Andere houden ’t voor een poorte van Hesbon.
margenoot17
Hier wort door gelijckenisse te kennen gegeven de schoonheyt der neuse, ende voorts des gantschen aengesichts. Sommige nemen die woorden aldus, Dewyle de neuse is het instrument van den reuck, daer door wy de kracht van vele dingen kunnen onderkennen: daerom verstaen sy daer by, het oordeel ende den geest des onderscheyts, daer door wy de verscheydene dingen kunnen onderscheyden, Phil. 1.10. Siet oock Ies. 11.3.
margenoot18
Dit kanmen verstaen van den toren des huyses ’t welck Salomo in het wout van Libanon, of, van de boomen Libanons, getimmert heeft, 1.Reg. 7.2. ende 10.17.
margenoot19
Damascus was in die tyden de vermaertste Stadt in Syrien, Iesa. 7.8. Noortwaerts van den berch Libanon gelegen: Een seer schoone Stadt, Ierem. 49.24, 25. Dese Stadt was gemeynelick vyant, ende sy voerde dickwijls krijch tegen het volck Godes, Siet 1.Chron. 18. versen 5, 6. 1.Reg. 11, 24, 25. Ies. 7.5, 8. Amos. 1.3. So dat, de toren van Libanon, siende nae Damascus toe, hier mach beteeckenen, de wacht-houdende sorge der Bruyt voor de ruste van haer selven, ende hare kinderen, tegen hare vyanden. Voor, die tegen Damascus siet, hebben andre, siende met het aensichte nae Damascus toe.
margenoot20
Hebr. Dammesek. 1.Chron. 18.5. ende 6. staet, Darmascus. Maer 2.Reg. 16.10. ende Actor. 9.2. Damascus.
margenoot21
Siet van den berch Carmel. 1.Sam. 25.2, 5. ende 1.Reg. 18. versen 19, 20, ...42. ende elders meer. Dese woorden nu, u hooft op u, is als Carmel, kunnen beteeckenen, dat de Bruyt met wijsheyt ende verstant treflick begaeft is, Gelijck de berch Carmel seer vruchtbaer zijnde, vele goede vruchten voort-bracht. Andre verduytschen hier het woort Carmel voor Carmoïsin, gelijck een gelijck woort, T.w. Carmil verduyscht wort. 2.Chron. 3.14.
margenoot22
Verstaet hier dien bant, daer mede men den pronck ofte cieraet des hoofts op-bindt. Het Hebr. woort dallath beteeckent eygentlick dunnicheyt, teederheyt, properheyt, so dat het hier oock kan beduyden dunne of teeder hary. Siet c. 4.1.
margenoot23
Dit coleur, als oock carmoisin, droegen eertijts Coningen ende Princen, ende derhalven dese Bruyt wel passende ende betamende, die eenes Princen dochter genoemt wort vers 1. Ende dese coleuren zijn afbeeldingen van het bloet Iesu Christi.
margenoot24
Verstaet hier by den Coninck, den Coninck Salomon, zijnde een figure Christi. De sin is, Als de Coninck wil gaen over de galerye van d’eene kamer nae d’andere, ende in ’t gaen u siet, so moet hy stille staen om u te aenschouwen, niet anders dan of hy aen de galerye vaste gebonden ware. And. De Coninck wort [daer van] gebonden aen de gangen.
margenoot25
Het Hebr. woort Rehatim is Genes. 30.38, 41. ende Exod. 2.16. verduyscht goten: maer een gelijck woort Cant. 1.17. is verduyscht galeryen, gelijck het hier oock alsoo moet genomen worden: Ende verstaet door het woort galeryen, gebouwselen langst de huysen gaende. Ende, op, of, in, de galeryen gebonden te zijn, beteeckent hier, dat Christus eene vaste wooninge, ofte verblijf heeft in het huys sijner kercke, daer desen Coninck gebonden is ende gebonden blijft met de banden der liefde, die hy sijne lieve Bruyt de kercke, is toedragende, Rom. 8.35. Siet oock Psal. 45.12. Ies. 62.4. Ezech. 37.25, 26. ende c. 48. vers 35. Hos. 2.19. Ioh. 14.23. 2.Cor. 6.16. Apoc. 22.3, 5.
margenoot26
Hier geeft de Bruydegom reden waerom hy met liefde aen sijne Bruyt gebonden is, ende gebonden blijft, gelijck hy vers 5. geseyt heeft. siet bov. c.1. versen 15, 16. ende c. 4. versen 9, 10.
margenootb
Cant. 1.15. ende 4.1. Psal. 45.12.
margenoot27
D. in allerley vermakelickheyt, also dat alle de gene die dese Bruyt lief hebben, haer met de selve kunnen verheugen, ende verblyden in de schoonheyt harer heerlickheyt, als Iesa. 66.10, 11.
margenoot28
Of, stature, gestalte.
margenoot29
Dit is eenen schoonen hoogen boom, recht op wassende, altoos groen ende bloeyende, ende schoone vruchten dragende. daerom wort der godsaligen staet by den selven geleken, Psal. 92.13. Siet oock 1.Reg. 6.29. ende 7.36.
margenoot30
T.w. by sulcke druyf-trossen, die vol sap en vochticheyt zijn, welcke de geloovige mogen suygen, hemelsche vertroostingen daer uyt ontfangende tot versaedtheyt, Ies. 66.11. ende Cant. c. 4. vers 5.
margenoot31
Te weten, by my selven, Dat is, Ick dachte, ick nam my vaste voor.
margenoot32
Te weten, Om de vruchten daer van te plucken. Neemt dese woorden als van den Bruydegom gesproken zijnde, te kennen gevende, dat hy een welgevallen heeft aen de geestelicke vruchten sijner Bruyt. Siet Cant. cap. 5. vers 1.
margenoot33
Dat is, Ick sal de tacken van desen palm-boom tot my nemen, reynigen ende bewaren, op datse des te betere vruchten voort-brengen, Ioh. 15.2.
margenoot34
Dit is een belofte die de Bruydegom sijne Bruyt doet, dat hyse segenen sal, haer vervullende met het sap oft vochticheyt sijner genade, datse niet onvruchtbaer zijn en sal in de kennisse Christi, 2.Pet. 1.8. siet oock Ies. 27.6. Maer andre nemen de woorden des texts, als eenen wensch, in desen sin, Dat doch uwe borsten zijn als, etc. D. dat ghy doch geenen ledigen of onnutten wijnstock en zijt, gelijck van Israel geschreven staet Hos. 10.1. Maer dat ghy vol des Geestes zijt, op dat de sogelingen mogen suygen ende versadicht worden met de borsten der vertroostinge. Ies. 66.11.
margenoot35
Verg. bov. vers 4. met de aenteeck.
margenoot36
Die eenen lieflicken reuck hebben onder andre boom-vruchten, van wat soort die oock mogen wesen: doch eenige verstaen hier reuck-appelen, die d’Apotekers maken van verscheydene wel-rieckende speceryen.
margenoot37
Dat is, de leere der kercken is als goeden wijn, om de bedroefde herten te laven ende te verquicken, Prov. cap. 31. vers 6. Siet oock dese gelijckenisse van den wijn genomen, Iesa. 55.1. ende Prov. 9.5.
margenoot38
Hebr. nae de gerechticheden, Dat is, recht toe, recht aen, gelijckmen gemeynelick spreeckt. Alsoo oock Prov. 23.31. And. die nae de gerechticheden tot mijnen beminden gaet, D. diens woorden daer toe strecken, om andre tot Christum te brengen, ende alsoo ter gerechticheyt, D. tot alle goede wercken, daer in hy wil dat wy sullen wandelen.
margenoot39
D. tot elck van mijne ledematen.
margenoot40
De meyninge is, gelijck de wijn de menschen spraecksaem maeckt, Prov. 23.29. alsoo maeckt de Geest Godes, dat de gene die den selven hebben rijckelick in haer woonende, spreken van de verborgentheden Godes, ende vertellen de groote daden des Heeren. Actor. 2.4, 11, 13.
margenoot41
D. der gener die nu uyt den slaep der sonde geweckt zijn door de predicatie des goddelicken woorts. Eph. 5.14.
margenootc
Cant. 2.16. ende 6.3.
margenoot42
Dit zijn de woorden der Bruyt, vervult zijnde met den wijn der genade ende des troostes, welcke sy van haren Bruydegom ontfangen hadde: Sy getuycht ende belijdt hare sekerheyt door ’t geloove, dat sy Christo toe behoort. Siet Gal. 3.29. Siet oock de aenteeck. Cant. 2. op vers 16. ende c. 6. op vers 3
margenoot43
Ofte, sijne begeerte streckt tot my.
margenoot44
De Bruyt versoeckt het geselschap Christi, want sonder hem en kunnen wy niet doen, Ioh. 15.5.
margenoot45
De Bruyt versoeckt aen den Bruydegom, dat sy in het velt ende op de dorpen mochte gaen, T.w. om hare lant-bouwerie te besien, hoe het daer mede al ginck, ende of de boomen goede ende overvloedige vruchten voortbrachten, als geseyt wort vers 12. Dit beteeckent de liefde ende sorge Christi ende sijne Gemeynte, tot voort-plantinge des H. Euangelij, ende wasdom der Kercke door de gantsche werelt, (want het velt ofte acker, is de werelt Matth. 13.38.) gelijck Christus selve in de dagen sijnes vleesches, is gegaen in alle Steden ende Vlecken, predikende het Euangelium, Matth. 9.35. Marc. 6.6. Alsoo zijn oock d’Apostelen uytgesonden om het Euangelium te prediken allen volcken der werelt, Matth. 28.19. siet oock Act. 15.36. De opbouwinge der Gemeynte wort oock by een acker-werck vergeleken, 1.Cor. 3.9. ende de getrouwe Leeraers worden oock aldaer Godes mede-werckers genoemt.
margenoot46
Hier mede wort aengewesen de wakende sorchvuldicheyt der kercke, die oock by nachte de wacht is houdende over haren wijn-berch.
margenoot45
De Bruyt versoeckt aen den Bruydegom, dat sy in het velt ende op de dorpen mochte gaen, T.w. om hare lant-bouwerie te besien, hoe het daer mede al ginck, ende of de boomen goede ende overvloedige vruchten voortbrachten, als geseyt wort vers 12. Dit beteeckent de liefde ende sorge Christi ende sijne Gemeynte, tot voort-plantinge des H. Euangelij, ende wasdom der Kercke door de gantsche werelt, (want het velt ofte acker, is de werelt Matth. 13.38.) gelijck Christus selve in de dagen sijnes vleesches, is gegaen in alle Steden ende Vlecken, predikende het Euangelium, Matth. 9.35. Marc. 6.6. Alsoo zijn oock d’Apostelen uytgesonden om het Euangelium te prediken allen volcken der werelt, Matth. 28.19. siet oock Act. 15.36. De opbouwinge der Gemeynte wort oock by een acker-werck vergeleken, 1.Cor. 3.9. ende de getrouwe Leeraers worden oock aldaer Godes mede-werckers genoemt.
margenoot47
Dit is wederom een teecken van neerstige sorchvuldicheyt. Siet 2.Chron. 36.15. ende Ier. 25.3, 4.
margenoot48
D. tot de kercken ende plaetsen daer het Euangelium is geplant ofte gepredickt geworden. Want het huys van Israel is des Heeren wijn-gaert. Ies. 5.7.
margenoot49
Siet Cant. 2.13, 15.
margenoot50
Of, haer openen, of, geopent hebben. And. bloeyen. Siet Cant. 6.11.
margenoot51
T.w. in de wijngaerden der Kercke, in de vergaderingen der Heyligen: daer sal ick mijne ziele ende mijn lichaem u opofferen tot eene aengename ende wel-rieckende offer-hande.
margenoot52
Dat is, het geniet van de vruchten mijnes geloofs, belijdenisse, danckbaerheyt, goeder wercken, etc. Siet Ies. 27. versen 3, 6. ende 65.9. Ezech. 20. versen 40, 41.
margenoot53
De rechte beteeckenisse deses woorts is ons onbekent. Siet Genes. c. 30. op vers 14. Ten kan geen Mandragora zijn, soodanich als die by ons bekent is, gelijck sommige meynen, overmits onse Mandragora eenen stinckenden reuck heeft, die het hooft swaer ende slaperich maeckt. De Bruyt wil hier seggen, datter alreets goede hope van bekeeringe aen haer te mercken zy, gelijck het uytspruyten van de bloemen een voor-bereytsel is van toekomende vruchten. Siet bov. cap. 2. vers 12.
margenoot54
Te weten, eenen lieflicken aengenamen reuck. De sin is, dat de fame der genaden ende gaven Godes over sijn volck uytgestortt, sich wijt ende breet verspreydt.
margenoot55
Of, by onse deuren. Vergel. Matth. 24 versen 32, 33.
margenoot56
Siet Cant. 4. versen 13, 16.
margenoot57
Dit beteeckent verscheydenheyt ende overvloet van vruchten. Siet Levit. 26. op vers 10. Siet oock Matth. 13.52. By de oude vruchten verstaet de eerste gaven ende wercken, die sy te vooren ontfangen hadden, Apoc. c. 2. vers 5. By de nieuwe vruchten kan men verstaen, de versche genaden, die sy eerst korts ontfangen hadden. want die de gave der weder-geboorte wel gebruyckt, die salder door Godts genade noch meer ontfangen. Matth. 25.29. Apoc. 2.19. Sommige verstaen hier door, dobbele vruchten op de boomen, oude, rijpe ende afgaende, ende nieuwe, onrype, aenkomende, als aen de orangie-boomen ende verscheyden andere gesien wort.
margenoot58
Gelijck het goet, het welck de Heere voor de gene die hem vreesen, heeft wech geleyt, groot is, Psal. 31.20. Alsoo moeten alle de goede vruchten, die van sijn volck vloeyen, gerichtt ende aengestelt worden tot sijner eere ende lof, want van hem, ende door hem, ende tot hem zijn alle dingen: hem zy de eere in eeuwicheyt, Amen. Rom. 11.36. Prov. 16.4.

Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken