Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637) (2008)

Informatie terzijde

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (0.00 MB)

ebook (11.07 MB)

XML (23.68 MB)

tekstbestand






Editeur

Nicoline van der Sijs



Genre

non-fictie

Subgenre

vertaling
non-fictie/theologie
bijbel / bijbeltekst(en)


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637)

(2008)–Anoniem Statenbijbel–rechtenstatus Auteursrechtelijk beschermd

Vorige Volgende

Het vj. Capittel.

Godt stelt den volcke levendich voor oogen de nakende aenkomste der Babyloniers, de belegeringe ende inneminge van Ierusalem, ende harer gevanckelicke wechvoeringe, vers 1, 11, 12, 21, 22, etc. vermaentse tot bekeeringe, 8, 16. maer dewijle allerleye boosheyt (wrevel ende gewelt, 7. verstocktheyt, wederspannicheyt, hartneckicheyt, 10, 16, 17, 29, 30. Giericheyt, 13. achterclap, 28. valscheyt ende pluymstrijckerye, der Propheten ende Priesteren, 13, 14, 15. verachtinge van Godts woort, ende navolginge hares eygenen goetdunckens, 19, 28. huychelschen Godtsdienst, 20.) d’overhant hadden; so voorseyt hy haer datse alle, d’een voor d’andere na, ten lande uyt sullen, 9. ende sterckt den Propheet tegen de boosheyt des volcx, ende de vruchteloosheyt sijnes diensts by haer, 27, 29.

1

Ga naar margenoot1 VLuchtet met hoopen, ghy kinderen Benjamins, uyt het midden van Ierusalem, ende blaset de basuyne te Ga naar margenoot2 Thekoa, ende heffet een Ga naar margenoot3 vyerteecken op te Ga naar margenoot4 Beth-Cherem: want daer Ga naar margenoot5 kijckt een quaet uyt van ’t Ga naar margenoota Ga naar margenoot6 Noorden, ende eene groote Ga naar margenoot7 breucke.

2

Ick hebbe [wel] de Ga naar margenoot8 dochter Zions by eene Ga naar margenoot9 schoone ende wellustige [vrouwe] Ga naar margenoot10 vergeleken:

3

[Maer] daer sullen Ga naar margenoot11 herders tot haer komen, met hare Ga naar margenoot12 kudden: sy sullen tenten rontomme tegen haer Ga naar margenoot13 opslaen, sy sullen, een yegelick sijne Ga naar margenoot14 ruymte afweyden.

4

Ga naar margenoot15 Heyliget den krijch tegen haer, maeckt u op, ende laet ons optrecken in den Ga naar margenoot16 middach: ô wee ons, want de Ga naar margenoot17 dach heeft sich gewendt, want de avont-schaduwen Ga naar margenoot18 neygen haer.

5

Maeckt u op, ende laet ons optrecken in der nacht, ende hare Palleysen verderven.

6

Want soo seyt de HEERE der Ga naar margenoot19 heyrscharen; Houwet Ga naar margenoot20 boomen af, ende Ga naar margenoot21 werpet eenen wal op tegen Ierusalem: sy is de stadt die Ga naar margenoot22 besocht sal worden; Ga naar margenoot23 in’t midden van haer is enckel verdruckinge.

7

Gelijck een bornput sijn water Ga naar margenoot24 opgeeft, alsoo geeft sy hare boosheyt op: gewelt ende verstooringe wort in haer gehoort, Ga naar margenoot25 weedom ende plaginge is steedts

[Folio 37v]
[fol. 37v]

voor mijn aengesichte.

8

Laet u Ga naar margenoot26 tuchtigen, Ierusalem, op dat mijne ziele van u niet Ga naar margenoot27 afgetrocken en worde: op dat ick u niet stelle [tot] eene woestheyt, [tot] een onbewoont lant.

9

Soo seyt de HEERE der heyrscharen; Ga naar margenoot28 Sy sullen Israëls overblijfsel Ga naar margenoot29 vlytichlick nalesen, gelijck eenen wijn-stock: Ga naar margenootb Brengt uwe hant weder, gelijck een Ga naar margenoot30 wijnleser, aen de korven.

10

Tot wien sal ick spreken ende betuygen, dat sy ’t hooren? Siet, haer Ga naar margenootc oore is Ga naar margenoot31 onbesneden, dat sy niet en konnen toeluysteren: siet, het woort des HEEREN is hen tot eenen Ga naar margenoot32 smaet, sy en hebben geenen lust Ga naar margenoot33 daer toe.

11

Daerom ben ick vol van des HEEREN Ga naar margenoot34 grimmicheyt, ick ben moede geworden van inhouden; ick Ga naar margenoot35 salse uytstorten over de Ga naar margenoot36 kinderkens op der strate, ende over de vergaderinge der jongelingen te samen: want selfs de man met de vrouwe sullen gevangen worden, de oude met dien die Ga naar margenoot37 vol is van dagen.

12

Ga naar margenootd Ende hare huysen sullen Ga naar margenoot38 omgewendt worden tot anderen, met t’samen de ackeren ende wijven: want ick sal mijne hant uytstrecken tegen de inwoonders deses lants, spreeckt de HEERE.

13

Want van haren kleynsten aen tot haren grootsten toe, Ga naar margenoote Ga naar margenoot39 pleegt een yeder van hen giericheyt: ende van den Ga naar margenoot40 Prophete aen tot den Priester toe, Ga naar margenoot41 bedrijft een yeder van hen valscheyt.

14

Ga naar margenootf Ende sy Ga naar margenoot42 genesen de breucke der dochter mijns volcks Ga naar margenoot43 op ’t lichtste, seggende, Ga naar margenoot44 Vrede, vrede: doch daer en is geen vrede.

15

Ga naar margenoot45 Zijnse beschaemt om datse grouwel bedreven hebben? Ia Ga naar margenoot46 sy schamen sich in ’t minste niet, weten oock niet van schaemroot te maken; daerom sullen sy vallen onder de vallende, ter tijt als ickse besoecken sal, sullen sy struyckelen, seyt de HEERE.

16

Soo seyt de HEERE; Staet op de wegen, ende siet toe, ende vraget nae de Ga naar margenoot47 oude paden, waer doch de goede wech zy, ende wandelt daer in, Ga naar margenootg so sult ghy Ga naar margenoot48 ruste vinden voor uwe ziele: maer sy seggen, Wy en sullen [daer in] niet wandelen.

17

Ick heb oock Ga naar margenoot49 Wachters over ulieden gestelt, [seggende], Luystert nae ’t geluyt der basuyne: maer sy seggen, Wy en sullen niet luysteren.

18

Daerom hooret, Ga naar margenoot50 ghy heydenen, ende verneemt, ô ghy Ga naar margenoot51 vergaderinge, Ga naar margenoot52 wat onder hen is.

19

Hoort toe, ghy Ga naar margenoot53 aerde, siet ick sal een quaet brengen over dit volck, de Ga naar margenoot54 vrucht harer gedachten: want sy en mercken niet op mijne woorden, ende mijne wet die verwerpen sy.

20

Ga naar margenooth Waer toe sal dan de Ga naar margenoot55 wieroock voor my uyt Ga naar margenoot56 Scheba komen? ende de beste Ga naar margenoot57 Calmus uyt verren lande? uwe brantofferen en zijn [my] niet Ga naar margenoot58 behaechlick, ende uwe slachtofferen en zijn my niet Ga naar margenoot59 soet.

21

Daerom seyt de HEERE alsoo; Siet, ick sal desen volcke allerley Ga naar margenoot60 aenstoot stellen: ende daer aen sullen sich stooten t’samen Ga naar margenoot61 vaders ende kinderen, de nabuer ende sijn metgeselle, ende sullen omkomen.

22

Soo seyt de HEERE; Siet, daer komt een volck uyt den lande van’t Ga naar margenoot62 Noorden: ende een Ga naar margenooti groote natie sal Ga naar margenoot63 opgeweckt worden uyt de zijden Ga naar margenoot64 der aerde.

23

Boge ende Ga naar margenoot65 spiesse sullen sy Ga naar margenoot66 voeren, ’t is een wreet [volck], ende sy en sullen niet barmhertich zijn, hare stemme sal bruysen als de zee, ende op peerden sullense rijden: Ga naar margenoot67 het is Ga naar margenoot68 toegerust, als een man ten oorloge tegen u, ô dochter Zions.

24

Wy hebben Ga naar margenoot69 sijn geruchte gehoort, onse handen zijn Ga naar margenoot70 slap geworden: benautheyt heeft ons aengegrepen, weedom, als eener Ga naar margenootk barender [vrouwe].

25

En gaet niet uyt in’t velt, noch en wandelt niet op den wech: want des vyants sweert isser, Ga naar margenoot71 schrick van rontomme.

26

O dochter mijns volcks, Ga naar margenootl gordet eenen Ga naar margenoot72 sack aen, ende Ga naar margenoot73 wentelt u in der Ga naar margenoot74 asschen, maeckt u rouwe Ga naar margenoot75 eens eenigen [soons], een Ga naar margenoot76 seer bitter misbaer: want de verstoorder sal ons snellick overkomen.

27

Ga naar margenoot77 Ick heb u onder mijn volck gestelt [tot] eenen Ga naar margenoot78 wacht-toren, [tot] eene vestinge: op dat ghy haren Ga naar margenoot79 wech soudet weten ende proeven.

28

Sy zijn alle de afvalligste der Ga naar margenoot80 afvalligen, wandelende [in] Ga naar margenoot81 achterclap, sy zijn Ga naar margenootm Ga naar margenoot82 koper ende yser: sy zijn altemael Ga naar margenoot83 verdervers.

29

Ga naar margenoot84 De blaesbalck is verbrant, het loot is van ’t vyer verteert: te vergeefs heeft [de smelter] soo Ga naar margenoot85 vlijtichlick gesmolten, dewijle de boose niet Ga naar margenoot86 afgetrocken en zijn.

30

Ga naar margenoot87 Men noemtse een verworpen silver: want de HEERE heeftse Ga naar margenootn verworpen.

margenoot1
Siet bov. 4. op vers 6. ende verstaet door de kinderen Benjamins, de inwoonders van Ierusalem, als het volgende uytwijst. siet Iud. 1.21. met d’aenteeck.
margenoot2
Siet 2.Sam. 14. op vers 2.
margenoot3
Gelijckmen d’inwoonders in tijt van perijckel voor des vyants aenkomste met alsulcke teeckenen plach te waerschouwen. And. roockteecken. Hebr. verheffinge. vergel. Iud. 20.38, 40.
margenoot4
Siet Nehem. 3. op vers 9. sommige meynen, dat dese plaetse gelegen was tusschen Ierusalem ende Thekoa.
margenoot5
D. vertoont sich, breeckt aen.
margenoota
Ierem. 1.13, 14.
margenoot6
Siet bov. cap. 1. op vers 13.
margenoot7
Als bov. cap. 4.6.
margenoot8
D. Ierusalem, ende voorts de inwoonders.
margenoot9
Ofte, gemackelicke t’huys-blijfster, die t’huys blijft in weelde, om hare voeten te sparen. vergel. Deut. 28.56.
margenoot10
Ofte, ick hadde [haer] gelijck gemaeckt, etc.
margenoot11
De Vorsten der Babyloniers. vergel. ond. 49.19.
margenoot12
Heyr-krachten. Vergel. ond. 49.20.
margenoot13
Hebr. vast-maken, hechten: verstaet hier door, de belegeringe Ierusalems.
margenoot14
Hebr. hant, D. ruymte, plaetse, als elders. siet Iob 1. op vers 14.
margenoot15
D. rustet u, bereydet u tot den krijch, stelt d’oorloge aen, roeptse uyt datmen tegen Ierusalem optrecke, als volcht. Vergel. ond. 12.3. ende 22.7. ende 51.27, 28. dit zijn de woorden der Babyloniers, die de Prophete aldus sprekende invoert, als oock wederom vers 5.
margenoot16
Als ond. 15.8. D. by hellen dage, sonder schroom, in’t openbaer.
margenoot17
D. onse goede dagen zijn uyt, tegenspoet ende jammer is nakende: somen ’t neemt voor tusschen gevoechde woorden der Ioden. Anders konnen’t oock de woorden der Babyloniers zijn, die haer beklagen, datse tijt versuymen, ende niet genoech en haesten, hakende nae den roof als hittige krijchs-lieden plegen te doen.
margenoot18
Ofte, breyden, strecken haer uyt, D. worden groot, het begint doncker te worden: waer door droeffenisse ende elende verstaen kan worden. Siet Gen. 15. op vers 12.
margenoot19
Siet 1.Reg. 18. op vers 15.
margenoot20
Om tot een bolwerck te gebruycken. Siet Deut. 20.19.
margenoot21
Als Iudic. 20.15. Siet aldaer.
margenoot22
Vergel. bov. cap. 5.9, 29.
margenoot23
Hebr. Sy geheel, verdruckinge is in’t midden van haer. D. aengaende dese gantsche stadt, daer en gaet binnen haer over al niet in swanck, dan enckel verdrucken met list ofte gewelt, sy is vol bedriegers ende geweldenaers.
margenoot24
Ofte, opwelt.
margenoot25
Die sy met overlast den naesten aendoen, makende dat de verdruckte over al kermen ende krijten.
margenoot26
Ofte, onderwijsen.
margenoot27
Ofte, los worde, scheyde, ontledet worde, gelijck het eene lidt van het ander: eene seer beweeglicke maniere van spreken, siende op Godts gunste ende weldadicheyt, die hy deser stadt (als een man sijner vrouwe) toegedragen ende bewesen hadde. vergel. bov. 2.2, 3.
margenoot28
De Babyloniers.
margenoot29
Hebr. nalesende nalesen, soo datter niets, dat weerdich is, over en blijve, maer alles uyt ende wech gevoert worde, gelijckmen de druyven in den wijnoogst naleest. Vergel. 2.Reg. 24.15, 16. ende 25.11, 12. ende ond. 52.28, 29, 30. ende siet van dese gelijckenisse Iud. 8. op vers 2. ende 20. op vers 45.
margenootb
Ies. 24.13.
margenoot30
Ofte, druyvenleser, die den eenen korf voor, den anderen na met druyven vervult ende wechdraecht, alsoo sullen de Babyloniers tot malkanderen seggen: ghy moet al weder henen, om nu een deel ende dan een deel Ioden te halen. sommige houden dit voor Godts woorden, als bevel gevende aen den vyant om sulcks te doen.
margenootc
Ierem. 7.26.
margenoot31
Als met een voorhuyt overtogen. sulcx datse onbequaem zijn tot toeluysteringe ofte opmerckinge. Vergel. Levit. 26.41. Act. 7.51. ende bov. 5.21.
margenoot32
Sy versmaden ’t ende drijven haren spot dae rmede.
margenoot33
T.w. in, ofte aen des Heeren woort: ofte, aen hem, T.w. den Heere.
margenoot34
D. van des Heeren grimmicheyt te verkondigen, ofte, propheteren.
margenoot35
And. stort uyt, als of de Heere, ofte de Prophete door den Geest des Heeren, seyde: ’t is lang genoech getoeft, segt ronduyt, dat Godts grimmicheyt sal worden uytgestort, sonder eenige verschooninge.
margenoot36
Hebr. het kindeken. Siet van het Hebr. woort. Psal. 8. op vers 3.
margenoot37
D. seer out, welbedaecht, stock-out.
margenootd
Deut. 28.30.
margenoot38
D. sullen van u op andere komen diese sullen besitten, als Num. 36.7.
margenoote
Iesa. 56.11. Ierem. 8.10.
margenoot39
Hebr. als ofmen seyde: Is giericheyt gierende. D. haeckt nae vuyl gewin.
margenoot40
Verstaet de valsche Propheten.
margenoot41
Hebr. doet. D. gaet om met leugen ende valscheyt. Vergel. bov. 5.31. ende ond. cap. 8.10. etc. alwaer vast de selve woorden worden wederhaelt.
margenootf
Ierem. 8.11. Ezech. 13.10.
margenoot42
D. sy troosten mijn volck tegen de gedreychde elende.
margenoot43
Ofte, als eene lichte sake, ofte, breucke. door een lichte reden, met een praetjen, als of het jock ende scherts ware, of de sonden ende de gedreygde straffe niet te beduyden en hadden.
margenoot44
D. ’t sal wel gaen, ’t en heeft geenen noot.
margenoot45
And. hebben sy (de Propheten ende Priesters) [mijn volck] beschaemt, wanneer sy grouwel bedreven?
margenoot46
Propheten ende Priesteren schaemen haer selven niet, noch en beschamen de boosdoeners niet: so datter by niemanden eenige schaemte gevonden wort. Hebr. schamende en schamen sy haer niet.
margenoot47
Hebr. paden der eeuwicheyt. D. die Godt sijn volck in voortijden altoos geleert ende geleydt heeft, om hen tot de salicheyt te brengen. Vergel. bov. 2. op vers 17. ende ond. 18.15.
margenootg
Mat. 11.29.
margenoot48
Troost ende salicheyt.
margenoot49
Propheten, die u de nakende straffen sullen verkondigen ende uytroepen, gelijck de wachters, die op hoochten gestelt zijn om verre van haer te sien, ende van des vyants aenkomste, ofte ander onraet, met de basuyne te waerschouwen. Siet Ies. 21.11. Ezech. 3.17. ende 33.7, etc.
margenoot50
Om getuygen te zijn van de grouwelicke ondanckbaerheyt ende hartneckicheyt mijns volcks, ende de rechtveerdicheyt mijner oordeelen over hen.
margenoot51
Der natien.
margenoot52
Wat boosheyt onder mijn volck in swange gaet.
margenoot53
Siet Deut. 4. op vers 26. ende 32. op vers 1.
margenoot54
De wel verdiende straffe harer booser nucken ende aenslagen. Siet Prov. 1. op vers 31. ende onder 17.10.
margenooth
Ies. 1.11. ende 66.3. Amos 5.21. Mich. 6.6, etc.
margenoot55
Die ghy met moeyte ende kosten laet komen, om reucwerck voor my te maken, quanswijs om my te behagen.
margenoot56
Siet Gen. 10. op vers 7. ende Iesa. 60.6.
margenoot57
Ofte, Caneel, welrieckende riet, ofte, pijpe. als Exod. 30.23.
margenoot58
Hebr. tot, ofte, nae welbehagen, ofte, welgevallen, aengenaemheyt. D. ick en heb daer in geen behagen. Vergel. Psal. 19.15. Ies. 56.7.
margenoot59
D. aengenaem.
margenoot60
Hebr. in’t getal van velen, aenstooten. aldus noemt de Heere alle de instrumenten, middelen, ende occasien vande ruijne der Ioden.
margenoot61
Alle soorten van menschen, van wat conditie ofte qualiteyt sy zijn.
margenoot62
Als bov. vers 1.
margenooti
Ierem. 50.41, 42, 43.
margenoot63
Van Godt, om op te trecken nae de palen van Iuda, ende van daer tot binnen in’t lant.
margenoot64
Ofte, des lants. D. eynden, uyterste deelen, ofte grenzen.
margenoot65
Ofte, standaertspiesse, stange. Siet Ios. 8. op vers 18.
margenoot66
Hebr. aengrijpen. D. houden ende voeren. Vergel. onder 50.42, etc. alwaer even het selve gepropheteert wort van de Meden ende Persen, die over Babel souden komen.
margenoot67
T.w. dit volck, ofte, een yder, T.w. van dit volck.
margenoot68
Ofte, in order gestelt.
margenoot69
Het geruchte van deses volcx aenkomste. dit is eene levendige beschrijvinge des toekomenden ongevals.
margenoot70
De moet is ons ontsoncken. Siet 2.Sam. 4. op vers 1.
margenootk
Ierem. 4.31. ende 49.24. ende 50.43.
margenoot71
Als onder 49.29.
margenootl
Ierem. 4.8.
margenoot72
Als bov. cap. 4.8.
margenoot73
And. besprengt u met, etc.
margenoot74
Siet 2.Sam. 1. op vers 2. ende ond. 25.34.
margenoot75
D. als over den doot van eenen eenichgeborenen soon. siet Amos 8.10. Zach. 12.10.
margenoot76
Hebr. misbaer der bitterheden.
margenoot77
Woorden Godts tot Ieremiam.
margenoot78
Ofte, proef-toren, eenen toren van bespiedinge, toesicht. Vergel. Ies. 23.13. And. eene beproefden toorn. D. beproeft van vasticheyt. D. eenen vasten onverwinnelicken toren. vergel. bov. cap. 1.18.
margenoot79
D. op haer doen soudet letten, dat ondersoecken, ende daer van een recht oordeel spreken, ende hen aenseggen.
margenoot80
D. de snootste afvallige, diemen soude konnen vinden: vergel. Gen. 9. op vers 25.
margenoot81
Lasterende my, mijn woort, mijne Propheten, u in’t bysonder, ende ruyen malkanderen door achterklap tegen u op. Siet van de maniere van spreken Levit. 19. op vers 16.
margenootm
Ezech. 22.18.
margenoot82
D. hartneckich, ofte, van kleyner weerde, daerse als gout ende silver behoorden te zijn. Vergel. Ezech. 22.18, etc.
margenoot83
Verdervende haer selven ende andere. and. verdorvene [kinderen].
margenoot84
De sin deser woorden is, dat al den arbeyt, dien de goede Propheten hebben aengewent om dit volck van het schuym der sonden te suyveren, vergeefsch geweest is. De gelijckenisse is genomen van het reynigen der metalen.
margenoot85
Hebr. gesmolten smeltende, om te louteren, and. te vergeefs heeft de smelter gesmolten.
margenoot86
D. van het schuym harer boos heyt niet en hebben konnen afgescheyden worden. and. de boosheden, boose dingen, D. al ’t quaet: gelijck het Hebr. woort (dat anders doorgaens, de quade, beteeckent) oock genomen wort Psal. 78.49. Vergel. onder 15.19. alwaer de selve gelijckenisse gebruyckt wort, doch by andere gelegentheyt: het zijn twee onderscheydene saken, de boose te suyveren van hare boosheyt, ende de vroome t’onderscheyden van de boose.
margenoot87
Hebr. sy noemense, ofte, hebbense genoemt, D. men noemtse, sy worden genoemt: als elders dickwils.
margenootn
Ies. 1.22.

Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken