De Gids. Jaargang 57


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1893


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 379]

Bibliographie.

Van Nu en Straks. No. 1. Brussel, Xavier Havermans.

Te moeten geven wat men op het oogenblik heeft, al weet men dat het veel minder is dan men in gewone omstandigheden zou kunnen geven; zich daardoor aan verdiende, en toch in den grond onbillijke critiek te moeten blootstellen - ziedaar de alles behalve benijdenswaardige toestand, waarin de heer Gust. Vermeijlen en zijn bentgenooten zich bevonden, toen de Aprilmaand naderde en zij, ten einde hun eerlijken naam niet te verbeuren, wel gedwongen werden de eerste aflevering het licht te doen zien van het nieuwe tijdschrift, welks verschijning, lang te voren met ophef aangekondigd, door allerlei tegenspoed maanden achtereen vertraagd was. Zij hebben wijselijk geene verontschuldigingen gemaakt, zelfs geen uitlegging gegeven, maar, gedachtig aan het Nederlandsche spreekwoord, dat hèm het leven waard acht, die geeft wat hij heeft, hebben zij van den nood, waarin zij zich bevonden, een deugd trachten te maken. Zoo althans stellen wij ons de zaak voor. En daar ook wij nieuwsgierig zijn naar ‘het werk van boek-kunst, door kunstenaars stoffelijk verzorgd,’ naar de ‘uiting van het willen en denken der laatstgekomenen’ onder de jonge Vlamingen, ons in Van Nu en Straks toegezegd, en wij hun de gelegenheid willen laten, die toezegging gestand te doen, onthouden wij ons liefst van een, op dit oogenblik nog voorbarig, oordeel en bepalen wij er ons voor heden toe, den moedigen jongen mannen en hun grootschen plannen een ‘gut Heil’ toe te roepen.

Waarom onaannemelijk. Bezwaren tegen de voorstellen tot vereenvoudiging van onze spelling en verbuiging, door C.H. den Hertog. Groningen, P. Noordhoff. 1893.

Mag de commissie, die voor weinige maanden hare voorstellen tot vereenvoudiging van onze spelling en verbuiging in het licht zond, zich in veel instemming verheugen, zij zal het zich moeten getroosten dat men voortgaat bezwaren tegen hare plannen te opperen. En zij, die, verleid door het inderdaad zeer aanlokkelijke van de voorgestelde vereenvoudiging, geneigd zouden zijn, zich zonder langdurige overweging bij de heeren hervormers aan te sluiten, zullen wel doen, alvorens daartoe over te gaan, ook van die bezwaren kennis te nemen. Wanneer de bedenkingen komen van een man als de heer C.H. den Hertog, dan behoeft men zeker niet bevreesd te zijn, dat zij door overdreven gehechtheid aan het oude in de pen zijn gegeven.

Dat bij elke spelling naar eenheid behoort gestreefd te worden; dat zij, die onderwijs geven in de kunst

[p. 380]

van lezen en schrijven, bij die eenheid en bestendigheid belang hebben omdat het oog er door gebaat en hun werk er door vergemakkelijkt wordt; dat de bestaande spelling zich door zulk een eenheid onderscheidt en dat, vergeleken met die der vreemde talen, de schriftregeling van het Nederlandsch een model van eenvoud is; dat er gewichtige bedenkingen geopperd kunnen worden tegen de voorgestelde wijziging van de e- en o-spelling, dat de voorgestelde vereenvoudiging in de naamvalsvormen tot veel onwelluidendheid en tot veel misverstand zal leiden, - dat en nog veel meer wordt door den heer den Hertog beknopt en duidelijk ontwikkeld.

Aphorismen uit Vondel's Werken. Saamgelezen door P.H. van Moerkerken. Utrecht, J.L. Beijers.

Vele Vondelvereerders zullen het bedenkelijk vinden, dat hier het werk van den grooten dichter, als ware het ten dienste van een scheurkalender, in reepjes van een tot zes regels is verknipt. Zij zullen er over klagen, dat aan de schoonheden van het oorspronkelijke, aldus uit haar verband gerukt, geweld is aangedaan, en dat door enkele zeer gewone gezegden, als ‘In uitstel ligt gevaar’ (Periculum in mora), of ‘Het vrouwenoog kan licht een mannenhart bekoren’ voor kernachtige uitspraken uit te geven, aan Vondel onrecht geschiedt. Maar daar staat tegenover, dat, op de wijze als door den heer van Moerkerken is gedaan, vele van Vondels uitspraken en ontboezemingen, vele kernachtige en op zich zelf treffende verzen aan het licht worden gebracht, die anders in de niet of zelden gelezen treurspelen en gedichten, als Sofomponeas, Adonias e.a., verscholen zouden blijven, en dat regels uit meer bekende werken, aldus geïsoleerd, een bijzonder relief verkrijgen, waardoor ze beter in het geheugen bewaard blijven. En daar alles wat strekken kan om de kennis van Vondel te vermeerderen aanbeveling verdient, vestigen wij op deze ‘Aphorismen’ gaarne de aandacht.