|
|
|
| |
| | | |
‘Typical Dutch noises with no particular meaning’: Modale partikels
als leerprobleem in het onderwijs Nederlands als vreemde taal drs. A.P.
Foolen
| |
0. Inleiding
Dr. J. de Rooij heeft in zijn bijdrage aan dit
colloquium gesproken over de ANS in de buitenlandse
neerlandistiek en daarbij de extramurale gebruiker opgeroepen om fouten,
leemten en onduidelijkheden in de beschrijving die de ANS geeft, aan te
wijzen, in het bijzonder op die punten waar anderstaligen moeilijkheden
ondervinden.
Al behoor ik zelf niet direkt tot de aangesproken groep van extramurale
gebruikers, toch mag het onderstaande pleidooi voor de Nederlandse modale
partikels worden gezien als een reactie op deze uitnodiging. Ik ben namelijk
van mening dat deze kleine woordjes wel wat extra aandacht kunnen gebruiken,
zowel in de ANS alsook in de ruimere context van het onderwijs Nederlands
als vreemde taal.
Op het Achtste Colloquium Neerlandicum is ook kort aandacht besteed aan de
modale partikels, namelijk door professor P.
King, maar die informatie is binnen de vergadering van het Engelse
taalgebied gebleven.(1)
Ik wil in het onderstaande een indruk proberen te geven van de aandacht die
in het taalkundig beschrijvend onderzoek de laatste paar jaar ontstaan is
voor modale en andere partikels. Daarna ga ik in op didactische aspecten, in
het bijzonder op de vraag hoe modale partikels in bestaande leermethodes aan
de orde komen en of veranderingen op dit punt wenselijk zouden zijn.
| |
1. Nederlandse modale partikels en hun beschrijving
Met de term ‘modaal partikel’ doel ik op een groep bijwoorden waarvan wij
intuïtief vinden dat ze bij elkaar horen, zonder dat het gemakkelijk is om
via expliciete criteria aan te geven welke woorden tot deze groep behoren of
wanneer een bepaald woord in een taaluiting als modaal partikel is gebruikt.
Te denken valt aan woorden en gebruikswijzen van woorden als in de volgende
voorbeelden:
1. Partikels in imperatieve zinnen Kom maar / nou
/ eens / even.
2. Partikels in vragen
| | | | Weet u soms / ook / hoe
laat het is? Heb je je huiswerk wel gemaakt? A.
Ik hou niet van griezelfilms. B. Waarom kijk je er dan naar?
3. Partikels in mededelende zinnen Ik ga maar. Je bent daar toch al vaker geweest.
A. Die sinaasappels waren heerlijk. B. Ja, het zijn ook de duurste die ik kon vinden.
4. Partikels in uitroepen Dat is toch
verschrikkelijk! Hoe kan dat nou!
Vaak treden zulke partikels in clusters van twee of meer op:
Kom maar eens even. Weet u soms
ook hoe laat het is/ Hoe kan dat nou toch!
De partikels brengen een nuancering of schakering aan in de zakelijke
informatie die in de uiting meegedeeld wordt. Voor de groep als geheel is
dan ook wel de aanduiding ‘schakeringspartikels’ voorgesteld (Rombouts, 1980).
Bij pogingen om de groep middels expliciete vormelijke criteria af te grenzen
van andere subcategorieën van bijwoorden, stuit men met name op naburige
groepen als:
| - | ‘Gewone’ modale bijwoorden als helaas, hopelijk etc.
(vgl. ANS, p. 891). |
| - | Voegwoordelijke bijwoorden als immers, trouwens etc.
(vgl. ANS, p. 401) |
| - | Oordeelspartikels als al, nog, pas etc. (vgl. ANS,
p. 3337). |
Vaak worden de volgende criteria genoemd voor de afbakening van de modale
partikels: niet accentueerbaar, niet zelfstandig op de eerste zinsplaats in
bewerende zinnen en niet zelfstandig antwoord op een ja/nee-vraag (vgl. ANS,
p. 891), maar deze criteria zijn in ieder geval ook van toepassing op de
oordeelspartikels.
Ook inhoudelijke criteria zijn moeilijk exclusief voor de groep van modale
partikels te formuleren. We kunnen aanvoelen dat modale partikels te maken
hebben met betekenisdimensies als de volgende:
| - | Expressief (verbazing, irritatie) |
| - | Attitudineel (beleefdheid, vriendelijkheid) |
| - | Illocutief (de uiting wordt een verzoek, besluit etc.) |
| - | Connectief (de tekstverbindende functie, zowel voorwaarts als
achterwaarts). |
Maar zulke betekenisaspecten zijn ook aan te wijzen voor de andere subgroepen
die hierboven genoemd worden. Kortom, de groep als geheel stelt de
taalbeschrijver voor aanzienlijke problemen, | | | | en we moeten dan
ook toegeven dat we voorlopig met een intuïtieve categorie en niet met een
expliciet verantwoorde werken.
Evenzo moeilijk heeft de taalbeschrijver het die afdaalt naar het niveau van
het afzonderlijke woord. Met name de volgende twee problemen dienen zich dan
aan:
| - | Woorden die als modaal partikel kunnen functioneren, treden meestal
ook nog in andere syntactische functies op (maar als
voegwoord en als oordeelspartikel, wel als interjectie
en als bepaling van bevestiging (ANS, p. 902), etc.) Deze zogenaamde
polyfunctionaliteit is typisch voor woorden die als modaal partikel
kunnen optreden, en hoe dit aspect in de beschrijving verantwoord moet
worden, is nog geen uitgemaakte zaak. |
| - | Vervolgens is er de veelgehoorde klacht dat de betekenis van de
afzonderlijke modale partikels moeilijk grijpbaar is. De betekenis wordt
ervaren als vluchtig, vaag, niet op één parafrase vast te leggen,
kameleontisch veranderend als het partikel in verschillende uitingen en
contexten bekeken wordt. |
De hierboven genoemde problemen met betrekking tot dit weerbarstige onderdeel
van het Nederlands hebben de laatste jaren steeds meer aandacht gekregen.
Deze aandacht is mede gestimuleerd door de sterke ontwikkeling van de
linguïstische pragmatiek in de afgelopen tien à vijftien jaar en door het
feit dat in Duitsland (en ook daar vaak in het kader van de pragmatiek) een
sterke belangstelling voor partikels was ontstaan (zie verder paragraaf 4).
Voor literatuur die deze belangstelling documenteert, verwijs ik op de eerste
plaats naar de bundel
Studies over Nederlandse partikels
uit 1984, onder redactie van J. van der
Auwera en W. Vandeweghe. De bundel bevat
de verslagen van een colloquiumdag over partikels, gehouden te Antwerpen in
1983. In de inleiding van de bundel wordt ingegaan op bovengenoemde
beschrijvingsproblematiek; verder bevat de bundel bijdragen over onder
andere maar, alleen, wel, nog, over voegwoordelijke
bijwoorden en over hoorderssignalen alsmede een nuttige bibliografie van de
tot dan toe verschenen literatuur over Nederlandse partikels.
Van de overige literatuur wil ik in het bijzonder noemen het helaas niet
gepubliceerde proefschrift van W. Vandeweghe over de oordeelspartikels van
de al/nog/pas-groep
(Gent, 1983). Verder getuigen enkele recente tijdschriftartikelen van
aanhoudende belangstelling. Ik noem Schermer-Vermeer (1984) over toch in z'n
verschillende gebruikswijzen, en Sassen (1985)
over wel.
De traditionele Neerlandistiek heeft de modale partikels steeds marginaal
behandeld. Voor een gedeeltelijke geschiedschrijving op dit punt verwijs ik
naar Rombouts (1983). Hij behandelt om te beginnen Hoogvliet die in zijn boek
Lingua
uit 1903 enige aandacht besteed heeft aan dit soort woordjes. In de
groep van | | | | wat Hoogvliet ‘invoegselwoordjes’ noemt (en waaronder
onder andere ook voegwoorden en andere bijwoorden gecategoriseerd worden),
wijst hij in het bijzonder op het gebruik van dan, nu, toch,
maar, 'es (=eens) en even in de imperatieve zin
(Hoogvliet 1903: 98)(2). Rombouts (1983) laat verder zien dat De Groot (1966: 150)
enige aandacht had voor modale partikels (De Groot spreekt van
‘vraagpartikels’ en ‘bevelpartikels’).
Ik denk dat het Van der Lubbe was die in 1958 de term ‘oordeels-partikel’
introduceerde, daarmee doelend op de groep wel, niet, zelfs,
juist, ook, vooral, nog, slechts, maar, alleen etc., gebruikt als
vrije bepalingen in woordgroepen. Deze groep is in buitenlandse literatuur
wel aangeduid als de groep van ‘Gradpartikel’ (vergelijk Altmann 1976) of
‘focusing adverbs’ (vergelijk Taglicht 1984).
Van den Toorn neemt in zijn
Nederlandse Grammatica
de term ‘oordeelspartikel’ over (p. 270-274), maar brengt onder
deze term naast Van der Lubbes oordeelspartikels ook de groep onder die we
hierboven als groep van modale partikels hebben proberen af te zonderen.
Dezelfde ruime toepassing van de term wordt ook in de
ANS
aangehouden. Zowel in deel I (het woord), als in deel II (de
woordgroep) alsook in deel III (de zin) komen de oordeelspartikels even ter
sprake, respectievelijk op p. 337, p. 891-892 en p. 1006-1008. Uit de
opsomming van de oordeelspartikels (p. 337) alsook uit de
gebruiksvoorbeelden die gegeven worden (p. 891-892), blijkt dat de auteurs
primair aan de oordeelspartikels in de zin van Van der Lubbe denken, maar
toch ook de modale partikels in deze categorie willen meenemen (Was hij maar hier!; Blijft u toch niet staan!;
Gaat u toch zitten!). Maar in het geheel van de
oordeelspartikels blijft de deelgroep van de modale partikels wat
onderbelicht binnen de ANS.
Wat over de betekenis van oordeelspartikels in de ANS gezegd wordt is in
ieder geval wel in sterke mate van toepassing op de modale partikels:. ‘De
betekenis van de oordeelspartikels is rijk geschakeerd en bijzonder moeilijk
te omschrijven’ (p. 891) en eenzelfde klacht wordt ook al in deel I op p.
377 geuit. Deze klacht behoort onderhand tot de traditie van de Nederlandse
taalkunde, vergelijk bijvoorbeeld Van den Toorn (1981: 229) en Hoogvliet
(1903: 98).
| |
2. Modale partikels als leerprobleem in het
vreemdetalenonderwijs
Als de taalbeschrijver het met een onderdeel van de taal moeilijk heeft,
hoeft dat niet per se te betekenen dat docent en leerling in de context van
het vreemde-talenonderwijs juist datzelfde onderdeel van de taal als
moeilijk ervaren. In de discussie na mijn voordracht vestigde professor
J.W. de Vries hier de aandacht op, onder
verwijzing naar gastarbeiders in Nederland, die modale partikels juist heel
vlot zouden oppikken. | | | | Ik vraag me echter af, of dit ‘oppikken’
niet beperkt blijft tot een aantal vaste wendingen (Kom maar;
Kijk eens) en dan dus niet leidt tot het vrije gebruik ervan in
velerlei contexten. Bovendien is de door De Vries bedoelde leersituatie nog
weer een andere dan die welke we in IVN-verband primair op het oog hebben.
Uit de hoek van de docenten Nederlands extra muros is bij mijn weten nooit in
publikatievorm gesteld dat de modale partikels tot de bijzondere
leerproblemen zouden behoren, maar in informele gesprekken tijdens het
colloquium heb ik wel een aantal opmerkingen in die richting geregistreerd.
Het Duitse Goethe-Instituut heeft enkele jaren geleden een enquête gehouden
onder docenten Duits in het buitenland. Door deze enquête werd gepoogd
leerproblemen te verzamelen die eventueel met hulp van de thuisbasis zouden
kunnen worden opgelost. Daarbij scoorden de modale partikels zeer hoog (vgl.
Kemme 1979, p. 4). Er is geen reden om aan te
nemen dat Nederlandse modale partikels wezenlijk makkelijker te leren of te
doceren zouden zijn.
Ik denk niet dat de theorie van het vreemde-talenonderwijs ver genoeg
gevorderd is om op theoretische gronden te kunnen voorspellen of modale
partikels voor (bepaalde categorieën van) leerlingen moeilijk leerbaar zijn,
en zo ja, hoe dat dan komt. Het lijkt me echter niet onwaarschijnlijk dat
factoren als de volgende hierbij een rol spelen (vgl. ook Zimmermann 1981):
| - | De factoren die ook de taalbeschrijvers parten spelen: de syntactische
polyfunctionaliteit, de semantische vaagheid en het onduidelijk
groepskarakter van de betrokken woorden. |
| - | De onopvallendheid van de modale partikels: ze zijn klein, dragen geen
accent, ze zijn optioneel en houden zich op weinig markante plaatsen op
in de zin. |
| - | Het feit dat modale partikels overeenkomst vertonen met into
natieverschijnselen en met paralinguïstische en non- verbale
uitdrukkingsmiddelen voor zover ze tamelijk direct expressief zijn. De
spreker formuleert zijn gevoel (‘Ik ben ongeduldig’) niet expliciet maar
geeft er impliciet expressie aan (‘Kom nou!’). Dit soort
uitdrukkingsmiddelen is moeilijk toegankelijk voor rationele uitleg in
het taalonderwijs. |
| - | Het feit dat verschillende talen partikelarm zijn, met name het
Engels, waardoor de leerling weinig houvast heeft in zijn moedertaal.
Hij zal nog moeten leren oog (of beter: oor) te krijgen voor de modale
partikels als uitdrukkingsmiddel. |
Als de modale partikels inderdaad tot de moeilijke onderdelen van het
Nederlands behoren, zou men kunnen argumenteren voor uitstel van behandeling
tot latere leerjaren. In de werkbijeenkomst grammatica die tijdens het
colloquium door dr. J.H. Hulstijn geleid werd, was de werkopdracht om een
lijst van grammatica-onderwerpen door te nemen vanuit de vraag of, en zo ja
in welk stadium van het onderwijs het betreffende onderwerp behandeld moest
worden. De modale partikels waren ook in deze | | | | lijst opgenomen,
maar geen van de deelnemers pleitte ervoor om de behandeling van modale
partikels systematisch uit te stellen. In onderwijs waar de doelstellingen
primair zijn gericht op schriftelijke taalbeheersing zou men kunnen zeggen
dat modale partikels een wat lagere prioriteit kunnen krijgen. Ze behoren
typisch tot de spreektaal, in het bijzonder de alledaagse informele
conversatie. Professor Hagen heeft echter in zijn openingslezing voor het
colloquium onder de titel ‘De communicatieve trend’ uitvoerig betoogd en
geïllustreerd dat juist die mondelinge en informele communicatie in
Nederland een grote populariteit geniet, en naar zijn mening kan het
onderwijs Nederlands in het buitenland die populariteit niet negeren. Dan
moeten we echter ook concluderen dat in de meeste vormen van onderwijs van
het Nederlands als vreemde taal de modale partikels al in een vroeg stadium
aan bod zullen moeten komen. Gevoegd bij het eerdere vermoeden dat de
partikels een moeilijk te doceren onderwerp vormen, wordt de vraag
interessant of, en op welke wijze, de modale partikels behandeld worden in
bestaande leermiddelen. In de volgende paragraaf zal ik nader op deze vraag
ingaan.
| |
3. Modale partikels extra muros
Het was uiteraard ondoenlijk om alle bestaande leermiddelen te bekijken op
hun behandeling van de modale partikels. Ik heb enkele leermiddelen en
refenrentiegrammatica's uitgekozen waarvan ik aannam dat ze tamelijk
algemeen bekend zijn in de kring van docenten Nederlands in het
buitenland.(3)
A. Referentiegrammatica's
In deze rubriek heb ik de Nederländsk Grammatik van De Rooij en Wikén Bonde
uit 1972 bekeken, alsmede Dutch Reference Grammar van
Donaldson uit 1981. In beide boeken houdt de aandacht voor modale partikels
niet over. Er zijn enkele verspreide opmerkingen te vinden over
afzonderlijke modale partikels. Zo geven De Rooij en Wikén Bonde op pagina
118 enkele voorbeelden die de verschillende gebruikswijzen van wel illustreren, en hetzelfde doet Donaldson op pagina 116 en
pagina 153. Echter, ze nemen deels verschillende gebruikswijzen op, en samen
blijven de beide boeken nog onvolledig. Bij De Rooij en Wikén Bonde vinden
we:
| - | Concessief: Hij is wel geslaagd, maar... |
| - | Emfatisch contrastief: Hij is wèl geslaagd. |
| - | Vermoeden: Peter zal wel slagen. |
En bij Donaldson:
| - | ‘Emphatic wel’: Ik heb het wèl gedaan. |
| - | Het idioom: ‘Dat zal wel’. |
Er zijn echter makkelijk andere voorbeelden te bedenken waarin wel nog op andere manieren wordt gebruikt:
| - | Aanbod: Ik zal het wel doen. |
| | | |
| - | Uitroep: Weet je wel wat je zegt! |
Het probleem is duidelijk: de auteurs van een beknopte praktische grammatica
hebben niet de ruimte om uitputtend alle gebruikswijzen van een bepaald
modaal partikel te behandelen, maar ze kunnen ook niet terugvallen op een
descriptieve studie die wèl volledig is en aangeeft welke de belangrijkste
gebruiks-wijzen zijn die dan uitgekozen zouden kunnen worden ter behandeling
in een didactische grammatica.
Gelijksoortig commentaar is mogelijk bij vrijwel alle plaatsen waar in
leerboeken kort op een of meer modale partikels wordt ingegaan. Ik geef nog
een voorbeeld. Zoals in veel leerboeken gebeurt, besteedt Donaldson kort
aandacht aan het gebruik van modale partikels in de gebiedende wijs (p.
159): ‘The simple stem can sound a little harsh and it is often softened by
the use of the adverbs eens or even:
Geef me eens (pronounced 's) je boek; Maak het raam eens even dicht; Lees dat eens even
voor’. Het behoeft nauwelijks enig betoog dat over het gebruik van modale
partikels in de gebiedende wijs zoveel meer te zeggen valt: het verschil in
nuance tussen even en eens, andere
partikels die in de gebiedende wijs vaak optreden, hun
betekenis-verschillen, onderlinge combineerbaarheid (partikelclusters),
onderlinge volgorde (‘eens even’, en niet ‘even eens’; ‘dan maar’, en niet
‘maar dan’), etc. Ook hier bestaan er geen uitvoerige studies waar de auteur
zich op had kunnen baseren, zodat de vermelding van eens
en even een even goede en willekeurige greep lijkt te zijn
als elke andere.
B. Sterk grammaticaal georiënteerde leermethodes
Tot dit type leermethodes reken ik de Langenscheidt-cursus van Jalink en Van den Toorn
(1967, 2) en
Introduction to Dutch
van Shetter (1984, 5). Jalink en Van den
Toorn geven in het eerste deel van hun boek een beknopte grammatica,
vervolgens oefeningen gericht op onderdelen van de grammatica en tenslotte
een aantal dialogen en teksten. Op modale partikels wordt nergens expliciet
ingegaan, maar de dialogen (p. 163, 182) zijn wel opvallend partikelrijk.
Shetter verontschuldigt zich in zijn voorwoord voor de ‘grammarese tone of
example sentences’ die een grammaticaal georiënteerde methode als de zijne
nu eenmaal met zich meebrengt. De leesteksten, ‘Practice
sentences’-oefeningen en de paar dialogen die het boek bevat, zijn inderdaad
over het algemeen partikelarm. Het eerste modaal partikel vond ik in de
leestekst van les 7, die eindigt met de zin ‘De stad is wel mooi, vind je niet?’. In de bijbehorende ‘Vocabulary’ wordt wel vertaald als ‘probably’, wat in deze context niet erg
adequaat is.
De ‘practice sentences’-oefeningen in de verschillende lessen bevatten af en
toe een imperatieve zin die Nederlandser zou | | | | klinken als er wat
meer met partikels gestrooid was, bijvoorbeeld:
‘Breng die brief voor me naar de brievenbus, wil je?’
(les 9, zin 12)
‘De sleutels liggen op de tafel. Geef ze haar morgen!’
(les 9, zin 29)
‘Welke kant uit? Ga deze kant uit.’
(les 10, zin 26).
Net als Donaldson maakt Shetter een opmerking over
de verzachting van de imperatief, namelijk in het grammaticadeel van les 6,
pagina 45. Ik citeer de hele paragraaf:
‘The imperative is merely the stem of the verb:
| kijk eens [es]! |
look! |
| wacht eens [es] even! |
wait a minute! |
| ga weg! |
scram! |
When the tone of the command is to be softened and one of advice suggested,
the pronoun u is used and -t is then
added to the verb:
| komt u binnen! |
come in! |
| gaat u zitten! |
have a seat!’ |
Deze tekst lijkt me voor herschrijving in aanmerking te komen. De lezer zal
zich afvragen wat woordjes als eens en even in de eerste voorbeeldzinnen te zoeken hebben als er gezegd wordt
dat de imperatief alleen de stam van het werkwoord is, en ten tweede is het
zeer de vraag of invoeging van u nu wel zo'n geschikt
middel is om de toon van de imperatief te verzachten.
C. Communicatief georiënteerde leermethodes
Onder deze rubriek heb ik een drietal cursussen bekeken:
Levend Nederlands
de hernieuwde uitgave van 1984,
Linguaphone Dutch Course
, 1984,
Speak Dutch
, Lagerwey, 1970, (2).
De auteurs maken elk in het voorwoord van hun cursus melding van de
communicatieve opzet ervan:
‘...Het materiaal beter dienstbaar te maken aan de communicatieve behoefte
van de lesnemer...’ (Levend Nederlands);
‘You hear and use natural, everyday language right from the start; you learn
to understand typical Dutch conversation.’, Linguaphone;
‘...The primary emphasis of the present course [is] on the spoken word, the hearing and speaking of Dutch’, (Lagerwey).
De opzet van deze methodes is globaal hetzelfde en de meesten van u
welbekend: de auteurs roepen een aantal personen in het leven (Bert
Zoutendijk, mevrouw Bergsma, Jan van den Berg, etc.) die zichzelf in de
eerste les aan ons voorstellen en in de volgende lessen allerlei boeiends
meemaken zoals boodschappen | | | | doen, een keer op reis gaan, en
geheid wordt er ook iemand ziek. Elke les opent met een gesprek dat ook op
de band te beluisteren is, en per les gebruiken de sprekers in de dialogen
een bepaald taalverschijnsel frequenter dan normaal, dat dan in de verdere
les terugkeert in oefeningen en/of expliciete uitleg. Ook woordenlijsten en
opdrachten om het vrije taalgebruik te stimuleren, maken gewoonlijk deel uit
van een les.
Ik zal eerst ingaan op de vraag naar voorkomensfrequentie en kwaliteit van
het gebruik van modale partikels in de dialogen en leesteksten in de
verschillende boeken. Welnu, op dit punt kan ik tamelijk positief zijn: over
het algemeen zie je dat modale partikels vanaf het begin van de cursus
gebruikt worden en in frequentie en variatie toenemen. Het gebruik is
natuurlijk en adequaat, al is er wel eens een enkel slippertje aan te
wijzen. Zo vraagt iemand in de Linguaphone cursus (les 10, oefening 6, p.
35): ‘Heb je hier ook telefoon?’, en het antwoord luidt
dan: ‘Ja, er is ook telefoon, daar in de hoek.’. Het lijkt
me dat het modale karakter van ook hier miskend wordt. Als
het ook uit de vraag opgevat wordt als modaal partikel,
wat me de meest natuurlijke lezing lijkt, dan is het ongebruikelijk om dit
woord in het antwoord te laten terugkeren. In les 13, tekst 1, is het
antwoord op de vraag: ‘Heeft u ook overhemden?’ dan ook:
‘Ja hoor, wat voor maat heeft u?’. Dergelijke onhandigheden in het omgaan
met modale partikels zijn voor alle drie de cursussen wel vaker te noteren,
maar niet in een zorgwekkende omvang.
Ik heb niet de indruk gekregen dat de introductie van modale partikels in het
lesmateriaal op systematische wijze gebeurt. ‘Systematisch’ bedoel ik hier
in dezelfde zin als De Vriendt in zijn lezing voor het colloquium over
impliciete en expliciete grammatica, namelijk bewust gecontroleerd, zodat er
bijvoorbeeld op gezette tijden in de cursus een nieuw modaal partikel
toegevoegd wordt, en dat daarbij dan ook gelet wordt op inoefening door dat
partikel een aantal keren in aansluitende oefeningen te laten terugkeren
(vgl. voor dit punt ook Vorderwülbecke 1981). In Levend
Nederlands lijkt op enkele plaatsen wel op dit punt gelet te zijn.
Om een voorbeeld te geven: ‘permissief maar’ wordt
geïntroduceerd in de dialoog van les 4: ‘Zegt u maar John’ (regel 16),
herhaald in diezelfde dialoog: ‘Zeg maar Anneke, hoor’, (regel 37), en ook
herhaald in de oefeningen van les 4, en weer in huiswerk van les 6: ‘Geef
mij maar wat anders’ (2, regel 2), ‘Doe het maar eens!’ (2, regel 21). In
laatstgenoemde oefening komt echter ook een andere gebruiksnuance van maar voor, die weer verwarring zou kunnen stichten:
‘Jullie hebben het toch maar makkelijk.’ (2, regel 11). Of is dit juist
opzet van de auteurs?
Op de tweede plaats heb ik bekeken hoe partikels in de methodes die steeds
vertalingen geven van de teksten (namelijk Linguaphone en
Speak Dutch) in die vertalingen behandeld worden. De
| | | | moeilijkheid van het vertalen van modale partikels is
bekend, en het was dan ook regelmatig te constateren dat
| - | in de vertaling een modaal partikel gewoon genegeerd wordt, |
| - | zonder commentaar in de vertaling een andere constructie gekozen wordt
(Kom eens langs. - Do come along!), |
| - | in de vertaling of in de bijbehorende woordenlijst fouten
voorkomen. |
Aan de hand van een voorbeeld uit de Linguaphone-cursus zijn alle drie de
verschijnselen te demonstreren:
‘Hebben jullie nu een auto?
Kom dan eens een keer langs!’ (tekstboek, les 8, pagina 26)
De vertaling in het handboek luidt:
‘Have you got a car now?
Do drop in some time!’ (pagina 42).
In de vertaling wordt dan genegeerd, en wordt de emfatische
toon van de uiting weergegeven door de ‘do’-constructie. Dat met name het
modaal partikel eens voor die toon verantwoordelijk is,
wordt niet duidelijk gemaakt, en in de ‘Wordlist’ (pagina 41, handboek)
wordt ‘eens een keer’ als één geheel, als een soort idioom, opgegeven en
vertaald met ‘some time’.
Op de derde plaats heb ik bekeken in hoeverre de verschillende methodes in de
grammatica-onderdelen of in onderdelen als ‘Points to watch’ (Linguaphone) of ‘Word study’ (Speak Dutch)
expliciet ingaan op modale partikels. Het beeld is goed vergelijkbaar met
wat we vonden in de referentiegrammatica's: nergens wordt expliciet gezegd
dat het Nederlands over een categorie van modale partikels beschikt, welke
er zoal voorkomen en wat voor functie ze kunnen vervullen. Wel wordt er af
en toe ad hoc, naar aanleiding van het voorkomen van een bepaald partikel,
een opmerking over dat woord gemaakt. Ik geef ter illustratie nog een
voorbeeld uit de Linguaphone-cursus. In les 4, ‘Points to watch’, handboek
pagina 20, wordt even ingegaan op zeg en even. Zeg is weliswaar geen modaal partikel maar het commentaar
erop is te typerend om hier niet over te nemen: ‘Kom binnen zeg! - Do come
in! As you see, zeg cannot be translated literally here;
it is a typical Dutch noise with no particular meaning. Compare the English
actually, in I'm very well, actually.’.
En wat even betreft lezen we het volgende:
‘A. Is Bert er al? B. Ik zal even voor u vragen meneer. - I'll just see. Even (just), is another of those little words which make
the sentence run smoothly.’
Door voor het Engels ook partikelachtige woorden als ‘actually’ en ‘just’ op
te voeren, wordt in deze behandeling de suggestie gewekt dat het Engels zich
op dit punt net als het Nederlands gedraagt. Liever had ik hier een
contrastieve benadering gezien, waarin aangegeven wordt dat het Engels vaak
intonatie gebruikt waar het Nederlands partikels hanteert (vergelijk voor
een dergelijke aanpak bijvoorbeeld Schubiger 1965 en 1980). En | | | |
liever dan te zeggen dat het gaat om woorden zonder betekenis of woorden die
de zin vloeiend doen verlopen, zou ik zeggen dat het hier gaat om woorden
die iets te maken hbeben met interactieverhoudingen.
Voor wie zelf meer van dergelijke passages in leermethodes wil bekijken, noem
ik nog de volgende vindplaatsen:
| - | Levend Nederlands over nu en nou in het grammaticadeel van les 7 (pagina 63), en
over eens op pagina 83. |
| - | Speak Dutch over modale partikels in de imperatief,
pagina 94, over wel pagina 118 en over zeker pagina 192. |
Hiermee wil ik mijn verslag van het onderzoekje naar modale partikels in het
extramurale leermateriaal afsluiten. Resumerend kunnen we zeggen dat de
modale partikels nergens als zelfstandige categorie behandeld worden. Wel
kan de leerling voldoende kennis maken met de partikels in de dialoogteksten
die in de communicatieve methodes gegeven worden en ook in de dialoogteksten
in het boek van Jalink en Van den Toorn. Zodra echter uitleg gezocht wordt,
zal dat in de meeste gevallen weinig succes opleveren.
| |
4. Modale partikels in het duits en in het leer-materiaal duits
als vreemde taal
Wat hierboven gezegd is over modale partikels in het Nederlands steunt op
werk dat voor het Duits gedaan is. Ik wil hier in het kort een indruk geven
van de Duitse situatie. Deze opmerkingen kunnen met name ook van belang zijn
voor docenten die vooral te maken hebben met studenten die Nederlands naast
Duits studeren.
In mijn lezing op het colloquium beweerde ik dat Duits partikelrijker zou
zijn dan het Nederlands. In de discussie zette dr. De
Rooij een vraagteken bij deze stelling, en ik moet inderdaad
toegeven dat mijn uitspraak niet berust op empirisch onderzoek, maar op de
vaak verkondigde mening dat het Engels partikelarm is, het Duits
partikelrijk en het Nederlands, zoals zo vaak, tussen beide talen in zou
zitten. Een uitvoerige vergelijking van corpora gesproken Nederlands en
Duits op het gebruik van modale partikels zou de moeite waard zijn.
In ieder geval is het wel zo, dat er voor het Duits veel meer descriptief
onderzoek naar partikels beschikbaar is. Met name in de jaren zeventig is
het partikelonderzoek goed op gang gekomen. Vanuit de theoretische hoek
heeft de linguïstische pragmatiek een stimulerende invloed ondergaan,
terwijl in praktisch organisatorisch opzicht de naam van professor Harald
Weydt (FU, Berlijn) genoemd moet worden. Weydt organiseerde
partikel-colloquia in 1977, 1979 en 1982, die elk leidden tot door hem
geredigeerde congresbundels (respectievelijk 1979, 1981 en 1983). Met name
het colloquium van 1979, c.q. de bundel van 1981, wil ik hier vermelden,
omdat die gewijd waren aan het thema ‘Partikeln und Deutschunterricht:
Abtönungspartikeln für | | | | Lerner des Deutschen’. De bijdragen in
deze bundel doen, behalve van descriptief en contrastief onderzoek, verslag
van:
| a. | Onderzoek naar leermethodes, waaruit blijkt dat modale partikels
weinig expliciete aandacht krijgen (vergelijk ook Rösler 1983 en mijn
bevindingen voor de Nederlandse methodes). Een student van mij(4) vond voor zijn doctoraalscriptie
overeenkomstige resultaten bij onderzoek van de op Nederlandse
middelbare scholen veelgebruikte methodes ‘Aktion Deutsch’ en
‘Kennzeichen D’. |
| b. | Beschouwingen over de leerbaarheid van modale partikels en de
voorwaarden die in het vreemde-talenonderwijs vervuld moeten zijn,
willen modale partikels kunnen gedijen (vergelijk bijvoorbeeld Harden en
Rösler 1981). |
| c. | Verslagen van persoonlijke initiatieven om speciale lessen op te
zetten, gericht op de modale partikels (vergelijk bijvoorbeeld Rall
1981). |
De bundel bevat verder allerlei suggesties voor toegepast taalkundig
onderzoek welke ook voor het Nederlands opgevolgd zouden kunnen worden.
Illustratief voor de ernst waarmee inmiddels in de Duitse context het
partikelprobleem ook praktisch is aangepakt, zijn een drietal boekjes die
onafhankelijk van elkaar ontstaan zijn, en elk bedoeld als aanvulling op de
bestaande leermethodes:
| 1. | Kemme (1979) is ontstaan in reactie op de eerder genoemde enquête van
het Goethe-Instituut naar leerproblemen. Het boekje richt zich speciaal
tot de docent, geeft informatie over de resultaten van het recente
partikelonderzoek, en bevat suggesties voor oefeningen die in het
onderwijs extra ingelast zouden kunnen worden; |
| 2. | Helbig en Kötz (1981) is de Oostduitse tegenhanger van Kemme (1979); |
| 3. | De Kleine Deutsche Partikellehre van Weydt en zijn
medewerkers uit 1983 is een compleet leerboek met cassetteband, dat
direct in de klas bruikbaar is. Het boek is zo ingericht dat het in zijn
geheel of ook in onderdelen en op verschillende niveaus gebruikt kan
worden naast bestaande leermethodes. |
Uit een recent onderwijsverslag van Kotthoff en Cole (1985) bleek dat de
genoemde boeken in ieder geval zinvol gefunctioneerd hebben in een
universitaire cursus voor aanstaande docenten.
Het is te hopen en te verwachten dat dergelijke aanvullende boekjes op den
duur hun weerslag zullen hebben op bestaande | | | | methodes en
grammatica's, en zo zichzelf overbodig zullen maken. Zo hebben Helbig en
Buscha in de bewerkte heruitgave van hun grammatica voor buitenlanders,
verschenen in 1984, de nodige plaats ingeruimd voor de modale partikels en
direct aanverwante partikelsoorten (Hoofdstuk 9, Partikeln, p. 475-499). De
Duden grammatica had altijd al een lang onderdeel ‘Partikeln’, maar daarin
werden zowel voegwoorden als voorzetsels en allerlei soorten bijwoorden
behandeld. De ‘Abtönungspartikeln’ waar het ons hier om te doen is, krijgen
ook in de laatste druk van 1984 niet meer dan enkele regels toegemeten
(paragraaf 596).
| |
5. Wat moet er voor de Nederlandse situatie gedaan worden?
Op de eerste plaats is er behoefte aan verder onderzoek, zowel van
descriptieve als van contrastieve en toegepast taalkundige aard. In
vergelijking met wat er voor het Duits aan onderzoek verricht is, hebben we
nog een achterstand in te lopen.
Het descriptieve onderzoek wordt in ieder geval voortgezet, getuige de
partikelbijeenkomsten die op 12 en 13 december 1985 te Groningen
plaatsvinden. Ze worden georganiseerd door professor Werner Abraham, ten vervolge op de Antwerpse partikeldag van
1983, en er hebben zich al meer dan twintig sprekers aangemeld.
Voor recent contrastief onderzoek verwijs ik naar Abraham (1984) en Westheide (1985) die
beiden het Nederlandse wel contrasteren met het Duits.
Dergelijk contrastief en ook toegepast taalkundig onderzoek is wellicht een
interessant onderzoeksgebied voor docenten extra muros. Ik wil het idee in
overweging geven om op het volgende IVN-colloquium een werkbijeenkomst te
houden waarop docenten verslag doen van hun ervaringen en onderzoek op
punten als de volgende:
| - leveren partikels leermoeilijkheden op?; |
| - welke specifieke problemen treden op bij leerlingen met een
specifieke moedertaal?; |
| - welke aanpak is al of niet succesvol gebleken in het eigen
onderwijs? |
Het lijkt me prematuur om nu al over te gaan tot het samenstellen van een
brochure of leerboekje zoals hierboven voor het Duits genoemd. Uitstel met
een onderzoeksronde van drie jaar komt een dergelijke onderneming
waarschijnlijk ten goede. Als reeds nu beschikbaar aanvullend leermateriaal
wil ik nog speciaal noemen het boekje
Taalvaria
van N. van den Toorn-Danner (1984). De
auteur behandelt daarin een aantal lastige onderwerpen voor de gevorderde
leerling, en de modale partikels zijn daarbij redelijk goed bedacht:
| - | p. 20-21: de imperatief met de versterkende woordjes ‘“s”, “maar”, “toch”, “nou”, “dan”’; |
| | | |
| - | p. 74-75: een zevental gebruikswijzen van ‘maar’
wordt met voorbeeldzinnen geïllustreerd, en de betekenis in elk van de
gebruikswijzen wordt kort omschreven; |
| - | p. 115-117: ‘Wel’ in verschillende gebruikswijzen; |
| - | p. 119-121: ‘Toch’ in verschillende
gebruikswijzen. |
Ten slotte wil ik nog iets zeggen over de behandeling van modale partikels
tegen de achtergrond van de discussie over impliciete of expliciete
grammatica in het vreemde-talenonderwijs. Deze discussie werd tijdens het
colloquium op gang gebracht door de lezing van professor
De Vriendt en door het artikel van dr.
Hulstijn (1985) in NEM.
Mijn bespreking van modale partikels in bestaande leermethodes heeft
misschien de indruk gewekt als zou ik zonder meer willen pleiten voor een zo
expliciet mogelijke behandeling van de modale partikels. Ik wilde echter
niet meer doen dan constateren dat de huidige methodes weinig expliciete
behandeling bieden. Een evaluatie zou echter vanuit de theorievorming over
impliciete of expliciete grammatica moeten plaatsvinden.
Naast extreme standpunten die ofwel volledig impliciet of volledig expliciet
vreemde-talenonderwijs voorstaan, zijn er allerlei genuanceerde standpunten
denkbaar. Twee van zulke standpunten wil ik proberen te verwoorden:
Iemand die over het algemeen expliciete grammatica voorstaat, kan toch heel
goed van mening zijn dat de modale partikels een onderdeel vormen dat beter
geschikt is voor impliciet leren. Immers, je hoort moedertaalsprekers nooit
metacommunicatief ingaan op modale partikels, en taalbeschrijvers lukt het
niet om tot verantwoorde expliciteringen te komen van de betekenisnuances
die met modale partikels verbonden zijn. Derhalve kan men ze in het
vreemde-talenonderwijs ook maar beter niet expliciet behandelen. De enige
zorg hoeft dan te zijn dat de modale partikels in ruimte mate in het
tekstmateriaal voorkomen en dat dit materiaal levendig is, zodat het uit
zichzelf een proces van semantisering van de modale woordbetekenissen op
gang kan brengen (vergelijk de lezing van dr. L.
Beheydt over ‘Het semantiseren van woordbetekenis’). De transfer naar
het actieve gebruik volgt dan vanzelf. Als dit standpunt houdbaar is, dan
moeten we zeggen dat communicatief gerichte methodes als
Linguaphone
etc. al de juiste weg voor de behandeling van de modale partikels
gekozen hebben.
Het andere standpunt zou neerkomen op een half-expliciete aanpak: expliciete
behandeling van allerlei gebruikswijzen van modale partikels is niet
haalbaar, maar wel een stukje taalbeschouwing, gericht op de modale
partikels, met als doelstelling een sensibilisering voor bestaan en functie
van modale partikels. Daarbij zou gewezen kunnen worden op punten als:
| | | |
| a. | het Nederlands beschikt over modale partikels; |
| b. | welke woorden kunnen als zodanig functioneren?; |
| c. | wat voor soort functies kunnen ze zoal vervullen (verzachtend,
expressief, connecterend, etc.)?; |
| d. | veel van die woorden kunnen ook nog in andere syntactische functies
optreden; |
| e. | in andere talen worden ze vaak anders of helemaal niet
weergegeven. |
Verder moet de natuur dan haar werk maar doen. Als de leerling door de
aanvankelijke sensibilisering via de expliciete uitleg eenmaal het idee
heeft dat hij met de modale partikels iets typisch van het Nederlands te
pakken heeft, zal dat zijn motivatie om ze op te pikken ten goede komen.
Welk standpunt men ook wil aanhangen en praktizeren in het eigen onderwijs,
ik denk dat in alle gevallen een partikelvriendelijk klimaat een belangrijke
voorwaarde is voor het leersucces. Een dergelijk klimaat kan bevorderd
worden door onder andere
| - | in het tekstmateriaal extra aandacht te besteden aan de daarin
optredende personen. Ze zouden wat meer emotie, karakter en de licate
interactie kunnen vertonen dan ze in bestaande methodes vaak doen. het
zouden eerder ‘round’ dan ‘flat characters’ moeten zijn; |
| - | extra aandacht te besteden aan oefeningen die het persoonlijke,
expressieve spreken stimuleren, bijvoorbeeld in de vorm van
rollenspelen; |
| - | en last but not least door de natuurlijke conversatie tussen docent en
leerlingen. Hoe meer persoonlijk en geëngageerd die is, hoe meer
behoefte er is aan modale partikels. |
Ik hoop dat het bovenstaande pleidooi u ervan heeft kunnen overtuigen dat de
modale partikels nadere aandacht en in het bijzonder ook úw nadere aandacht
verdienen.
Ik hoop verder dat deze nadere aandacht zal leiden tot rapportages en
publikaties van docenten in het buitenland over hun ervaringen met modale
partikels in het onderwijs. Die kunnen dan wellicht als uitgangspunt dienen
voor een voortgezet gesprek over modale partikels op het Tiende Colloquium
Neerlandicum.
| |
| | | |
Bibliografie
| Abraham, W. 1984. ‘De betekenis en de functie van het Nederlandse wel: een vergelijking met het Duits. In: J. van der
Auwera en W. Vandeweghe (reds.) p. 17-46 |
| Altmann, H. 1976. Die Gradpartikeln im Deutschen:
Untersuchungen zu ihrer Syntax, Semantik und Pragmatik.
Tübingen: Niemeyer. |
| Auwera, J. van der en W. Vandeweghe (reds.) 1984. Studies
over Nederlandse Partikels. Antwerpen: Universitaire Instelling
Antwerpen. |
| Donaldson, B.C. 1981. Dutch Reference Grammar. Den
Haag: M. Nijhoff. |
| Duden, 1984 (4), Grammatik der deutschen
Gegenwartsprache. Mannheim: Bibliographisches Institut. |
| Geerts, G., W. Haeseryn, J. de Rooij en M.C. van den Toorn, Algemene Nederlandse Spraakkunst, 1984. Groningen:
Wolters Noordhoff, Leuven: Wolters. |
| Groot, A.W. de, 1966. Betekenis en betekenisstructuur:
Nagelaten Geschriften. Groningen: Wolters Noordhoff. |
| Harden, T. en D. Rösler. 1981. ‘Partikeln und Emotionen: zwei
vernachlässigte Aspekte des gesteuerten fremdsprachenerwerbs. In: H.
Weydt (ed.) p. 67-80. |
| Helbig, G. en W. Kötz. 1981. Die Partikeln: Zur Theorie
und Praxis des Deutschunterrichts für Ausländer. Leipzig: VEB
Enzyklopädie Verlag. |
| Helbig, G. en J. Buscha. 1984. Deutsche grammatik: Ein
Handbuch für den Ausländerunterricht. Leipzig: VEB. |
| Hoogvliet, J.M. 1903. Lingua. Amsterdam: Van Looy. |
| | | |
| Hulshof, H. 1980. ‘De zgn. invoegselwoordjes van Hoogvliet’. In: Glot 3: 2, p. 171-181. |
| Hulstijn, J.H. 1985. ‘Kan een vreemde taal “impliciet” geleerd
worden?’. In: Neerlandica extra muros, nr. 44, p.
19-25. |
| Jalink, J.M. en M.C. van den Toorn. 1967 (2). Langenscheidts praktisches Lehrbuch Niederländisch. Berlijn en
München: Langenscheidt. |
| Kemme, H.-M. 1979. ‘Ja’, ‘Denn’, ‘Doch’ usw.: Die
Modalpartikeln im Deutschen. München: Goethe-Institut. |
| Kotthoff, H. en P. Cole. 1985. ‘Modalpartikeln lernen wir nun wohl ja
denn doch: Ein Plädoyer für die Verbinding von Sprachreflexion und
Spracherwerb’. In: Zielsprache Deutsch 16: 1, p. 2-8. |
| Lagerwey, W. 1970 (2). Speak Dutch: An Audio-Lingual
Course. Amsterdam: Meulenhoff. |
| Levend Nederlands: Een Cursus Nederlands voor
Buitenlanders. 1984. Herziene uitgave. Cambridge: Cambridge
University Press. |
| Linguaphone Dutch Course. 1984. London: The
Linguaphone Institute. |
| Lubbe, H. van der, 1958. Woordvolgorde in het
Nederlands. Assen: Vah Gorcum. |
| Rall, M. 1981. ‘Se puede enseñar la necesidad de emplear partículas
intencionales?: Ein Experiment mit mexikanischen Studenten’. In: H.
Weydt (ed.), p. 123-136. |
| Rombouts, J. 1980. De relatie tussen het Partikel nog en Bepalingen van Tijd: Een pragmatisch en
Semantisch Onderzoek (= Antwerp papers in Linguistics, 21).
Antwerpen: Universitaire Instelling Antwerpen. |
| Rombouts, J. 1983. ‘Afwijkende visies op de “bijwoorden”: Hoogvliet,
De Groot en Roose over schakeringspartikels. In: F. Daems en L. Goossens
(reds.) Een Spyeghel voor G. Jo Steenbergen. Leuven:
Acco, p. 263-275. |
| Rooij, J. de en I. Wikén Bonde. 1972. Nederländsk
Grammatik. Stockholm: Spr kförlaget. |
| | | |
| Rössler, D. 1983. ‘Der Erwerb von Abtönungspartikeln im
institutionalisierten Lernprozess Deutsch als Fremdsprache’. In: H.
Weydt (ed.) Partikeln und Interaktion, p. 291-300. |
| Sassen, A. 1985. ‘Ontkenning ontkend: Over uitroepende zinnen en
zinnen met wel’. In: Spektator 14:
5, p. 363-368. |
| Schermer-Vermeer, E.C. 1984. ‘De betekenis van het woord TOCH in
samenhang met de rol van intonatie’. Forum der
Letteren, 25: 3, p. 208-219. |
| Schubiger, M. 1965. ‘English Intonation and German modal particles.
In: Phonetica 12, p. 65-84. Herdrukt in: D. Bolinger
(ed.) 1972, Intonation. Penguin, p. 175-193. |
| Schubiger, M. 1980. ‘English Intonation and German Modal Particles II:
A Comparative Study’. In: L. Waugh en C. van Schooneveld (eds.) The Melody of Language. Baltimore: University Park
Press, p. 2799-298. |
| Shetter, W.Z. 1984 (5). Introduction to Dutch: A
Practical Grammar. Leiden: Martinus Nijhoff. |
| Taglicht, J. 1984. Message and Emphasis: On Focus and
Scope in English. London: Longman. |
| Toorn, M.C. van den. 1981 (7). Nederlandse
Grammatica. Groningen: Wolters-Noordhoff. |
| Toorn-Danner, N. van den. 1984. Taalvaria: Keuze van
Onderwerpen uit de Nederlandse Grammatica en uit het Nederlandse
Woordgebruik. Amsterdam: Koninklijk Instituut voor de Tropen. |
| Vandeweghe, W. 1983. De Partikels van de al/nog/pas-groep
in het Nederlands. Een Semantische en Pragmatische Studie.
Dissertatie Gent. |
| Vorderwülbecke, K. 1981. ‘Progression, Semantisierung und Übungsformen
der Abtönungspartikeln im Unterricht Deutsch als Fremdsprache. In H.
Weydt (ed.) p. 149-160. |
| Westheide, H. 1985. ‘Eine kontrastive Analyse der Partikeln Dt. wohl und Nl. wel. In: Zeitschrift für germanistische Linguistik 13: 2, p. 186-202. |
| Weydt, H. (ed.) 1979. Die Partikeln der deutschen
Sprache. Berlin: De Gruyter. |
| | | |
| Weydt, H. (ed.) 1981. Partikeln und Deutschunterricht:
Abtönungspartikeln für Lerner des Deutschen. Heidelberg: Julius
Groos. |
| Weydt, H. (ed.) 1983. Partikeln und Interaktion.
Tübingen: Niemeyer. |
| Weydt, H. e.a. 1983 Kleine deutsche Partikellehre: Ein
Lehr- und Übungsbuch för Deutsch als Fremdsprache. Stuttgart:
Klett. |
| Zimmermann, K. 1981. ‘Warum sind die Modalpartikeln ein Lernproblem?’.
In: H. Weydt (ed.) p. 111-122. |
|
(1)Verslag van het
Achstste Colloquium van de Docenten in de neerlandistiek aan
buitenlandse universiteiten, 's-Gravenhage-Hasselt, 1983, p.
99
(2)Over de invoegselwoordjes van
Hoogvliet schrijft ook Hulshof (1980) en Van den Toorn verwijst ernaar
in zijn Nederlandse Grammatica (1981, 7, p.
229).
(3)Ik dank A. Janssen-Van Dieten en W.
Knibbeler, beiden medewerker van het ITT Nijmegen, voor het beschikbaar
stellen van verschillende cursussen ter bestudering.
(4)Ik dank Marcel van der Vorle voor de vruchtbare
gesprekken over modale partikels in het
vreemde-talenonderwijs.
|
|