Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637) (2008)

Informatie terzijde

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (0.00 MB)

ebook (11.07 MB)

XML (23.68 MB)

tekstbestand






Editeur

Nicoline van der Sijs



Genre

non-fictie

Subgenre

vertaling
non-fictie/theologie
bijbel / bijbeltekst(en)


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Biblia, dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments (Statenvertaling 1637)

(2008)–Anoniem Statenbijbel–rechtenstatus Auteursrechtelijk beschermd

Vorige Volgende

Het x. Capittel.

Na eene betuyginge van sijne genegentheyt tot de Ioden, handelt d’Apostel breeder vande naeste oorsake harer wederspannigheyt tegen Christum. 5. Stelt daer nae een onderscheyt, selfs met de woorden Mosis, tusschen de rechtveerdigheydt der Wet, daer de Ioden haer aen hielden, ende de rechtveerdigheyt des geloofs, dat sy verwierpen, ende beschrijftse beyde met hare eygenschappen. 12 Verklaert voorder dat Godt door de predicatie des Euangeliums nu in de geheele werelt beyde Ioden ende Griecken roept tot het geloove in Christum. 16 maer dat het meerderen-deel der Ioden dese roepinge ongehoorsaem waren, ende dat de Heydenen daer en tegen de selve gehoorsaemden. 19 het welck hy bewijst alsoo door de Propheten voorseght te zijn.

1

BRoeders, de toegenegenheyt mijns herten, ende het gebedt dat [ick] tot Godt voor Israël [doe], is Ga naar margenoot1 tot [hare] salicheyt.

2

Want ick geve haer getuygenisse, dat sy Ga naar margenoot2 Ga naar margenoota eenen yver tot Godt hebben, maer Ga naar margenoot3 niet met verstandt.

3

Want alsoo sy Ga naar margenoot4 de rechtveerdicheyt Godts niet en kennen, ende Ga naar margenoot5 hare eygene gerechticheyt soecken Ga naar margenoot6 op te richten, so en

[Folio 83r]
[fol. 83r]

zijn sy der rechtveerdicheyt Godts Ga naar margenoot7 niet onderworpen.

4

Ga naar margenootb Want Ga naar margenoot8 het eynde der Wet is Christus, tot rechtveerdicheyt een yegelick die gelooft.

5

Ga naar margenoot9 Want Moses beschrijft de rechtveerdicheyt die uyt de Wet is, [seggende] Ga naar margenootc De mensche Ga naar margenoot10 die dese dingen doet, sal door de selve leven.

6

Maer de rechtveerdicheyt die uyt den geloove is Ga naar margenoot11 spreeckt aldus, Ga naar margenootd Ga naar margenoot12 En seght niet Ga naar margenoot13 in uw’ herte, Ga naar margenoot14 Wie sal in den hemel opklimmen? Ga naar margenoot15 ’t selve is Christum [van boven] afbrengen.

7

Of, Wie sal Ga naar margenoot16 in den afgront nederdalen? Ga naar margenoot17 ’t selve is Christum uyt den dooden opbrengen.

8

Maer Ga naar margenoot18 wat seght’se? Na by u is het woordt in uwen monde ende in uw’ herte. Ga naar margenoot19 Dit is het woort des geloofs ’twelck Ga naar margenoot20 wy prediken.

9

[Namelijck] Indien ghy met uwen mondt Ga naar margenoot21 sult belijden Ga naar margenoot22 den Heere Iesum, ende met uw’ herte gelooven, dat hem Godt Ga naar margenoot23 uyt den dooden opgeweckt heeft, so sult ghy salich worden.

10

Want met der herten Ga naar margenoot24 gelooftmen ter rechtveerdicheyt, ende met den monde Ga naar margenoot25 belijdt men ter salicheyt.

11

Want de Schrift seght, Een yegelijck die Ga naar margenoot26 Ga naar margenoote in hem gelooft, die Ga naar margenoot27 en sal niet beschaemt worden.

12

Ga naar margenootf Want daer en is Ga naar margenoot28 geen onderscheydt noch van Iode noch van Grieck. Want Ga naar margenoot29 een selve is Heere van allen, Ga naar margenoot30 rijck zijnde over alle Ga naar margenoot31 die hem aenroepen.

13

Ga naar margenootg Want een yegelijck, die den name des Heeren sal aenroepen, sal salich worden.

14

Ga naar margenoot32 Hoe sullen sy dan [hem] aenroepen, in welcken sy niet gelooft en hebben? Ende hoe sullen sy [in hem] gelooven, van welcken sy Ga naar margenoot33 niet gehoort en hebben? Ende hoe sullen sy hooren sonder Ga naar margenoot34 die [haer] predike?

15

Ende Ga naar margenoot35 hoe sullen sy prediken, indien sy niet Ga naar margenoot36 gesonden en worden? Gelijck geschreven is, Ga naar margenooth Hoe Ga naar margenoot37 lieflijck zijn de voeten der gene die Ga naar margenoot38 vrede vercondigen, der gene die het goede verkondigen!

16

Doch sy en zijn niet Ga naar margenoot39 alle den Euangelio gehoorsaem geweest. Want Esaias seght, Ga naar margenooti Heere wie heeft onse Ga naar margenoot40 predikinge gelooft?

17

Soo is dan het geloove uyt het gehoor: ende het gehoor Ga naar margenoot41 door het woort Godts.

18

Maer ick segge, en hebben Ga naar margenoot42 sy’t niet gehoort? Ga naar margenoot43 Ia doch Ga naar margenootk Ga naar margenoot44 haer geluyt is over de geheele aerde uytgegaen, ende hare woorden Ga naar margenoot45 tot de eynden der werelt.

19

Maer ick segge, Ga naar margenoot46 en heeft Israël Ga naar margenoot47 het niet verstaen? Moses Ga naar margenoot48 seght eerst, Ga naar margenootl Ick sal u lieden Ga naar margenoot49 tot jaloursheyd verwecken door [de gene die] Ga naar margenoot50 geen volck [en zijn], door Ga naar margenoot51 een onverstandich volck sal ick u tot toorne verwecken.

20

Ende Esaias Ga naar margenoot52 verstout hem, ende seght, Ga naar margenootm Ick ben Ga naar margenoot53 gevonden van de gene die my niet en sochten: ick ben openbaer geworden den genen Ga naar margenoot54 die na my niet en vraeghden.

21

Maer tegen Israël seght hy, Ga naar margenootn Den geheelen dach hebbe ick Ga naar margenoot55 mijne handen uytgestreckt tot een ongehoorsaem ende Ga naar margenoot56 tegen sprekende volck.

margenoot1
D. op dat sy bekeert, ende also salich mochten worden: het welck verstaen wort van de gene die uyt onwetenheyt dwaelden, gelijck uyt het volgende vers blijckt: niet van de gene die in den Heyligen Geest sondighden, van welcke Christus spreeckt, Matth. 12.31.
margenoot2
Gr. yver Godts. dat is, eene yverige begeerte hebben om de Wet Godts, ende den Godts-dienst door Mosem ingestelt, voor te staen, ende tegen te staen de gene welcke dien schenen te willen veranderen.
margenoota
Rom. 9.31. Actor. 22.3. Galat. 4.17.
margenoot3
Gr. niet nae kennisse. dat is, niet met rechte kennisse waer toe de Wet ende de Godtsdienst in het Oude Testament was ingestelt, gelijck het volgende vers oock mede-brenght.
margenoot4
Dat is, die Godt in den Euangelio geopenbaert heeft, ende die ons Godt door Christum schenckt. 2.Corinth. 5.21. Philip. 3.9.
margenoot5
Namel. door hare eygene wercken, ofte door de gehoorsaemheydt der Wet: daer in sy nochtans verre te kort komen, gelijck bewesen is van alle menschen capit. 3. ende van Abraham ende David, capit. 4.
margenoot6
Gr. te stellen. Hier wordt de vermetelheydt van het menschelick gemoet beteeckent, dat sijne eygene gerechtigheyt voor Godt staende wil houden, gelijck de Phariseen. Luc. 18. versen 11, 12.
margenoot7
D. en willen haer selven die niet onderwerpen: ende daerom en konnen sy tot de gerechtigheydt die voor Godt bestaet niet komen: gelijck Rom. 8.7.
margenootb
Matth. 5.17. Actor 13.38. 2.Corinth. 3.13. Galat. 3.24.
margenoot8
Dat is, het oogh-merck waerom de Wet door Mosem is gegeven, is op dat de menschen daer door tot kennisse harer sonden gebracht zijnde, tot Christum ende sijne rechtveerheydt souden haren toevlucht nemen, als die de Wet voor ons volkomelick volbracht heeft. Siet Galat. 3.19, etc.
margenoot9
In dese seven navolgende verssen stelt den Apostel een klaer onderscheyt tusschen de rechtveerdigheydt der Wet, ende des gheloofs: ende bewijst soo wel de eene als de ander met de woorden Mosis selve.
margenootc
Levit. 18.5. Ezech. 20.11. Galat. 3.12.
margenoot10
N. volmaecktelick, ende sonder yet nae te laten. Deut. 27.26. Galat. 3.10. Iacob. 2.10.
margenoot11
D. luydt aldus: ofte, van de selve wordt aldus gesproken Deuter. cap. 30. versen 11, 12.
margenootd
Deut. 30.12.
margenoot12
Sommige meynen dat dese woorden eygentlick van de bevelen des geloofs door Mosen gesproken zijn, alsoo hy rechts te voren gehandelt hadde van de besnijdenisse des herten ende ware bekeeringe, welcke eygentlick beloften sijn des Euangeliums, ende niet der Wet. Andere meynen, om dat Paulus niet en seght, Moses spreeckt aldus, maer de gerechtigheydt uyt den geloove spreeckt aldus, dat dese drie verssen van Paulo by accommodatie op het geloove ghepast worden, alsoo hy oock eenige woorden uyt laet, ende eenige daer by doet: in desen sin: In dien Moses van de geboden der Wet dit geseght heeft, veel meer mach het selve geseght worden van de beloften ende bevelen des Euangeliums, die niet alleen licht en zijn om te verstaen, gelijck de Wet, maer oock lichter zijn om nae te komen door de kracht van Godts Geest, die door het Euangelium het geloove in ons werckt. Galat. 3.2.
margenoot13
Namel. als twijfelende, waer ghy den wegh der saligheydt sult soecken ende vinden.
margenoot14
N. om ons van daer te halen den wille Godts van onse gerechticheyt ende salicheyt.
margenoot15
N. by ons Christenen so veel als of wy ontkenden dat Christus eens van den Hemel neder gedaelt is, om ons dien wegh te openbaren, ende de gerechticheyt te verwerven: ende dat hy noch eens daer toe moeste af-dalen.
margenoot16
N. om daer te sien hoe wy uyt de helle souden konnen verlost worden: ende die kennisse van daer halen.
margenoot17
Dat is even so veel als ofmen wilde, dat Christus om ons te verlossen de smerten des doods ende der helle noch eenmael soude moeten lijden, ende alsoo daer uyt opstaen: het welck hy nu eens gedaen heeft, ende ons genoech geopenbaert is.
margenoot18
N. de rechtveerdigheydt die uyt den geloove is, als voren, vers 6. daer hy maer geantwoort heeft wat’se niet en seght, maer nu antwoort hy wat’se seght.
margenoot19
D. des Euangeliums door het welck wy tot het geloove worden vermaent ende gebracht, Rom. 1.16.
margenoot20
N. Apostelen, als getuygen ende boodtschappers Christi in sijnen name 2.Corinth. 5.20.
margenoot21
N. oprechtelick nae het geloove uwes herten: ende de Apostel stelt hier de belijdenisse voor, om dat die van andere eerst wordt bekent.
margenoot22
N. uwen Heere ende salighmaker te zijn, nae het exempel Pauli Galat. 2.20. 1.Timot. 1. versen 15, 16.
margenoot23
Namel. nae dat hy tot versoeninge uwer sonden was gestorven. Rom. 4.25.
margenoot24
N. als zijnde een middel waer door de rechtveerdigheydt Christi aengenomen, ons toe-gerekent, ende geschoncken wordt. Rom. 3. versen 24, 25. ende 4.5.
margenoot25
De ware belijdenisse wordt hier gestelt als eenen wegh, waer door wy tot de saligheydt, die ons door Christi gerechtigheydt verworven is, moeten komen. Matth. 10.32. ende als een kenteecken van het ware geloove dat in het herte verborgen is. 1.Ioan. 4.15.
margenoot26
N. Christo, van welcken by Ies. 28.16. gepropheteert wort.
margenoote
Iesa. 28.16. Rom. 9.33.
margenoot27
Het Hebreeusch woordt Iesai. 28.16. beteeckent eygentlick en sal hem niet verhaesten, doch wordt in de Griecksche oversettinge vertaelt, en sal niet beschaemt, dat is, in sijne meyninge bedrogen worden: om dat de gene die hem seer haest, sonder te weten waer henen hy sijnen toe-vlucht sal nemen, lichtelick beschaemt ofte bedrogen wort.
margenootf
Actor. 15.9. Rom. 3.22.
margenoot28
N. nu in de tijden des Nieuwen Testaments. Ephes. 2.13.
margenoot29
N. Godt in Christo. Ofte, de selve Heere van allen is rijck over alle, etc.
margenoot30
D. overvloedelick genadigh, ofte goedertieren.
margenoot31
N. door den waren geloove, gelijck volght. Ende hier uyt blijckt dat het woordt belijden vers 9. ende 10. oock de ware aenroepinge begrijpt, die een voornemen deel is van onse belijdenisse voor Godt ende de menschen, Dan. 6.10.
margenootg
Ioël 2.32. Actor. 2.21.
margenoot32
In de reste van dit cap. verklaert de Apostel het middel waer door het ware geloove in Christum wordt verkregen. N. door de predicatie des Euangeliums, gepredickt vande gene die daer toe wettelick gesonden zijn: hoewel de selve in allen hare behoorlicke vrucht niet en heeft.
margenoot33
D. geen wetenschap en hebben, daer sy door het gehoor van Godes woordt toe-gebracht worden: dewijle de kenisse nootsakelick tot het geloove vereyscht wordt. Ioan. 17.3.
margenoot34
Namel. het woordt Godts. Het Gr. woordt Keryssein beteeckent eygentlick een uytroepinge, ofte publijcke verkondinge doen, die door de Stadts-boden van wegen de Overheydt aen de burgers geschiet, ende wort alhier, gelijck oock doorgaens inde Heylige Schriftuere, genomen voor de verkondiginge des Euangeliums, die door de Apostelen ende andere Leeraers van Christi wegen aen de menschen gedaen wordt. Siet Matth. 3.1. ende 4.17, 23. Marc. 1. versen 4, 7. ende 16, 15. 2.Corinth. 5. versen 19, 20.
margenoot35
N. recht ende behoorlick, van Christi wegen, ende in Christi name, als voren. Want daer zijnder andersins oock geweest die liepen ende propheteerden eer sy gesonden waren. Ier. 23.21.
margenoot36
N. van den genen wiens woordt sy verkondigen, ’t zy nu sulcx extra-ordinaerlick van Godt ende Christo selve, ’t zy het ordinaerlick door de Gemeynten ende hare opsienders, die daer toe van Godt gelast zijn, geschiede.
margenooth
Iesai. 52.7. Nahum 1.15.
margenoot37
D. aengenaem. Dese woorden zijn genomen uyt Iesai. 52.7. daer van de verlossinge ende verbreydinge van Gods gemeynte door Christum, ende van de verkondinge der selve verlossinge gehandelt wordt.
margenoot38
Nam. met Godt door Christum. Siet Rom. 5.1. Ephes. 2.14.
margenoot39
N. dien het Euangelium is gepredickt.
margenooti
Iesai. 53.1. Ioan. 12.38.
margenoot40
Gr. gehoor. waer van siet Ioan. 12.38.
margenoot41
N. dat gepredickt is: Ofte, door het bevel Godts die haer tot het prediken heeft gesonden.
margenoot42
N. Ioden ende Heydenen: want van beyde spreeckt hy daer nae verscheydelick.
margenoot43
N. sy hebben’t alle waerlick gehoort.
margenootk
Psal. 19.5.
margenoot44
Dese plaetse genomen uyt den 19 Psalm, die eygentlick spreeckt van de kennisse Godts, die alle menschen hebben konnen uyt het aenschouwen des hemels, ende der schepselen die daer in zijn, meynen sommige dat oock een prophetie in haer begrijpt, van ’t gene ten tijde der Apostelen geschieden soude. Doch also den Apostel dit eygentlick niet by en brenght als van David voorseght, gelijck hy elders wel doet, so can dit seer bequamelick genomen worden voor een heylige accommodatie ofte toe-passinge van dese woorden tot het voornemen des Apostels, gelijck hier boven vers 6. diergelijcke in de plaetse Deut. 30.11. gesien is. ende daerom verandert hy oock een woordt ofte twee daer in, dat op sijn voornemen niet en paste.
margenoot45
Namel. door de Apostelen ende Euangelisten onder alle volcken der wereldt, oock onder de Heydenen, nae het bevel Christi Mat. 28.19. Mar. 16.15. waer van de vervullinge als dan alreede geschiedde. Rom. 1.8. ende 15.19. Col. 1.6.
margenoot46
Hier bewijst den Apostel met drie verscheyden plaetsen der Schiftuere des Ouden Testaments, dat de Ioden het oock gehoort hebben soo wel als de Heydenen, maer dat de Heydenen het hebben aengenomen, ende de Ioden ten meerderen deel verworpen. Ende leght alsoo den gront van het gene hy in’t volgende capit. belangende de aenneminge der Heydenen, ende verwerpinge der Ioden voor-genomen hadde te verhandelen.
margenoot47
D. het niet gehoort? N. het woordt des Euangeliums, ofte der rechtveerdigheyt des geloofs.
margenoot48
N. tot Israel, dat is, tot het Iodische volck.
margenootl
Deut. 32.21.
margenoot49
N. om dat ghy sult sien, dat ick de Heydenen die nu mijn volck niet en zijn, ten tijde des Messie meer voordeels sal doen in het aennemen des Euangeliums, dan u Ioden, die nu mijn volck zijt: ende dat om uwe ondanckbaerheyt te straffen, ende u daer door tot bekeeringe te roepen ende te verwecken. Want Ialoursheyt is eygentlick een ongenoegen dat yemant hier over heeft, dat hy siet een ander meer deel hebben aen yemants liefde ofte weldaet, dan hy selve heeft, als hy meynt dat het hem meer toekomt. Siet hier na cap. 11.11.
margenoot50
N. Godts, gelijck doe de Heydenen waren.
margenoot51
Soo noemt hy de Heydenen, om dat sy de rechte kennisse van Godt ende sijne rechten niet en hadden. Psal. 147. versen 19, 20.
margenoot52
D. spreeckt noch vrymoedelicker van de bekeeringe der Heydenen ende van hare roepinge, niet tegenstaende den ondanck der Ioden.
margenootm
Ies. 65.1.
margenoot53
Namel. door de verkondinge mijns Euangeliums, ende krachtige werckinge mijnes Gheests aen de Heydenen, die Godt niet en sochten, maer hare eygene wegen ingingen ten verderve. Siet Actor. 14.16. ende 17.30.
margenoot54
Dat is, die sorglooslick hare onwetentheydt ende wereltsche lusten nae-volghden. Siet Ephes. 2.1, etc. Tit. 3. versen 3, 4, 5.
margenootn
Iesai. 65.2.
margenoot55
Namel. om haer tot my ende mijne rechtveerdigheyt te roepen ende te nooden. Siet diergelijcke wijse van spreken, Proverb. 1.20, etc.
margenoot56
Dat is, wederspannigh, moetwilligh. Siet een exempel Ierem. 44.16. Ezech. 3.7.

Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken