De Beweging. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Beweging, De


bron: De Beweging. Jaargang 6. W. Versluys, Amsterdam 1910


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 195]

Boeken, Menschen en Stroomingen

G. Kalff: Geschiedenis der nederl. letterkunde. dl. iv-v.

De kracht van Dr. Kalff ligt in de rust, en ook in het genoegen, waarmee hij zooveel nederlandsche geschriften - poëzie en proza - heeft doorgelezen. Wie een volledige literatuur beschrijft, verraadt meestentijds al heel gauw waar zijn voorkeur ligt: bij kluchtspel of treurspel, bij roman of vertoog, bij volkslied of maatgedicht. Hij behoeft, omdat hij het eene liefheeft, het andere niet te haten, maar goede luim en onverschilligheid zijn toestanden die zelfs de gelijkmoedigste niet uitsluiten, en de onpartijdigste niet verbergen kan. Ook niet verbergen wil, meen ik. Want men mag, nog zoozeer, de onpartijdigheid prijzen van den geleerde, voor wie alles gelijkelijk belangrijk is, - waar die geleerde gedachten en gedichten te schatten krijgt, merkt hij dat de menschelijke smaak geen weegschaal, de menschelijke geest geen maatstok is, en dat (bovendien) geest en smaak zich niet scheiden laten van het allermenschelijkste meegevoel. Zooveel menschelijks te uiten is aanlokkend en beminnelijk, en geen beschrijver van schoone letteren zal dermate een vijand zijn van zijn welslagen bij de lezers, dat hij zijn natuurlijkste opwellingen tot zwijgen dwingt. Zoo zijn er dan ook werken van sterk-persoonlijke geschiedschrijvers, die meer boeien dan de handboeken van veelzijdiger, maar minder levende naturen. Zoo boeien enkelstudies, die heelenal een voorliefde van hun bewerker uitdrukken, meestal meer dan die groote werken, waarin zijn voorliefde maar een deel betrof. En zoo verraadt ook de arbeid van Dr. Kalff wel een voorkeur. Maar niet zóó dat de indruk daarvan overwegend wordt. Die schrijver - denken

[p. 196]

we - ziet in een gemoedelijk lied en een boertige uitdrukking het voedsel waaraan hij behoefte heeft; maar dat verhindert hem niet de statige rede en de hoofsche ode naar zijn smaak te vinden en op prijs te stellen. Hij heeft een aangename rust, een veelzijdig genoegen, een frischheid en een netheid, die hem in het magazijn van onze letteren tot een gewenschte bewaarder maken.

Ik geloof dat de neiging het meest verscheidene met toewijding en liefde te lezen, in een schrijver van letterkundige geschiedenis de eerste deugd moet zijn. Dr. Kalff heeft die deugd. Men ziet het zijn boek dadelijk aan, in hoofdstuk na hoofdstuk, dat het met liefde gelezene er stof en figuur in is. De stof moet bewerkt; en de figuren? Zij moeten niet alleen worden verbonden, maar uitkomen tegen een achtergrond van Tijd. Een werk als dit kan men door-lezen, en zich om band en bouw weinig bekommeren. Er is overal zóóveel in dat aantrekt, dat den leek bekoort, en ook den kenner verheugen blijft; ja ook telkens het een en ander dat de kenner niet wist of dat hem de mogelijkheid van nieuwe kennis in doet zien. Zoo wordt dus ook de beoordeelaar dankbaar en gaat niet zonder aarzeling over tot het beschouwen van een samenhang, die hem misschien minder zal bevredigen. Niemand begint een zoo veel-deelig werk of hij heeft in zich een denkbeeld van de eenheid die het zal uitmaken. Maar wij leven niet in een tijd waarin groote denkbeelden zekerheid geven aan dichters en geschiedschrijvers. Hoe zal men, wanneer een volk niet voelt dat het een doel heeft, in de uitingen van dat volk een richting zien! Het gebrek ligt dan niet in den teboeksteller, maar in de samenleving waar hij een deel van is. Hij zal gedwongen zijn te aarzelen. Hij zal de gedachte die nog in leven is voelen, maar ook de gedachte die pas begint te leven. Zijn wij een natie, die zich afscheurt van een vroegere gemeenschap? Natuurlijk, was het antwoord in vroegere eeuwen; en niet zonder reden werd, maar één menscheleeftijd geleden, dat antwoord nog herhaald. Zijn wij een volk, ondanks schijnbare scheuringen, altijd behoorende tot een duurzame gemeenschap? Misschien, zeggen we in onze dagen; zeker, zeggen de overtuigden die de idee van een natie allang voor

[p. 197]

die van een menschheid verdwenen zien. Tusschen deze twee gedachten wisselt de tijd, en met hem de geschiedschrijver. Daardoor kan het voorkomen dat, wanneer Dr. Kalff de middeleeuwsche gewestelijke spraak en literatuur voorstelt als zich ontworstelend aan, zich ontwikkelend in tweestrijd met de kerkelijk-latijnsche beschaving, een ander geleerde, J. Koopmans in De Nieuwe Taalgids, hem tegenspreekt.

‘Niet de afwijzing van een uitheemse en onnationaal geachte dwang in de eerste plaats, is, naar onze meening, het eerste produceeren van onze landstaal geweest, en wel allerminst de opstand van een deel der gemeenschap tegen de geest die vooral dit deel van die gemeenschap bezielde en in zijn schoonste levensopenbaringen voedde. Onzes inziens is het hollands-schrijven zo goed als het hoogduits-schrijven, naast het literair voortbrengen in het latijn, eene der vele openbaringsvormen van dezelfde drang; niet staande tegenover het latijn, schrijft men gewestelijk, maar tegen het latijn leunende; er is geen strijd, maar een jonge-zusterlijk samengaan met de oudere, hand in hand.’ Dit geschil lijkt gering: een onderscheid in de waardeering van zekere middeleeuwsche uitingen; maar wie ook in de waarneming een geest erkent, ziet hier achter twee verschillende waarnemingen twee verschillende denkbeelden. De twee denkbeelden die ik noemde, immers. Dr. Kalff denkt, bewust of onbewust, de natie zich losscheurend uit een gemeenschap. Koopmans zoekt de gemeenschap waartoe de natie behoort. Of Kalff daarom naar die ééne gedachte zijn boek geschreven heeft, zoodat hij, aarzelloos, alle verschijnselen, alleen door ze aan háár te meten, groepeeren kon? Het antwoord op die vraag kan ik niet duidelijker geven dan door de laatste bladzij van zijn inleiding tot de deelen IV en V aan te halen. In die deelen behandelt hij de literatuur tijdens de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Voor hem die onze literatuur wil doen zien als met de volkswording opgegroeid, is ze in dit tijdperk zeker het begrijpelijkst. Een hoogtepunt en daarop volgende daling. Hooggetij en vallend tij, luidt dan ook de eerste ondertitel. Maar lezen we:

‘Wij hebben de dalende lijnen in dit deel onzer volksgeschiedenis slechts hier en daar kunnen aanwijzen. Die lijnen volgen, in hare ontwikkeling door vier [waarom juist vier?]

[p. 198]

opvolgende menschengeslachten die de 17de eeuw innemen, zou een kennis vereischen van het uiterlijk en vooral van het innerlijk leven der zeventiend'eeuwsche Nederlanders, die wij misschien eerst in de toekomst zullen bereiken. Ware de geschiedenis van ons volk reeds eenigermate van geslacht tot geslacht onderzocht, dan zouden wij eene poging hebben kunnen doen om de poëzie te behandelen, telkens in verband met het geslacht waaruit zij geboren werd. Daarbij zouden wij in aanmerking moeten nemen, dat poëzie en leven niet altijd evenwijdig loopen; naar Shelley's woord immers is de poëzie ‘de meest onfeilbare heraut, gezel en volger van een groot volk dat ontwaakt om een weldadige verandering te brengen in meeningen of instellingen’. Die uitspraak wordt bevestigd ook door onze zeventiend'eeuwsche letterkunde. Het eerste geslacht van dichters en schrijvers dat optreedt bij den aanvang der zeventiende, was geboren in het laatste kwart der zestiende eeuw, de door hen voortgebrachte poëzie kondigt het nieuwe leven ten deele aan, ten deele begeleidt en volgt zij het. In karakter en rijkdom van gaven, in belangrijkheid van personen en werken overtreft dat eerste geslacht de drie volgende verre; het scheen ons een eisch van goede literatuur-beschrijving, om dat verschil te doen uitkomen en voorts de drie volgende geslachten in hunne beteekenis voor de ontwikkeling onzer literatuur te schetsen.

‘Naast deze scheiding volgens den tijd deden zich echter andere scheidings-criteria gelden. Het overwicht der provincialiteit op de nationaliteit moest evenzeer uitdrukking vinden in de verdeeling en schikking der stof; ook, dat in Holland en Zeeland, maar vooral in Holland, het zwaartepunt der Republiek lag, dat Amsterdam een buitengewone plaats innam.

Het geloof, kern van zoo menige zeventiend'eeuwsche persoonlijkheid, mocht niet verwaarloosd worden als hulpmiddel bij het scheiden en groepeeren. Vandaar dus b.v. dat wij de Calvinisten Cats en Huygens naast elkaar hebben geplaatst, den Calvinist Revius tegenover den dissenter Camphuysen, in Stalpert van der Wiele de wederopluiking van het R. Katholicisme hebben herdacht, in een volgend geslacht eenige Piëtisten en Reformateurs tot een groep vereenigd.

[p. 199]

Een enkel beginsel te vinden ter groepeering dezer in omvang en verscheidenheid overrijke stof, is mij niet gelukt en schijnt mij voorloopig niet mogelijk; noch het geloof, noch het humanisme noch de kunst zouden op zichzelf en alleen als criterium kunnen volstaan.

Heeft het reeds moeite gekost om tot een groepeering als de hier beproefde te komen, voortgezet onderzoek zal hier zeker ruimschoots gelegenheid vinden tot aanvullen, wijzigen, veranderen, tot juister en dieper inzicht.’

Dit is nu wat ik ‘aarzelen’ noem. En dat, niet enkel bij het beschrijven van de tweede helft van de zeventiende eeuw, maar wie weet hoe dikwijls onder zijn werk, dit aarzelen de grondstemming van Dr. Kalff geweest is, blijkt uit de woorden die hij op de aangehaalde volgen laat:

‘Hier als elders in dit boek is slechts een poging gedaan om te komen tot een geschiedenis onzer letterkunde, die tenminste eenigermate voldoet aan de eischen der hedendaagsche literatuur-geschiedschrijving.’

Neen; dat de literatuur begeleidend verschijnsel is van volkswording en -verwording, was voor Dr. Kalff, bij het schrijven van dit boek, zeer zeker hoofdgedachte. Maar deze gedachte laat hem zooveel speelruimte dat hij met allerlei andere gedachten, van geloof, van kunst, van beschaving, niet alleen zich vertreden kan, maar hen monsteren of niet mogelijk een van hen het ‘enkele beginsel ter groepeering’ zijn kon. Voorloopig nog niet, zucht hij dan. Later wel, misschien?

Dit gevoel van voorloopigheid waarschuwt ons dat wij de kracht van Dr. Kalff's Geschiedenis niet moeten zoeken in zijn samenhang. Wij vonden hem in de enkel-voorstelling van het met lust en rust gelezene. Houden wij ons daaraan. Wij zien dan de kleine opstellen, de grootere overzichten, de uitgebreider studies en de meer afgeronde monografieën, op zulk een wijs achter elkaar geplaatst, dat de voorafgegane de volgende verklaren, en dat hen te lezen een genoegen blijft. Wij zien den voorraad van aanteekeningen in groepen gedeeld, onder het licht gebracht en door een opschrift gekenmerkt. Wij voelen ons niet doordrongen worden van één denkbeeld of één geestdrift, maar opmerkzaam gemaakt op verschillende eigenaardigheden. De verwijzingen achter elk hoofdstuk kunnen boven-

[p. 200]

dien onze aandacht op duizend paden doen voorttreden en uitweiden.

Niet in de diepte waarheen een doordringende geest, naijverig op eenheid, ons leiden zou, maar over de oppervlakte van een behagelijk-rustige geleerdheid, worden we gevoerd. Wij moeten het prijzen dat onze begeleider over die oppervlakte zoo veelzijdig is. Vijftiende zoowel als zestiende eeuw heeft hij met nieuw medegevoel vermogen te naderen, en nadat hij Hooft's proza geprezen had als niemand vóór hem, weet hij, met treffende zekerheid, Vondels ‘Bruijloftbed van P.C. Hooft en H. Hellemans’ de plaats aantewijzen waar het recht op heeft. Indien deze schrijver - denken we - de poëzie eens niet als de voorspeller, gezel of volger van een zeker leven, - van een staats- of daden- of geloofs- of welk ander leven ook - maar als het leven-zelf in een van zijn hoogste verschijningen had aangezien.

Maar stil. Er zijn gedachten die men niet uit moet spreken, mogelijkheden die men niet droomen, wenschen die men zich niet bekennen moet. Literatuur-geschiedschrijvers werken nu eenmaal nooit met de literatuur alleen, maar met de verhoudingen van de literatuur tot iets anders, tot nu het eene, dan het andere andere, nu heel, dan half, maar altijd naar een of andere zijde. Wat zullen we begeeren dat hun hand, belust op het wetenschap-lievend heen en weer gaan, zoeken en tasten, de pijl van hun verheven gemoed en van hun hartstochtelijke bewondering trillende in het wit wierp. De tijd is er niet naar, en wij zullen beter doen dankbaar te zijn voor het gegevene.

Het opstel over Vondel, in Kalff's werk, is trouwens van stellige beteekenis. Niet diep in den geest, maar wel naar veel zijden over het werk van onzen gevierden dichter voert het ons. Voornamelijk saamvatting van wat Dr. Kalff vroeger geschreven heeft, is het misschien ook algemeener gehouden, treft daarom minder onmiddelijk dan sommige andere beschouwingen; maar juist zijn algemeenheid geeft er waarde aan. Alleen de veelzijdig geoefende blik van een kenner kan het onderwerp zoo zien en in hoofdtrekken vasthouden. Een zeker soort Vondel-studie - de soort die in het Leven van Brandt begonnen werd - is wellicht, door dit opstel, waardig

[p. 201]

geeindigd. Vondel in zijn werk en zijn lotgevallen te leeren kennen als vaderlandsch dichter, is van die studie het doel geweest. Als europeesch dichter kent nog niemand hem. De vraag naar dat europeesche, en dat niet enkel in Vondel, is nog niet zoozeer een vraag naar achtergronden, als naar stroomingen. Dr. C.G.N. de Vooys heeft al eens, naar aanleiding van Kalff's tweede deel, opgemerkt (De Beweging 1907): ‘Of de geschiedschrijver bij de kompositie van zijn verhaal allereerst rekening houdt met standen, met genres of met landstreken, of met alle drie, is ten slotte van ondergeschikt belang. Maar noodzakelik voor het histories verband is, dat hij ons òf door een brede inleiding, òf doorlopend, aantoont hoe de literatuur een uitvloeisel is van het geestelik leven’. Overeenkomstig met den aard van zijn werk - overzichtelijke en aangename ordening van het gelezene - volstaat Dr. Kalff doorgaans met òf als kader òf in vervlechting met zijn voorstelling de tijdsomstandigheden te verbinden met de letterkunde. Dit is minder dan wat de heer de Vooys wenscht: aantoonen ‘hoe de literatuur een uitvloeisel is van het geestelijk leven’. Het is minder, en - waar het wenschen vrij staat - vraag ik liever nog meer. Ik zou willen vragen: doen voelen dat de literatuur geestelijk leven is. Voor hem in wien dit gevoel aanwezig is, vervallen heel wat grenzen die nu den blik op een grooter geheel belemmeren. De geschreven uiting krijgt dan, in haar volste verschijning, dit dubbelwezen: geestelijk leven en schoonheid, dat wil zeggen een natuur die, geestelijk en zinnelijk, met alle verschijnselen van haar soort verwantschap toont. Gevoel voor die dubbele verwantschap: de doordringendste blik in al het geestelijke, de reinste en rijkste smaak tegenover al het zinnelijke, zou eisch worden voor den letterkundigen geschiedschrijver. Vaderlandsche geschiedschrijving zou wijken voor vergelijkende, en een eenheid zou daarmee gevonden zijn die, als het zonlicht door een prisma, zich in tal van schakeeringen breken zou.

Boeken, menschen en stroomingen; - hoe dikwijls als ik dien titel neerschreef heb ik me gezegd dat ik daarmee niet bedoelde: hier een boek, daar een mensch en daar een strooming, maar die drie in een. Niet grenzen, niet groepeeringen,

[p. 202]

maar organiseeringen. Ik zeg dit niet om mijn werk te verheffen tot voorbeeld. Ik ben me al te bewust dat mijn kleine opstellen geen vergelijking wettigen met het groote geheel van zelfs maar een vaderlandsche literatuur-beschrijving. Wat er voor zulk eene noodig is, geloof ik te beseffen, en ook dat ik het niet omvatten kan. Maar ik geloof tevens dat het ideaal mag gesteld worden, en dat het, niet voor mij, maar voor anderen, in de toekomst bereikbaar is.

Dr. P. Leendertz Jr.: Het leven van Vondel

Het boek van Dr. Leendertz is een zorgvuldig geschreven. handleiding tot de studie van Vondel. In elf hoofdstukken, voorafgegaan door een Inleiding en gevolgd door een Register, bevat het een overzicht van Vondels lotgevallen en werken, waarbij tot het vaststellen van bizonderheden en tijdsorde rekening gehouden is met de nieuwste gegevens. Een poging werd door den schrijver wel gedaan om een beeld te ontwerpen van den dichter, maar hij bepaalt zich daarin tot de verklaring dat Vondel een ernstig, degelijk en weldenkend mensch was, buitengemeen vlijtig en, vooral in zijn lateren arbeid, keurig op de geslachten en verbuigingen. Ik weet wel dat hij nog meer van hem zegt, en dat meerdere zal straks ook nog wel ter sprake komen, maar dit was de hoofdzaak. De stijl van Dr. Leendertz heeft een soort verbeelding-looze stelligheid. Ik herinner mij, van leerboeken uit mijn jeugd, volzinnen als de volgende: ‘De walvisch, hoewel het voorkomen hebbende van een visch, is een zoogdier. Terwijl hij een lengte heeft van honderd voeten, is zijn keelgat zoo klein dat er niet meer dan één haring tegelijk door kan. Uit zijn vleesch stookt men traan; zijn tanden doen als baleinen dienst.’ In denzelfden trant schrijft Dr. Leendertz: ‘De bruidegom was, evenals de 17-jarige dichter, Doopsgezind en te Keulen geboren. Hij woonde nu te Hamburg. De bruid woonde in de Warmoesstraat en was dus zoo al geen buurmeisje dan toch zeker eene bekende van Vondel.’ Deze stijl, evenwel, is niet enkel een

[p. 203]

van zakelijkheid, maar ook van verbinding en gevolgtrekking. Laat ons zien in welke gevaren een geleerde zich begeeft, die, in het vaststellen van feiten onovertreffelijk, de geleerde stelligheid die hem daarbij zoo goed staat, overbrengt in zijn bespiegelingen.

Wij zouden graag weten hoe Vondels vrouw geweest is.

‘Wat voor eene vrouw was Mayken? Geen portret vertoont ons haar uiterlijk. En wat erger is, ook van haar innerlijk kunnen wij ons slechts een zeer onvolledig beeld vormen. Brandt zegt alleen, dat zij “een kloeke en verstandige huishoudster” was. Dat zegt zeker weinig voor een tijd, zoo rijk aan kloeke en verstandige vrouwen. Bovendien heeft Brandt haar persoonlijk niet gekend en schreef dit zeventig jaar later. Geen der tijdgenooten spreekt ook slechts met een enkel woord over haar. Het liefst zouden wij trouwens weten, hoe de bruidegom zelf over haar dacht, wat hem 't meest in haar bekoorde, wat hij voor haar gevoelde. Doch geen der vele gedichten, die hij haar zonder twijfel toegezongen heeft...’

Uitmuntend. Wij hebben geen portret van haar, Brandt zegt wat hij gelooft, en overigens niemand, ook Vondel niet, heeft een woord over haar nagelaten. Maar nu die ‘vele gedichten’ en dat ‘zonder twijfel’. Aan stelligheid in de uitdrukking ontbreekt het niet; maar op wat voor grond? Er is er geen, en Dr. Leendertz is, zonder het te beseffen, in de gevolgtrekking geraakt, waarvoor geen naar veel zijden ziende verbeelding hem wist te waarschuwen. En nu hij erin is, raakt hij er verder in.

‘Eerst na haar dood heeft hij eenige verzen aan haar gewijd, waaruit ten duidelijkste blijkt dat zij, hoezeer zij zich ook bescheiden op den achtergrond hield, levendig deel nam in zijne dichterlijke werkzaamheid en trotsch was op haren begaafden echtgenoot.’

Onjuist: dit blijkt niet eruit. Er blijkt uit dat Vondel veel van haar hield; de regels:

 
Marie, al laat ge mij alleen,
 
Uw vriendschap, uw gedienstigheen
 
Staan eeuwig in mijn hart geschreven -

verraden dat onweersprekelijk; evenzeer valt aantenemen dat

[p. 204]

hij zich niet, zelfs niet in de verbeelding, tot het voortzetten van zijn werk door haar had doen bemoedigen (want dat is de rol die hij haar in dit gedicht heeft opgedragen) indien hij meende dat zij, bij haar leven, voor dat werk onverschillig was; maar dit is minder dan het ‘levendig’ deelnemen, en het ‘trotsch zijn’ zijn op haar echtgenoot, van Dr. Leendertz. Het is daarentegen niet minder dan we vereenigbaar achten met het feit, dat Brandt, op het gezag van anderen, ‘een kloeke en verstandige huishoudster’ in haar gezien heeft. Mayken de Wolff, gelooven we, heeft van haar man gehouden, zóózeer dat zij niet alleen voor hem en het gezin zorgde, maar ook zijn zaken dreef, en haar belangstelling in zijn werk, en de invloed van haar nabijheid, zijn zóo groot geweest dat hij niet alleen dit gedicht aan haar wijdde, maar ook erkende dat door haar dood zijn ‘couragie’ een ‘krack’ gekregen had.

Arme Brandt, die zijn inlichtingen toch van tijdgenooten, allicht van Vondel zelf, gekregen heeft. Van Vondel? Neen, zegt Dr. Leendertz, en nu raakt hij eerst onredbaar in het moeras van zijn gevolgtrekking, - neen, die levendige belangstelling en die trots laat ik me niet ontrooven. ‘Met vreugde heeft Vondel zich dat later zeker dikwijls herinnerd en aan zijne vrienden verteld, wanneer hij in dankbare herinnering de trouwe gade roemde. Ongelukkig heeft Brandt dit niet goed begrepen -’

Zoudt ge dit nu achter zulk een voorzichtig geleerde gezocht hebben? Dit is nu de verbeeldinglooze stelligheid die hem parten speelt. Of zou werkelijk de verbeelding-zelf hem verlokt hebben? Brandt zegt: Vondels ‘gedachten liepen op wat anders [dan de nering], op het dichten, zoodat hij 't koopen en verkoopen op zijn ega liet staan, en zij hem zijn drift volgen.’ Als Dr. Leendertz dit gelezen heeft keert hij Brandt en alle bewijslastige wetenschap den rug toe. Dit moest er nog bijkomen, roept hij uit. ‘Vondel, opgegroeid en levende in eenen kring van neringdoenden, die door noeste vlijt hunne kleine winkeltjes uitbreidden tot groote handelshuizen, bekend zoover de fiere driekleur der Zeven Provinciën wapperde over den Oceaan, Vondel zou op 23 jarigen leeftijd de zaken aan zijne vrouw hebben overgelaten,

[p. 205]

om zelf te gaan dichten! En eene kloeke, verstandige jonge vrouw uit die krachtige eeuw zou zich aangetrokken gevoelen door een droomer, die haar zijn werk liet doen! Geloove, wie het kan!’

De argumenten, waarmee Dr. Leendertz zijn oordeel tracht te staven, kunnen we helaas niet aannemen. ‘Toen zijn vrouw gestorven was, dichtte hij meer dan bij haar leven.’ Zeker, maar waarom zou hij, met toenemende kracht, niet een grooter aantal rijpe gedichten gemaakt hebben, ondanks dat de zaak nu op hem alleen rustte. De langer-ademige Konstantijn heeft hij dan toch opgegeven. En kan niet vooral op dit tijdperk zijn mededeeling aan Antonides te betrekken zijn: dat hij woekeren moest met het overschot van zijn tijd? ‘Zijn zaak is niet achteruitgegaan’. Des te beter; Brandt beweert ook niet dat hij een slecht koopman was, maar alleen dat hij, zoolang zijn vrouw leefde, koopen en verkoopen aan haar overliet.

Het is niet noodig uit de overgeleverde en geboekstaafde gegevens meer te lezen dan ze inhouden. Ook Van Lennep houdt zich, al gebruikt hij andere woorden, vrijwel aan Brandt's verklaring. Maar de heer Leendertz is het die, gedreven door de fantasie van een ‘brave degelijke ernstige werker’ en echtgenoot, die hij in Vondel zien wil, zijn onbevangen blik verliest.

‘Wij hebben boven gezien, dat Mayken de Wolff de dichtoefeningen van haar echtgenoot gaarne zag. De eerste vrucht daarvan, die in het licht verscheen, was Het Pascha. Zeer zeker heeft zij met belangstelling kennis genomen van dit werk, waaraan hij waarschijnlijk voor zijn huwelijk begonnen was, en wanneer hij misschien aarzelde het in het licht te geven, zal hare goedkeuring hem bemoedigd hebben.

Vondel was voor alles een degelijk, ernstig man -’

‘Hoe weinig wij van Vondels moeder en vrouw weten, toch krijgen wij van beiden den indruk dat het brave, verstandige vrouwen waren. De veronderstelling is dus zeker niet te gewaagd, dat zij het goed met elkander konden vinden. Maar de Trouw [zoo heette Vondels huis] was niet groot, de jongere kinderen groeiden vast op, en toen nu ook het gezin der jonge echtelieden vermeerderd werd, terwijl waarschijnlijk in de bloeiende zaak steeds grootere voorraden berging

[p. 206]

vereischten, werd de ruimte te klein. De zaak moest verplaatst worden, of moeder en zoon moesten scheiden. Tot dit laatste werd besloten. Te eerder kon men daartoe overgaan, nu de zaak winst genoeg opleverde om twee gezinnen te onderhouden en de zoon voldoende getoond had een degelijk koopman te zijn, zoodat Sara Kranen gerust den winkel kon verlaten zonder voor achteruitgang te vreezen.’

En later (blz. 227): ‘de bezieling die er van zijn vrouw uitging...’

Fantasie die tot veronderstelling drijft, die de veronderstelling doet aanzien voor gewettigde gevolgtrekking, de gevolgtrekking den rang van feit geeft, en den meest schoolschen geleerde zijn gissingen met even besliste stelligheid uiten laat, als hij het zijn zakelijke gegevens doet, - ziedaar de eigenschap waarmee wij den schrijver kenmerken. Zien we verder of we haar ook tenopzichte van andere gegevens in zijn werk kunnen aantoonen.

 

In kleinigheden zeker; en ter afwisseling op gewichtiger voorbeelden zal ik er enkele aanhalen.

Brandt vermeldt hoe Vondel zijn broer Willem prees. ‘Hij ging mij ver te boven’ zou hij gezegd hebben. ‘Zwaartillend van aard’ - schrijft nu dr. Leendertz - ‘met aanleg voor melancholie, zag hij altijd erg tegen moeilijkheden op, zeker ook wel van het aanleeren van die geleerde talen. Het vermoeden ligt voor den hand dat het voorbeeld van zijn broeder Willem hem moed gegeven heeft.’ En verder: ‘De studie van het Latijn op later leeftijd begonnen, gaat echter niet gemakkelijk, en hij zal dan ook wel eens met verbazing en bewondering hebben gezien, dat zijn broeder er slechts weinig moeite mee had. Zoo wordt het begrijpelijk’ dat hij Willem zoo geprezen heeft.

Het mag wezen, maar - is de mogelijkheid daarom uitgesloten dat hij heel makkelijk Latijn leerde en dat hij zijn broer om iets anders prees?

Vondel was stilzwijgend - Brandt is alweer onze zegsman. ‘Wij moeten niet over het hoofd zien - schrijft Dr. Leendertz - dat eene zekere stijfheid, voortspruitende uit groote bescheidenheid, hem altijd is bijgebleven.’ Maar dit beweert Brandt

[p. 207]

nu weer niet. Ziehier zijn woorden: ‘In hem werdt wijders als verwonderenswaardig, aangemerkt, dat hij, zoo rijk van invallen en geestige gedachten, gelijk zijne gedichten uitwijzen, in 't gezelschap der menschen bijna spraakloos was, en zelden geluidt sloeg. En ik heb uit zijn eigen mondt, dat hij op een tijdt ten huize van den heer Joost Brasser, broeder van's Landts grooten Schatmeester, in 't gezelschap van Hugo de Groot, Vossius en Barlaeus, ter maaltijdt genoodigd, onder 't eeten niet een enkel woord sprak; 't welk den bijzitteren vreemdt voorquam. Maar hij, zoo een groot zwijger, stil en zwaargeestig van aardt, doch diepdenkende, had altijd zijne gedachten gespannen; met zijn verstand en zinnen, gestadig werkende op zijne vaarzen, en zwanger gaande van aardige vonden. En zulk een aardt houdt men best bequaam tot d'oeffening der hoogdravenste Poëzye, en tot den stijl van het treurtooneel. Doch al was hij zoo stilzwijgend, men hoorde niettemin dat hem zomtijdts, na een wijl zwijgens, eenige kort een sneedige reede, als 't pas gaf, onvoorziens ontviel; of dat er een schimpschoot uit borst.’ Dus waarlijk niet stijf uit bescheidenheid, maar wel een man die, doorgaans gesloten, sprak als het pas gaf en dan kort, of scherp.

Bij gelegenheid van den Westfaalschen vrede dichtte Vondel zijn Leeuwendalers. ‘In den Schouwburg wilde men een gelegenheidsstuk vertoonen. Waarschijnlijk werd dit door de Regenten aan Vondel opgedragen; in allen gevalle schreef deze het.’ Op deze zakelijke mededeeling volgt een bespiegeling. ‘Het scheen een moeilijke taak: een treurspel was bij deze gelegenheid zeer ongeschikt, en een eigenlijk blijspel lag niet in zijne richting. Een blij-eindend treurspel zou wel passen om het einde van den langdurigen oorlog te vieren, maar het was niet gemakkelijk eene geschikte historische stof te vinden, en vooral om dan zoo te schrijven, dat niemand hier of daar geheime bedoelingen of toespelingen zou zoeken. Bovendien mocht wel op de ellende en de gruwelen van den oorlog gewezen worden, maar mochten geene heldendaden worden verheerlijkt; in de eerste plaats moesten de zegeningen van den vrede worden beschreven. Zoo kwam Vondel ten slotte op de zeer gelukkige gedachte van een herderspel te schrijven of, zooals hij het zelf noemde, een ‘lantspel’.

[p. 208]

Welzoo? Tenslotte! Maar - hoe weet u dat? Want als Vondel nu eens niet tenslotte maar op het eerste oogenblik de noodzakelijkheid een landspel te schrijven had ingezien? Waarlijk, Dr. Leendertz is te haastig, en al te geneigd zijn eigen overleg met dat van Vondel te vereenzelvigen.

Evenzoo - ik beloofde alleen kleinigheden - vergaloppeert hij zich waar hij Philips de Koningh, den schilder die Vondel herhaaldelijk portretteerde, een reden waarom hij hem nog eens zou geteekend hebben toeschrijft.

Niet eens zeker, maar ‘waarschijnlijk, was het in dezen tijd, toen Vondel eraan dacht om op reis te gaan, wat in die dagen toch altijd nog gevaarlijk was, dat zijn vriend Philips de Koningh eene teekening van hem maakte. Mocht er een ongeluk gebeuren, dan kon hij hiernaar altijd nog eene schilderij maken’.

Is dit nu niet van een bovenaardsche voorzienigheid? Het is eer een hebbelijkheid, zou ik meenen, mogelijkheidsredenen uit te denken voor gebeurtenissen waarvan men niet eens weet of ze hebben plaatsgehad.

Waarom heeft Vondel in het jaar toen hij zijn zoon naar Indië zond, zooveel gewerkt, vraagt onze geschiedschrijver. ‘Waarschijnlijk voelde hij zich niet in staat de overstelpende droefheid nog lang te dragen’ - antwoordt hij - ‘en wilde hij voor zijn dood - ook het maken van het testament wijst op dezen gedachtegang - alle half of bijna voltooide gedichten afmaken.’

Het wordt bijna een sport, dit stellen van vragen die gelegenheid geven waarschijnlijkheids-antwoorden op te bouwen op grondelooze gissingen.

Want die heele veronderstelling van half gereed liggende dramaas die alle te gelijk werden afgemaakt, heeft, mijns inziens, geen grond, noch op feiten noch op waardeeringen.

 

Twee belangrijker voorbeelden moet ik nu nog aanhalen van hoe een vooropgezette meening den schrijver in zijn aandachtige beschouwing van de feiten gehinderd heeft. Een braaf en degelijk zeventiende-eeuwsch burger, dacht hij, kon zich niet met de politiek bemoeid hebben. Ook Vondel deed dit niet. ‘Zelfs de staatsgreep van 1618 en de terechtstelling

[p. 209]

van Oldenbarnevelt ontlokten hem geen enkelen versregel’.

De lezer ziet vreemd op. Vondel heeft zich met de politiek bemoeid. En hoe! De staatsgreep van 1618 en de terechtstelling van Oldenbarnevelt ontlokten hem zonder twijfel tal van hekeldichten.

Dr. Leendertz verklaart zich nader. Hij stelt twee beweringen. De eerste is: Vondels meeningen over de politiek zijn niet van hemzelf, ze zijn van anderen. ‘Over politieke kwesties heeft hij altijd zeer oppervlakkig, haast kinderlijk geoordeeld, en kon dan ook gemakkelijk door handige vrienden meegesleept en opgewonden worden’. Dat dit alles behalve in het karakter van zijn ernstigen degelijken burger valt, ontgaat hem. De tweede bewering luidt: de gedichten die betrekking hebben op Oldenbarnevelt en den staatsgreep, zijn niet alleen niet in 1618 en 1619 geschreven, maar zij bevatten ook niet de gevoelens die de dood van Oldenbarnevelt en de staatsgreep in hem opwekten. Zij bevatten gevoelens die hem zijn aangepraat, gevoelens van anderen. ‘In geen geval lijkt het mij aannemelijk dat Vondel reeds in 1618 de partij van Oldenbarnevelt had gekozen, maar, uit vrees, zes jaar lang zijn wrok intoomde’. In deze tweede bewering is de eerste opgenomen: ik zal dus verder alleen van háár spreken.

Wat dan betreft de dateering van de gedichten die Barnevelt en de staatsgreep raken, - Dr. Leendertz schrijft: ‘Meermalen worden deze op de jaren 1618 en 1619 gesteld. Maar Brandt zegt uitdrukkelijk, dat de Advocaat eerst omstreeks 1625 “stof werdt voor zijne pen”’. Onjuist; Brandt zegt niet dat hij het toen eerst werd. Hij zegt dat Vondel groote genegenheid toonde tot de heeren die in de verandering van 't jaar 1618 hadden geleden, ‘met naamen den onthoofden Advokaat, die te deezer tijdt stof werdt voor zyne pen’. Uit het vervolg blijkt dan dat hij op den Palamedes doelt. De vraag of Vondel vroeger al gedichten op den Advokaat geschreven heeft, wordt daarom, dunkt me, door deze plaats van Brandt niet opgelost. Daarentegen stelt Brandt op het jaar 1618 een hekeldicht, ‘Weegschaal van Hollandt, of de Hollandsche Transformatie’, waarin Vondel vóór Arminius en Barnevelt en tegen Gomarus en Maurits partij kiest. Het gaat niet aan, zich, op het voorbeeld van Dr. Te Winkel, daarvan af te maken met

[p. 210]

de bewering dat de gedachte, in dit gedicht, van den teekenaar was, bij wiens prent de dichter slechts een bijschrift gaf. Of dit zoo is, weten we niet, en zelfs als we het wisten, zouden wij nog twijfelen aan de onschuld van den bijschrift-schrijver. Dit ééne gedicht van 1618 hebben wij beslist1).

Er volgt hieruit dat Vondel wel degelijk, in het geschil Remonstranten tegen Contra-remonstranten en Maurits tegen Barnevelt onmiddelijk partij heeft gekozen. En waar Dr. Leendertz verlangt dat we Brandt's getuigenis zoolang het niet klaarblijkelijk kan gewraakt worden - aannemen, willen we, alvorens verder te gaan, nog eens opzettelijk naar hem luisteren. Nadrukkelijk dan zegt Brandt: ‘Maar toen de geschillen tusschen de Remonstranten en Contra-remonstranten op het hooghst waaren geloopen, en d'eerste veroordeelt waaren, hunne predikanten afgezet, uitgezeit, gebannen, en, inkoomende, ter eeuwiger gevangkenisse verweezen, koos hij d'onderleggende zijde: en het ongelijk, dat men den Remonstranten, zijns oordeels, deede, ontstak in hem een grooten ijver om hunne zaak te verdeedigen: zoodat zijn pen nergens veerdiger noch gereeder was, dan daar hij hun dienst kon doen, of meende te doen. Zijn genegenheid tot de Remonstranten was oorzaak van dat aardigh gedicht op de Hollandtsche Transformatie dat in yders handen is.’ En verder: ‘Ook toonde hij groote zucht tot de Heeren, die in de veranderinge van 't jaar 1618 hadden geleden, met naamen den onthoofden Advokaat.’

Mij dunkt: dat Vondel onmiddelijk, uit eigen beweging partij gekozen en daarvan heeft doen blijken, staat door dit getuigenis boven verdenking.

Iets anders is dat hij zijn beste en felste hekeldichten eerst in en na 1625 niet alleen uitgegeven, maar ook geschreven heeft.

Wat Dr. Leendertz niet gelooft: dat Vondel zes jaar lang, tot den dood van Maurits, zijn wrok intoomde, houd ik juist voor de waarheid.

[p. 211]

Waarom ook niet? Toen de schepen Burgh Vondel aanzette een treurspel van den Advocaat te maken, kreeg hij ten antwoord dat het ‘nog geen tijd’ was. Ook dit verhaal van Brandt kan niet gewraakt worden. Vondel had gewacht en kon langer wachten.

 

Het tweede voorbeeld is dat van Vondels verhouding tot Hooft, waaraan ik die tot Frederik Hendrik verbinden kan. Brandt verhaalt dat die Prins, ‘anders zeer mildtdadig tegens de Poëten, wanneer ze zijne overwinningen met hunne dichten vereerden’, Vondel nooit het minste geschenk heeft doen toekomen, en hij laat volgen: ‘Maar men meent dat de Prins, wel weetende hoe quaalijk Vondel bij de Predikanten en Contraremonstranten stondt, hem geene gunst toonde, om zelf ongunst te mijden’. Dr. Leendertz weet het beter. Wel neen, zegt hij, maar Frederik Hendrik kon niet hebben dat Maurits zoo miskend werd: domme Vondel, die dat niet heeft ingezien! De reden, zoo niet vorstelijk, getuigt van familiezin. Jammer alleen voor Dr. Leendertz dat Brandt, ook op dit punt, opnieuw onze aandacht vraagt. ‘Zelf zijn Vorstelijke Doorluchtigheidt Frederik Hendrik, Prins van Oranje, Stadthouder en Veldtheer in zijn broeder Prins Maurits plaats geworden, dien veelen hielden dat den Advocaat en de Remonstranten van oudts niet ongunstig was, liet zich het treurspel van Palamedes in zijn kabinet, door zijn gunsteling den Heer Van der Mijle, Oldenbarneveldt's schoonzoon, een keurigh liefhebber der Poëzije, voorleezen, en uitleggen, zooveel hem mooghlijk was: en ik weet uit Vondels mondt, dat Van der Mijle, na verloop van eenige jaaren, tegens vertroude vrienden zeide, dat 'er de Prins gevallen in hadde, en zich mee kittelde. Ook verhaalde Vondel, 't geen zommigen veellicht ongelooffijk zal schijnen, dat in 't kabinet, daar men het Treurspel las, een tapijt, oft weezen wilde, te pronk hing, met beelden, die de histori van Palamedes kunstig vertoonden, daar 's Prinsen oogh onder 't leezen op viel, zeggende al lachende tot Van der Mijle: Dat tapijt dient wel weghgenoomen: men moght anders besluiten dat ik van Palamedes volk waare’. Het werkt weinig uit of men opmerkt dat Maurits er in den Palamedes vrij goed afkwam: waar hij heel niet genoemd en dus, volgens

[p. 212]

Dr. Leendertz, miskend werd, kwam hij er inderdaad nog beter af. Het feit blijft dus dat Frederik Hendrik niet uit afkeer van Vondels gedichten, maar om een andere reden, de voorkeur aan zwijgen gaf. Om welke dan? Brandt heeft haar al opgegeven: hij vond zwijgen veiliger. Dr. Leendertz leze de plaats eens na die hijzelf uit een brief van Hooft aan Baek heeft afgeschreven. Vondel prees in zijn ‘Harpoen’ den Heer van Schaegen, en Hooft, met het hekeldicht ingenomen, meende dat die lof in dank aanvaard zou worden. Maar het tegendeel was waar. De heer van Schaegen bedankte ervoor over de tong te gaan. Hij wilde sommige dingen wel doen, maar hij wilde niet geloofd hebben dat hij daarom tot een partij hoorde. ‘Waaraan UE. bevindt’ - zegt Hooft - ‘dat de voorzienighen ende wereldwijzen den naem schuwen, van der partijdigheid meer toe te geven, als den noodt.’ Zulk een voorzienige en wereldwijze was Frederik Hendrik, en Hooft was er ook zoo een. Eigenlijk is er geen verhouding makkelijker te begrijpen dan die van Hooft tot Vondel. De laatste de man die partij koos, de eerste een die niets zoozeer schuwde als den naam de partijdigheid meer toe te geven als de noodzakelijkheid. Er was een tijd geweest toen zij dicht bij elkaar stonden: toen al de grootmoedigheid van Hoofts geest het opnam voor den dichter die hem zóó onder den indruk van zijn grootheid bracht. De zoo juist genoemde brief aan Baek is een bewijs hoe al Hoofts voorzichtige overleggingen een tijd lang in evenwicht werden gehouden door die grootmoedigheid. Maar hoe ouder zij werden, hoe meer Vondel zijn overtuiging en Hooft zijn politiek diende. Niet zoo zeer dat Vondel tot het Pausdom overging, maar dat hij het ‘zoo aanhing, en daaghelijks dit liet blijken’ - zegt Brandt - ‘was den Drossaart zoo tegens de borst (meenende dat hij wijzer behoorde te zijn) dat er eenige verkoeling in hunne vriendtschap uit ontstondt, en verdre verwijdering.’ Vondel werd ‘devoot Catholyk’, en hij vond dat Hooft zich ‘devoot Polityk’ toonde. Dit verschil lag zoozeer in hun beider karakters, dat het er zelfs weinig toe doet bij welke gelegenheid het zich toonde of door welke aanleiding het verergerd werd. Maar iedere scheiding heeft haar nevenverschijnselen, die meestal de waardigheid missen van

[p. 213]

het hoofd-feit. Brandt noemt er zoo een. ‘Noch viel 'er iet anders voor, 't welk hunne gemeenschap temeer afbrak. De Drossaart hadde voor 't Hof te Brussel een pleit hangen, en de Plempen, van Amsterdam herkomstig, (die aldaar met aanzienlijke Heeren vriendtschap hielden) tot zijne hulpe, om 't werk te vorderen. Eenige Pausgezinden en Priesters in Gooylandt, dit weetende, zochten hier door, hoewel zacht gehandelt, noch meer vrijheits te bekomen, en verzochten door de Plempen, dat Vondel dit den Drossaert wilde voordraagen. Hij deede 't, en voegde 'er bij, dat hij hun te wil behoorde te zijn, of dat het hem anders te Brussel moght schaaden. Waarover de Drossaart, zeer t'onvreede, antwoordde: Dat hij zich daarmede niet hadt te bemoeyen, en dat hij die taal voor een dreigement nam. Dus verwekte Vondels voorspraak voor anderen, ongunst tegens zichzelven.’ In dit kleine gekibbel nu, ziet Dr. Leendertz niet het bijkomstige waarvoor het door Brandt gegeven wordt, maar de eigenlijke oorzaak van verwijdering. Het was onhandig van Vondel, tobt hij. Wat moest Hooft zich diep gekrenkt voelen! Hoe teleurstellend, hoe grievend, ‘dat de vriend, met wien hij zooveel jaren had omgegaan, hem zoo weinig bleek te kennen, en hem tot zooveel baatzucht in staat achtte’. ‘Zou Vondel werkelijk niet begrepen hebben dat hij hier schuld had?’ - Zoo gaat het wanneer een gelijkvloersche verbeelding den blik belemmert op de groote feiten. De brave burger Vondel, ondanks zijn ernst en degelijkheid toch de sukkel die door handige vrienden bij den neus kon worden geleid, de stijve van bescheidenheid, die niet in kon zien dat ook een Prins niet graag zijn broer miskend zag en die onhandig tegen den Drossaert Hooft was, - deze ongeloofelijke burgermans-verbeelding verbergt voor den Heer Leendertz de onloochenbare, de naar voren springende feiten.

Indien het me om meer dan een karakteristiek, indien het me om een beoordeeling van dit Leven van Vondel te doen was, dan zou dit opstel met de bespreking van sommige zakelijke gegevens zoowel als van estetische oordeelen moeten worden aangevuld. Van de eerste stip ik nu alleen twee aan, die Vondels dochter Anna betreffen. Waarom, nu gebleken is dat zij niet vóór maar ná 1612 geboren is, doen wij ‘het

[p. 214]

veiligst met haar geboorte omstreeks 1620 te stellen’? En: had de Heer Leendertz niet beter gedaan, zijn gronden waarom Anna de Eusebia zijn moet aan wie Peter en Pauwels is opgedragen, in het boek aantebrengen? - Van de tweede, de estetische oordeelen, vormt de lezer die de Vondelverbeelding van Dr. Leendertz begrepen heeft, zich vanzelf een denkbeeld. Verbeelding en smaak zijn tweelingen, en wie een gelijkvloerschen Vondel schept kan in Vondels werk niet anders dan een gelijk-vloerschen smaak hebben. Zooals het zijn van weldenkend mensch - ‘evenals ieder weldenkend mensch’ ‘verfoeide hij het bedrijf van Balthazar Gerards even sterk als wij dat van de Russische bommenwerpers’ - de hoogste zedelijke toestand is, waarin Dr. Leendertz zich den dichter kan denken, zoo is hem de hoogste schoonheidstoestand die waarin hij van ‘hartelijkheid’ en ‘de ware bezieling’ spreken kan. Geen wonder dus dat het ‘Bruiloftbed van P.C. Hooft en H. Hellemans’ hem niet bekoren kan. Geen twee gedichten die meer verschillen dan de ‘Verovering van Grol’ en de ‘Geboortklock’, het laatste de bloem van een poëzie die op woord en vers berust, het eerste een proeve van welsprekendheid en klassicistisch heldendicht. Het is een onderscheid dat door Dr. Leendertz niet wordt opgemerkt. ‘In hoogdravendheid, zwier en kracht van uitdrukking overtreft de “Verovering van Grol” zelfs nog de “Geboortklock”.’

Ik wil die kritiek niet voorzetten. Niet omdat ik meenen zou dat ik er Dr. Leendertz onrecht door aandeed. Integendeel; want de waarde van zijn werk ligt mijns inziens daarin dat het zoo geschikt is om gekritiseerd te worden. Het bevat in grooten getale, en overzichtelijk, de gegevens tot de Vondelstudie. Het is geschreven in een stijl die wel droog en zonder verheffing, maar nooit slordig is. Trilt er in die volzinnen geen ontroering die den lezer aan de stof ontrukken kan, in de plaats daarvan zijn ze doordrongen van een weldoende kalmte, weldoend voor hem die wil weten en oordeelen. En, gelijk tot dit weten, krijgt ook tot oordeelen, de studeerende ruimschoots gelegenheid. Afwijkende meeningen lokken tot weerspraak uit, en hoe meer weerspraak, hoe meer baat voor de Vondel-studie die ook Dr. Leendertz wenscht te bevorderen.

[p. 215]

Ik eindig daarom met een onomwonden aanbeveling. Ik hoop dat de schrijver - die verzoekt om toezending van de besprekingen - menig opstel ontvangen zal dat, misschien hem prikkelend door scherpte, hem verheugt door belangstelling, en dat ook menigeen die het boek niet aankondigt, het, nevens andere werken over Vondel, zal raadplegen.