Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637) (2008)

Informatie terzijde

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (0.00 MB)

ebook (11.07 MB)

XML (23.68 MB)

tekstbestand






Editeur

Nicoline van der Sijs



Genre

non-fictie

Subgenre

vertaling
non-fictie/theologie
bijbel / bijbeltekst(en)


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637)

(2008)–Anoniem Statenbijbel–rechtenstatus Auteursrechtelijk beschermd

Vorige Volgende

Het vij. Capittel.

1 D’Apostel in het voorgaende Capittel verklaert hebbende dat de sonde over de gene, die in Christo zijn, niet meer en heerscht, gelijck sy heerscht over de gene die onder de Wet zijn, bewijst nu het selve door het exempel van de vry-makinge eener vrouwe vande heerschappie hares mans door de doodt des mans. 4 Ende past dat op de weder-geborene. 7 Leert voorts waer toe de Wet dient: ende bewijst dat de Wet geen oorsake en is van de sonde in de onweder-geborene, al heerscht de sonde door de Wet over haer. 14 Beschrijft daer nae den strijdt tusschen vleesch ende geest, ende wijst aen de macht die de overblijfselen des vleeschs noch hebben tegen den geest in de geloovige. 24 Besluyt dese verklaringe met eene klachte, ende met eenen wensch om van desen strijdt geheel verlost te zijn, ende met eene danck-segginge tot Godt over de verlossinge alreede geschiet.

1

EN weet ghy niet Broeders, (want ick spreke tot de gene die Ga naar margenoot1 de Wet

[Folio 80v]
[fol. 80v]

verstaen) dat de Wet Ga naar margenoot2 heerscht over den mensche, Ga naar margenoot3 so langen tijdt als hy leeft?

2

Ga naar margenoota Want een wijf Ga naar margenoot4 die onder den man staet, Ga naar margenoot5 is aen den levenden man Ga naar margenootb verbonden door de wet: maer indien de man gestorven is, so is sy Ga naar margenoot6 vrygemaeckt Ga naar margenoot7 vande wet des mans.

3

Ga naar margenootc Daerom dan indien sy Ga naar margenoot8 eenes anderen mans wert, terwijle de mans leeft, so sal sy een overspeelster Ga naar margenoot9 genaemt worden: maer indien de man gestorven is, so is sy vry van de wet, alsoo dat sy geen overspeelster en is, als sy eenes anderen mans wort.

4

So dan, mijne Broeders, Ga naar margenootd ghy zijt oock Ga naar margenoot10 der Wet gedoodet Ga naar margenoot11 door het lichaem Christi, op dat ghy soudet worden Ga naar margenoot12 eens anderen, [namelijck] des genen Ga naar margenoot13 die van den dooden opgeweckt is, Ga naar margenoot14 op dat wy Gode vruchten dragen souden.

5

Want doe wy Ga naar margenoot15 in den vleesche waren, de bewegingen der sonden, Ga naar margenoot16 die door de Wet zijn, Ga naar margenoot17 wrochten in onse leden, om den doot vruchten te dragen.

6

Maer nu zijn wy Ga naar margenoot18 vry gemaeckt van de Wet, Ga naar margenoot19 overmits wy dien gestorven zijn, Ga naar margenoot20 onder welcken wy gehouden waren: alsoo dat wy Ga naar margenoot21 dienen Ga naar margenoot22 Ga naar margenoote in nieuwicheyt des geests, ende niet Ga naar margenoot23 [in] de outheyt der letter.

7

Wat sullen wy dan seggen? Ga naar margenoot24 Is de Wet sonde? Dat zy verre: Ia Ga naar margenootf Ga naar margenoot25 ick en kende de sonde niet dan door de Wet. Want oock en hadde ick Ga naar margenoot26 de begeerlicheyt niet geweten [sonde te zijn], indien de Wet niet en seyde, Ga naar margenootg Ghy en sult niet begeeren.

8

Ga naar margenooth Maer Ga naar margenoot27 de sonde Ga naar margenoot28 oorsaecke genomen hebbende door het gebodt, heeft in my Ga naar margenoot29 alle begeerlickheydt gewrocht. Want Ga naar margenoot30 sonder de Wet is de sonde Ga naar margenoot31 doodt.

9

Ende sonder de Wet, Ga naar margenoot32 soo leefde ick Ga naar margenoot33 eertijts, maer Ga naar margenoot34 als het gebodt gecomen is, so is de sonde weder Ga naar margenoot35 levendich geworden, Ga naar margenoot36 doch ick ben gestorven.

10

Ende het gebodt Ga naar margenoot37 dat ten leven was, ’tselve is my Ga naar margenoot38 ten doot bevonden.

11

Want de sonde oorsaecke genomen hebbende door het gebodt, Ga naar margenoot39 heeft my verleydt, ende door het selve gedoodt.

12

Ga naar margenooti Also is dan de Wet heyligh, ende het gebodt is heyligh, ende rechtveerdigh, ende goedt.

13

Is dan het goede my Ga naar margenoot40 de doodt geworden? Dat sy verre. Maer de sonde [is my de doodt geworden]: op dat sy soude openbaer worden sonde [te zijn], werckende my door het goede den doodt: op dat de sonde boven maten wierde sondigende Ga naar margenoot41 door het gebodt.

14

Ga naar margenoot42 Want wy weten dat de Wet Ga naar margenoot43 geestelick is, maer Ga naar margenoot44 ick ben vleeschelick Ga naar margenootk Ga naar margenoot45 verkocht onder de sonde.

15

Want ’t gene ick Ga naar margenoot46 doe, dat Ga naar margenoot47 en kenne ick niet. Ga naar margenootl Want Ga naar margenoot48 ’t gene ick wil dat Ga naar margenoot49 en doe ick niet, maer Ga naar margenoot50 ’t gene ick hate dat doe ick.

16

Ende indien ick ’t gene doe dat ick niet en wil, Ga naar margenoot51 so stemme ick de Wet toe dat sy goedt is.

17

Ga naar margenoot52 Ick dan en doe dat selve nu niet meer, maer Ga naar margenoot53 de sonde die in my woont.

18

Ga naar margenootm Want ick weet dat in my, dat is, in mijnen vleesche geen goet en woont: want het willen Ga naar margenoot54 is [wel] by my, maer Ga naar margenoot55 het goedt te doen dat en vinde ick niet.

19

Want het goedt dat ick wil, en doe ick niet, maer het quaet dat ick niet en wil, dat doe ick.

20

Indien ick ’t gene doe dat ick niet en wil, so en doe ick nu ’t selve niet meer, maer de sonde die in my woont.

21

So Ga naar margenoot56 vinde ick dan Ga naar margenoot57 dese wet [in my], als ick het goet wil doen, dat het quaet my Ga naar margenoot58 bylight.

22

Ga naar margenootn Want ick hebbe een vermaecken inde Wet Godts Ga naar margenoot59 na den inwendigen mensche:

23

Ga naar margenooto Maer ick sie een andere wet Ga naar margenoot60 in mijne leden, welcke strijdt tegen Ga naar margenoot61 de wet mijnes gemoets, ende my Ga naar margenoot62 gevangen neemt onder de wet der sonde, die in mijne leden is.

[Folio 81r]
[fol. 81r]

24

Ick elendigh mensche! wie sal my verlossen Ga naar margenoot63 uyt het lichaem deses doodts?

25

Ga naar margenoot64 Ick dancke Godt door Iesum Christum onsen Heere.

26

Ga naar margenoot65 So dan ick selve diene wel Ga naar margenoot66 met den gemoede de Wet Godts, maer met den vleesche de Wet der Sonde.

margenoot1
N. door Mosem gegeven: welcke niet alleen de Ioden maer oock de Christenen schuldigh zijn te verstaen.
margenoot2
D. den mensche verbindt om die te gehoorsamen.
margenoot3
N. dien de Wet is gegeven: want de Wet en gebiedt eygentlick niet den dooden maer den levenden.
margenoota
1.Cor. 7.39.
margenoot4
Namel. door den bandt des houwelicks.
margenoot5
Nam. om hem getrouwe ende gehoorsaem te zijn, so lange hy leeft. Want hoe wel den man in’t Oude Testament toe-gelaten was de vrouwe eenen scheydbrief te geven, so en is nochtans sulck verlaten van Godt noyt voor goet gekent. Siet Matth. 19.8.
margenootb
1.Cor. 7. vers 2, 10.
margenoot6
Gr. ledigh gemaeckt, dat is, los ende vry gemaeckt.
margenoot7
D. van de verbintenisse daer mede haer de Wet aen den man verbindt.
margenootc
Matth. 5.32.
margenoot8
D. aen een ander man trouwt ende sijn wijf wordt, gelijck oock in’t eynde van het selve vers.
margenoot9
D. inder daet zijn, ende met recht genaemt worden, gelijck dit Griecksch woort Chrematizein oock genomen wort, Actor. 11.26.
margenootd
Galat. 2.19. 1.Pet. 4.1.
margenoot10
De teghen-stellinge scheen te vereyschen, dat d’Apostel soude seggen, de Wet is u gedoodet, ofte gestorven, alsoo de heerschende macht der sonde door de Wet, ofte, de Wet selve hier als de man gestelt wort, die over ons heerscht door sijne dreygementen tegen de sonde, ende aenritsingen tot de sonde van wegen de verkeertheydt onses vleesch, gelijck hy hier nae vers 8 sal verklaren: maer de Apostel heeft het selve liever omgekeert, om dat het vremt soude geschenen hebben, soo hy geseght hadde dat de Wet van Christo gedoodt was, daer hy maer en verstaet dat de heerschende macht der Wet gedoodt was: het welck door dese wijse van spreken, wy zijn der Wet gedoodet, dat is, de Wet en heeft dese dreygende ende aenritsende macht niet meer over ons, dewijle wy doodt voor haer zijn, wel soo bequamelick kan verstaen worden.
margenoot11
Dat is, door de offerande des lichaems Christi aen het cruyce volbracht, daer door hy den vloeck des Wets ende de macht der sonde onder de Wet heeft te niete gedaen, ende ons daer van verlost: gelijck in het voorgaende capit. breeder is verklaert. Siet oock 1.Corinth. 15. versen 56, 57.
margenoot12
Ofte, voor eenen anderen. Namel. Christo Iesu.
margenoot13
Namel. niet alleen om selve te leven, maer om ons oock met hem te doen leven, ende met hem te vereenigen.
margenoot14
Namel. de vruchten van dit geestelick houwelick met Christo, welcke zijn de vruchten van heyligheydt ende rechtveerdigheydt, daer door Godt van ons wordt ge-eert ende gepresen, Ioan. 15.8.
margenoot15
D. in de verdorventheydt onser natuere ende heerschappye der selve. Siet hier nae cap. 8.5. ende volgens.
margenoot16
D. die door de Wet ontdeckt ende op-geritst worden, gelijck door de Sonne de quade dampen ontdeckt ende opgeweckt worden, die in het aertrijck verborgen zijn. Siet vers 8.
margenoot17
D. de verdorventheydt die in de ziele voornamelick hare sit-plaetse hadde, verspreydde haer door hare quade bewegingen door alle de leden, ende brocht door de selve dese quade vruchten voort, waer van het eynde de doot is. Siet Matth. 15. versen 18, 19. Iacob. 1. versen 14, 15.
margenoot18
Siet hier voren de aenteeck. vers 4.
margenoot19
D. overmits de heerschende macht der Wet ende der sonde door Christi doodt ende Geest in ons is te niete gedaen. And. overmits die gestorven is. Namel. de Wet, ten aensien van sijne dwingende, verdoemende, ende aenritsende kracht.
margenoot20
Gr. in welcken.
margenoot21
Namel. Gode.
margenoot22
D. in ware heyligheyt, waer toe wy van den heyligen Geest zijn vernieuwt door de predicatie des Euangeliums, die een dienst der rechtveerdigheyt ende des Geest wort genaemt. 2.Corinth. 3. versen 8, 9.
margenoote
Rom. 2.29. 2.Corinth. 3.6.
margenoot23
D. in de oude verdorventheyt, die door de uytwendige letter der Wet meer ende meer wort aengeritst tot de sonde:alsoo de Wet den sondaer wel verdoemt, maer de kracht niet mede-brenght om de sonde te laten. Waerom de Wet een dootslaende letter, ende een dienst des doodts wordt genaemt. 2.Corinth. 3. versen 6, 7.
margenoot24
D. oorsake der sonde, welcke tegenwerpinge hier uyt rijst dat de Apostel te voren vers 5 geseght hadde dat de sonde door de Wet krachtigh was in ons, daerom verklaert hy inde 7 volgende verssen hoe dit moet verstaen worden.
margenootf
Rom. 3.20. Heb. 7.18.
margenoot25
Namel. ten vollen ende alsoo ick behoorde. Want andersins leert oock de natuere een onderscheyt van goet ende quaet in vele dingen. Rom. 2.15.
margenoot26
Hier wort de begeerlickheydt genomen voor den gront van alle quaden begeerten, ende voor de eerste bewegingen der selve. Want de begeerlickheyt daer wy in bewilligen wisten oock de Heydenen wel dat sonde was: maer dese eerste bewegingen tot het quaet en hielden sy voor geen sonde, gelijck oock niet de Phariseen, waer onder Paulus geweest was. Siet Matth. 5. versen 20, 22, 28. ende 23.25, etc.
margenootg
Exod. 20.17. Deut. 5.21.
margenooth
Ioan. 15.22. Rom. 4.15. ende 5.20. Galat. 3.19.
margenoot27
D. de verdorventheyt die in ons is.
margenoot28
Ofte, gaende geworden zijnde. Want de Wet niet alleen de sonde ontdeckt ende vernoemt, gelijck in het voorgaende vers is betuyght, maer de verdorventheydt die in de mensche is, wordt door dese kennisse verweckt ende gaende gemaeckt tegen het gebodt, wanneer Godts Geest het selve niet en belet.
margenoot29
D. allerley soorte van dadelicke begeerlickheyt.
margenoot30
D. sonder de rechte kennisse der Wet.
margenoot31
D. toont hare kracht soo niet.
margenoot32
Ofte, was ick levendigh. dat is, ick meynde dat ick rechtveerdigh was, ende was daer op gerust. Siet diergelick exempel in dien jonghelinck Matth. 19. versen 16, 17, 18, etc. ende in de Phariseen in het gemeyn, Matth. 23.28.
margenoot33
Namel. noch een Phariseer zijnde.
margenoot34
Namel. tot mijne rechte kennisse, ende dat ick verstont dat oock de inwendige begeerten tegen de Wet sonde zijn.
margenoot35
Dat is, ick hebbe de menichte der sonde, die in my wacker geworden was, levendigh gevoelt.
margenoot36
D. is, ick ben in mijn gemoet overtuyght dat ick midden in de doot lagh, ende hebbe den moet verloren, van door de gehoorsaemheydt der Wet te konnen behouden worden, Rom. 4.15. 2.Cor. 3. versen 6, 7, 9.
margenoot37
N. voor de gene die de Wet souden volkomelick onderhouden. Rom. 10.5. Gal. 3.12, etc. het welck den mensche onmogelick is. Rom. 8.3.
margenoot38
Nam. door mijne verdorvenheyt ende overtredinge.
margenoot39
Siet d’aenteeck. V.8.
margenooti
1.Timoth. 1.8.
margenoot40
D. een oorsaecke des doodts, gelijck vers 7.
margenoot41
N. gelijck te voren op het 8 vers verklaert is.
margenoot42
Tot hier toe heeft d’Apostel gesproken van de macht der Wet ende der sonde in den verdorvenen ende onwedergeborenen mensche, gelijck hy oock selve eertijds ervaren hadde, doe hy noch in sulcken stant was vers 9. maer nu komt hy ende spreeckt van hem selven, gelijck hy doe was, ende verklaert wat macht de overblijfselen des sondigen vleeschs noch in hem hadden, nae dat hy nu van de heerschappie der sonde was verlost, gelijck alle sijne redenen, die volgen, van den tegenwoordigen tijdt spreken, ende niet van den voorledenen.
margenoot43
D. is, die niet alleen een uytwendige maer oock een inwendige gehoorsaemheyt des herten vereyscht, ende den volmaeckten regel van een geestelick ende heyligh leven voorschrijft, gelijck Christi de somme daer van verklaert, Mat. 22.37.
margenoot44
N. noch ten deele, ten aensien van de overblijfselen des vleeschs die noch in my zijn, gelijck hy verklaert. Vers 18. ende 23. Want dat oock de weder-geborene, ten aensien van eeenige gebreken die noch in haer zijn, vleeschelick konnen genaemt worden, blijckt 1.Cor. 3.1.
margenootk
Iesai. 52.3.
margenoot45
N. niet als een gewillige slave, die de begeerte der sonde in allen soude volgen, gelijck van Achab gesegt wort. 1.Reg. 21.20. maer die tegen sijnen danck ende wille de begeerten ende aenvallen der sonde noch is onderworpen, sonder dat hy hem daer van noch teenemael kan ontslaen, hoe wel hy die ernstelick wederstaet, ende ten meerderen deele door den Geest Godts, die in hem is, overwint, Siet diergelijck Galat. 5. versen 17, 18.
margenoot46
Gr. wercke, ofte volbrenghe. De Apostel neemt hier het woordt doen, gelijck oock in het volgende, niet altijdt van de uytwendige daedt: want de wedergeborene en wandelen niet na den vleesche maer na den Geest. Rom. 8.1. hoe wel sy hare gebreken hebben, die sy met leetwesen beklagen. Iob. 9. versen 2, 3. Psal. 130.3. maer hy spreeckt hier voornamelick van de inwendige bewegingen der sonde, die hy haet, ende die de verdorvene natuere in hem menichmael doet rijsen tegen sijnen danck, gelijck hy oock spreeckt van de begeerlickheyt des vleeschs, Galat. 5.17. alsoo dat ghy niet en doet dat ghy wilt: daer hy nochtans te voren in ’t 16 vers geseght hadde, wandelt nae den Geest, ende ghy en sult de begeerlickheydt des vleeschs niet volbrengen.
margenoot47
Namelick, voor goedt. Dat is, dat en stae ick niet toe, gelijck hy daer nae verklaert. Siet Psal. 1.6. Matt. 7.23.
margenootl
Galat. 5.17.
margenoot48
D. het goet dat ick wil, gelijck vers 19.
margenoot49
Namel. in sulcke volmaecktheyt als ick wel wilde, gelijck vers 18.
margenoot50
Dat is het quaet daer ick eenen afkeer van hebbe, ende dat ick niet en wil: gelijck vers 19.
margenoot51
Namel. dewijle ick niet en wil noch voor goet en houde de begeerlickheydt die sy verbiedt.
margenoot52
Namel. nae den inwendigen mensche, gelijck hy verklaert vers 22.
margenoot53
D. de overblijfselen der verdorvenheyt die noch in my zijn, gelijck hy verklaert vers 18. ende 20.
margenootm
Genes. 6.5. ende 8.21.
margenoot54
Gr. light my by. Namel. door de genade Godts die het selve in my werckt. Philip. 2.13.
margenoot55
Namel. in sijne volmaecktheydt. Siet Philip. 3. versen 12, 13, 14.
margenoot56
D. bevinde.
margenoot57
De Apostel noemt hier alsoo, gelijck oock vers 23. by gelijckenisse, de overgeblevene verdorventheydt in den geloovigen, om dat gelijck een Wet door hare geboden ende verboden den mensche vermaent ende verplicht tot hare gehoorsaemheydt, alsoo oock de inwoonende sonde haer daer toe drijft door hare begeerten ende aenritsingen. Siet vers 23.
margenoot58
Ofte, aenlight. dat is aenkleeft ofte aenhanght. Namel. door de overblijfselen der verdorvene natuere.
margenootn
Ephes. 3.16.
margenoot59
Hier door en wordt niet verstaen de natuerlicke reden des menschen, die oock somwijlen wel strijdt voor de burgerlicke deught: want de Schriftuere doorgaens getuyght dat de reden des natuerlicken mensches in geestelicke saken blindt ende verkeert is, de selve voor dwaesheydt houdt 1.Cor. 2.14. vyandtschap is tegen Godt, ende de Wet Godts niet en wort onderworpen, Iae oock niet en kan. Rom. 8.7. maer wordt verstaen van den mensche voor soo veel hy inwendigh door Godts Geest verlicht ende wedergeboren is. Rom. 2.29. 2.Corinth. 4.16. Ephes. 3.16. welcke inwendige mensche in de Wet Godts, die geestelick is vers 14. sijn vermaken heeft. Psal. 1.2. Rom. 8.5.
margenooto
Galat. 5.17.
margenoot60
D. in mijn vleesch. versen 5, 18.
margenoot61
Ofte, de wet mijns verstants. dat is, tegen het voor-schrift ende bewegingen des inwendigen ende nieuwen mensches: gelijck hier voren verklaert is.
margenoot62
D. my noch tegen mijnen danck aenkleeft vers 14.
margenoot63
Ofte, uyt dit lichaem des doots. het welck verstaen kan worden, ofte van de overblijfselen der sonde ende des ouden menschen, die het lichaem der sonde genoemt worden, Rom. 6.6. Ofte, van ’t lichaem, des menschen, dat hier sterflick is, ende van wegen de sonde den doot onderworpen, Rom. 8.10. want wy van dese overblijfselen der sonde, ende van dese gevangenisse, met eer ten vollen en sullen worden verlost, voor dat wy dit sterflick lichaem sullen afgeleght hebben.
margenoot64
Nam. dat hy my alreede soo verre door Christum verlost heeft vande heerschappie der sonde, dat ick nu, hoe wel de sonde my noch aenkleeft, nochtans geen gewillige slave der selve meer en ben, maer daer tegen strijde, ende die door Christi Geest kan overwinnen: gelijck het besluyt dat volght, ende het begin van het volgende cap. mede-brenght. Siet 1.Cor. 15. versen 55, 56, 57.
margenoot65
Dit is het besluyt van desen geheelen strijdt.
margenoot66
D. na den inwendigen mensche. vers 22 die d’Apostel nu erkent hy selve te zijn, ofte syn eygen te zijn, daer het vleesch na de wedergeboorte maer een vreemt aenhanghsel en is, het welck allengskens versleten ende wech geworpen moet worden.

Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken