Dietsche Warande. Jaargang 8


auteur: [tijdschrift] Dietsche Warande


bron: Dietsche Warande. Jaargang 8. C.L. van Langenhuysen, Amsterdam 1869


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 289]

De vondelsfeesten.

‘Kondet ge thands in ons midden verschijnen, hooghartige Patriciërs! wier vroedheid en kloek beleid mij even verkwikkend aandoen, als uw gebrek aan smaakvolle heuschheid tegenover den grootsten man, die uwe stad had aan te wijzen, mij smartelijk kwetst. Kondet ge op den dag der onthulling aan de voeten van zijn standbeeld post vatten, ik zou u dringend aanmanen in die ure het fiere burgemeesterlijke hoofd te ontblooten en te buigen - Joost van den Vondel heeft den zilvergelokten schedel eerbiedig ontdekt, zoo ras hij den dorpel uwer trotsche raadzaal was binnengetreden.’
Dr J. ten Brink (1864).

‘'t Is toch maar goed geweest, dat ze in Amsterdam de kermis hebben uitgesteld, en, in verband daarmeê, de Vondelsfeesten: anders waar-je-lui met een nat pak van een heel slechte reis gekomen.’ Zoo hoorde ik een lid der Feestkommissie apostrofeeren door een wijshoofd, die gemeesmuild had, bij de verzekering in eene harer cirkulaires, dat men op de Vondelsfeesten mooi weêr hebben zoû; en wiens grim- tot een grinniklach was geklommen, bij de donkere lucht, natte straten, en regenbuyen, die den 4n, 5n en 6n Oktober aan de Hoofdstad alles behalve een vrolijk en feestvierend aanzien gaven. ‘Maar Mijnheer Laurentius,’ was het andwoord, ‘hoe kunt ge nu zulk een gevolgtrekking maken? Ik zeg u, indien de feesten op 4, 5 en 6 Oktober waren doorgegaan, zoû het ook dán mooi weêr zijn geweest; ge hadt met een anderen samenloop van omstandigheden te doen gehad - en als gij, op de heide der gebeurtenissen, maar éen enkelen keer een ander voetpad inslaat, dan dat Jan Alleman naar Laren of Hilversum brengt, - dan is het zeer mogelijk, dat ge te Bussem of, waar elders ook, te-recht-komt. Men kan van niets zeggen, dat het, bij afwijking en andere omftandigheden, zich zoû toegedragen hebben, zoo als men het heeft zien gebeuren; alles werkt immers op elkaâr: feiten, woor-

[p. 290]

den, ideën, het schakelt zich alles vast; alles staat in een verband van oorzaak en gevolg; verandert dus het éene, wie kan waarborgen dat het opvolgende niet veranderen zal?’ Mijnheer Laurentius handhaafde zijn grimlach. ‘Gij gelooft toch ook wel aan les petites causes et les grands effets?’ ging de ijverige feestkommissaris voort. ‘Zeker, zeker, adres aan dat Tooneelstuk: Een glas water; maar we hebben hier met de werkelijkheid te doen...’ - ‘Heel best, mijn goede Heer. Maar weet gij wel wáarvan in de werkelijkheid soms een staatsomwenteling kan afhangen? - Van de wijdte van een horlogiesleuteltjen. Het hoofd der revolutionairen meent, dat hij zijn uurwerk heeft opgewonden, en het stiftjen heeft niet in het pijpjen gepakt; hij begeeft zich te bed, raadpleegt, na wat slapens, zijn horlogie: “'t Is nog geen tijd.” Hij wacht, en slaapt weêr in. Een uur later ontwaart hij, dat de wijzer stilftaat. Inmiddels is de revolutie door het gevestigd gezach voorkomen.’ - ‘Goed,’ zeide Laurentius, ‘maar hoe kunt ge nu staatszaken bij weêrsgesteldheid vergelijken?’ - ‘Waarom niet? ze hangen alle-beî af het zij van den gewonen loop der natuurwetten - het zij van den vrijen wil en vrije daad der menschen - het zij van de onophoudelijke en zich zelve telkens vernieuwende inwerking Gods. En wat weten wij nu van een en ander? Een scheut olie, zegt men, bedaart de branding der zee: wie weet, welke menschelijke daad al op den storm en den zefyr werkt? En als wij het zoogenaamde “supra-naturalistische” standpunt willen betreden - met andere woorden, als we willen erkennen, dat er eene zelfstandige orde is boven de stoffelijke orde, boven het zintuiglijk waarneembare verheven, als men gelooft, dat die orde met onzen aardschen toestand in korrespondentie staat, en dat een opperste, persoonlijk denkende Geest die orde bestiert en hare betrekkingen met de waereld regelt, dan zal men toch wel dienen aan te nemen, dat door dezen Geest een zieke gezond gemaakt kan worden, dat hij de beurs van den rijken, op de stem des bedelaars, openen kan, dat hij den hagelslag van ons kan keeren, die het oogstveld van onzen buurman vernield heeft, - en dan staat ook regen en wind, heldere dag en schemer onder zijne regeering. Heeft die Geest

[p. 291]

alleen, voor vele millioenen jaren, eene reeks van geologische monumenten geschapen, dan laat hij de dingen zich in hunne onvermijdbare gevolgen rangschikken en heeft hij zich-zelven tot werkeloosheid veroordeeld. - Deze werkeloosheid is, bij het bestaan van een schepper, natuurlijk niet aan te nemen. Aktiviteit is toch wel een hoofdkenmerk van voortreffelijkheid, en het “christelijk Theïsme” moge allengs alle geloofsvoorstellingen over boord hebben geworpen, een god, die al die millioenen jaren zich in zijn rust opsluit, kan men zich toch niet goed denken..... Maar waar dwaal ik heen? De monologen zijn uit de smaak....’ Het ijverig lid der Feestkommissie had gelijk dit te vragen, want de Heer Laurentius scheen niet meer te luisteren. De beide goede bekenden waren op den Rijn-spoorwagen gezeten; zij verloren dus met praten geen tijd. Eer zij uitstapten, trok echter de redenaar-Feestkommissaris den Heer Laurentius nog even bij zijn knoop, en zeide: ‘Ik meende alleen maar te zeggen, dat het zeer waarschijnlijk ook den 4n, 5n en 6n Oktober mooi weêr zoû geweest zijn, want dat althands sommige Dames-feestelingen er braaf voor gebeden hebben.’

En die zich nu den lieven, vrolijken zonneschijn bij de Vondelsfeesten herinnert, zal het niet verwonderen, dat wij de zwaarhoofden, die regen spelden (en daarmeê het volkomenst fiasco der onderneming) een weinigjen hebben willen kastijden, door de meêdeeling dezer lange redeneering. Immers, zelfs het watertochtjen - het kon niet mooyer zijn, ondanks alle naargeestige profetiën en klachten over de gewoonten van het Hollandsche klimaat.

Maar wat moet er nu, over de feesten, in de ‘Warande’ worden opgeteekend?

Ik heb volstrekt geene epische bedoelingen: niet alleen, dat ik den wrok van Achilles, noch de gevallen van Ulysses' zoon te gedenken heb, maar ook het eenvoudig geschiedverhaal der Vondelsfeesten is al zoo menig maal, en in zoo velerlei form gegeven, dat ik, hoewel ik bijna een foto- en stenograafsplaats bij de feestelijkheden gezegd kan worden te hebben ingenomen, er van afzie een chronologiesch verslag van het ‘gebeurde’ op

[p. 292]

17, 18 en 19 Oktober te leveren. Trouwens - de ‘Dietsche Warande’ is niets minder dan een dagblad, en is in dien zin bijna meer schilderkunst dan literatuur, dat zij, waar iets anders te doen valt dan oorkonden diplomatiesch-naauwkeurig af te drukken of polemiek te voeren, meer impressies wil bewaren dan mathematische lijnen. Voor mij heeft vooral het charakter der Vondelsfeesten bizondere waarde.

Dat charakter onderscheidt ze van de meeste andere plechtigheden van dien aard, hier in Nederland. Wanneer wij ons vergelijken met andere volken - allernaast met de Belgen, moeten wij erkennen, dat doorgaands onze feestvieringen iets bekrompens, iets huisbakkens hebben, bij al de voortreflijkheid der intentiën, die hier plegen voor te zitten.

Mij dunkt, dat men de Vondelsfeesten hiervan heeft weten vrij te houden.

Daar is nog eene. tweede klip, waar zij niet op gestrand zijn. Het is de gemeenheid. Ons volk, niet aan feesten gewoon, bezit het geheim, om zoodra een jubelviering op markt en straat wordt gebracht, daaraan een gemeenen draai te geven. Jeneverwalm omhuift zelfs de koninklijke rijtuigen bij blijde intochten, en roode, druipende gezichten en schorre stemmen begroeten de vereering, die aan groote mannen en hunne gedenkdagen gebracht wordt.

Niet aldus voor Vondel. En dit ondanks de nog bloeyende domme overlevering, dat Vondel een gemeen leven geleid heeft. Het lagere volk heeft zich zelfs-zeer-decent gedragen, bij het ongeluk, dat aan den praalwagen der ‘Faam’ is overkomen. Het heeft wel, den Dichter met zijn Roem verwarrende (ten gevolge eener zeer wezenlijke verwantschap), gerijmd op ‘Vondel zonder kop’, het heeft de Heeren van de optocht wel (geestig genoeg) Vondelingen gescholden of... getiteld; het heeft wel getuigd: ‘Ginder staat een tapperij, daar kon Vondel nooit voorbij’; maar het geschiedde zonder passie, het geschiedde met een bedaarden glimlach, die bijna zeggen wilde, dat de straatjongen zelf geen geloos sloeg aan de anekdote, die hij opzong.

Men heeft aan de Vondelsfeesten een aristokratische tint ver-

[p. 293]

weten: dat is juist wat ik er in meende te prijzen, en wat zij noodwendig behoefden, zoû de hulde gelukken. Aristokratiesch moest alles zijn; de keuze der muziek-stukken op het koncert; het assortiment van de optocht; het parterre van den schouwburg; de equipaadje van de Muider boot; de ontvangst van de dischgenoten in het Paleis voor Volksvlijt.

Waarom? - Vondel voelde warm voor het Amsterdam van zijn tijd, en niet ondanks de amsterdamsche aristokratie, maar gedeeltelijk om en met haar. Zijn aristokratische aanleg ging zóo ver, dat hij alles veredelde, wat hij aanraakte, al was het ook maar het laagste voorwerp, aan akkerbouw, ambacht of neering ontleend. Vondel was, in alle opzichten, een deftig man, en men heeft nu al zoo lang zijne kousenkooperij geëxploiteerd, dat het tijd wordt eindelijk het onderscheid in te zien tusschen een dichter, die toevallig een kousenwinkel geërfd heeft, en een kousenkooper, die, in zijn verloren oogenblikken, een vaersjen maakt. Vondel, zoo véel kousenkooper en ‘scherpzinnig kousenkooper’ als hij dan geweest mag zijn, was, in zijn hart en ook in zijn voorkomen, veel meer grand Seigneur dan de Heer van Zuylichem, Zeelhem en Monnickenlandt, ondanks zijn degen; en nooit zoû Vondel zijne pen tot het schrijven van het ‘sneldicht’ van Huygens in zoo talrijke (4o-) Boeken, geleend hebben; veel minder een klucht als Trijntje Cornelis (die met alle geweld op rekening van de tijd geschreven moet worden) hebben gerijmd. Jan Vos was óok een burger man, een (echter voornaam) glazemaker, hoofd van den schouwburg (zijn blazoen stond tegen de tooneelgalerij te prijken) - maar overal voelt men in zijn vaerzen (ik zwijg van zijn Oene) de harde hand van den werkman, en ziet het grove, onbeweeglijke gezicht met vrij veel aanmatiging een teeken van goedkeuring afwachten. Vondel heeft óok wel burleske vaersjens gemaakt, maar daar is altijd een puntigheid of een zangerigheid in, die u liet onwelvoeglijke doet vergeten, en men ziet duidelijk, dat deze dingen niet onder de voornaamste uitingen van 's dichters geest te rangschikken zijn. Bij Huygens en Cats krijgt men onophoudelijk den indruk, dat men met een burger-man-chevalier

[p. 294]

te doen heeft; bij Vondel is het de Ridder, de Prins, die zich nu en dan als burger-man vertoont. Dat ligt dood-eenvoudig en noodlottiglijk aan de zielen van die dichters: het is een spel der natuur.

Het charakter der Vondelsfeesten moest ondertusschen, niet bloot aristokratiesch, maar ook - openbaar, algemeen, monumentaal zijn. Onze komponisten Verhulst, Heinze en Hol hebben, in den wedijver van eene edele en zuivere geestdrift, gezorgd, dat de Muze der Toonkunst onder den blooten hemel, in onze grootste koncertzaal1, en in ons oudste monument2, den lof des dichters aanhief. Beethoven en Händel - de echoos van Duitschland en Engeland - de beide vreemde komponisten, die op bizondere wijze aan ons volk en onzen landaard verwant zijn, hebben met hunne grootsche harmoniën onze feestzaal en onze harten vervuld.

Uit den aard der zaak volgt, dat, in deze beperkte aardsche konditie, eene geheele bevolking niet aan plechtigheden deel kan nemen, die op een bepaald punt voltrokken worden. Men moest dus wel de slagboomen der kontributiën gebruiken, om tot eene afpaling te komen; en dit was hier te eerder aangewezen, om dat uit hoosde van redenen, die ik nog nader ontwikkelen zal, het seest, als ik zeide, een aristokratiesch charakter behoorde te hebben. Demokratie is heel mooi, wordt geschat in onze dagen de eenig verdedigbare theoriën en instellingen op te leveren; maar aristokratie heeft óok recht van bestaan. Ik neem de vrijheid deze stelling, zonder verder bewijs, vast te houden. Ondertusschen heeft men het kernpunt der plechtigheden zoo algemeen en monumentaal mogelijk willen maken, door aan de onthulling een optocht te verbinden.

Men is bij elkaâr gekomen op de plaats, waar zij Vondel den 8n Februari 1679 heengebracht hadden. De verwanten en bekenden, die verzocht waren geweest ‘als vrienden in huys te komen’, zouden nog al te-vreden opgekeken hebben, indien zij

[p. 295]

in den morgen van den 17n Oktober 1867 gezien hadden, wie daar in de Nieuwe Kerk bij-een-waren om de lijkstatie voort te zetten. Al wat te Amsterdam, ook maar in de verte, kunst en letteren beoefende, ‘roomsch of onroomsch’, had zich het woord gegeven, om onder wapperende banieren den edelen genius, die voedsel aan zoo veel schoonheidlievende harten verstrekt heeft, te komen huldigen. De studenten van het Amsterdamsch Athenaeum hebben dit echter beneden hunne waardigheid gerekend. Zij hebben geschitterd door hunne onthouding. De leerlingen van het Gymnazium - en 't doet weinig eer aan hen, die er in te beschikken hadden - hebben geen vakantie kunnen krijgen. De weeskinderen onzer stad daarentegen, de kinderen bij uitnemendheid onzer burgerij, hebben zich bij de huldiging van Vondel - dit groote voorbeeld van zielenadel - mogen aansluiten.

Drie zegewagens, van een uitmuntenden stijl, repraezenteerden de generatie der verschijnselen, waarover Vondel patroon was. De Poëzie zong haar lied; zij blies de ziel in de Drukpers; de Pers baarde een boek, en trad in trouwverbond met den Handel; de Faam is de vrucht van dit huwlijk, en, wat men niet altijd ziet, zij neemt op zich de eer te verkondigen van hare halve zuster, der moeder voordochter- de gedrukte Poëzie!

Achter den wagen der Poëzie liepen in de optocht de letterkundige deputatiën uit den vreemde en uit het binnenland en de vertegenwoordigers van de Fransche en Belgische Regeering; en aan hun hoofd, te midden van twee andere leden der Hoofden Feestkommissiën, de nazaat van Joan Six, Vondels bekenden vereerder: Jhr J.P. Six, waardig erfgenaam van den kunstroem zijns vaders en voorzaats. 't Is een gelukkig verschijnsel, dat de zonen der weinige oud-amsterdamsche geslachten, die nog niet uitgeftorven zijn, zich vrij veel aan kunst en letteren, aan geschied- en oudheidkunde laten gelegen zijn, en dat zoo wel bij de Gereformeerden als bij de voormalige dissenters.

Het historiesch-aristokratiesch charakter der feestviering werd aan zich-zelf, ook bij de onthulling, niet ontrouw. Het tegenwoordig Goevernement toch, dat hier waardig vertegenwoordigd was, is niet in funktie getreden bij een triomfkreet ‘des

[p. 296]

grrrands prrrincipes de 89’, die o.a. in de banier van de loffelijke kiesvereeniging ‘Burgerpligt’ geschreven. De bijltjens werden ook niet door speciale geestverwanten gepatrocineerd; zelfs geen lid der koninklijke familie woonde de plechtigheid bij - ofschoon dit, naar mijne meening, zonder het aristokratiesch charakter der zaak te schaden, zeer geschiktelijk had kunnen gebeuren. Misschien echter was het goed, dat men zich en haut lieu geen partij stelde tusschen Maurits en Frederik Hendrik. Bij vroegere amsterdamsche feesten had de met lof bekende ‘Burgemeester van de Willemsstraat’ en de niet minder vermaarde ‘redder der 39 menschenlevens’ eene rol gespeeld. Dit was hier echter niet het geval: over het geheel waren alléen kunst en letteren, door een paar duizend leden van verschillende genootschappen, vertegenwoordigd, en dán het begrip der nederlandsche nationaliteit door eenige Overheden, maar vooral door de milites, de Wapenvoerenden en door de Nederlandsche Vrouwen. Al de Officieren van het Garnizoen hadden vrijen toegang, en Artillerie en Kavalerie, met hunne fraaye uniformen, zett'en een glans en cliquetis aan de plechtigheid bij, die, met al het overige, den schoonen boogschutter, den onsterflijken Foebus (ook de lieve Hóllandsche zon verdient dien naam) niet te vergeten, - iedereen in de blijdste stemming bracht. Van Lennep heeft uitmuntend gesproken, zoowel op het graf als op het terrein, zonder het minste theater-attirail (en in zuiverder Hollandsch dan mij hier uit de pen wil). Grootsch was de werking van Royers beeld, bij het vallen der sluyers; eene trilling liep door de scharen, en met vreugde herkende men, in het rijke voetstuk van Cuypers (gelijk in de vercieringen, in al de feestlokalen door hem aangebracht), het afzijn der beknibbelde schraalheid, waaraan schier alle nationale gedenkteekenen van het Nederland der XIXe Eeuw lijdende zijn, en die gedeeltelijk te wijten is aan de ledige geldkassen der Kommissies, maar vooral ook aan de ledige hersenkassen der genen, aan wie de stoffeering van zulke zaken pleegt te worden opgedragen.

En de schouwburgvoorstelling dan? - Eere aan de Heeren Roobol, Tjasink en Peters, die, van den beginne af, op de on-

[p. 297]

bekrompenste wijze hunne waardeering van de Vondelhulde hebben aan den dag gelegd. Een ruime, een rijke gift, schonken zij in der tijd aan het fonds voor het standbeeld, en ook dit maal hebben zij getoond, dat het hun ernst is met kunst en kunstvereering; zij hebben een ontegensprekelijk nieuw bewijs geleverd, dat het gemoed van rechtgeaarde kunstenaars in edelmoedigheid en offervaardigheid voor niemant wijkt. Het gelegenheidsstukjen van Van Lennep heeft algemeen genoegen gegeven; het tafreeltjen was dan ook fijn gepenceeld. Zeer heeft het deftig en elegant publiek ook het spel en de voordracht der Heeren oud-rederijkers gewaardeerd, die eenige fragmenten uit den Lucifer hebben voorgedragen. Het is jammer, dat wij met ons nationaal tooneel een toestand beleven, waarin zúlke voordracht en zúlk gebaar met een krijtjen (gelijk men zegt) aan de balk geschreven wordt. Het was lief, dacht mij; maar kom eens in Frankrijk.... Hoe 't zij - het parterre, wel niet van Keizers en Koningen, maar een parterre de fleurs in den volsten zin des woords - de bloem onzer bevolking - wier émail slechts te meer uitkwam door de afwisseling met donkere Heerenpartijen - het parterre was zeer te-vreden, en de schitterende balkons en loges - alles éen rang - niet minder. Het slottooneel van het maar fragmentariesch meêgedeeld stuk van Loots was niet gelukkig, en het effekt de rilling niet waard der arme godessen, die onder de fontein stonden.

's Anderen daags in het Slot te Muyden naderden wij nog wat meer het leven, en het realisme was zoodanig op den weg hier eene gemakkelijke viktorie te gaan vieren, dat wij de réserve hoorden beklagen, waarmeê Hooft en zijn gezelschap zich aan de gasten openbaarden. Men had ze gewild zittend om een tafel, schransend, misschien daarna zelfs - dansend; maar het idee van den quintet was blijkbaar niet om af te beelden, hoe Hooft, Vondel, Barlaeus, Huygens, Swelinck, Tesselschade en de Fransche Nachtegael in 1630 tafelden en gastereerden; maar om, door middel van eenige figuren aan 1630 ontleend, daar te Muyden, daar in de Slotzaal-zelve, onder de zoldering waar de zang van Roemersdochteren, van Duarte, van den toondichter Ban stellig

[p. 298]

eenmaal geklonken had, historische herinneringen in het leven te roepen, doch ook - historiesch recht te spreken. Vondel moest gehuldigd worden te Muyden; hij moest er worden ingehaald en bezongen. Dat kon niet gebeuren door de herhaling van tooneelen, die te Muyden in 1612, 1630 of 1641 hadden plaats gehad. Daar moest dit-maal aan Vondel meer eer gebeuren dan hem ooit in Muyden was ten deel gevallen; ja, hij moest worden gerehabiliteerd.

Men kan moeilijk ontveinzen, dat de plaatsregeling aan 's Drossaarts banketten en vriendenmalen nooit in over-een-stemming geweest is met de talenten der personen, die op het ‘Hooge Huys’ ontvangen werden. Dat kon dan ook dikwijls niet gevoeglijk aldus geschieden. Maar wat in de XVIIe Eeuw niet kon; kon nu wel: dat is bewezen. Het spreekt van zelf, dat, over Vondel, in het XVIIe-eeuwsche Muyden altijd een lichte wolk van geringschatting gehangen heeft. Men werd wel door zijn ongelijkbaar kunsttalent getroffen en overheerscht, maar al spoedig was men dien indruk weêr ontworsteld en te boven, en men kan er wel zeker van zijn, dat het toetreden van Huygens en Hooft op Vondel (niet dat van Hugo de Groot), immer een kwalijk gemaskerd afdalen geweest is. Maar Vondel was te goed van hart om dit al te zeer op te merken, en duidde het, vóor het tot een uiterste kwam, niet euvel. Men kan er zich niet in vergissen: Vondel heeft een weinig van de aristokratie van Muyden geleden: en daarom moesten nu de deftigste burgers van Amsterdam en de schoonste vrouwen en jonkvrouwen, onder de aanzienlijken der stad, Vondels rehabilitatie te Muyden komen toejuichen. Al las Vondel eenmaal zijne Constantinade op het slot, dan was toch deze schotel niet altijd de eerste, die de Drost zijn gewenschten gasten uit de verte voorhield; las een ander eenig dichtwerk voor - en maakte Vondel aanmerkingen, - dan heette het allicht, dat hij ‘knorven in de biezen’ zocht. Men weet, hoe hij te Muyden later min of meer - geweerd is.... Een en ander zoû zeer zeker niet zijn gebeurd - ware Vondel een persoon van hoogen stand geweest, die ridderkruisen of dergelijke dingen aan de slotgasten had kunnen bezorgen. Genoeg: de tijd der vergelding is geko-

[p. 299]

men, en de eerste klasse der Amsterdammers - de bocht van de Heerengracht - heeft uitnemend goedgemaakt wat de Keizersgracht over de Groenlandsche pakhuizen in 1641 min of meer had bedorven.

De tooneelen stonden op de muren geschilderd, ook uit de stukken, waar de stem van Vondel te Muyden de voordracht niet meer van had kunnen ondernemen. De groote mannen en vrouwen stonden er bij, die Vondel eer bewezen hadden, en als in levenden lijve voerde Hooft zijn gezelschap aan, om den ‘Prins der Dichters’ (dit-maal niet Van Baerle, maar onzen Joost) te kroonen.

Des namiddaags van den Muyder Dag, was er diner ten hove. Wel mocht men het zoo noemen, bij het zien der schitterende toiletten van de Dames der Hoofdstad. Mevrouw Messchert van Vollenhoven, Mevrouw Hartsen, Mevrouw Rive, Mevrouw Six, en Mevrouw de Vos deden de honneurs van het feest. In de schilderijzaal van het Paleis voor Volksvlijt waren vijf tafels opgeslagen, ieder van welke door een Lid van Vondels Hoofdkommissie gepraezideerd werd; ofschoon van dat praezidium weinig te merken was, en hier eigenlijk de aristokratie zich in louter republikeinsche formen openbaarde. Ik zonder daarvan niet uit het gedicht, door den oud-Burgemeester Boot den schrijver van Klaasje Zevenster toegewijd. Aan elke der tafels had de Voorzitter zijne naaste bekenden zoo wat om zich heen vergaderd en zoo kwam het uit, dat er misschien geen doopsgezinde en geen waalsche praecies was, maar toch wel een roomschgezinde, ofschoon niet onaardig geparsemeerd met israëlitische en luthersche elementen.

Aan al de dischgenoten werd op dat feestmaal, door den smaakvollen kunstbeschermer, den Heer Jacob de Vos Jacsz., eene fraaye fotografie van Vondel in drie leeftijden uitgereikt, afgenomen van teekeningen uit de beroemde verzameling van den gever.

Men schrijft den tegenwoordigen Burgemeester van Amsterdam het woord toe, dat ‘met de Vondelfeesten een slagboom was weggevallen.’ Het zal ons recht gelukkig maken (ondanks ons aristokratiesch riekend artikel), dat deze uitkomst verkregen zij;

[p. 300]

maar toch hadden wij (voor de aardigheid) nog wel eens voor het laatst, van de vijf verschillende tafels, vijf verschillende feestdronken op Vondel willen hooren uitbrengen, die toch zeker zich in éene volkomene harmonie zouden hebben opgelost. Dit genot móest ons echter wel ontzegd blijven: want de zalen van het Volkspaleis zijn zóo gebouwd, dat men, op drie passen afftands, elkander niet hooren kan; sprake van samenklank of harmonie, in den muzikalen zin, kan daar dus niet wezen. Innig leed deed ons dan ook, dat de uitmuntende feestdronk, op de nederlandsche vrouwen door Prof. Heremans uitgebracht, en die tot het beste behoorde van hetgeen aan het feestmaal geleverd is, door zoo weinigen kon verstaan worden.

Wij betreurden dit te meer, om dat Van Lennep wel wat verzuimd had, in zijne toespraken, de eenheid van taal en stam der Noord- en Zuidnederlanders te doen uitkomen.

Wij hebben dan aangezeten, en wij willen gaarne weêr aanzitten met de vertegenwoordigers der verschillende nuancen onzer geliefde land- en stadgenoten: want (God dank!) aan onze amsterdamsche feestbanketten, en ter vereering onzer groote mannen, worden nog geen Turken genoodigd - die smaders en vlieders van den edelen wijn; die misbruikers en derhalve minachters van de voorwerpen onzer tederste vereering. Laat Koningin Victoria ‘de ster, de keten en de overige insigniën der orde van den Kousenband’ op Donderdag 12 December 11. aan Abdul Medjid (of hoe Zijne Mahommedaansche Majesteit anders heeten moge!) hebben toegezonden; laat zij, des noods, naar Konstantinopel reizen om hem de XIVe-eeuwsche reliek der Gravin van Salisbury boven de magere kuit, om de wijde broek te strikken - wij zullen er het hoosd bij neêrleggen, zoo lang er wat zuiver oud-hollandsch, wat echt oud-amsterdamsch, niet te stijf en niet te los, iets geestigs en iets enthuziastiesch, iets milds en magnifieks, maar vooral iets oprechts en van den besten toon de feesten moog kenmerken, die wij hier aanrichten ter eere onzer helden op elk gebied.

J.A.A.Th.